Skip to main content

Full text of "Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch Indië"

See other formats


*% 



M 




iM. 




Jfat 



XM ,AX?^ 




NATUURKUNDIG TIJDSCHRIFT 



NEDERLANDSen INDIË 



UITGEGEVEN DOOR BE 



NATUURKUNDIGE VEREENIGING IN NEDERLANDSCH INDIE. 



o E c: Il X. 



NIEUWE SERIE. 



n E E li VII. 



BATAVIA, 

LANGE & CO. 
185 6. 

Hoofdredakteur p. bleekek. 



I ÜV II o IJ B 



VAN HET 



TIENDE DEEL (ZEVENDE DEEL DER NIEUWE SERIE); 



BLA.DZ. 

Retzia sive observationes botanicae, quas inprimis in horto butanico Bogo- 
riensi mensibus Pebruario ad Jnliuni 1855 fecit J. K. Hasskarl. Eu- 
gill. I 1 

Scheikundig onderzoek van een mineraalwater afkomstig van Tjipamiiigies in 

Biiitenzorg, door D. AV. Rost van Tonsingen. .... 253 

Beschrijving van eenen zelfregistrerenden regenmeter door T. Akkiëns. {Met 

afbeelding) 267 

Bijdragen tot de geologische en mineralogische kennis van Nederlandsch 
Tndië , door de ingenieurs van het mijnwezen. 

XIII. Onderzoek naar kolen aan de rivier Assam-assam, in de Tanah- 
laut, residentie Zuid- en oosterafdeeling van Borneo, door H. F. 

E. Rant 277 

XIV. Yzererts in de T::nahlaut, residentie Zuid- en ooster-afdeeling van 
Borneo, door H. Y. E. Rant. 2S2 



Verslag van de verrigtingen der geografische ingenieurs in de residentie Che 
ribun, door G. A. De Lange. ...... 



Geodesisch nivellement van de residentie Cheribon, door G. A. De Lange 
Tweede bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van het eiland Bin 

lang, door P. Bleekkr 3-15 

Zevende bijdrage tot de keunis der ichthjologische fauna van Ternate, door 

P. Bleekek 357 

Scheikuudig onderzoek eener jodiumhoudendc watersoort van Tagalwaroc-Ian- 

dcn, door J. J. Altheek. ........ 3S7 



Bladz. 
Novae species hepaticarum ex insula Java, detexit F. Junghuhn, descripsit 

C. M. Van der Sande Lacoste 393 

Voorloopig berigt over eene nieuwe WoltEa, door F. A. AV. IMic^uel . 399 
Eerste bijdrage tot de kennis der dipterologische fauna van Nederlandsch lu- 

dië, door C. L. Doi-eschall {Mei ^jZa^ew) 304 

Vergaderingen der Natuurkundige Verceniging in Nederlandscli Indië. 
Bestuursvergaderingen gehouden den 19n September, Sn November, In De- 
cember, lOn December 1S55, 5n Januarij, 19n Januarij en 25n Fe- 
bruarij 1856 . . . . 415, 417, 424, 430, 434, 442, 445 
Berigten van verschillenden aard: 
Aardbevingen en berguitbarstingen in den Indischeu Archipel . . . 450 
Benige opmerkingen omtrent het Broeboe- gebergte, door II. Zollinger. . 455 
Verrigtingen der ingenieurs van het mijnwezen in Nederlandsch Indië. . 457 

AVarme bron in bet distrikt Sadjira residentie Bantam 462 

Het water van Siminoeng, door J. J. Altheek 463 

Zollingeria een nieuw geslacht der Artemisieae, door C. H. Sciiultz. . 464 
Carcharias (Prionodon) amblyrhynchos, eene nieuwe haaisoort, gevangen na- 
bij het eiland Solombo, door P. Bleeker 467 

Visschen van Saparoea , door P. Bleeker. 4jG9 

Personaliën. ............ 470 

Index specierum piscium in voluminibus I ad X Diarii Socicatis Scientia- 

rum Indü-Batavae descriptarum. ....... 472 



•ör^.; 



•'^/G 



I N K o ü D 

VAN DE 

TWEE EERSTE SERIEËN (DEEL I — X) 

VAN HET 

NATUUKKUNDIG TIJDSCHEIFT 



NEDERLANDSen INDIK 

•■« »J 3-0@Ct-«f— ^ 

Astronomie. — Astronomische plaatsbepaling. 

Dl,. BL. 

H. D. A. Smits. Waarnemingen van de bedekking dei- 
ster II Sagittarii door de maan, op den 21sten April 
1851. II. 156 

H. D. A. Smits. AVaameming van de bedekking der ster 

Librae door de maan, op den Isten September 1851. II. 521 

S. H. De Lange. Waarnemingen voor de astronomische 

plaatsbepaling van Batavia III. 310 

S. H. De Laxge. (Berigt betreffende de wei-kzaamheden 

van den geograpbiscben ingenieur) III. 639 

S. H. De Laxge en G. A. De Lange. Astronomische 
waarnemingen gedaan ter bepaling der geographische 



^L 



S. H. De Lange en G. A. De Lange. Waarneming van 
maanszenith-afstanden ter bepaling der geographische 

lengte van Batavia VI. 277 

JySr. A. De Lange. Onderzoek naar de ongelijke dikte der 
22 tappen van het universaal instrument van Pistok en 



DL. UL. 

I\LvRTi.v , behoorende tot de werktuigen voor de sterre- 
kundige plaatsbepaling in Nederlandscb Indië. . ; VI. 448 

S. H. De Lange en G. A. De Lange. Waarneming ge- 
daan te Manado, ter bepaling der geographigclie lengte 
dier plaats VIL 2G1 

G. A. De Lange. Opgave der plaats eener ster welke 

den 4den Mei 1854 te Batavia is bedekt. . . IX. 150 



Meteorologie. 

J. Van Heiningen. Meteorologische Avaarnemingen, ge- 
daan gedurende eene reis van Nederland naar Java, 
aan boord van' het koopvaardij schip Gertrude, gezag- 
voerder A. Schaap I. 62 

P. J. BIaier. Uitkomsten der waarnemingen met den 
thermometer, psychrometer en bai'ometer in het jaar 
1846, gedaan te Weltevreden (Batavia) . . . I. 73 

H. D. A. Smits. Barometer- waarnemingen, verrigt aan 
boord van Zr. Ms. schoouerbrik Windhond, op eene 
reis van Nederland naar Oost-Indië in 1842. . . I. 76 

P. J. BIaier. Uitkomsten der waarnemingen met den 
thermometer, psychrometer en barometer, gedurende het 
jaar 1847, gedaan te Weltevreden I. 279 

H. D. A. Smits. Barometer- waarnemingen , verrigt door 
D. L. Wolfson aan boord van Zr. Ms. fregat Prins 
Hendrik der Nederlanden, gedurende eene reis van 
Nederland naar Java, in 1850. . : ... .1. 445 

S. H. De Lange. Weerkundige Avaarnemingen , verrigt 
aan boord van het Nederlandsche schip Europa, gezag- 
voerder D. Keus, gedurende eene reis van Nederland 
naar Java. . . . . . . . ' . .1. 451 

H. VoN. Dewall. Beschrijving van een zeldzaam natuur- 
verschijnsel. I. 465 

Waargenomen regendagen ter hoofdplaatse Batavia van 

1829 tot en met 1850. ; L 467 



P. J. jMaier. Uitkomsten der waarnemingen met den 
tliermometer , psyclirometer en barometer, gedurende het 
jaar 1848 gedaan te Weltevreden 4,5 ned. el boven zee. II. 280 

J. J. LiN'DGREEX en G. F. De BruijxKops. "Weêrkun- 

kundige waarnemingen te BanjoeAvangi verrigt.. . .II. 343 

E. Kkeijen^bekg. Uitkomsten der waarnemingen met den 
thei'mometer , psyclirometer en hyometer, gedurende liet 
jaar 1851 gedaan te Simpang, bij Soerabaja. . . III. 340 

E. Kreijexberg. Uitkomsten der waarnemingen met den 
thermometer, psychrometer en hyeometer, gedurende 
het jaar 1852, gedaan te Soerabaja. . . . IV. 627 

T. AKRiëxs. Meteorologische waarnemingen, gedaan op 
eene reis van Nederland naar Java van 1 Augustus 
tot 15 November 1851 met het schip Java, gezag- 
voerder L. Tuk V. 203 

T. ARRiëxs. Over den aneroïde-barometer. . . .V. 213 

A. G. A. L. Basslé. Meteorologische waarnemingen 
op het eiland Decima gedurende eene zonsverduistering 
op den Uden December 1852, van af 's morgens 10 
uur tot 2 uur in den namiddag. .... VI. 451 

P. F. H. Fromberg. Over den invloed door verminde- 
ring of uitroeijing van houtbosschen uitgeoefend op het 
klimaat. ......... VIII. 53 

J. K. Hasskarl. Meteorologische waarnemingen gedaan 
op eene reis van de westkust van Zuid- Amerika naar 
Java , aan boord van Zr. Ms. fregat Prins Frederik der 
Nederlanden , gedurende de maanden Augustus tot De- 
cember 1854 , . IX. 357 

J. K. Hasskarl. Korte aanteekeningen behoorende tot 
de meteorologische waarnemingen gedaan op eene reis 
van Callao de Lima naar Makassar aan boord van 
Zr. Ms. fregat Prins Frederik der Nederlanden in de 
maanden Augustus tot December 1854. . . . IX. 385 

T. ARRiëxs. Beschrijving van eenen zelfregistrereu- 

deu regenmeter (met afbeelding). . . . . X. 267 



DL. BL. 

Geologie, Geognosie, Oryktognosie. 



Vulkanische verschijnselen. 

Aardbeving op Banka. . . . . . . . I. 86 

Uitbarsting van den berg van Ternate. . . . I. 86 

Instorting van den top van den Lamongan. . . . I. 87 

Vulkanische uitbarsting op Poeloe Komba of Batoctara. I. 87 
Aardbeving in Madioen en Kediri. . . . .1. 153 

Werkzaamlieid van den vulkaan Lobetolle op liet eiland 

Lomblen. ......... I. 153 

P. Bleekek. De Tankoeban-pralioe in Oktober 1850. I. 154 
C. L. M. ScHWAXEK. Bijdrage tot de kronijk der aard- 
bevingen en vulkanische verschijnselen in Nederlandsch 

Indië. . I. 295 

Aardbevingen op Amboina. ...... I. 308 

Aardbeving in Kediri. . . . . . . I. 463 

J. Hagemax Jcz. Chronologisch overzigt der gebeurte- 
nissen in de natuur van Java in 1850. . . . I. 463 

Aardbeving in Padang. II. 180 

Aardbeving te Batavia ; . II. 180, 523 

Uitbarsting van den vuurberg van Ternate. . . .II. 343 

Aardbeving in de Lampongsche distrikten. . . .II. 344 

Uitbarsting van den vulkaan op Poeloe Komba. . II. 523 

Aardbeving in Banjoemas. . . . . .II. 523 

J. Hage:^ian Jcz. Chronologisch overzigt der vulkanische 

verschijnselen op Java gedurende het jaar 1851. . III. 117 
Aardbevingen in de Molukken, in het laatst van 1851. III. 118 
Aardbeving in westelijk Java en zuidelijk Sumatra op 

den 9clen Januarlj 1852 III. 119 

Aardbeving in de residentiën Madioen en Kediri en in de 

afdeeling Patjitan, op den 27sten Januarij 1852. . III. 120 
Aardbeving in de residentie Cheribon op den 22sten 

Maavt 1852 III. 337 

Uitbarsting van den Gedeh op den 205teii Mei 1852. . III. 338 



V. 



DL. BL. 



Nog iets over de aardbeving op Bali van 17 Februarij 

1848. III. 339 

S. L. P. D. NiEPCE. Aanteekeningen van de aardschud- 
dingen Avaargenomen te Indraraajoe in 1847. . . III. 482 
Aardbeving te Kediri, waargenomen den 2den Julij 1852. III. 484 
Aardbeving te Banjoemas op den 12den September 1852. III. 639 
Eruptie van den vulkaan van Poeloe Ivomba. . . UI. 639 
Aardbevingen op Java in Oktober, November en Decem- 
ber 1852 III. 8G0 

Aardbeving in de Padangsche bovenlanden op den 20sten 

Junij 1852 III. 863 

J. HAGEMA.N Jcz. Chronologisch overzigt der vulkanische 

verschijnselen op Java, gedurende 1852. . . . IV. 198 
Aardbeving ter Sumatra's westkust. .... IV. 201 
Aardbevingen in de Molukken op het einde van 1852 eu 

in de eerste maanden van 1853. .... IV. 201" 
Aardbevingen in de Lampongsche distrikten in 1852. . IV. 202 

Aardbeving te Tjilatjap IV. 203 

Buitengewone Averking van den Gedeh. . . . IV. 203 

Aardbeving in de Lampongsche distrikten. . . . IV. 415 

Aardbevingen in de Molukken IV. 415 

Aardbevingen in den Indischen Archipel. . . , IV. 415 
J. Hageman Jcz. Chronologisch overzigt der vulkani- 
sche verschijnselen op Java, gedurende 1853. . . V. 543* 
Aardbeving in de residentie Cheriljon. . . . .V. 364 

Aardbeving ter Sumatra's Westkust. . . . .V. 365 

Aardbeving op Banda. . . . . . . . ' V. 365 

Aardbeving te Manado. . . . . . . V. 365 

De magneet, een middel om op handen zijnde aardbe- 
vingen te voorspellen. ...... V. 366 

Vulkanische verschijnselen in den Indischen Archipel. V. 161, 

[363 en 536. 
Over een nieuw uit zee opgerezen eiland in de nabijheid 

der Keij-eilanden. ...... .VII. 159 

Aardbevingen in den Indischen Archipel. VII. 331, 485, VIII. 189 

[IX. 334, 518 



J. Hagemax Jcz. Iets over de grooto uitbarsting van 

den Kloed op den 16n Mei 1848 VII. 486 

J. Hageman Jcz. Overzigt der vulkanische verschijn- 
selen op Java in 1854 Vm. 338 

Aardbeving te Batavia den 30sten Maart 1855. . . VIII. 339 
Aardbeving te Brakoe, eiland Engano. . . . Vul. 339 
Aardbeving in West- Ja va op den 30sten en 31 sten Maart 

1855. . . . : . . . . . IX. 152 

C. De Groot. Nota van aardbevingen op het eiland 

Batjan en te Buitenzorg waargenomen. . . . IX. 152 
Over den invloed der aardbevingen op magneten. ; . IX. 336 
Aardbevingen en berguitbarstingen in den Indischen Ar- 
chipel X. 450 



Minerale wateren. 

F. J. Maiee. Scheikundig onderzoek van eenige op Java 

voorkomende minerale wateren. . . . . I. 33 

1. INIinerale bron te Pelantoengan op de grenzen van 
Samarang. . . ; . . . . . I. 35 

2. INIinerale bron te Assinan. I. 44 

3. Mineraalwater te Gebangan. . . . ; . I. 115 

4. Mineraahvater te Njonno I. 124 

5. Het water der Modderwellen te Koewoe. . . I. 127 

6. Onderzoek van Avater uit de Ja va-zee. : . .1. 130 

7. Onderzoek van gouvernements keukenzout, uit In- 
disch zeewater bereid. . : . . . " . I. 133 

8. Mineraalwater te Sisippan nabij Pondok gedeh, in 
Buitenzorg. I. 283 

9. Minerale bron Pelantoengan te Goenoeng Sahari na- 
bij Soerabaja : I. 387 

10. Minerale bronnen in de nabijheid der dessa Moloong 

nabij Soerabaja I. 394 

11. AVarme bronnen te Tjiratjas in de residentie Krawang. II. 41 

12. Warme bronnen Ajer Batoe-kapor in de residentie 
Krawang : . ü. 48 



VII. 



DL. BL. 

13. Warme bron Tjibcroeboe in de residentie KraAvaug. II. 52 

14. Mineraalwater voorkomende in de Kawa Domas, 

eene solfatara van den Tankoeban pralioe. . . II. 287 

15. Mineraalwater voorkomende in de solfatai-a Tjibe- 
roeboe , residentie Krawang. ... . . .11. 203 

IG. Minerale bronnen AjerAssiu in de residentie Krawang. II. 299 

17. Minerale bron Tjipabla in de residentie KraAvang. . II. G37 

18. Minerale bron Tjipannas in de residentie KraAvang. II. 644 

19. Mineraalwater Banjoeassin in het regentschap Poer- 
woredjo, residentie Bagelen. .... III. 33 

20. De warme bronnen te Tjipannas, nabij paal G4 in 

de Preanger regentschappen III. 175 

21. Warme minerale bronnen, voorkomende op de noord- 
noordoostelijke helling van den Gedeh, ter hoogte 

van 6775 rijnl. voeten. III. 184 

22. De warme bronnen Tjipannas bij Lembang in de 
Preanger regentschappen. : . , . . III. 189 

23. De arragonietheiivels van Koeripan en hunne mine- 
rale wateren III. 4G1 

24. Warme minerale bron, gelegen op de grensschei- 
ding van Lembang en Djamboedwipa , residentie 
Preanger regentschappen. ..... III. 471 

25. De zoutwaterbron Penassinan in de residentie Tagal IV. 393 

26. De warme minerale bron te Koeningan, in de resi- 
dentie Cheribon IV. 398 

27. Mineraahvater van deu zuidoostelij ken voet van den 
Goenoeng Goentoer, in de Pi-eanger regentschappen. IV. 404 

P. J. Matf.k- ISIineraalwater in de modderwellen op 

Poeloe Kambing en Poeloe SamauAv . . . I. 156 
CoRXs. DE Groot en P. J. INIaiek. De minerale bronnen 

te Kedongwaroe in de residentie Soerabaja. . . I. 473 
P. J. Maier. Nog iets over het minerale water Sisip- 

pan in de residentie Buitenzorg, nabij Pondok Gedeh. II. 524 
D. W. Rost Van Toxxin'Ge.v. Mineraalwater van Ivali- 

anda in de Lampongsche distrikten. . . .II. 525 



VIII. 

DL. BL 

P. J. IMaier. Sclielkunclig onderzoek van twee minerale 
wateren van Japan. 

1. De minerale bron Oeresino III. 477 

2. De minerale bron Takiwo. III. 480 

J. P. Vax Eouveroij van . Nieuwaal. Scheikundig on- 
derzoek van minerale wateren van het eiland Ba- 

wean III. 841 en 609 

Minerale wateren van Maros op Celebes. . . . III. 342 
P. J. Maier. vScheikiindig onderzoek van water uit het 
kratermeer van den Telaga bodas en van het minerale 
water , ontspringende in de voornaamste solfatara in den 

rand van het kratermeer IV. 141 

D. W. Rost van Toxningex. Over het specifiek ge- 

wigt en gehalte aan zout van het zeewater. . . IV. 638 
P. J. IMaier. Scheikundig onderzoek van minerale wa- 
ter aan den noordoostelijken voet van het Pallmanang- 
gebergte. ........ V. 481 

P. J. IMaier. Over de jodiumhoudende minerale bron- 
nen van Java en de bereiding daaruit in het groot 
van jodium. ........ V. 264 

D. W. Rost vax Ton'xixgen. Kwantitatieve analyse van 
een mineraalwater, afkomstig uit een bron nabij de 
dessa Pesantren in het regentschap Temangoong, re- 
sidentie Kadoe. VI. 131 

D. W. Rost van Tonxixgek. Kwantitatieve analyse van 
een mineraahvater afkomstig uit de residentie Rembang 

distrikt Ngavi afdeeliug Blora VI. 137 

P. J. Maier. Scheikundig onderzoek van het mineraal- 
water uit de modderwel , vooi'komende op een paal af- 
stands van de dessa Laban, distrikt Goenoeng Kending, 
regentschap Soerabaja ...... VI. 389 

Over den Tapaloe en eenige minerale wateren van Manado VI. 367 
Warme bron in de vallei van Telokbetong. . . VI. 536 

R, F. De Seijff. Warme bronnen in de bleine baai 
Baujoewedan, eene inham der St. Nikolaas-baai nabij 
de noordkust van het eiland Bali. .... VII. 335 



P. J. Maier. Sclielknndig onderzoek van liet minei-aal- 
water, voorkomende de solfatara van den Goenoeng 
Wajang VII. 150 

J. J. Altheeu. Scheikundig onderzoek van liet mine- 

raahvater uit de solfatara van Tjitrap.in Noord-Banten YII. 317 

P. J. Maier. Scheikundig onderzoek van putwater voor 
komende op een erf gelegen aan de westzijde van 
het Koningsplein te Batavia ..... VII. 4G1 

J. J. Altheer. Scheikundig onderzoek van het afzet- 
sel uit het -water der warme bron Sigoriti , afdeeling 
Malang, residentie Pasoeroean. .... .VIIISSD 

P. J. Maier. Scheikundig onderzoek van het artesische 
putwater op het koraaleilandje Onrust, benevens eene 
opgave der bij de putboring aangetrofFene lagen. . IX. 73 

J. J. Altheer. Scheikundig onderzoek ven het mineraal- 
water Banjoewedan nabij de noordwestkust van het 
eiland Bali. . . . . . . . . IX. 101 

P. J. Maier. Scheikundig onderzoek van het mineraal- 
water, voorkomende in de solfatara Kawa IManok, 
residentie Preanger regentschappen, afdeeling Bandonn- IX. 123 

J. J. Altheer. Scheikundig onderzoek van eenige mi- 
nerale wateren van Ngantang, afdeeling Malang, resi- 
dentie Pasoeroean. . . . • . . , . IX. 457 

D. W. Rost vax ïonxixgex. Scheikundig onderzoek 
van een mineraalwater afkomstig van Tjiparaiengies 
in Buitenzorg. ........ X. 253 

J. J. Altheer. Scheikundig onderzoek eener jodium- 

houdende watersoort van de Tagalwaroe-landen. . X. 387 

Warme bron in het distrikt Sadjira, residentie Bantam. X. 462 

J. J. Altheer. Het water van Siminoeng. . . X. 463 



Scheikundig onderzoek van Mineralen. 

J. H. Croockewit Hz. Metallisch bismuth op het ei- 
land Banka gevonden. . . . . . . I. 89 



DL. BL. 

Lood cn koper van Sumatra. II. 184 

A. SciiAKLEE. Kwikei'ts en kwik van Sumatra scheikun- 

onderzoclit. III. 322 

P. J. ]Maier. Onderzoek van lood-, koper-, kwik- en 
ijzer-ertsen en van kolen door den heer H. W. Schwa- 
KEFELD op de westkust van Sumatra aangetroffen . III. 831 

J. H. Croockewit Hz. Over de smelting (herleiding) 

van den tinerts door de Chinezen op het eiland Banka. III. 795 

J. H. Croockewit Hz. Scheikundig onderzoek van tin- 
erts afkomstig van het eiland Banka. . . . . IV. 213 

P. J. ]\Iaier. Nieuw onderzoek van kwikerts van Suma- 
tra en onderzoek van kortelings ontdekte koperertsen 
aldaar ^ IV. 577 

Kopererts in Sambas op Borneo. . . . .II. 346 

W. R. Severixg. Scheiding van het nikkel van kobalt, 

mangaan, ijzer en andere metalen. .... III. G41 

P. J. BIaier. Onderzoek van koperzand uit het gebergte 
Tampi, nabij de groote Penitirivler in de afdeeling 
Sambas Hl. 53G 

Kopererts gevonden bij de steenkolenbeddingen op Batjan. IV. 204 

J. H. Croockewit Hz. Scheikundig onderzoek van ijzer- 
erts, voorkomende in de adsistent-residentie Krawang V. 219 

J. H. Croockewit Hz. Scheikundig onderzoek van 

looderts van Mandheling (Sumatra's "Westkust) . V. 475 

P. J. ISIaier. Over eenige ertsen en mineralen, afkom- 
stig van de Padangsche bovenlanden. . , . V. 2G9 

P. J. BIaier. Steenkolen gevonden aan de Meeuwenbaai V. 275 

P. J. Maier en J. Locdox. Iets omtrent het voorkomen 

van tin op het eiland Biliton. .... VI. 339 

P. J. IMaier. Ijzererts van Goenoeng Bessi, westeraf- 

deeling van Borneo. ...... VI. 1G4 

J. H. Croockewit Hz. Scheikundig onderzoek van pouz- 
zolane-aarde aitomstig van den berg Weiiran in Oost- 
Java VIII. 137 

P. J. IMaier. Scheikundig onderzoek van obsidiaan VI. 301 

D. W. Rost Van- Tokxikgen-. Scheikundig onderzoek van 



DL. BL. 

eene aluinsoort, gevonden in eene solfatara van den 
Goenoeng Wajang . . . . . . . I. 137 

D. W. Rost van Toxxixgen. Cheraiscli ondei^zoek der 

vulkanische asch van den vum-berg van Ternate. . II. 275 

D. W. Rost van Tonxixgen. De vulkanisclie ascli van 
den berg Merapi scheikundig onderzocht en in verband 
beschouwd met andere soortgelijke asschen. . II. 4G1 

J. H. Ckoockewit Hz. Scheikundig onderzoek van 
zwavel, afkomstig van den berg Talaug (Sumatra's 
Westkust) en van den berg Tangkoeban prahoe (adsis- 
tent-residentie KraAvang) V. 4G3 

D. W. Rost van Tonningen. Scheikundig onderzoek 

van koraalkalk. IV. G38 

J. J. Altheer. Scheikundig onderzoek van zand van 

Blanado . .VII. 489 

P. J. IVIaiek. Steenkolen, voorkomende op 3 palen zuid- 
oostelijk van Banjoe-irang, nabij de rivier Maloeka 
(zuidoostelijk Borneo) ...... IV. C37 

J. IL Croockewit Hz. Scheikundig onderzoek van ko- 
len afkomstig van de westpunt van Java nabij de Meeu- 
wenbaai. VI. 85 

J. H. Croockewit Hz. Scheikundig onderzoek van 

steenkolen. VI. 123 

J. J. Altheer. Scheikundig onderzoek der delfstof wel- 
ke sommige arbeiders in het steenkolen-etablissement 
Oranje Nassau op Borneo eten. .... VI. 380 

G. J. Mulder. Rapport van een scheikundig onderzoek 

van kolen gevonden aan de Meeuwenbaai . . IX. 443 



Geologie, Geognosie. 

P. J. Maier. Voorkomen van bijzonder schoon gekristal- 
liseerd bergkristal I. 4G6 

A. J. F. Jansen. Over het voorkomen van kwikzilver 

in Demak I. 470 



XII. 

DL. BL. 

Bijdragen tot de geologische en mineralogisclie kennis 
van Nederlandsch-Indië , door de ingenieurs van liet 
Mijn^vezen in Nederlandscli Tndië. .... 

1. C. De Groot. Eiland Bawean II. 263 

2. O. F. U. J. J. HuGUEXix. Chemisch onderzoek van 
zAvart zand en een zv^^art mineraal van de zuidoostkust 

van Borneo en Poeloe LaAvut. . . . • . . III. 113 

3. G. De Groot. Eiland Blltong (Biliton) (met kaarten 

en platen) III. 133 

4. F. C. H. LiEBERT. Onderzoekingen in de residen- 

tiën Samarang en Kadoe IV. 435 

5. CoRXs, DE Groot. Eiland Madura. . . . IV. 445 

6. O. F. U. J. HuGUENix. Mijnbouwkundig onderzoek 
der koperertsen in de residentie Padangsclie boven- 
landen VI. 223 

7. K. EvERwiJN'. Voorloopig onderzoek naar kolen in 
de landschappen SalimbouAV, Djonkong en Boenoet 

in de residentie Westerafdeeling van Borneo. . . VIL 379 

8. S. ScHREUDER. Onderzoekingen naar steenkool in 
de afdeeling Maros of noorderdistrikten van het gou- 
vernement Celebes en onderhoorlgheden . . .VII. 388 

9. R. EvER-\viJX. Verslag van een onderzoek naar de aan- 
gelegenheden der goudgroeven in het landschap Landak. VIL 396 

10. Aquasie BoACHi. Onderzoek naar de kolen, gevon- 
den langs het strand der Meeuwenbaai, residentie Ban- 
tam IX. 49 

11. R. Everavijx. Onderzoek naar kopererts bij het ge- 
bergte Tampi aan de Peniti-rivier , en verdere reis 
door een gedeelte der landschappen INIandoor en Mam- 
pauwa. ......... IX. 53 

12. R. EvERAviJX. Onderzoek naar tinerts in de land- 
schappen Sockadana, Simpang en Matam en naar 
antimoniumerts op de Karimata-eilanden. . . . IX. 58 

13. H. F. E. Raxt. Onderzoek naar kolen aan de rivier 
Assam-assam in de Tanalaut , residentie Zuid- en oos- 
terafdeelins: van Borneo ...... X. 277 



XIII. 

DL. BL. 

14. H. F. E. Rant. Yzererts in de Tanah-laut, Zuid- en 

oostafdeeling van Bornco X. 282 

H. Vax Gaffkox. Verslag over de goudmijnen in liet 

westelijk gedeelte van Tanah-laut (Borneo) . . II. 30 

Rapporten betreffende de exploitatie der mijnen in Ne- 

derlandsch-Iudië. II. 73 

Tinontginning op Biliton. . . . . . .II. 316 

Over de ontdekking van tin op Ceram. . . .II. 6G8 

J. Hageman. Over goud op Java . : . .II. 182 

P. J. Maier. Voorkomen van dubbelspaath (kalkspaatli) 

in de Preanger regentscLappen . . . . . IL 181 

C. F. A. ScHXEiDER. Geognostisch uitstapje naar de 

zuidkust van Ceram. ..;.... III. 101 

J. H. Croockewit Hz. De Diamantgronden van Koesan. III. 316 

J. H. Croockewit Hz. Uittreksel van het rapport eener 

reis over het eiland Billiton. ..... III. 355 

G. Wassixk. Kwikmijnen op Sumatra III. 108 

J. H. Croockewit Hz. Over het voorkomen van zand- 
steen op Biliton IV. 416 

C. M. Schwan'er. Geologische uitstapjes in de omstreken 

van Buitenzorg voornamelijk op den Salak. . . V. 369 

H. Vox Gaffrox. Mededeeling aangaande den ijzererts , 
gevonden ten noorden van kampong Tembaga in Ta- 
nah-laut (zuidoostkust van Borneo) • . . .V. 225 

H. Vox Gaffrox Beschrijving van den grooten diamant 

te Mattam op Borneo ...... VI. 165 

Verrigtingen der mijningenieurs in Nederlandsch Indië VI. 364 , 536 
[Vn, 332, 487, Vm. 190, IX. 153, 337, 521, X. 457 

A. Van der Hart. Aardlagen, gevonden bij de boring 

eener artesische put te Makassar VII. 485 

T. AjiRiëxs. Beklimming van den vulkaan Kloed in 

September 1854 VII. 453 

C. A. Bexsex. Over eene solfatara nabij Tjitrap in 

het noorden der residentie Banten. . . . VII. 286 

F. W. H. KuiJPERS. Sumatrasohe zwavel . . .VIL 160 

R. F. De .Seijff. Togt naar den vulkaan Bator op het 

eiland Bali (met afbeeldingen). . . .VIII. 119 



XI v; 

DL. DL. 

J. C. Ross. Review of the tlieorij of Coral-formation seth 
forth bij Ch. Daewin in his book entitled: Resear- 
ches in Geologij and Natural Historij. . . . VIII. 1 

Kopererts van Batjan VIII. 191 

J. C. J. Smits. Diamantputten van Wauwaan, Zuid- en 

Oostkust van Borneo. VIII. 340 

H. ZOLLIXGER. Eenige opmerkingen omtrent liet Broeboe- 

gebergte. . . , . . . . . . X. 453 

G. M. Bleckmax. Een bezoek van de steenkolenmijn van 

Pengaron I. 319 

Uitgestrektheid der kolenlagen van Riam en Pengaron 

(Oranje-Nassau) II. 183 

C. M. ScHWANER. Hz. Reis naar en aanteekeningen be- 
treffende de steenkolen van Batoe-belian (zuidoost- 
kust van Borneo), bewerkt door J. H. Croockewit Hz. III. 673 

Steenkolen van Batjan. .... . . IV. 204 

Bruinkolen van Palembang IV. 416 

G. F. De Brüijx Kops. Togt naar de Reteh-rivier ter 

onderzoeking van steenkolenlagen IV. 611 

P. J. Maier. Onderzoek naar steenkolen in de nabijheid 

der Meeuwenbaai (zuidwesthoek van Java) . . V. 353 

H. Vox Gaffrox. Geognostische tabel der rotssoorten 

van den berg Pengaron ...... VI. 145 

Ontginning van steenkolen op Batjan .... VT. 163 

Voorkomen van steenkolen aan de Kapoeas, Westerafdee- 

ling van Borneo. . ..... VI. 164 

Stceukolenvorming ....... VI. 168 

"W. M. Smit. Vervolg van het onderzoek naar steenko- 
len in de nabijheid der INIeeuwenbaai (zuidwesthoek 
van Java ........ VI. 509 

Bruinkolen aan de grens van Batavia en Bantam. . IX. 337 



H. D. A. Smits. Rapporten betreffende de pontianaksche 
steenkolen, welke aan boord van Z.M. Stoom-advies- 
vaartuig Tjipannas beproefd zijn I. 305 



XV 



DL. BL. 

CoRXs. DE Geoot, P. A. Mattiïijsek en J. F. Koop- 
IIAK. Verslag van proeven met inlandselie steenkolen, 
genomen in April 1852 aan boord van Z.M. stoom- 
schip Vesuvius. ........ III. 341 

Eegeringsbesluit omtrent de werkzaamheden der inge- 
nieurs van. het mijnwezen in Nederlandsch ludië . III. 3-18 



. Geographie, Geodesie, Hijpsometrie , Hijdrographie. 

G. F. De Brüijx Kops. Bijdrage tot de kennis der noord 
en oostkusten van Nieuw-Guinea (met kaart). . I. 163 

P. J. IMaiek. Vergelijking van den aneroïden-barometer 
met den barometer van Pistok en BIaetixs, gedurende 
een uitstapje naar het KraAvangsche in Oktober 1850. I. 155 

H. L. OsTHOFF. Topographische schetsen van Sumatra. II. 13-4 

D. W. C, Barok van Lijnden en J. Groll, Aantce- 
keningen over de lauden van het stroomgcbjled der 
Kapoeas. ........ II. 537 

D. W. C. Baron van Lijnden. Bijdrage tot de kennis 
van Solor, Allor, Rotti, Savoe en omliggende eilan- 
den II. 317, 388 

G. F. De Beüijn Kops. Schets van den Riouw-Lingga 

Archipel IV. 41, 303 

S. H. De Lange. (Berigten betreffende de wetenschap- 
pelijke reis in de residentie Manado van den gcogra- 
pischen ingenieur) IV. 1G5 

1 S. H. De Lange. Berigten betreffende de reis . . IV. 1G6 

2 G. A. De Lange. Uitstapje naar Kotta boena en be- 
schrijving van de gouddelving aldaar . . . IV. 170 

S. H. De Lange, Verslag der reis van de geographischc 
ingenieurs S. H. De Lange en G. A. De Lange van 
Batavia naar de residentie Manado en terug van 23 
Januarij 1852 tot 20 Maart 1853 . . . . V. 1 

Kort overzigt der verrigtingen van de geogi'aphishc in- 
genieurs over het Ie kwartaal 1855 , IX. 150 



DL. BL, 

G. A. De Lange. Verslag van clü verrigtiiigeu der geo- 

grafisclie ingenieurs in de residentie Clieribon . . X. 291 

G. A. De Lange. Geodesiscli nivellement ven de re- 
sidentie Cheribon X. 353 

P. J. Maier. Hoogte van eenige plaatsen in liet Kra- 

wangsclie boven de oppervlakte der zee. . . .1. 303 

H. L. OsTHOFF, HoKNER en S. MüLLEK. Barometer waar- 

• nemingen in de jaren 1834 — 1839 verrigt op Suma- 

tra; verzameld en berekend door H. L. Osthofp . IL 153 

G. A. De Lange. Iets over de opname van Frankrijk, 
voorgelezen in de vierde algemeene vergadering der 
Natuui'kundige Vereeniging in Nederlandsch Indië ge- 
houden den IGnFebruarij 1854 . . . .VIL 136 

Overzigt van de bijdrografische verrigtingen in den In- 
disclien Archipel, gedurende de laatste jaren. Uit- 
treksel uit het verslag van de Averkzaamheden der 
kommissie tot verbetering der Indische zeekaarten 
gedurende het jaar 1853 VIL 1 

Verslag van de kommissie tot verbetering der Indische 
zeekaarten omtrent de verrigtingen gedurende het jaar 
1854, in het belang der hijdrographie van Neder- 
landsch Indië IX. 439 

G. F. De Bruijn Kops. Over eenige onderzoekingen in 
den Oceaan, voorgedragen in de 4e algemeene verga- 
dering der Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch 
Indie, gehouden den 16n Februarij 1854. . , VI. 427 

Berigt omtrent de kaart van straat Makassar van den 

luitenant ter zee 1ste klasse H. D. A. Smits . II. G65 

H. D. A. Smits. Over de getijden in Nederlandsch Indië . II. 365 

A. D. A. Smits. Uitnoodiging om scheepsjournalen te 

bekomen. ......•• II- 356 

Cirkulaire van de kommissie tot verbetering der Indische 
zeekaarten over de winden in den Indischen Archi- 
pel IL 666 



XVII. 



Botanie. 



J. E. Teijsjian^^. EenigG aanteskeningeu omtrent de Cij- 

cas circinalis L. ....... I. 109 

J. E. Teijsmanx en S. Bixnexüijk. Over eeno nleinvc 

soort van Rafflesla (met platen) .... I. 425 

J. E. TEIJSMAX^l en S. Bixxen'dijk. Nieuwe planten- 
soorten ■ in 's lands plantentuin te Buitenzorg. . II. 303, 

[III. 32G, IV. 393, 

J. E. TEijSiiA.x.\ en S. Bixne.vdijk. Bijdrage tot de 

kennis der vi'ouwelijke bloem van Rafflesia Rochusseuii II. 352 

Nieuwe plantensoorten van Java en Sumati'a . . II. Gu9 

GoTTSCHE. Muscorum hepaticorum species novae java- 

nenses IV. 573 

J. E. Teijsmanx en S. Bin-men'dijk. Nieuwe planten- 
soorten belioorende tot de orde der Orehideën in 's 
Lands plantentuin te Buitenzorg . . . .V. 137 

Hepp. Species licheuum javanenslum novae collectioni.'i 

Zollingerianae, VI. lil. 

P. W. Korthals. Bijdrage tot de kennis der Chrijsoba- 

laneae van Nederlandsch Oost-Indië. . . .VII. 20G 

Florae Archipelagi indici species novae. . . . VIII. 44 

J. Iv. Hasskarl. Verslag van het werk getiteld: Plan- 
tae Junglmianae, Euuraeratio plantarum in quas in- 
sulis Java et Sumatra detexit Fr. JüNGiiunx . VIII. 4GI 

J. J. Altheer. Iets over Aracliis hijpogaea (met af- 
beeldingen) VIII. 127 

J. E. Teijssmank. Uittreksel uit een dagverhaal eener 

reis door Midden -Ja va. ..... .VIII. 195 

J. E. Teijssjiaxx. Iets over de Widjojo koesoemoe (Pi- 

sonia sijlvestris Teijsm. Binn.) .... IX. 349 

J. K. Hasskarl. Retzia, sive observationes botanicae quas 
iuprimis in horto botauico Bogoriensi mensibus Fc- 
bruario ad Julium 1855 fecit. . . . . . X. 1 

C. M. Van der Sande La Coste. Novae species hepa- 
ticarum ex insula Java, detexit Fr. Junguhx, de- 
scripsit) X. 393 



XVIII. 

DL. BL. 



F. A. W. jNIiquel. Voorloopig berigt over eene nieuwe 

Wülffia X. 399 

C. H. SciiULTZ. Zollingerla een nieuw geslacht der Ar- 

temisiae ......... X. 46-4 



Botanische tuin te Weltevreden I. 91 

J. E. Tkijshann. 's Lands plantentuin te Bultenzorg iu 

1850. I. 431 

G. Wassink. Enumcratio plantarum in horto botanico 

nosocomiali bataviensi cultarum . . . .11. 656 

G. J. Filet. Tweede katalogus der in den botanischen 

tuin van het groot militair hospitaal te Weltevreden 

aangekweekt wordende planten .... VII. 19 

Botanische reis van den heer J. E. Teijsmaxx . IV. 206 



Kultuurgewassen. Phytochemie. 

J. Van' Heijxixgex. Bidoeri-wol . . . . I. 158 

J. Vak Heijningen. Wongski, verfstof van de Gardenia 

grandiflora L. . . . . . . . . I. 159 

P. J. Maiek. Iets over de aanwending van dubbel-zAva- 
velio-zure kalkaarde (bisulfite de chaux) bij de berei- 
ding van suiker. . . . . . . .1. 309 

C. Swaving. Over het slagen der kuituur van de Do- 

lichos uniflorus op Java. I. 311 

J, E. Teijsjiann. Gctah pertja en andere gctahsoorten 

in 's Lands plantentuin te Buitenzorg. . . .1. 476 

J. E. Teijsjiann. Over de wenschelijkheid van de kui- 
tuur der zoete en bittere Kassa ve op Java , vooral 
met het oog op mislukking der rijstkultunr. . . II. 311 

A. Meis. Getah pertjah in Palembang, als artikel van 

industrie . . . . . . . . . II. 184 

G. Wassink. Kinakultuur op Java . . . .II. 353 

Suikerkultuur iu Pasoeroean en Soerabaja . . .II. 354 

P. J. Maiek. RIciiiusulic uit den plantentuin van het 



XIX. 



DL. BL. 

groot militair hospitaal te AVeltevreden. . , .II. 352 

Houtsoorten van Riouw. ...... III. 345 

P. F. H. FroMberg. Uittreksel uit een verslag over de 
oorzaken der uitsterving van kofiijboomen in de re- 
sidentie Kadoe. ....... III. 195 

G. Wassixk. Kina-kultuur op Ja va III. 343 

F. D J. Vax der Paxx. Kunstmatige bevruchting der 

vanille te Buitenzorg. ...... III. 481 

PI. D. A. Smits. Over de gambierkultuur . . . III. 485 

Koffij-thee III. 121 

Produktie van gomelastiek (kollelet) in Tjiriugin, resi- 
dentie Bantam. ....... III. 643 

J. E. Teusmann. Handleiding tot het verzenden van 
zaden en levende planten en het bevïraren van her- 
baria of het di;oogen van planten. .... III. 623 

P. J. BIaier. De Lagamolie van Sumatra . . . III. 487 
P. F. II. Fromberg. Over het watergehalte van ver- 
schillende luchtdrooge koffij soorten eu de daarvan afhan- 
gende hoedanigheden. ...... III. 497 

P. F. H. Fromberg. Verslag van de uitkomsten der Mel- 
sensproeven, gedaan inde suikerfabriek Oedjong- roes- 
si in de residentie Tagal, werkende met toestellen 
van Derosne en Cail, in het jaar 1850. . . . III. 783 

Getah pertjah in de westerafdeeling van Borneo . IV. 420 

P. F. H. Fromberg. Over het stelsel van ondergronds- 
drooging (drainage) en zijne toepasselijkheid voor het 

eiland Java IV. 517 

L. Weber. Wijze om regenwater te verzamelen. . IV. 641 

P. F. H. Fromberg. Bijzonderheden omtrent de suiker- 
kuituur op Java naar statistische opgaven. . . V. 97 
J. E. Teijsmank en S. Bixxexdijk. Over eenige planten 
uit den Indischen Archipel, welke gezegd worden ge- 
tah op te leveren. ....... VI. 115 

Over den tapoeloe en eenige minerale wateren van iManado. VI. 367 
Over het gebruik der koffijbladen op Sumatra . . VI. 370 
Getah- pertja van Borneo. ...... VI. 170 

Over de voorplanting van koffïo door zaad. . . . VI. 171 



XX. 

DL, BL. 

Over de vcrschilluiKle soorten van Kardamom uit den 

handel en over het Amomum Daniclli . . . VI. 171 

P. F. H. Frojiberg. Over de guano. Hare oorsprong 

chemische zamenstelling en werkzaamheid als meststof VI. C3 

A. J. D. SteE-VSTra Toussaijjt. Over vergaarbakken 

van regenwater op Java ten behoeve der kultures . VI. ITi 

Iets over eene verkleuring van water in de Chinesche zee VIL 337 

Getah pertja van Borueo. ...... VII. 313 

Gomelastiek van Borneo en Java. .... VII. 34 G 

P. F. H. Fromberg. Verslag van de uitkomsten der 
kuituur van suikerriet uit het oostelijk gedeelte van Java, 
hoofdzakelijk geischied in den proeftuin te Genteng, 
in het jaar 1852— 1853 VIL 168 

A. D. kSteensxra Toussaixt. Nog iets over vergaarbak- 
ken van regenwater op Java ten behoeve der kultures VIL 339 

F. D. J. Van der Pant. Indigo, Geschiedenis, kuituur 

en fabrikaat : .VIII. 347 

F. D J. Vax der Pant. Over den invloed van de in~ 

digokultuur op die der padi ..... IX. 37 

D. W. Rost vax Tonningen. Scheikundig onderzoek 
van eene meststof, guano, afkomstig uit de afdeeling 
Grissee IX. 157 

P. F. H. Fromberg. Verslag over de aard en bruik- 
baarheid der dierlijke meststof aanwezig in de grot 
Poetjak-wangi in Grissee IX. 1G9 

J. H. Croockewit Hz. Verslag omtrent de suikerkul- 
tuur en fabrikatie en het voorkomen van het suiker- 
riet in de westerafdeeling van Borneo . . . IX. 203 



D. W. Rost vam Toxxingen. Iets over den Teleocn en 

Soerenbast • • .1. 209 

D. W. Rost van Tonnlngen. Chemisch onderzoek van 

de Uolichos uniflorus L. (Horsegram) ... I. 373 

P. J. Maier. Over de bestauddeelen der wortelknol van 

Colocasia atro-sanguiuca Ilssk. . • • . II. G68 

D. W. Rost van Tonningen. Onderzoek van de gomhars 



DL. DL. 

\an Garcinia mangostana. II. 188 

D. W. Rost vax To>jmixgem. Onderzoek van <le gom- 

hars van Hijmenaea verrucosa . , . .II. 351. 

D. W. Rost van Tom.xi>ïgen. De voedingsmicldeleu van 

Java scheikundig onderzocht. I Kassave-meel. . III. G13 

P. J. Maier. De bereiding van kamfer in Japan en de 
inrigting van een scheikundig hiboratorium aklaar (met 
atbeeldingen) III. 03 1 

D. W. Rost vax Tomnixgen, Over het scheikundig on- 
derzoeken van javaansche planten .... III. 851 

F. D. J. Van der Paxt. Onderzoek van den katjang 
hidjoe (Phaseolus radiatus E.) als een geschikt voed- 
sel voor paarden, gevolgd van de analysen van drie 
grassoorten ........ IV. 581 

"W. R. Severlng. Onderzoek van den bast des Tcipaloobooms IV. 421 

P. J. Maier, Onderzoek der Karoeïngom . . . IV. G38 

P. F. H. FROMBERa. Over den invloed van het suiker- 

rietsap op de hoedanigheid der suiker . . . IV. 179 

P. F. H. Frojiberg. De methode van den heer 1\Iel- 

SENS ter bereiding van suiker IV. 193 

P. J. Maier. Scheikundig onderzoek van Java-rijst. . V. 195 

P. F. H. Fromberg. Scheikundig onderzoek van den 
Avortel der kassaveplant van Java, in verband met 
zijne voedselwaarde en kuituur . . . . .V. 285 

I). W. Rost van Tonnixgen. Over de eigenschappen der 

getah-pertj a V. 204 

A. CiiATiN. Over Java-thee; vertaald en met aanmer- 
kingen voorzien door A. J. D. Steenstra Toussaint VII. 289 

D. W. Rost van Tonningen. Verslag over de westin- 
dische kassave, gevolgd door een scheikundig onderzoek 
van drie kassave-soorten .... .VII. 271 

P. G. WiJERS. Onderzoek van hout van Saprosma arbo- 

reum. VII. 222 

P. F. H. Fro:hrerg. Verslag van het chemisch onder- 
zoek van twee suikerrietstokken en twee monsters ampas 
van Borneo. ........ IX. 257 

P. F. II. Froiiedrg, Verslag der uitkomsten van het 



sclielkundig onderzoek van drie stokken sixlkerriet in 
de vlakte van Pamangkat op Borneo. . . . IX. 247 

P. G. WiJERS. Scheikundig onderzoek van de resina 

carannae. ......... IX. H6 



Zoölogie. 



H. D. A. Smits. Waarnemingen van het zoogenaamde 

■\vitte water (ajer poetih). . . . . . . I. 88 

Opsomming der bekende land- en zoetwater- weekdieren 

van Java. . . . . . . . . I. 141 

Nieuwe zoetwater- weekdieren van Sumbawa en Celebe.s. I. 151 
Helix regalis Bens. eene nieuwe .soort van Sera wak . I. 162 
Nieuwe INIollusken van den Indischen Archipel. II. 349. 456 VI. 

[177, VIII. 193, IX. 155 
Nieuwe soorten van Cijclostoraa van Pinang en Borneo IV. 427 
Diagnosen van nieuwe Mollusken van den Indischen Ar- 
chipel VIL 164 

C. L. DoLESCiiALL. Eerste bijdrage tot dp kennis der 

dipterologische fauna van Java (Met platen). . . X. 403 
NieuAve Crustaceën van den Indischen Archipel . II. 671 



P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
faun van Borneo, met beschrijving van 16 nieuwe soor- 
ten van zoetAvatervisschen. . . . . . . I. 1 

P. Bleeker. Over eenige nieuAve soorten wan Scleroparei 

van den indischen Aochipel. . . . . . I. 17 

P. Bleeker. Over twee nieuAve soorten van Callionij- 

mu3 van den Indischen Archipel . . . . I. 28 

P. Bleeker. Over eenige nieuAve soorten van Belone en 

Hemiramphus van Java. . . . . . . I. 93 

P. Bleeker. Over drie nieuAve soorten van Tetraödon 

A'an den Indischen Archipel . . . . . I. 96 

P. Bleeker. Faunae ichthyologicae Javae insularumque 

adjacentium genera et species novae. . . , I. 98 

P. Bleeker. Visschen van Banka I. 159 



XXIII. 



DL. BL. 

P. Bleeker. Yissclieu van Eorneo .... I. 161 

P. Bleeker. Over eenige nieuwe soorten van BlennioïJen 
en Gobioïden van den Indisclien Archipel (met af- 
beeldingen) ........ I. 236 

P. Bleeker. Nieu\ve bijdrage tot de kennis der ichtliyo- 
logisclie fauna van Borneo, met beschrijving van 
eenige nieuwe soorten van zoetwatervisschen. . . I. 259 

P. Bleeker. üxijbelus Brandesii, eene nieuwe soort van 

Opliidini van Banda-neii-a (met afbeelding) , . I. 27G 

P. Bleeker. Over eenige nieuwe geslachten en soorten 
van Makreelachtige visschen van den Indischen Ar- 
chipel I. 341 

P. Bleeker. Over eenige nieuwe soorten van Pleuronec- 

teoïden van den Indischen Archipel. . . . I. 401 

P. Bleeker. Over eenige nieuwe soorten van Megalops, 

Dussumieria, Notopterus en Astronesthes ... I. 417 

P. Bleeker. Visschen van Biliton. .... I. 478 

P. Bleeker. Visschen van straat INIalakka, Prince of Wa- 
les Island en Singapore. ..... I. 480 

P. Bleeker. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyolo- 
gische fauna van Borneo, met beschrijving van eenige 
nieuwe soorten van zoetAvatervisschen. . . . II. 57 

P. Bleeker. Nieuwe bijdrage tot de kennis der Percoïdei, 
Scleroparei, Sciaenoïdei, Sparoïdei, Maenoïdei, Chae- 
todontoïdei en Scomberoïdei van den Soenda-Moluk- 
sclien Archipel. II. 1G3 

P, Bleeker. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Borneo, met beschrijving van 
eenige nieuwe soorten van zoetAvatervisschen. . II. 193 

F. Bleeker. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyo- 

logische fauna van Celebes. . . . . .II. 209 

P. B;;.EEKER. Bijdrage tot de kennis der ichthyologi- 

schen fauna van de Banda-eilanden . . . . II. 225 

P. Bleeker. Visschen van Solor. .... II. 347 

P. Bleeker. Vijfde bijdrage tot de kennis der ichtliyolo- 
gische fauna van Borneo, met beschrijving van eenige 
nieuAve soorten ran zoetAvatervisschen. . . . II. 415 



DL. BL. 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der ichtliyologisclie 

fiiuna van Riouw. ....... U. 468 

Groot kaalkop (Lates nobilis CV) II. 348 

P. Bleekek. Bijdrage tot de kennis der ichtliyologisclie 
ftiuna van Singapore. . ■ . , . , . III. 51 

P. Bleekek. Bijdrage tot de kennis der ichtliyologi- 
sclie fauna van Biliton, met beschrijving van eenige 
nieuwe soorten van zoetwatervisschen. . . . III. 87 

P. Bleekek. Bijdrage tot de kennis der ichtliyologisclie 

fauna vau Timor III. 159 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische 
fauna van de Moluksche eilanden. Visschen van Am- 
boina en Ceram. . III. 229 

P. Bleeker. Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyologi- 
sche Fauna van Borneo. Visschen van Pamangkat, Ban- 
djermassin, Praboekarta en Sampit. , . . III. 407 

P. Bleeker. Bijdrage tot dekennis der ichthyologische 

fauna van Banka LEI. 453 

P. Bleeker. Visschen van Solor. . ; . . III. 490 

P. Bleeker. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Aniboina. ..... III. 545 

P. Bleeker. Diagnostische beschrijvingen van nieuwe of 
weinig bekende vischsoorten van Sumatra (met afbeel- 
ding). Tiental t-V Hl. 559 

P. Bleeker. Nieuwe visschen van Banda-neira. . III. 643 

P. Bleeker. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthy- 

• ologische fltuna van Ceram ..... III. 689 

P. Bleeker. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyolo- 
gische fauna van Banka. ..... III. 725 

P. Bleeker. Darde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Celebes . . ' . . . III. 739 

P. Bleeker. Index specierum piscium malaijo-moluccen- 
iium in voluminibus P, IP et 111° Diarii Societatis 
Scientüirum Indo-Batavae descriptarum , adjectis lo- 
cis habitationis. ....... III. 877 

Th. Caxtor. Descriptions of two species of Indian Eels 

(y/ith plates) IV. 2^7 



XXV. 



DL. BL. 

r. Bleekeh. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyolo- 

gische fauna van Amboina. . . . . : IV. 91 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der iclithyologisclie 

fauna \ran Ternate. ...... IV. 131 

P. Bleekek. Over eenige nieuwe soorten van Homalopte- 

ra Van Hass. (Balitora Gr.) van Java en Sumatra. IV. 155 

P. Bleekee. Exocoetus liexazona Blkr, eene nieuwe 

soort van Banka. ....... IV. 206 

P. Bleekek. Diagnostische beselu-ij vingen van nieuwe 
of weinig bekende vischsoorten van .Sumatra. Tiental 
VI— X.^ . . R^ 243 

P. Bleekee. Sicijdium Parvei Blki-., eene nieuAve soort 

van de Preanger-regentscliappen .... IV. 426 

P. Bleekek. Diagnostische beschrijvingen van nieuwe 
of Aveinig bekende vischsoorten van Batavia. Tiental 
I— VI IV. 451 

P. Bleekek. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichthyo- 

logische fauna vau Ternate en Halmaheira (Gilolo) IV. 595 

Index specierum piscium in volumine IV^ Diarii Societatis 
Scientiarum Indo-Batavae descriptarum, adjectis locis 
habitationis. IV. 047 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der ichthyologische 

fauna van Solor V. 67 

P. Bleeker. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Celebes. . . . . . V. 153 

P. Bleeicee. Nalezingen op de ichthyologische fauna van 

het eiland Banka. . . . . . . . V. 174 

P. Bleekek. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Ceram. . . . . .V. 233 

P. Bleeker. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Amboina. . . . . . V. 31G 

P. Bleeker. Zevende bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Borneo. Zoctwatervisschen van 
Sambas, Pontianak en Pengaron. . . . .V. 427 

P. Bleeker. Nieuwe tientallen diagnostische beschrij- 
vingen van nieuAve en Aveinig bekende Arischsoorten 
van Sumatra V. 495 



XXVI. 

DL. BL. 

P. Bleeker. Anteunarius notoplitlialmus , eene nieuwe 

soort van de Meeuwenbaai . . . . .V. 543 

P. Bleeker. Index specierum piscium malaijo-moluccen- 
sium in volumine V° Diarii Societatis Scientiarum In- 
do-Batavae descriptarum , adjectis locis liabitationis. V. 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der iclitliyologische 

fauna van Halmalieira (Gilolo). .... VI. 49 

P. Bleeker. Derde bijdrage tot de kennis der ichtliyo- 

logisclie fauna van de Banda-eilanden. . . VI. 89 

P. Bleeker. Diagramma baematocliii', eene nieuwe soort 

van Ternate. ........ VI. 175 

P, Bleeker. Species piscium Batavlensium novae vel minus 

cognitae. ......... VI. 191 

P. Bleeker. Nieuwe bijdrage tot de kennis der icli- 

thijologisclie fauna van Timor. .... VI. 203 

P. Bleeker. Bijdrage totde kennis der iclitliyologische 

fauna van liet eiland Flores. ..... VI. 311 

P. Bleeker. Sijngnathus tapeinosoma, eene nieuwe zee- 

naald van Anjer. ....... VI. 375 

P. BIeeker. Diagramma polijtaenioides, eene nieuwe soort 

van Solor. VI. 37C 

P. Bleeker Faunao iclitliyologicae Japonicae species no- 
vae VI. 395 

P. Bleeker. Vijfde bijdrage tot de kennis der Iclitliyo- 

logisclie fauna van Amboina. ..... VI. 455 

P. Bleeker. Eleoti-isTolsonI, eene nieuwe soort van Ja- 

va's westhoek nabij de Meeuwenbaai. . . . VI. 542 

P. Bleeker. Index specierum piscium malayo-nioluccen- 
slum et japonensium, in volumine VP Diaril Societatis 
Scientiarum Indo-Batavae descriptarum adjectis locIs lia- 
bitationis. ........ VI. 545 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der iclitliyologiscbe 

fauna van de Kokos-eilanden. ..... VII. 37 

P. Bleeker. Overzigt der ichtliyologisclie fauna van Su- 

matra, met beschrijving van eenige nIeuAve soorten. VII. 49 

P. Bleeker. Iets over visschen levende iu Zeesterren en 
en over eene nieuwe soort van Oxijbeles. . . VII. 162 



XXVII. 

DL. BL. 

P. Bleek ER. Vissclien van de Natoena-eilanden. . . VII. 163 

P. Bleeker Vijfde bijdrage tot de kennis der iclitliyo- 

logisclie fauna van Celebes VIL 225 

P. Bleeker. Iclithyologisclie -vvaaruemingen , gedaan op 

verschillende reizen in "de residentie Banten, . . VIL 309 

P. Bleeker. Over cenige nieuwe vissclien van de Ko- 
kos-eilanden. VIL 353 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der iclithyologische 

fauna van Batjan VIL 359 

P. Bleeker. Specierum piscium javanensium novarnm vel 

minus cognitaruni diagnoses adumbratae. . . . . A^II. 415 

P. Bleeker. Zesde Bijdrage tot de kennis der iclithyo- 
logisclie fauna van Celebes. ..... VIL 449 

P. Bleeker. Dactijlopterus cheirophthalmus eene soort 

van de Banda eilanden. ...... VIL 494 

P. Bleeker. Nog iets over vissclien levende in Echino- 

dermen. ......... VIL 495 

Index specierum piscium malaijo-inoluccensium, in volu- 
mine VIP Diarii Societatis Scientiarum Indo-Batavae 
descriptarum , adjectis locis habitationis. . . VIL 498 

P. Bleeker. Zevende bijdrage tot de kennis des ichthy- 
ologische fauna van Borneo : zoet-\vatervisschen van Ban- 
djermasin ......... VIIL 151 

P. Bleeker. Derde bijdrage tot de kennis der iclithyolo- 
gische fauna van de Kokos-eilanden. . . . VIIL 169 

P. Bleeker. Antennarius Lindgreeni, eene nieuwe soort 

van Banka Vin. 192 

P. Bleeker. Vijfde Bijdrage tot de kennis der iclithyo- 
logische fauna van Ternate VIIL 295 

P. Bleeker. Bijdrage tot de kennis der iclithyologische 

fauna van de Batoe-eilanden. ; . . . . VIIL 305 

P, Bleeker. Visschen van de Duizend-eilanden. . . VIIL 344 

P. Bleeker, Visschen van Tikoe, Sumatra's westkust. VILT. 345 

P. Bleeker. Zesde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 

logische fauna van Amboina. ..... VIIL 391 

P. Bleeker. Zevende bijdrage tot de kennis der iclithy- 
ologische fauna van Celebes. ..... VIIL 435 

P. Bleeker. Vierde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 



XXVIII. 

DL. UL. 

logische fauna van de Kokos-eilanden . ; . VIII. 415 

Index specierum piscium malaijo-moluccensium in vo- 
lumiue VIII° Diarii Societatis Scientiarum Indo-Ba- 
vae descriptarum, adjectis locis liabitationis . . VIII. 552 

P. Bleeker. Tweede Bijdrage tot de kennis der ichtliy- 

ologisclie fauna van de Batoe-eilanden . . . IX. G5 

P. Bleekek. Nieuwe bijdrage tot de kennis der iclilliyo- 

logisclie fauna van Halmalieira (Gilolo) . . IX. 105 

P. Bleekek. Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichtliyo- 

logisclie fauna van Sumbawa . . . . . IX. 113 

P. Bleeker. Over eenige nieuwe visschen van Ternate IX. 155 

P. Bleekek. Tweede bijdrage tot de kennis der iclitliy- 

ologische fanna van Batjan. ..... IX. 191 

P. Bleeker. Nalezingen op de visclifauna van Sumatra. 

Vissclien van Laliat en Sibogba .... IX. 257 

P. Bleeker. Achtste bijdrage tot de kennis der ichthyo- 

logische fixuna van Celebes ..... IX. 281 

P. Bleeker. Verslag van eenige verzamelingen van 

visschen van Oost- Ja va ...... IX. 391 

P. BLeEKER. Negende bijdrage tot de kennis der ichthy- 
ologische fliuna van Borneo. ZoetAvatervisschen van 
Pontianak en Bandjermasin ..... IX. 415 

P. Bleeker. Bijdrage tot de keunis der ichthyologische 

fauna van het eiland Groot-Obij .... IX. 431 

P. Bleeker. Derde bijdrage tot de kennis der ichthyo- 
logische fauna van Batjan ..... IX. 491 

P Blep:ker. Index specierum piscium malaijo-moluccen- 
sium in volumine IX° Diarii Societatis Scientarum Indo- 
Batavae descriptarum, adjectis locis habitationis . . IX. 527 

P. Bleeker. Tweede Bijdrage tot de kennis der ichthyolo- 
gische fauna van het eiland Bintang . ... X. 345. 

P. Bleeker. Zevende Bijdrage tot de kennis der ichthy- 
ologische fauna van Ternate . . . .X. 357. 

P. Bleeker. Carcharias (Prionodon) amblyrhynchos eene 

nieuwe haaisoort gevangen bij het eiland Solombo. . . X. 467. 

P. Bleekek. Visschen van Saparoea . . . .X. 4G9. 

P. Bleèkfr. Ipdex Specicrun piscium in voluminibus I 



XXIX. 

DL. BL. 



ad X Diarii Societatis Scieutiarum Indo-Batavae de- 
scriptarum. . . . ... X. 472 



P. Bleekek. Iets over deu kop van Crocodilus (Ga- 

vialis) ScMegelii. . . . . , . . I. 313 

CL. DoLESCHALL. Ovcr het stemorgaan van Platij dac- 
tylus güttatus (met afbeeldingen) .... VIII. 147 

Eclectus Cornelia Bonap. , eene nieuwe soort van de Mo- 
lukken II. 347 

J. J. Altiieee. Over den oorsprong van de eetbare vogel- 
nestjes VIL 490 



Opsomming der tkans bekende zoogdieren van den iu- 

disclien Areliipel. ....... II. 443 

Zoogdieren van Banka. ...... II. 527 

Sciurus nigi'ovittatus Horsf. van Banka. . . . III. 348 

C. Hergt. Eenige opmerkingen omtrent Cijnopithecus 

niger Geoffr II. 337 

C. J. Temmixck. Over eenige nieuwe soorten van eek- 
hoorns van den Indischen Archipel. . . . VI. 343 

Vruchtbaarheid van tijgers. ..... IX. 522 

Over een vermoedelijk walvischachtig zoogdier van bui- 
tengewone grootte gezien op 36° 19 z. b. en 3° 47. o. 1. IX. 523 



D. W. Rost van T0NXL\GE>f. De zoogenaamde witte 
stof afgescheiden door het kochenille-insekt, scheikundig 
onderzocht. ......... III. 39 



Antliropologie. Craniographie. 

P. Bleekek. Afmetingen van schedels van inboorlin- 
gen van Java, Sumatra, Nias, Borneo, Celebes, de 
Molukschc eilanden en Nieuw-Guinea. . = IL 498 



XXX. 



DL. BL. 



O. MoHN'iKE. Phijsisclie karakterbescluij ving der Japanezen II. G55 
J. W. E. Arxdt. Afmetingen van scliedels van inboor- 
lingen van Java, Celebes en Amboina. . . . VL 215 



Onderwerpen van verschillenden aard , 
Vergaderingen der Vereeniging , Personaliën , enz. 

C. SwAViN^G. Berigt en afteekeniug van eenige steenen 

wiggen en wapenen . . . . . . I. 81 

H. D. A. SiiiTS. ]\Iiddel ora boeken in de lieete gewesten 

tegen de aanranding van insekten te bewaren . I. 81 

Tentoonstelling te houden te Batavia in het jaar 1853 III. 126, 350, 
[490, 647, 871 IV. 207, 429, 644 

P. Bleeker. Overzigt der geschiedenis van de Batavi- 
asche tentoonstelling van produkten der natuur en in- 
dustrie van den Indischen Archipel. . . .V. 250 

S. H. De Laxge. Eedevoering, gehouden ter gelegenheid 

van de Bataviasche tentoonstelling. . . .V. 276 

J. A. Krajexbrlvk, Stof, kracht, leven en geest, een 

bijdrage tot de ontwikkelingstheorie . . , VII. 401 

A. W. P. Weitzel. Over de natuurkundige gronden waar- 
op de inrigting der getrokkene vuurwapenen berust. . IX. 84 



Levensberigt van J. Vax Heijxingen . . . I. 316 

Levensberigt van Dr. C. A. L. M. Soiiwaner . . II. 189 
Levensberigt van D. J. W. C. Barox van Lyxdev III. 493 
Levensbericht van Leopold Gmelix .... VT, 178 



Benoemingen, onderscheidingen, enz. I 318 481, II 190, 364, 535, 378, 
[672, IIL 493, 654, 876, IV. 212, 433, 646, VL 367, 545, VI, 178, 
[543, Vn, 166, 346, 497, VIII, 194, 345, IX, 156, 341, 527, X, 470. 



P. Bleeker. Algemeen verslag der werkzaamheden van 
de Natuurlvundige Vereenia-in"; in Ncderlandsch ludië 



vooi-'^-elezen in de algemeene vergadering, geliouden 

den 20sten Februari] 1851 II. 1 

P. Bleeker. Algemeen verslag der Averkzaamheden van 
de Natuurkundige Veréeniging in Nederlandsck Indië 
over liet jaar 1851, voorgelezen in de tweede algemee- 
ne vergadering, gehouden den 4» Februarij 1852 . III. 1 

P. Bleekek. «Algemeen verslag der Averkzaamlieden van 
de Natuurkundige Veréeniging in Nederlandsch-Indië 
ven het jaar 1853 ...... IV. 1 

P. Bleeker. Algemeen verslag der Averkzaamheden van 
de Natuurkundige Veréeniging in Nederlandsch Indië 
voorgelezen in de algemeens vergadering van het jaar 

1854 gehouden den IGn Februarij 1854. . . . VI. 1 
P' Bleeker. Algemeen verslag der "Werkzaamheden van ' 

de Natuurkundige Veréeniging in Nederlandsch Indië 
voorgelezen in de algemeene vergadering van het jaar 

1855 gehouden den 28 Februarij 1855 . . • . IX. 1 



Prijsvragen uitgeschreven door de HoUandsche Maatschap- 
pij van -wetenschappen te Haarlem, betrekkelijk Ne- 
derlandsch Indië . . . . . . . I. 314 

Prijsvragen uitgeschreven door de Nederlandsche Maat- 
schappij van Nijverheid, betrekkelijk Nederlandsch Indië I. 482 



Extrakt uit de notulen van de algemeene vergadei'ing 
der Natuurkundige Veréeniging in Nederlandsch Indië 
gehouden den 20n Februarij 1851. . . .II. 25 

Notulen van de gewone vergaderingen der Natuurkun- 
dige Veréeniging in Nederlandsch Indië. II. 358. 362. 528 III. 

[17. 233. 634 

Notulen van de derde algemeene vergadering der Na- 
tuurkundige Veréeniging in Nederlandsch Indië ge- 
houden den 17q Februarij 1853 . . . . IV. 31 

Notulen van de vergadering der Natuurkundig Veréeni- 
ging in Nederlandsch Indië , gehouden op den 19" 
Julij 1853 IV. 628 



Verslag van de vergadering der Natiiurkuudige Verceni- 
ging in Nederlandsch Iiidië, gehouden den Oden Novem- 
ber 1853 in het gebouw der Batavlasclie tentoonstelling. . V. 249 

Uittreksels uit de aanteekeningen van de vergaderingen 
der besturende leden van de Natuurkundige Vereeniging 
in Nederlandsch Indië, gehouden van den l^n Januarij, 

tot den Gn Julij 1854 . V. 535, 

[539,541 VI, 15G, 159, 349, 354, 357, 576, 524 

Notulen der vierde algemeene vergadering der Natuur- 
kundige Vereeniging in Nederlandsch Indië, gehouden 
16n Februarij 1854. VI. 29 

Bestuursvergaderingen, gehouden van Julij tot December 

1854. VII, 109, 117, 123, 129, 213, 218, 327, 466, 471, 477, 480 

Gewone vergadering, gehouden den 19n Julij 1854 . Vil. 113 

Bestuursvergaderingen gehouden van den 28n Decem- 
ber 1854 tot den 21n Februarij 1855. VIII. 181, 184, 187, 332 

Vijfde Algemeene vergadering der Natuurkundige Ver- 
eeniging in Nederlandsch Indië gehouden den 28" Febru- 
arij 1855. : IX. 23 

Bestuursvergaderingen gehouden van den 7^ Maart tot den 

23n Augustus 1855. IX. 315, 137, 142, 146, 315, 319, 324, 329 

Bestuursvergaderingen gehouden van den 19" September 1855 

tot den 25n Februarij 1856. X. 415, 417, 424, 430, 434, 442, 445. 



Naamlijst der leden van de Natuurkundige Vereeniging 
in Nederlandsch Indië . . IIL 21. VI. 36. VI. 41. IX. 

Nieuwe wetten der Natuurkundige Vereeniging in Neder- 
landsch Indië, vastgesteld in de 4e algemeene vergade- 

rehouden den 16" Februarij 1854 . • • VL 



rin 



o' 



Programma der Natuurkundige Vereeniging in Neder- 
landsch Indië voor het jaar 1854. .... VI. 25 

Programma van de Natuurkundige Vereeniging in Neder- 

landsch-Indië voor het jaar 1855. . • • IX. 15 



R E T Z I A 

S 1 VF. 

OBSERVATIONES BOTANICAE, 

QU A S 

IN PRIMIS IN HORTO BOTANICO BOGORIENSI 
MENSIBUS FEBRUARIO AD JULIUM 1S55 

TECIT 

R E T Z I 1 

COGNOMIXE AB ACAI). CAES. LEOPOLI). CAROL. SOCIL'S RECEPTUS. 



PUGILLUS I. 



I. O II C H I D E A E. 

1. Dendrobiian? ferox Hssld, 

Observ. I. A Dendrohio Sw. (Endl. Gen. 1369) differt 
foliolis subaequilongis , columna bre^a, polliniis haud libe- 
ris; — Eria Lndl, (Endl. Gen. 13(i3) differt anthera obsole- 
te 4 - loculari et polliniis 8; — PolystacJuja Hook. (1. c. 1366) 
polliniis 4 collateralibus aequalibus per paria cohaerentibus 
floribusque parvis ; — aBolhophyllo Thouars dein (cf. BI. Rmph. 
IV. p. 42. AYlp. Ann. III, 528.) perigonii foliolis subae- 
quilongis, labello subunguiculato 3-lobato, basi saccato, 

X. 1 



supra basiii cristato , crista bisulcata ; polliniis in unicum 
durum subgiobosum cohaereiitibus , in 2 intus concaviuscula 
separabilibus , sulco superliciali clorsali in 2 inaequalia haud 
separabilia distincta, 

Op.S, il Dendrobium Veitcheaimm Lndl. (Wip. Ann. I. 
778. 8) aliquot accedit, diflfert autem cauiibus clavatis, fo- 
liis apice inaequilaterls , racemo multiiloro, pedicellis et pe- 
rigonio villosissimis , labello denticulis o in medio , laciniis 
lateralibus crenatis , intermedia convexa biloba ! — Nostra , 
si inter Dcndrobia pcnenda, sectioni I adscribenda erit. 

Desckpt. Cctules terctes ereeti, basi in pseudobulbum obloiigo- 
teretem profunde co - sulcatum niutati , 3 - pbylli. Folia coriacea 
oblongo-lanceolata acuta plurinervla laevia. Racemi terminales 
6 — 12-flon, folio duplo longiores. Bracteae membranaceae con- 
cavae ovatae acutae subcoloratae una cum pedicellis et perigonii 
foliolis dense muricato-pilosae , muriculis in pilum subretrorsum 
plenunque terminatis, flavescenti-virides. Perigonii foliola exte- 
riora ovata acurainata subaequilonga , interiora petaloidea glabra 
basi in uuguem attenuata obovata acuta undulata pallide jflaves- 
ceutia esterioribus aequilonga; lahellum subcarnosum foliolis pe- 
rigonii paulo longlus, primo viride, intus a basi margin em versus 
praeprimis in lobis lateralibus flabellatim atropurpiireo-lineatum , 
dein aurantiaco-flavum, extus punctis sparsis atropurpureis con- 
spersum, supra basin cucullatam crista crassa carnosa albida le- 
viter bisulcata praeditum , trilobum ; Icbo medio basi attenuato , 
apice acuto solum versus spectante, lobis lateralibus adscendenti- 
erectis. Columna nana basi producta et cum perigonii foliolis la- 
teralibus conata. 

(1) Eene mild bloeijende soort, die ook wegens hare 
niet onaanzienlijke, groenachtig gele gespikkelde bloemen 



(1) Observationes hasce practicas de cultura, batitu et usu nee non de loco natali 
et modo vivendi plantariim, in hac disscrtatione dcscnptarum , hortulano peritissi- 
mo et indefesso horti botanici bogoriensis J. E. Tkijsmann debeo, qui experien- 
tiam suam, ))er plus quam viginti qninque aunos aJe])tain, benevole in illa de])0- 
nere voluit. 



■wel verdient , in de fraaije verzamelingen dezer familie te wor- 
den opgenomen. Zij groeit met vele digt ineengedrougene 
dikke stengen van bijna gelijke lengte (± een voet) en uit 
welker toppen de mede bijna een" voet lange bloemsten- 
gen voortkomen , horizontaal met geringe op en nederwaart- 
sclie afwijkingen , in groote bundels te zamep , die soms den 
geheelen stam of de dikke txikken , waarop zij groeit , omslui- 
ten. Zij komt in de bossclien ter hoogte van ± 3000' over 
geheel Java verspreid voor. 

, 2. Polystijlus cornu-cerci V. Hsslt. Icon. mss. • 

Obsery. Genus hocce novum a divo Van Hasselt jam 
ante triginta annos depictum, accedit Vandae RBr. (Lndl. 
Fol, Orch. IV.), quae autem differt labello saccato aut cal- 
carato. Conferantur ctiam genera: Odontoglos-sum II. K. 
Lndl. Orch. 211, equidem subgenus Heterotricluun Rchb. 
(Wip. Ann. III. 560 et Lndl. Fol. Orch. I. 20.) 

Chak. gex. Perigonium explanatum subaequale; folioia 
omnia libera , interiora paulo minora ; lahellum sessile cum 
columnae basi producta continuüm, ecalcaratura, foliolis pe- 
i-igonii interioribus dimidio bre^'ius, o-partitum; loh'i late- 
rales erecto-conniventes truncati , subquadrati , basin colum- 
nae tangentes; intermedius cum collateralibus cucullatim con- 
nivens utrinque dilatatus et cordatus acutus; lobis baseos 
oblongis acutis ; ad basin lobi intermedii et a collateralibus 
reconditi adsunt appendices tres difFormes; appendix exte- 
rior est erecta transversa membranacea alba, e basi lata 
subcuculliformis , apice attenuata 4 - fida , laciniis longiter 
subulatis divergentibus , lateralibus multo brevioribus ; in- 
termcdia exteriori multo minor flavescens subrecur\'ïi tennis 
filiformis , ante exteriorem sita ; tertia interna inter labii 
lobos laterales et intermediam, a latere compressa anceps 
obtusiuscula erecta, exterioris longitudine, ad incisuram in- 



_ 4 ~ 

termediam liujus tangens. Colimma erecta s.eraiteres, basi 
bituberculata , apicem versus dilatata. Anthera bilocularis ; 
pollinia 2 postice biloba ; caudicula et glandula tenuissimae 
raembranaceae ; caudicula 3 - angularis basi longiter attenu- 
ata ; glandula ovata. — Plantae epiphytae caulescentes ; folia 
coriacea ; pedunculi oppositifolii , folio suo longiores , apice 
compressi ancipites ; bracteae cum pedunculo connatae, apice 
liberae , concavae naviculares ; pedicelli solitai'ii erecti ; Ac- 
res coriacei cerini. 

DiAGX. SPEC. Caule 4 - pliyllo , foliis basi vaginantibus Hnea- 
ri-oblougis apice subretusis nervosis, perigonii foliolis acutis ni- 
tidulis maculatis, exterioribus oblongis, interioribus obovato-ob- 
longis maculis purpureis notatis. 

Habitat insulae Javae partem occidentalem et meridionalem nee 
non Singaporam, unde misit hanc speciem Th. Lobb cl. 

Variat: ^;ic^a, foliolis perigonii maculis fasciiformibus traiis- 
rersalibus notatis. 

Valde accedit species haecce Vandae lissochiloideae Lndl. Orch. 
216. 8. Wip. Ann, I. 790, e cujns ulterioris descriptione vix ge- 
nerice differo videtur. 

Deze is mede eene parasitische plant \'an mindere 
schoonheid , hoewel ze niet tot de zeer kleinbloemige be- 
hoort. Hare geelachtige gespikkelde bloemen staan aan 
vleezige bloemstelen van | voet lengte, die de bijzonderheid 
opleveren, dat zich uit de oksels, waar de bloemen gestaan 
hebben , zeer fraaije jonge planten ontwikkelen , die hare 
wortels in de lucht voortstuwen , totdat ze een rustpunt 
gevonden hebben, om zich even als de moederplant vast 
te hechten. De plant heeft eene zich verlengende steng, 
die van achteren wegsterft, naarmate ze zich aan den top 
verlengt, zoodat ze nooit langer dan ± een voet gevonden 
wordt. 



II. PALMAE. 

3. Sahcd Adansonii Guerns. 

iSchU. Syst. Veg. YU. xcin. c^ 1485. Knth. En. UI. 246.) 

Obsery. Germen semper vidi (equidem in alabastro) inte- 
grum leviter trilobum nee e carpidiis primo distinctis dein 
coalescentibus formatum (cf. Endl. Gen. 1758. Knth. En. 
III. 245). 

Desckiptioxi Schlt. clrss. 1. c. addenda sequentia propouo : 
Petioli compresso-semiteretes e margine elevato acuto praeprimis 
baaln versus subcanaliculati , 8 lin crassi, 1 ped. alt. Fi'ons bi- 
partita medio plicata, diametro basali 2-pedali, verticali 14 — 15 
poll., semiorbicularis ; laciniae 8 — 16 lin. latae. P edunculi ^e-^uosi 
erecti 3 - pedales ; rami inflorescentiae 6 poll. longi ,3 — 4 poll. lati ; 
ramuU patentes apice suberecti. Bracteae ad calycis basin binae, 
altera exterior major, ovatae acutiusculae , vix 1 mllm. altae, 2 
mlbn. latae , albescenti - virides , membranaceae , apice marcescen- 
tes. Calyx basi viridis , caeterum albidiis, 2 lin. altus, dentes ereeti 
late ovati acutiusculi concavi, ex apice marcesceiiti nigro-mucro- 
uulati. Corolla in anthesi erecto-patens , post & ante anthesin 
conuiveiis, albida 3 mllm. alta; petala persistentia (nee deeidua) 
oblonga acutiuscula concava. Stamina petalis paulo longiora ; Jila- 
rnenta albida plana, apice subulata; antherae pro ratione fioris 
parvae luteae introrsae erectae, dorso in sinu baseos afiixae. Pis- 
tülum petalis brevius , 2 mllm. longum, trigonum, totum longitu- 
dinaliter 3-sulcum; rjeivnen trigonum, leviter subtrilobum, pallida 
viride, nitidulun, 3-Ioculare; (jemmida in loculo quoque solitaria; 
Stylus trigonus 3 - sulcus sat crassus, germine paulo longior ; stigma 
truncatum minutum acutiusculum. Fructus sat copiosi depresso- 
globosi , basi calyce, corolla & staminibus emai-cidis cincti , laevis- 
simi 1-loculares 1-spermi, primo atrovirides , pericarpio coriaceo, 
diametro transversali 4 lin., dein exsucci persistentes & pericarpio 
postremo membranaceo fusco-nigro irregulariter rupto & partim 
deciduo, partim remanente cupulam irregularem, semen cingentem 
formanti. Semen valde depresso-globosum aut fere disciforme , dia- 
metro verticali 2 — 2\ lin., transversali 3^ lin., nigrum nitidum 



— 6 — 

glabrum; testa tenuis; albumen copiosum, totum semen expleiis, 
cornenm coenileo-lacteum. Embryum breve conicum laterale, fla- 
vescGus vix 1 lin. longum; radicula truncata periplierica. 

Deze kleine stengellooze palm draagt te gelijk vruchten 
en bloemen, doch maakt weinig vertooning en mag niet 
veel aanspraak op schoonheid maken. Uit den Akademie- 
tuin te Utrecht en den Hortus Botanicus te Amsterdam 
werden meerdere exemplaren verkregen. 

III. NYCTAGINEAE. 

4. Pisonia sylvestris T. & B. 

Observ. Pisonia mo?'mc?ag/oZm RBr. Wght. Ie. A^. 1765 
differt : foliis basi cordatis , panicula (corymbo) minus densi- 
flora, calvce tubuloso, limbo revoluto, staminibus 8 vix 
exsertls , stigmate capitato. 

Haec sjiecies (P. morindaefolia) forsan eadem est ac P. 
alha Span. DeC. Prdr. XIII. ii. 446. 27 et verosimiliter 
OLus album Kmph. amb. I. 191. t. 78. Haec folia habet 
ovato-oblonga basi subcordata, rarius acuta aut attenuata 
inaequilatera , primo flavescenti-viridia, dein flavescenti-albida, 
postremo pallide widia, 0,15—0,23 (1) longa, 0,07—0,11 lata, 
caeterum cum iis nostrae speciei valde convenientia. — Olus 
album insulare Rmph. amb. I. 193 t. 79. f. 1— icon quoad 
folia tantum — forsan ad P. sijloestrem pertinet. 

Dlvgx. iLrbor mediocris, foliis elliptlcis aut elliptico-oblongis 
acuniinatis ^ raro ovatis acutis , basi plerumque iuaequalibus , acutis 
nunc attenuatis nunc rotundatis, viridibus glabris integris; cymis 
terminalibus densüloris, floribus parvis liermapliroditis , calycibus 
turblaato - campanulatis 5 - siilcatis, limbo erecto 5 - dentato : stami- 
nibus 10 exsertis, dein subaequalibns ; fructibus glutinosis. — 
Habitat littora insulae Javae meridionalia; insulas Bali, Karimon 
Java. 



^':) Partibus deciinalibus metra iudicantur. 



— 7 — 

Descript. Arbor erecta (culta humilis, 30 ped. circiter alta, 
coma teuui paree ramosa viridi). Bami erecti, apice tantum oo- 
mam gereutes; ramidi crassuisculi patentes glabri virides. Folia 
plerumque opposita nunc subopposita , rarius altei-na, elliptica aut 
elliptico - oblonga, acumlnata, rarius a medio apicem usqiie at- 
tenuata, nunc breviter rostrata, basi valde inaequalia, utroque 
latere rotundata aut altero acuto imoque attenuato, aut utroque 
attenuato, rarius vix inaequalia rotundata aut subcordata, 0,09 — 
0,23 louga, 0,035 — 0,1 lata, ^je/'/o/o subtereti, supra planiusculo 
0,015 — 0,06 longo sufnilta; superiora inflorescentiae approximata 
saepe ovata s. ovalia acuta, basi subaequaliter rotundata subcor- 
data, petiolo 0,015 longo; omnia laete viridia, membranacea, in- 
tegra, margine obsolete sinuata, supra glaberrima, subtus ad ner- 
vum medium & insertiones collateralium vix puberuia, nervis 
collateralibus alternis nunc suboppositis patentibus antrovsum 
erecto-curvatis, intra marginem anastomosantibus & venulis trans- 
versis junctis, albidis subtus prominulis. Cymae (corymbi) termi- 
nales, nunc in ramis brevibus axillaribus tei'miuales, 2 — 3-cbotomae, 
0,05 — 0,07 altae, 0,05 — 0,08 latae multifiorae, densiflorae, totae 
ad calycem usque puberulae; ranudi patentes aut patentissimi ; 
bracteae ad ramificationes minutae, tenuissimae, linea ri-subulatae, 
erectae apice subinciirvae (siccando?), (1)0,001 — 0,0015 longao per- 
sistentes ; rarmdi ultimi 2 — 4 - flbri dichotomi ; pedicelli teretes , 
apice subincrassati 2 - bracteolati erecti aut erecto-patentes, 0,002 
longi; bracteolae calycis basi adpressae, bractels confox'mes eisque 
paulo breviores ; cdabastra obovata 5 - sulcata et in ver'tice subtrun- 
cato fere 5-loba, lobis acutiusculis , basi attenuata subturbinata, 
0,003 longa, 0,002 apice crassa, viridia in vivo, siccando nigres- 
centi-fusca, piloso-velutiua. Flores eos Ileliotropii penwiani re- 
dolentes. Calyx erectus turbinato=campauulatus 5-sulcatu3, limbo 
erecto brevi 5-dentato, 0,004 longus, 0,003 latus, intus glaber- 
rimus; dentes erecti late semiorbiculares aeutiusculi, medio plicti. 
Stamina 10 ima calycis fando iuserta erecta, apice vix exserta, 
primo alterna minora, dein subaequalia ; filamenta ima basi counata , 
dein tota libera, capillaria, 0,004 — 0,0045 longa, apice subulata; 



(1) Exceptis foliis descriptio liaec sPcunJum specirainn sicca licrbr.rii TüIjsüann 
farta est. 



_ 8 — 

antkerae exsertae basi blfidae, supra incisuram dorso medio in- 
sei'tae versatiles , apice subemarginatae , 2 - loculatae ; loculi basi 
sejuncti ovati , longltudinaliter dehiscentes , et valde aperti ; polleri 
luteum globosum sabtuberculatum. Pistillum 0,003 loiigum angus- 
tum, plerumque sterile; germen basi in stipitem brevem attenua- 
tum lineari-oblongum , apice in styluvi crassiusculum teretem 
paulo flexuosum, pilis raris articulatis aritrorsum curvatis obses- 
sum, atteniiatum ; stigma capitalo-clavatum indivisum pilosulum. 
Fructus a me non visi, sede relatione incolarum glutinosi. 

De wilde Koolboom laat zicli gemakkelijk van dunne 
en ook van dikke takken , zelfs van afgekapte stammen , 
voortplanten. Zijne bladen geven eene goede groente, die 
eenigzins den smaak van andijvie heeft; ook de varkens 
eten ze gaarne. Hij wordt wild gevonden op de rots Ka- 
rangbandoong bij Noesa kambangan en op Karimon Java. 
Op Bali echter wordt hij veel gekultiveerd en in de Mo- 
lukken moet hij ook veel op de eilanden voorkomen , waar 
hij bekend is als de wilde koolboom of sai'joor jooö^ï 
jyoeloe. Is verder de Widjojo koesoemo van Noesa kam- 
bangan , Sentollong van Karimon Java en Bagkdagk seh 
van Bali. 

IV. LAURINEAE. 

5. Dehaasia squarrosa ZoU. in hort. Bog. 

Observ. I. Flores characterem genericum (Endl. gen. 
2032) plane quadrant; perigonii laciniae exteriores sunt ob- 
soletae vix conspicuae, ita ut calyx cyathimorphus videatur 
cum corolla 3 - petala ; stamina 3 sterilia , interiora nulla. 

Observ. IE. Valde accedit nostra ad D. microcarpam BI. 
Rmph. I. 162. t. 44, & forsan solummodo foliis angustiori- 
bus & inflcrescentia squarrosa ab hac specie differt. 

DiAGX. Foliis oblongis aut oblongo-ellipticis utrinque subat- 
tenuatis concoloribus glaberi'imis rigidis lucidis, paniculis ad 
apicem ramorum 4 subverticillatim dispositis squarrosis, folia 
summa aequantibus , pedicellis fnictiferis ? — 



— 9 — 

A descriptione D. microcarpae BI. 1. c. discrepat nostra; FoUa 
5_.8 poll. longa, 1,5 — 2,4 poll. lata, aplce subattenuata , nee in 
cuspidem producta, plus minus acuta; petioli vix \ poll. longi, 
semiteretes crassi, supra plani. Panicidae in innovationibus ver- 
ticillatim 4 — 5-nae 4 — 5 poll. longae; rami juveniles virides, in 
anthesi rubentes; bi^acteae minutae, ovatae, acutae, rubeutes, pe- 
dicellis adpressae caducae; 2^<^diceUi rubenti- virides luciduli in pe- 
rigonium tran^euntes. Per'ujonü laciniae exteriores late semiorbi- 
culares subacutiusculae ; stamina interna 3 supra pistillum couni- 
ventia eoque majora. 

Habitat sylvas montanas Bantam proviuciae Javae occidentalis. 

Een boom van middelmatige hoogte, die hier (1) reeds 
25' bereikt heeft, met uitgebreide digte kroon. De takken 
zijn weinig opstaande en worden, door de zwaarte der zijtakken 
met hunne lange hangende bladen , later zelfs neergebogen. 
Hij bloeit bijna onafgebroken met vele bloemtrossen , doch 
heeft , hoewel reeds sedert eenige jaren gebloeid hebbende , 
nog geene vruchten gedragen. Deze boom is door den heer 
Hasskakl uit het Bantamsche in den tuin overgebragt. 

V. CAMPANULACEAE. 

G. Codonopsis cordata Hsskl. 

Obs. L Species nostra a C. viridifiora IFLl, generioè 
haud distincta; floris descriptie autem haud exacta ob con- 
formationem particularem forsan male observatam. Campa- 
numoeaVA. mea opinione certe haud diiFert, solummodo des- 
criptione inexacta haud recognosendum genus ; organa enim, 
quae ab auctoribus in hoc genere (cf. Endl. Gen. 3074. Sppl. 
I. p. 1392) involucri foliola dicuntur, nil sunt nisi calycis 
laciniae, cujus basis infima horizontalis solummodo ger- 
mini est adnata; corollae tubus dein reliquae germinis parti 
ad verticem nudum usque est adnatus , limbus autem li- 
ber campanulatus 5-fidus , marcescens , longiter persistens et 



(1) In den tuin te Baiteiizorg. 



— 10 — 

dein emarcidus , postrerno deciduus. Stamina corollae lohis 
alt'enia, calycis laciniis (involucri foliolis autor.) opposita , 
calycis indolem clare indicant. — Altera autem est conside- 
ratio, videlicet fructus fabrica! — Dicitur fructus in utroque 
genere Campaniimoea ^ Codonopsi capsula , uti in tota fa- 
milia hucusque laudatur; in nostra autem sine dubio ullo 
fructus est baccatus carnosus & in primis receptacula 
sunt crassa carnosa; siccando forsan fructus in herbariis in 
folia carpica solvitur & valvaris capsularis dicitur! Conipa- 
ro in lioc momento fructus niaturos liujus anni & alios 
anni praeteriti paulo corrugati , in ramis jam emortuis , qui 
omnes sunt baccacei, nee n'e vestigium dehiscentiae valvaris 
ostendunt. Character familiae inde paulo respectu fructus 
est mutandus. 

Obs. II. Valde accedit nostra ad C. viridifioram Wil. 
(JFahlenbergia DC. Prdr, XII 424.1,), quae solummodo 
difFert foliis baud cordatis, pedunculis oppositifoliis aut ter- 
minalibus, calycis laciniis linearibus, fructibus longioribus 
& forsan dehiscentibus ? — C. ovata Royle [JFahlenbergia 
Roylei DC. 1. c. 425.2.) differt foliis sessilibus, floribus 
terminalibus , calycis laciniis ovatis , tubo sublongioribus , co- 
rolla coerulea & caule erecto. Etsi nostram a Cam.panu- 
moea BI, baud diversam baberem , attamen C. javanica BI. 
(1, c. 423.1.) diversa erit: foliis glaberrimis (generis) , pedun- 
culis petiolis aequantibus, involucri (calycis) laciniis florem 
longitudine aequantibus, 

DiiVGX. Perennis; ramis volublllbus glabris, foliis oppositis 
petiolatis cordatis ovatis acutls hirsutiusculis , subtus glaucescen- 
tibus, crenato-serrulatis, 3 — 5-nerviis, pedunculis axillaribus 
unifloris, petiolo suo longioribus , folio brevioribus; alabastro hir- 
snto; calycis tubo plano, germini adnato, laciniis oblougo-lanceo- 
latis obsolete serrulatis, corollae viridi- flavescentis lobis paulo 
longioribus; bacca truncata nunc hemisphaerica nunc apice sub- 
pentagona, basitereti, crassa violacea, calycis laciniis aiigmenta- 



— 11 — 

tis vegetis subaequilonga , coroUa emarclda lougiter persistenti 
coronata; receptacalis carnosis; seminibus ellipsoideis. 

Habitat sylvas humldas a 3500 usqne ad 8000 pedani altitu- 
dinem per totam Jayam. 

Descrpt. Herba perennis volubilis debilis lactescens; radix va.- 
punculoides alba, 3 poll. longa 8 lln. crassa, Phyteumatis radi- 
ces redolens, inferne bipartita; rami horizontales sensim attennati 
6 poll. longi, una cum radice fibrillis tenuibus crebris obtecti. 
Caulis subterraneus aut vix e solo emergeus herbacens, valde 
abbreviatus, biceps (an semper?) ramos 2 — 4 simultaneos emit- 
tens. Rami tenues graciles volubiles 12 — 15 ped. longi, basi sub- 
tetragoni 1 lin. crassi, superhe teretes virides , apice nunc rubentes , 
ad nodos subincrassati toti glaberrimi nitiduli. Petloli oppositi 
pat ent es semiteretes , sixpra planiusculi flexuosi 8 — 12 poll. longi, 
pallide virides, pilis patentibus albidis hirsutuli. Folia exciso- 
cordata ovata acuta , lobis baseos rotundatis convergentibus , mar- 
gine sibi approximatis , petiolo subpeltatim inserta 3 — , sub-5- 
nervia, ab insertione 1 — 1| ppll. longa & transverse lata, niargine 
minute crenulato-serrulata , membranacea utrinque liirsuta, supra 
obscure viridia , subtus glaucescenti-sublncana , pilïs patentibus al- 
bis nervis et venis insertis; nervis 2 inferioribus externis saepa 
a basi bifurcatis aut trifurcis, omnibus et superioribus pinnatis, 
patentim adscendentibus , intra marginem anastomosantibus , ma- 
culas primarias rliomboideas et irregulares formantibus. Pedun-- 
culi axillares solitarii uniflori, teretes glaberrimi flexuosi 1 — IA 
poll. longi, apicem versus paulo iucrassati , petiolo suo semper loii- 
giores, folio sijo cum petiolo autem breviores. Alabastra pyramidata 
5-gona, angulis acutis, basi truncata, valvata, in ang-ulis et ner- 
vis pilis patentibus albidis hirsutiuscula. Caljcis tubus planus lio- 
rizontalis, medio subimpressus , diametro 2 — 2| lin., gcrmini 
adnatus; limbus 5-partitu5; ladniae m alabastro juvenili valde in- 
aequales, in anthesi subaequales erectae, apice vix patentes oblongo- 
lanceolatae acuminatae, 6—7 lin. longae, 2|- — Slin.-latae, minute 
crenato-serrulatae, obsolete 3 — , sub- 5 - nerviae, nervis venis trans- 
versalibus anastomosantibus, albido-ciliolatae et in nervis venis- 
que hinc inde pllosulae ; dein sub fructu excrescentes vegetae linea- 
ri-lanceolatae patentissimae 8 — 9 lin. longae , basi fere 4 lin. latae, 
pallide virides, pilosiusculae , postremo albeseemtes et basi sub- 



— 12 — 

violaceae; seasim dein emarcidae et postremo deciduae. Corolla 
calycem duplum longa, viridi-llavescens, in alabastro viridis, sub- 
cylindrica 5-angularis, aplce subtruncata, basi glaberrima laevis 
luclda, superne in angulis birsuta; tubus totus germini adnatus, 
obsolete turbinatus subpentagonus , glabemmxts viridis, 3 lin. altus, 

3 — 4 lin. latus, ad fauces extus callosus (calyx triincatus aut.) 5- 
nervius; limbus campanulatus 5-fidus erectus ad apicem lacinia- 
ium 9 lin. altus, diametro 8 — 9 lin., nervis 5 prominulis costa- 
tus, ibique hirsutulus, intus ad basin, nervos venarumque bases 
luride purpureo-pictus , venis pinnatis erecto-patentibus , intus 
minutissime papilloso-puberulus ; laciaiae ovato-oblongae acutae 

4 — 6 lin lono-ae, 4* — 5 lin. latae, erectae, apice subrecurvatae. 

Stamina 5 ad marginem internum corollae tubus germinis vertici 

nserta, coi'ollae laciniis alterna, calycinis opposita, inclusa; 

\fdamenta plana albida basi latiora & subhorizontaliter conniven- 

tia circa stylum erecta teretiuscula ; antherae erectae oblongae a- 

cutae basi subemarginatae , luteae glabrae grandes, supra basiu 

in sinu insertae, 2-loculatae; loculi lateraliter rima longitudinali 

dehiscentes; post foecundationem antlierae valde contractae liuea- 

res, filamentis nunc filiformibus flexuosis, demissis insidentes; 

pollen albidum globosum laeve. Germen totum, excepto vertice, 

corollae tubo aduatum, vertice subpentagono-orbiculari truncatiun , 

laeve, nitidum, subimpressum , vesiculoso-bullatum 3-loculare; 

dissepimenta membranacea ternuissima ; receptacula iis alterna radia- 

ta, crassiuscula , longitudinaliter profunde sulcata, lobis utrinque 

revolutis, in tota superficie gemmulis perplurimis horizontalibus 

obtecta; stylus erectus inclusus, e basi conica attenuatus teretius- 

culus albidus, apicem versus dein incrassatus, cum stigmatibus 

oblongo- lanceolatis acutis, valvatim conniventibus , intus conca- 

vis, subconglntinatis clavum formantibus, extus papilloso-pube- 

rulis viridi-flavescentibus 2 lin. longls, 1 lin. latis, dein patenti- 

bus 7 lin. longus, antberas superans. Fructus crassiusculi viola- 

cei, hemisphaerici, apicem versus sub-5-goni, truncati in vertice 

stvli rudimento vegeto acuto niuniti, cicatrice corollina lineari 

pentagonum formanti & 5 staminum albidis notati, nitidi glaberi- 

mi, indehiscentes , (& in anno secundo persistentes), basi calyce 

suflfulti 7 — 8 lin. alti & crassi (nunc minores in eadem stirpe), 

dein basi magis rotundati, opaci; epicarpmm carnoso- membranace- 



— 13 — 

uiTi totum violaceam; receptacula totam fructum implentia carnosa 
extus violacea, seminibus densisime obtecta. Semina flavo- fusca 
ellipsoidea liorizontalia niinute areolato-tuberculata nitidula. 

Wanneer deze plant niet bij uitsluiting in de A-ochtige 
lommerrijke bosschen te huis behoorde, zoude ze met alle 
regt onder de sierplanten kunnen worden opgenomen, maar 
nu trotseert zij alle bemoeijingen , om haar in de tuinen te 
kweeken. 

VJ. LOBELIACEAE. 

7. Centropoijoii fushtosus Schdw. 

Obseev. I. Secundum Endliclier (Gen. plant. p. 509 & 513) 
a farnilia imoque a genere hocce recedit planta nostra singulari 
staminum insertione; secundum A. de Caxdolle liaec insertio 
familiae baud aliena videtur (Prdr. Vil. 389). 

Observ. II. Etsi planta nostra a diagnosi antoris (Wip. Rprt. 
II. 709. 1) recedit: caule ramoso, calycis laciniis liueari-lanceo- 
latis acuminatissimis , erectis, dein patentibus, nee resupinatis, 
corolla purpurea antlierisque omnibus barbatis , — attamen non 
possum non, eam ad banc speclem referre. Forsan autem C. fas- 
tuosus hort. belg., (quem Wip. Kprt. VI. 733. ad C. surinamen- 
sem Prsl. ducit) hand sufficienter a nostra recedit; C. surina- 
mensis Prsl. (DC. Prdr. ^T^I. 345.2) vix differt, nisi foliis eUip- 
ticis, dentatls, dentibus unc'uiatis, lobis limbi corollae fuucem 
obtegentibus. — C. laevigatus A. DC. (Prdr. Vil. 344.1) recedit; 
foüis ellipticis, antheris apice solummodo pilosiusculis , 2 inferio- 
ribus cuspidato-barbatis. — C. Andropogon A. DC. (1. c. 345.4) 
antheris valde bispidis valde affinis videtur, recedit autem foliis 
ovatis, denticulis pilirormibu? , calvcis lobis tubo sublongioribiis & 
corolla tubulosa. 

Descript. Herba — ex Americae merkhonnlis colonia neerlandica 
Suriname orta — elegans , luxuriosa , 3 - pedalis foliosa , glabra , 
ramosa; cmilis ramique succulent!, crassiusculi , subangulati, nunc 
subsulcati, virides, erecto-patentes , subtus virides, supra sangui- 
nei, glabrl, apicem versus ^villosiusculi. Folia alterna . petiolo 



— 14 — 

brevi 1 — 5-Hneari cnissiusculo, subtereti, supra plano aut sub- 
sulcato suffulta, ovato-oblonga aut oblonga, acuta aut breviter 
acuminata, basi sub-inaequilatera nunc rotiindata imoqiie subcor- 
data, nvinc acute sed breviter attenuata, integerrima; supra basin 
argute serrulata, serraturis 1 — 3 parvis inter 2 majores, callosis 
albido-mucronulatis , mucronulis minutis antrorsis rectis, coriacea 
aut submembranacea , glaberrima, supra lucida, e margine nunc 
elevato subconcava, summa plei-uraque plana, 6| — 1|- poll. longa 
3J — l poll. lata. Pedunculi axillares solitarii uniflori patenti-erecti 
subteretes villosiusculi, nunc et plerumque folio suo dimidio bre- 
viores, nunc versus apicem ramorum ea saepe subaequantes, dein 
in fructu supra basin erectam inflexi nutantes. Calyx glaber ; tuhus 
bemispliaericus, viridis 5 - costatus et j.uxta costas sixlcatus , 4 lin 
altus et crassus; limU laciniae lineari-lanceolatae acuminatissimae 
minute nunc quoque obsolete mucronulato-serrulatae , in anthesi 
plmo erectae, dein patentes, postremo patentissimae, apice recurvae. 
Corolla speclosa purpurea, intus albescens, subfalcata, a latere 
compressa, 1| poll. longa, 4 — 6 lin. lata; ^iiJi<5 ad medium et supra 
acute 5 - costatus , ima basi lO-costatus , supra basin globosam , 
buUatam & supra costas 5 breviores profunde impressus; dein a 
latere utroque compressiusculo erectus, supra medium incur- 
vatus, fauces versus ampliatus; limbus brevis, primo bilabiatus, 
labium superius subfalcato-incurvum integrum, antheras & stigma 
fovens, 7 lin. longum, dein bipartitum, laciniis 6 lin. longis, lan- 
ceolatis acuminatissirais , spiraliter revolutis, nee feuces obtegen- 
tlbus ; labium inferius superiore multo brevius , 3-partitum , apice 
solum versus spectans : lacinia intermedia recta oblongo-lanceolata 
acuminata, a latere utroqu'e compressa indeque canaliculata , apice 
recurva, collateralibus binis falcato-lanceolatis acuminatis, inter- 
media longioribus, 3 lin. longis, i'evolutis. ^Stamina 5 tubo corol- 
lae supra basin inflatam inserta; filamenta basi libera, mox in 
tubum connata basi teretiusculum , sub-5-sulcatum, dein compla- 
natum, albidum, apicem versus dein laete roseum, 20 lin. longum 
\\ lin latimi, supra basin paulo cum coroUae tubo incurvum 
antherae pariter totae in tubum 3 lin. altum apice subincurvum 
connatae, intus deliiscentes , in connectivis albidis dense, in pri- 
mis in tubi dorso et apicem versus pilis purpureis hirsutae; iufima 
apice in aculeum protracta cartilagineum albidum triangularempaten- 



— 15 — 

tem acuminatum , apice saepe leviter % — 3-fidum, 1 lin. longum; 
tubus antherarum cum tubi filamentorum apice dein e corolla 
exsertus. Germeu biloculare; placentae carnosae bipartitae et 
lateraliter revolutae, totae gemmiilis numerosis minutis obtectae; 
Stylus teres crassiusculus , glaber laevis viridiusculus , apice albes- 
cens incurvus, totus intra tubum filamentorum reconditus; stigma 
dein foecundatione completa exsertum viride robustimi , primo sub- 
globoso-clavatum , extus papilloso-pilosulum , dein bilobum, lobis 
semiorbicularibus pateutibus , subreflexis , nunc postrenro lateraliter 
fissum explanatum, lobis comfluentibus. Bacca depresso-globosa 
viridis, calycis laciuiis persistentibus vegetis suberectis coronata, 
in medio styli rudimento sat longo & crasso, basi pyramidali 5- 
gono, dein tereti umbonata & apiculata, bilocularis; epicarpium 
tenue; placentae carnosae totam baccam fere implentes, in tota 
sua superficie seminibus minutis creberrimis obtectae. Semina badia 
subnigrescentia ovata compressa laevia. 

Zeer fraaije overblijvende of vaste plant, in 1852 uit 
den Hortus botanicus te Amsterdam, en in 1853 uit den 
Akademie-tuin te Leiden , verkregen ; laat zich zeer ge- 
makkelijk door stekken en later ook door zaden vermenig- 
vuldigen. Aanvankelijk werd zij in potten gekweekt en 
bragt toen reeds , ter hoogte van een paar voeten , vele 
bloemen voort, doch werd later door de in den vollen 
grond geplante verre in omvang en rijkheid aan bloemen 
overtroffen, zoodat zij nu bij eene middellijn van 4' en 
eene hoogte van 3' , met hare opstaande stengen , die la- 
ter vertakken en dan , neergebogen , met honderden bloem- 
kelken behangen , eene ware sierplant mag genoemd wor- 
den. De stengen zijn hard en droog, doch niet houtach- 
tig , de bloemen van eene licht roode kleur. Het klimaat 
van Buitenzorg schijnt bijzonder geschikt, A-oor hare goede 
ontwikkelinir. 



— 16 — 
VII. RUBIACEAE. 

8. Scyphvphora hi/drojyhi/Uacea .Grtn. 

{Cf. DC. Prdr. IV. 557. 1. Endl. Gen. 3112. BI. Bijdr. 955.) 

Desckipt. Arhor humilis — littora prope Batavlam et Banjuwangl 
habitans — nunc fi-utescens ; rami juniores subtetragoni , lapsu fo- 
liorum apice tantum foiiiferi ibique floriferi. Folia opposita, pe- 
tiolo 3 — 4 lin. longo sustenta, obovata, apice rotundata, basi plus 
minus acute attenuata, 1^ — 2 poll, longa, 8 — 12 lin lata, inte- 
gerrima, marglne subrevoluto, coriacea, glaberriraa, supra nitida, 
subtus opaca, praeter nervum primarium secundariis vix conspi- 
cuis, subtus evanidis. Stipulae caducae interpetiolares breves 
rotundatae, cauli adpressae, inter se in cupulam truncatulam 
sinuato-repandam connatae. Bacemidi breves axillares oliganthi 
(5 — 7 flori), cum floribus 5 lin longis 7-lineare3, bis dicbotome 
ramos i cum flore intermedio. Calyx viridis glaber subteres utrin- 
que compressiusculus , 2-sulcatus; limbus albescens membranaceus 
scypbimorpbus truncatus, minutissime 5-denticulatus persistens. 
Corolla alba, longitudine calycis; tubus teres, calycis limbura ex- 
cedens, intus ad fauces villis albidis clausus; limbus 4-fidus, la- 
ciniae patentes lanceolato-oblongae acutae. Stamina 4 faucibus corol- 
lae inserta, exserta, laciniis corollinis breviora, 1 lin. longa; 
filamenta brevia ; antherae infra medium insertae erectae introrsae 
lineares. Germen calycis tubo connatum, biloculare, apice calycis 
limbo coronatum; gemmida in loculo quociue solitaria; stylus fili- 
.formis ruber , apicem versus attenuatus albidus ; stigma bifidum . 
lobis flavescentibus erectis, sibi invicem approximatis , intu.? pa- 
pillosis. Fructus sicci, suberoso-spongiosi , badii, oblongi, apice 
truncati, calycis limbo persistente nee aucto coronati, recti nunc 
subcurvati , plus minus regulariter octo-sulcati ; \cf. Grtn. de frctb. 
& Endl. Gen. 1. e.) pyrenae autem hand sunt osseae, sed vix cnis- 
taceae, altera saepe abortiva, cylindrico-oblongae. Semen cylin- 
dricum rectum (nee reniforme). 

Een doorbloeijende heester. Groeit bij uitsluiting nan 
de kusten en alzoo in het heetste klimaat; ook in de na- 
bijheid van Batavia wordt hij aangetroffen , waar hij even 



— 17 — 

als elders eene hoogte van wel 10' bereikt , met eene weinig 
uitgebreide kroon. Uiterlijk heeft hij veel overeenkomst met 
Lumnitzera racemosa AYilld., die te Bata^-ia ook onder den- 
zelfden inlandsche naam bekend is, en in welker gezelschap 
hij veelal voorkomt. Door zaden is hij eerst kortelings in 
den plantentuin overgebragt, zoodat er OA-er zijnen groei 
alhier nog weinig te oordeelcn is , daar sommige bepaalde 
strandplanten , die in zout water leven, of daarmede soms 
besj)roeid worden , alhier zeer weelderig in zoet water of in 
droog land groeijen b. v. Sonneratia acida L. , Lumnitzera 
racemosa AVilld., Tou7viefortia nnjentea L. enz., terwijl an- 
dere minder goed, of geheel niet tieren willen b. v. Xijlo- 
carpus ohovatus Jss., Avicennia alha BI. , Aegiceras ohovatum 
BI. en sommige Rlnzoplwrae , van welke laatste eenige soor- 
ten echter goed beginnen door te groeijen en zelfs bloemen 
voortbrengen. 

Inlandsche naam te Batavia: Kajoe i^dssler; op Karimon 
Java, te Japara en Banjoewangi : Doedoek. 

1'SYCnOTRIA. 

Species tres sequentes liabitu tam simili reperiiintiir, ut primo 
adspectu vix varietates iinius special videre crederes; eam ob 
caiisam liaud superfluum opus erit, accuratlus ea? adumbrare. 

Do volgende drie soorten van dit daaraan zoo rijke ge- 
slacht zijn doorbloeijende heesters van G' hoogte, met eene 
ronde breede kroon, die op een enkel stammetje rust en 
daarom een boompje zoude kunnen genoemd worden. Zo 
heliben onderling veel overeenkomst in habitus, zoo zelfs 
dat ze niet dan bij een naauwkeurig onderzoek A-an elkan- 
der te ondei'scheiden zijn. De bloemen zijn wit en klein , 
en maken weinig vertooning, doch de vruchten, welke ge- 
heele trossen vormen en lang eene fraaije oranjekleur 
behouden, hebben een niet onaardig aanzien; ze komen alle 

X. 2 



— 18 — 

in deze streken van het gebergte voor. De eerste dezer 

is ook door den heer JuCH uit de Lampougs overgezonden. 

Inlandsche naam: Kikohres; inde Lampongs : 5e/oon badak. 

9. Psychotria expansa BL 

{DC. Prdr. IV. 521. 1G5.} 

Frutex — e Sximatrae provincia meridionali , Lampo7ig dicta, 
missus — , 5 — 7 ped. altus glaber. Rami teretes , juniores 
compressiusculi aut evidenter compressi sat rohusti. Stipulae 
intraaxilares basi 4 lin. latae, o lin. altae acutae (^-ix acu- 
minatae) , petiolos amplectentes , marcescentes , deciduae. Pe- 
tioli 4 — 8 lin. longi, semiteretes, supra plani, l|-lin crassi. 
Folla obovato-, aut elliptico-oblonga aut obovata, basi lon- 
giter cuneato-attenuata apice breviter acuminata , cum petio- 
lo 5 — 84- polk longa, 2 — 3 polk lata, subcoriacea integer- 
rima glaberrima, opaca subtus pallida. Cymae terminales 
cc -florae trichotomae , ultimis ramificationibus 3 — 5-partitis 
valde abbre%-iatis ; fiores subumbellatim sessiles. Bracteae bre- 
ves oA-atae obtusae persistentes. Calyx 1|- lin. altus albido- 
coloratus, limbus obsolete 5-dentatus scyphimorphus persis- 
tens. Corolla albida ; tiibus cylindricus 3 lin. longus ; limhis 
patens ; laciuiae tubum dimidium longitudine ^^x superantes , 
intus sulcatae. Cymae fructiferae expansae rarae. Friictus 
pisiformes , primo laete aurantiaci , dein atro^-iolacei subni- 
gri, laeves vix sulcati nee costati, calycis limbo persistenti 
obsolete ^-ix coronati , umbonati, diametro 3-lin. ; mesocarpium 
pulposo-carnosum laete aurantiacum dein subexsuccum ; p?/- 
renae 2 hemisphaericae , diametro 2 *- lin , facie planae , dorso 
convexae sublae^-es, yïx costa media prominula notatae et 
ne A-ix quidem rugulosae. 



— 19 — 

10. Psychotria robusta BI. 

[DC. Prdr. IV. 521.162.) 

Species haecce a praecedente recedit: 

Stipulis acuminatis 2\- lin basi latis, 3 lin. altis. Foliis 
obovato-oblongis aut oblongis , basi minus attenuatis supra 
viridulis, cum petiolo G-lineari 5 — 8 poll. longis IJ- — 3 poll. 
latis. Cifmis brevioribus magis compactis haud tam floribus 
abuiidantibus , verticillatim ramosis. Calyce basi paulo at- 
tenuato, l'uiiho (liaud obsolete) 5-dentato. CoroUae tuho 
crassiori & breviori 2 lin. alto; limhi laciniis tubum fere 
adaequantibus. Cymis fructiferls magis compactis. Fructihus 
majoribus subgloboso-ovatis , pimo haud tam laete aurantia- 
cis , dein conico-umbonatis et limbum calycinum umbone 
rumpentibus , 6 lin. altis , 4 lin crassis ; jv/renls majoribus 
4 lin. longis, 3^^ lin. latis, dorso exacte carinatis , caeterum 
sublaevibus. 

11, Psycliotria montana BI. . 

{DC. Prdr. IV. 521. 158.) 

Species haecce a priori recedit: 

Hahitu humiliori minus expanso ; foliis minoribus plerumque 
oblongis etsi hinc inde pariter obovato-oblongis, minus longe 
acuminatis et magis flaccidis, membranaceis , supra nitidulis , 
cum petiolo 3-lineari 4 — 5 poll. longis, li — 2 poll. latis; 
cymae ramis verticillatim & ramulis ultimis abbreviatis um- 
bellatim dispositis ; cahjce breviori vix 1 lin alto ; limbo bre- 
viori haud tam scyphimorpho , 5-denticulato ; corollae tubo 
cylindrico 2 lin longo , laciniis limbi tubo subaequilongis ; 
fructibus ovato-oblongis apice acutiusculis, 5|- lin longis, ^\ 
lin crassis, immaturis aurantiacis & siccando irregulariter 
10-costatis, maturis laevibus; pyrenis oblongis, '4 ^^ lin longis, 



— 20 — 

3 lin latis , dorso 3-costatis et ad apicem applanntum tenuio- 
rem usque dense reticulatim rugosis. 

12. Rhodostoma (jardenioides Scbdw, 

{iri^y. Eprt. VI. 78. 1.) 

Genus Fsi/chotriae valde affine (cf. Endl. Gen. 3147), 
tarnen Coicssareae Aubl. accedit (cf. Endl. Gen. 3158), cu- 
jus descriptie autem liaud quadrat Aubletii iconem (I. t. 38), 
cui differt nostrum : floribus 5 -(nee 4-)ineris, filamentis paulo 
majoribus , disco epigyno cylindrlco , nee conico , stigmatls 
lobis inclusis , vix medium tubum corollae tangentibus , nee 
subexsertis. Cf. Endl. Gen. Sppl. III. p. 74 & Wip. Rprt. 
VI. 78. — Speciraina horti Bogoriensis secedunt paulo de 
charactere generico liisce locis dato , equidem : Calyce haud 
bibracteolato ; hracteis sub calyce & cymae ramis foliaceis 
sparsis nee carnosis (Wip. 1. c.) , nee carnossisimis (Endl. 
1. c). — Corollae limbi laciniis haud plicatulis, sed simpliciter 
valvatis planis ; jilamenüs haud brevissimis, sed brevibus tan- 
tum. Fructus sunt globosi, abortu saepe monospermi & uni- 
lateraliter evoluti , apice tubo calycino persistente cylindrico 
5-dentato coronati , dentibus rcflexis. Pyrenae dorso 3-cris- 
tatae , facie concavae. Nomen genericum ex apice alabastri 
rubenti derivatum. 

Fraaije doorbloeijende heester met A-ele opstaande , wit- 
te, naar tuberozen riekende bloemtrossen. Hij werd in 
1847 uit den Hortus botanicus te Amsterdam verkregen en 
bereikt nu reeds eene hoogte van 10' met eene 8' breede, 
uit in schuinsche rigting opstaande takjes te zamengestelde 
kroon. Hij laat zich gemakkelijk van stekken en ook door ma- 
reotten voorttelen, doch brengt weinig zaden voort. Het 
klimaat van Buitenzorg schijnt hem bijzonder gunstig te 
zijn. Vaderland onbekend. 



— si- 
lo. Parefia W/jckii Hsskl. 

Obseïiv. Species liaec est una earum , quae genera 
Ixoram L. & Pavetlam L. conjungunt ; praebet enim stigma 
lon"-iter exsertum bifidum , laciniis revolutis. Ixora harha- 
ta lixb. DC. Prclr. IV. 487.18 diö'ert panicula laxa subco- 
rymbosa faucibus corollae barbatis & stigmate minus ex- 
serto. Favetta macrophyUa BI. DC. 1. c. 490.5, cui 
e foliqriini forma aiiquot accedit nostra, diftert foliis baud 
lucidis, basi attenuatis, coroUis candidis, minoribus, stylo 
cum stigmate vix longioribus. 

DiAOX. Frutex foliis coriaceis supra lucidis, snbtus glaiices- 
centibus opacis, breviter petiolatis oblongls, obtusis aut vix acu- 
tiusculis basi rotundatis, corymbis pedunculatis multi-& densi- 
floris fastigiatis trichotomis , floribus albo-roseis corollae faucibus 
glabiis, stigmate longe exserto bifido, la'^Iniis reflexis, filamentis 
longluseulls. 

Habitat insulam Nusa Kambangan, unde misit ad hort. bot. 
speclem liane elegantem Mr. H. C. VAX der "Wijck, provin- 
clae Banjumas turn tempore praefectus. 

Descrpt. (Specimina, in liorto valde juveuilia, accuratiorem 
descriptionem uondum permlttunt.) FoUa 5.] poll. longa, 2A 
poll. lata, supva intense virldia lucida, nervo medio cum secun- 
dariis pinnatis alternis patentibus arcuatis, infra marglnem anasto- 
mosantibus pallidioribus notata, subtus nervo medio valde, la- 
teralibus paulo, prominulis eorumque ramis immersis. Corymbi pe- 
dunculo 1 poll. suffulti, cum eo vix 2 poll. alti et transverse la- 
tl. Calycis tubus viridis, limbus roseus ; laciniae breves ovatae 
aut semiorbiculares acutae. Corollae tubus 5 * lin. longus rectus 
tenuls, a basi ad \ roseus, apice albus; fauces nudae; limbi dein 
reflex! biciniae lineari-oblongae acutiusculae , albidae, 3 lin. lon- 
gae, vix 1 lin. latae. Filameata laciniis coj'ollinis alterna et di- 
midiis breviora; antherae anguste • lineares basi sagittatae, apice 
acuminatae 2 lin. longae. Stylus cum stigmate 10 — 11 lin. lou- 
gus, albus tenuissimus iiliformis, apice viridiusculus incrassatus; 
stigma bifidun papillosum, laciniae revolutae. 



— 22 — 

14. Pavetta arLorescens Ilsskl. 

DiAGXOS. Arborescens glabra, foliis grandibus elliptico-oblon- 
gis aut oblongis acuminatis, basi acutis aut obtusis, nunc subat- 
tenuatis coriaceis, breviter petiolatis, floralibus saepe angustiori- 
bus; paniciüa terminali a basi tricliotoma divaricata, foliis mino- 
ri, coiymbosa parviflora, minute puberuia; stipulis acuminatis; 
calycis dentibus minutis acutis; corollae albae tubo 4 lin. alto, 
limbo reflexo tubum dimidium aequanti; stigmatibus exsertis ro- 
volutis; baccis subglobosis exsuccis. 

Habitat Javae occidentalis sylvas montosas e. g. Mt. Gedeli, 
Salak. Nomen sundaicum: KisoTcka gedeh. 

Observ. DifFerunt a nostra specie nova : Ixora undula- 
ta Rxb. (DC. Prclr. IV. 488.19) foliis lato lanceolatis (?), 
bacca transverse ovali, didyma; — I. arhorea Rxb. (DC. 1. 
c. 21.) foliis obtusis, stigmata in faucibus corollae; — I. oxy- 
2-)liyUa Wil. (Wip. Rprt. II. 482.14) foliis longe acumina- 
tis, stipulis apice & calycis laciniis subulatis; — /. spectaUUs 
Wil. (Wip. 1. c. 15) foliis superioribus cordatis amplexicau- 
libus; — 1. longifolia Don. (Wip. 1. c. 19) foliis, ramulis, 
inflorescentia & fructibus villosis; — I. timoriensis Dcsn, 
(Wip. 1. c. 22.) foliis oblongis, basi & apice attenuatis , ca- 
lycibus vix dentatis ; — /. Gardneriana Bnth. (Wip. Ann. 
I. 755.8.) corollae laciniis ovatis &c.; — /. Schomburgkiana 
Bnth. (Wip. 1. c. (i) foliis subacutis basi angustatis, stipu- 
lisque aristatis. 

Descrpt. J.rZ/0?' liumilis 15 — 20 ped. alta; trimcus G ped. altus 
peri2)beria 2 ped.; coma densa foliosa subgloboso-ovalis, 10 — 12 ped. 
lata ramosa. Eami teretes glabri canesceuti-fusei, ad nodos paulo in- 
crassati; ramuli tetragoni, subsulcati glabri virides semitorti ita, ut folia 
omnia disticha appereant; internodia 4 — 5A, in ramis floriferis 1 — 2 
poll. longa. Stipulae interpetiolares, e binis collateralibus connatis or- 
tae, liueae protuberanti interpetiolari insertae , oblongae acuminatae, 
6 — 9 lin. longae, basi 3 lin. latae, carinatae, apice saepe obsolete 



— 23 — 

bifidae, mox marcescentes , catlucae, summae liaud raro micores 
ovato-ti'iangulares. Petioli patentes, semiteretes semlflexi, supra 
plani et leviter maginati, glabri virides 4 — 9 liu. longi. Folia 
grandia in primis in ramis haud floriferis elliptica aut elliptico- 
oblonga breviter acumiaata, basi acuta subattenuata aut obtusa 
aut imo, sed rarius, iuaequaliter subcordata, 6 — 12 poll. longa, 2 — 
4} poll. lata, in ramis floriferis angustiora et minora oblonga aut 
oblongo-lanceolata, paulo longius acuminata basi nunquam obtu- 
sa, plerumque acuta aut subattenuata, 2.} — 6*- poll. longa, 1.] 

1| poll. lata, nunc 7| poll. longa, 3 poll. lata, nunc reliquis con- 
formia, omnia coriacea glabra subundulata integerrima supra in- 
tense viridia, subtus pallidiora glaucescentia ; nervo medio supra 
leviter prominulo, subtus acute carinato, secundar'ds plnnatis op- 
positis aut alternis erecto-patentibus, infra marginem arcuatira 
anastomosantibus, subtus cum venis valde prominulis ; veais valde 
ramosis utrinque prominulis, transversim maculas irregulariter 4- 
angulares formantibus, venulis reticulatis. Panicida termiualis a 
basi tricliotoma divaricata, 4} poll. alta, 6 — 7 poll. lata; ramt 
minutissime puberuli angulati vii'ides patentissimi, iteratim o-cho- 
tomi corymbiteri, ad divisiones inferiores bracteati. Bracteac ml- 
nutae biformes, binae laterales e follis diminutis ortae, paulo lon- 
giores, lineares subulatae, inter bas utrinque plerumque o latio- 
res e stipulis connatis ortae, quarum una paulo inferior, e basi 
lata subulato-acuminatae breviores. Pedicelli bi-eves , vix 1 — 1 .} 
lln. longi, aut saepe minores, apice bracteola diminuta liaeari 
praediti. Flores albidi inter minores, vix 5 lin. excedentes sua- 
veolentes (?). Calyx miuutus, vix * lin. long-us viridis minu- 
tissime puberulus; tuhus ovatus, apice paulo constrictus; lim- 
bus paulo dilatatus patens brevissimus, tubo latior, 4-, rarius 5-fi- 
dus; laciniae sinu lato rotundato sejuncfae, basi latae acutae, 
persistentes , post antliesin conniventes. Corolla albida bypo- 
craterimorpha glabra; tubus cylindricus ad fauces vix iuflatus; 
limbus 4-, rarius 5-partitus, primo patens, dein retiexus; laciniae 
lineari-oblongae , obtusiusculae , 2 lin. longae , tubum dimidium 
vix aequantes. Stamina tot quot corollae laciniae, primo erecta 
mox reflexa, fauci inserta, laciniis corollinis alterna, iisque sub- 
aequilonga; filamenta filiformia flexuosa brevia; antherae iraa 
basi dorso insertae, filamentis paulo longiores, rectae lineares 



acuminatae, ia alabastro introrsae deliiscentes , Ia antliesl efFoetae. 
2-loculares, longltudlaalitev delusceutes , dein exti'orsae; jjollen 
albidum globosum. Germen minutum calycl adnatum, apice 11- 
bsrum, sed disco glanduloso obtectum, 2-loculare ; cjemmulae iu lo- 
culis solitariae; stylus basi a disco epigyno cinctus, teres tenuis 
erectus strietus, 5 lin. longus, tubo corollae longior, tubo cum lim- 
bo erecto brevior, albus glaber; stigmata bina exserta crassiu3- 
cula semiteretia, patentim reflexa papilloso-puberula. Fructus glo- 
bosi, pisiformes, baccati deiu exsucci coriacei aplculati, .dentibus 
calycis apiculum ciugentibus, eoque miuoribus conniventibus, dia- 
metro 4 — 5 lin., rubentes biloculares dispermi. Semina in loeulo 
quoque solitaria, utrinque septo peltatim inserta, loculos implen- 
tia. 

Deze is de eciiige mij bekende boomaclitige soort van 
dit geslacht; zij bloeit weinig, alvorens haren geheelen was- 
dom bereikt te hebben , is echter later zeer bloemenrijk , 
hoewel niet altcos doorbloeijend. Zij behoort in de bosch- 
achtige streken te huis , waar zij waarschijnlijk eene veel 
grootere hoogte bereikt. 

15. Favetta macrophi/lla BI.? 

[DC. Prdr. IV. 490.5.) 

Descrpt. Frutex 6 — 8 ped. altus ramosus foliosus; i^ami te- 
retiusculi subtetragoni cinerascentes rimulosi, coccis lacciferls 
saepe sat dense obtecti indeque lutescentes asperi; i'amali sub- 
complanato-tetragoni , utl in Pavetta arborescenti semitorti , glabri. 
Stqmlae per paria collaterales counatae , interpetiolares et hae 
denuo iufra axillas connatae, ocliream bifidam aut bipartitam for- 
mantes; singulae ovato-oblongae acutiusculae et apice breviter 
mucronulatae , dorso carinatae , basi dein dilatatae, semiorbiculares, 
apice mucronulatae , marcescentes persisteutes , 6 lin. longae. 
3 dein 4 — 5 lin. basi latae. Petioli primo erecti, dein pa- 

tentes, breves semiteretes, o 1 lin. longi glabri. Folia opposi- 

ta oblonoa aut ovali-oblonga obtusa, obtusissima, nunc sube- 



mar"iaata, basi plerumque rotundata, in ramis floiiferls acula 
aut lüviter acuminata, 5 — 6 poll. longa 1^ — 2^ poll. lata, cra.s- 
sa coriacea glabra iategerrlma , supra intense virldia nitidula, 
subtus pallldiora subglaucescentia, jnvenilia albescentia; nervo me- 
dio cum secnudariis supra vix, subtus valde prominulis, acute ca- 
rinatis, hisce plnnutis oppositls aut alternis erecto-patentibus rcc- 
tis, versus marginem dicliotomis, ramis angulo rotundalo anasto- 
mosantibus , extra hauc auastomosin ope ramulorum maculas trape- 
zoideas aut rotundatas Ibrmantibus; in reliqua parte follorum. 
venis paulo conspicuis immersis trausversalibus. Fanlculae terml- 
nales breves 1' — 3 poll. altae, divaricatae, iteratim o-cboto- 
mae; rumi ultimi corymbosi densi-, atque multiflori. Brac- 
teae ad divisiones inferiores stipulaceae grandes, latae binae inter 
minores binas et angustlores, e Ibliis transmutatis ortas; superius 
omnes in unam pateraeibrmem , utrinque sub ramis paulo produ- 
ctiorem connatae ; ad summas ramificationes bracteae stipulares totae 
desunt, restant solummodo foliares minulae, inferiores virides 
calyci approximatae rubentes. PediceUl uli rami totius Inllores- 
centiae minutissime puberuli virides angulati compressiusculi , vix | 
lln. longi erecti. Flores inter minores, in alabastro juveuili 3, dein 
7 — 8 lin. longi, teretes imbricativi, suaveolentes. Calyx minu- 
tus f lin. lo.igus, minutissime velutinus; tahus ovatus leviter 
basi attenuatus, apice iufra limbum paulo constrictus, in an- 
tliesi albescenti-viridis , germini adnatus; üinbus perparvus, paulo 
dilatatus rubeus, obsolete et obtuse 4-dentatus; dentes rotuadutl. 
Corolla candida bypocraterimorplia glabra; tuhus cylindricus te- 
nnis 5 lin. longus rectus versus fauces dilatatus; limbus 4- 
partitus patens et dein totus reflexus tubo fere parallelus; la- 
ciniae lineari-oblongae acutiusculae , apice saepe paulo invo- 
luto, 3 lin. longae, vix 1 lin. latae. Stamiaa 4 faucibus co- 
roUae inserta ejusque laclniis alt erna, in praefloratlone erecta , 
stigma obtegentia et cingentia, jam ante anthesin pollen eraittentia, 
in antliesi patentissima subreflexa effoeta; filameuta filiformia al- 
bida glabra 1 lin. longa; aatherae in alabastro erectae subincur- 
vae lineares, introrsae, basi profunde bifidae subsagittatae, apice 
convectivo proniinulo acute apiculatae, supra incisuram baseos 
insertae, dein versatiles et reflexae et lilamentis pariter patenti- 
bus, inter lacinias corollinas pendulae extrorsae, in praefloratlone 



— 26 — 

cum filamento | lin. longo 2 lin. longae, in antliesi absque lila- 
mento 2 lin. paulo excedentes, angaste lineares bilociilares ; loculi 
contio-ui liaud ad basin antherarum, sed solummodo ad insertio- 
nem tano-entes, in. anthesi effoeti, longitudinaliter deliiscentes ; pollen 
albidum minutum elliptico-oblongum glabrum, longitudinaliter sul- 
catum (aut plicatum?), sub aqua visum globosum. Germen globosum 
minutum, calvci counatum, apice disco carnoso rubenti obtectum 
biloculare; gemmulae in loculis solitariae, medio dissepimento pel- 
tatim intertae; stylus basi annulo epigyno cinctus erectus stric- 
tus, tenuis filitbrmis glaber albus, apicem versus paulo incrassa- 
tus tubo loucior, cum stigmate vii'idi clavato, summo apice acu- 
tiusculo 1 lin. longo, obsolete sulcato, tubum coro'.lae cum laci- 
niis vix aequans (nee longior DC. 1. c). Fructus baccati, dein ex- 
siccati coriacei rubentes, transverse oblongi subdidymi, vertice 
calycls limbo obsoleto coronati, diametro verticali 4 lin., trans- 
versali 5 lin., büoculares 2-spermi. Semina generis, 

'Deze en de twee voorgaande soorten behooren om liare 
fraaije zeer veelvuldige en meestal welriekende bloemen tot 
de sierplanten van de tuinen; allen zijn heesters met uit- 
zondering van de vorige, die een zeer klein boompje wordt. 
Zij groeijen meestal in lommerrijke bosschen en behalve de 
eerst vermelde op eene hoogte van 3 — 4000' voet bo- 
ven zee. Zij laten zich gemakkelijk m de tuinen over- 
brengen & voorttelen. 

IG. Coelospermiwi scandens BI. 

{BC. Prdr. IV. 4G8.) 

Observ. Corollae tubus brevis! dicitur, in speciminibus 
nostris autem G — 7 lin. longus evadit, limbi laciniis aequilon- 
gus. Flores sunt A-alde suaveolentes. 

Klimmende heester; heeft eene slechts ée^ duim dikke, 
kale, regtsom windende steng, tot de hoogte van 8 a 10', 
waarna hij zich met slappe stengen begint te vertakken en 



— 37 — 

wel eene hoogte van 20' bereikt, waaruit weder dunnere 
takjes ontspruiten, waarop zijne witte, welriekende en op- 
staande bloemtrossen voorkomen; zijne groeiwijze is niet 
zeer wild, zoo dat de kroon steeds doorzienbaar blijft. De 
bloeitijd valt in Maart en April. Hij wordt gevonden aan 
het Sallakgebergte enz. Inlandsche naam: Aroij tjoemjkaitglcang. 

17. Stijlocoryne fraijra7is BI. 
( DC. Prdr. IV. 370.2. ) 

Desc^pt. Arhor 60 ped. aha, ramosissima; coina densa globo- 
so-ovata foliosa, mensi Junio dense floribus virldi-albidis odora- 
tissimis obtecta; rami teretes cinerasceuti-rufi. laeviuscuU; rainuli 
tetragoni subquadrangulares , juveniles fere complaiiato-4-goni , 
minute cauescenti-, adpresseque puberuli. Stijndae ad utrumque 
latus petiolorum contiguae coanatae in binas basi late ovato-lan- 
ceolatas acuminatissimas medio carinatas, 4 lin. longas, 8 lin. 
latas, quae inter se iutra axillam sunt connatae ita, ut ochream 
completam, utrinque acuminatam, dein plenimque e ramis axil- 
laribus sese evolventibus plus miuus fissam sistant, persistentem, 
marcesceatem. Petioli uti ramuli , nee tam dense, adpresse pube- 
ruli teretiusculi, supra leviter sulcati virides patenti-erecti aut 
patentes breves, 3 — 6 lin. longi, saepe ultra lineam crassi. Fo- 
lia opposita obovato-oblonga aut ovali-oblonga, nunc oblonga, ob- 
tusa nunc obtusissima, rotundata nunc acutiuscula imoque acuta, 
basi semper cuneata attenuata, 3 — 7 poll. longa, 1 — 3 poll. lata, sub- 
coriacea, supra intense viridia glaberrima nitida, subtas pallidiora, 
exceptis nervis glabra, nervo medio supra leviter sulcata, subtus cum 
nervis lateralibus pinnatis patentibus, apice arcuatim adscenden- 
tibus et iüfra marginem anastomosautibus , minute adpresso-pu- 
berulo. Corymbi terminales trichotomi fastigiati, expansi, bractea- 
ti 2 poll. alti, 3 poll. lati, multi- et densiflori; rami^ ramuli et 
pedicelli compresso-tetragoni virides minute puberuli subcineras- 
centes; hracteae ad omnes divisiones inflorescentiae binae opposi- 
tae, superiores sensim miuores, lineares aut lineari-subulatae pa- 
tentes , ramis adpressae , vix puberulae , 1 — 3 lin. longae , viri- 
des; iiedicelli breves erecti 1* — 2 lin. longi. Calycis tubus ova- 



— 2S — 

tus , basi levlter attenuatus , ad fauces paulo constrlctiis viridts gla- 
briusculus, 1| lin. longus, l Ha. crassus, germini aduatus ; ^m6i<5 
liber, brevis couulvens, haud excrescens' pei'sistens 5-dentatas, 
dentes acnti sabeai'tilaginei. Corolla in alabastro albidó-vlridis cla- 
vata 6 — 7 lin. longa, apice 1 ' lln. lataglabra subcontorto-imbricativa, 
in anthesi expansa liypocraterimorpha decidaa; tubus subpeutago- 
nus viridi-flavescens erectas, aplcüm versus paulo dllatatus; lim- 
bus 5-partita3 patens, tubum subaeiiuans; lac'uiiae oblongae obtu- 
siuscalae planae, apicem versus supra concaviusculae, glabrae, 
sapra albidae, subtas altero latere albidae, altero virides, 3 lin. 
longae, 1\ lin. latae. Stanilna 5, laucibus corollae insertae, ejusque 
laciniis alterna et minora exserta ; filamenta albida teretia subcom- 
planata erecta J- lin. vix longa; antlierae lineares basi bifidae, 
connectivo complanato apiculatae, dorso inter lobos baseos in- 
sertae, in alabastro erectae introrsae debiscentes, in anthesi 
jam effbetae, patentes et dein inter corollae lacinias reclinatae, 
albidae, 3 lin. longae, 2-loculatae; loculi anguste lineares, conti- 
gai, longitudinaliter debiscentes et in anthesi valde hiantes; pollen 
copiosuin albido-flavescens ovale aut oblongum longitudinaliter 
striatum (plicatum?), sub aqua visum globosum laeve. Gennen 
calyci connatum subglobosnm, calycem dimidium longum, apice 
disco epjgyuo crasso alto laevissimo nitidulo 5-crenulato obtec- 
tum biloculare; gemmulae in loculo quoque plurimae receptaculo sub- 
hemisphaerico, dissepimento peltatim inserto, insidentes; stylus basi a 
disco epigyno arcte cinctus tei-es glabriusculus, interne pilis antrorsum 
adpressis minutis hinc inde puberulus, in alabastro 4, — dein in an- 
thesi G lin. longus ; st'ujma in alabastro 2 lin. longum, tereti-clavatum, 
apice acutum, inter antheras mox apertas receptuni et supra pa- 
pillas suas polline copioso tectum, dein exsertum 3 — 4 lin. lon- 
gum. Fructus baccati dein sicci, indehiscentes globosi laeves 
rubescentes, siccando dein nigrescentes rugosi, apice umbonati et 
Ihnbi calycis subtruncati residuis coronati, diametro verticali et 
horizontali 2\ lin., biloculares polyspermi; dissepimentum tenue 
membranaceura , medio utrinque receptaculum heniisphaericum ge- 
rens. Semina in loculo quoque 12 — 14 tetraëdra, extrorsum ro- 
tundata, introrsum cuneata aut angustata, glabra nitidula rugu- 
losa fusco-viridia ; albumen lacteum copiosum corneum; embryum 
in albumine snbmarginale rectum, medio semine paulo longius, 



— 29 — 

candidura; mdlcala cyliiidrica, apicem seminis versus spectaus: 
cotyledones tenues applicativae. 

Hoezeer een aanzienlijke boom , toch ^vegens de menigvul- 
dige en uitnemend welriekende bloemen wel vraardig, om in 
grootere tuinen of parken aangeplant te worden , te meer , 
omdat hij ook buiten den bloeitijd altijd eene fraaije 'kroon 
vol donker groene bladen heeft. Hij groeit in de bosschen 
van het gebergte op omtrent 4 — 5000' hoogte. 

18. Stylocortjne raceiii.osa Cav. 

[DC. Frdr. IV. 377. 1.) 

Obsekv. Valde accedit haec ad St. confertam BntJi. 
(Wip. Ann. II. 792. 1.), quae autem diff'ert: foliis basi 
acutis, corymbis terminalibus subsessilibus ; — St. seügera 
Knth. differt (1. c. 793. 4): foliis acuminatis basi attenuatis , 
utrinque hirsutis , laciniis coroUae spathulatis ; — St. coriacea 
Knth. capitulis axillarlbus paucifloris , foliis basi attenuatis ; 
St. rigida AYght. (Icon. 10(i4) : corollae tubo crassiori bre- 
viori , stigmate crassiori , calycis laciniis magis obtusis , co- 
rollae tubum subaequantibus, nee 3-plo 4-plove minoribus 
corollae faucibus glabris (cf. AVlp. Ann. I. 380. 1]. 

Descript. Ramull, inflorescentia, pedunculi & calyces minute 
puberuli. Folia glaberrima supra nitida, in nervo medio subtus , 
in primis ad apicem ramulorum florentium minute antrorsum 
strigulosa, ramorum sterilium ad 12 cntm. longa, 7 cntm. lata, 
summa ramoxnira florentium 7 cntm. longa, 3,5 cntm. lata, sub- 
eoriacea. Corollae tubus extus minutissime sericeus, 5 mlhn. lon- 
gus; laciniae patentissimae 11 mllm. longae, lineari-oblongae ob- 
tusiusculae semitortae primo albidae dein flavae. vStyhis vix tubum 
excedens, stigma A^ero incrassatum subeylindrico-fuslforme viride 
paplllosum, tubum corollae 1 cntm. excedens. P^ructus in horto 
nunquam protulit frutex hicce. 

Een klimmende heester met regtsomwindende steng, min- 



— 30 — 

der bloemrijk, doch wilder en digter in elkander groeijen- 
de, dan Coelosperuium, zoodat hij bij eene onbepaalde 
lengte, die 20 en meer voeten bedraagt, eene digte, on- 
doorzienbare massa vormt. Aan den voet slechts een duim 
dik, vertakt hij zich spoedig in opgaande ranken ter dikte 
van sjechts eene bindrottan, welke weder vele horizontale 
zijtakjes voortbrengen, waaruit bij enkele de witte, welrie- 
kende bloemtrossen eindelings voortkomen ; vruchten worden 
slechts zelden gevonden. Hij groeit in de omstreken van 
Buitenzorg en bloeit in Maart. 

19. Bertiera clirysantha Hsskl. 

Observ. I, Valde accedit Menestoriae DC. (Endl. Gen. 
3299.) 5 quod genus calycis dentibus deciduis solummodo 
diversum vidotur. Inter Berüerae (Endl. Gen. 3295) sub- 
genera nullum reperitur laciniis calycinis horizontaliter con- 
niventibus , quae in Menestoria fcrsan sunt neglectae. In 
Manetia Mutis (Endl. Gen. 3266), cui DC. affinem dicit 
Bertieram pariter dentes accessorii reperiuntur, qui in nos- 
tra ad glandulas perparvas sunt reducti; bacca est carnosa 
(uti in Symplioricarpo Dill.) nee exsucca; flores aurei nee 
albidi. 

Obsery. II. Inter Berüerae species B. javanica (DC. 
Prdr. lA^. 394) differt caule simplici , foliis hirsutis , corol- 
lae albidae tubo brevi; B. fasciculata BI. (DC. 1. c.) co- 
rymbis brevibus, petiolo vix longioribus, pedicellis subfas- 
ciculatis, tubo corollae elongato; B. laterifiora BI. (DC. 
1. c. 393.) corollae rubentis tubo elongato, faucibus velu- 
tinis calycis dentibus acuminatis ; — omnes: calycis laciniis in 
fructu haud horizontaliter conniventibus. 

Dl^gx. Frutex Mü.^ ohoxoXo- , seu oblongo-ellipticis acutis, basi 
cuneato-attenuatis, corymbis raris tricliotoinis , ramis et pedicellis 
patentissimis , eorolla atirea, stigmatibus binis, baccis carnosis 



— 31 — 

albidis, calycis laciniis horizontaliter conniventibns coronatls, nu- 
tantibus. B. laterijiora Hsskl. Cat. p. 115. ex dentibns calycinis 
frnctus conniventibns ! 

Habitat sylvas pedis montis Gedeh, Javae occidentalis, men- 
sib. Majo ad Jaliiim flores frnctusque gereus. 

Descrpt. Frutex erectus , 6 — 7 ped. altus , parce ramosns ; 
rami erecti dicbotomi teretes laeves nitiduli cinerascenti-fasci, 
dein longitudiualiter rimosi; rarnidl virides teretiascali subcom- 
planati, pilis rainutissimis strigulosi mox glabrati. Stipulae in- 
terpetiolares , margine paulo intumido inter folia insertae, triangu- 
lares acaminatae 2^ lin. longae, e basi latinscula 2 lin. lata ab- 
rupte — , nunc dimidio angustiori sensim — attenuatae erectae ad- 
px'essae persistentes et marcescentes. Fetioli breves teretiusculi , 
supra vix plani et leviter marginati 2 — 6 lin. longi. Folia op- 
posita obovato-, s. oblongo-eUiptica acuta, rarius acuminata, 
basi subcuneato-attenuata, 3 — 6t poll. longa, 1 — 2J poll. lata, 
membranacea, supra atroviridia glabra nitidula, subtus pallide 
viridia subglaucescentia , in nervis minutissime puberuia, pube 
nudis oculis vix conspicua; nervo medio supra vix, subtus valde 
prominulo teretiusculo , lateralibus pinnatis oppositis aut subop- 
positis, imoque alternis erecto-patentibus , ad marginem adscen- 
dentibus et intra marginem eique autem valde approximatis , 
anastomosantibus , nervis intermediis incompletis, mox in venas 
transeuntibus , valde regulariter inter nervos transversalibus, ma- 
culas angustas sistentibus rectangulares a media distancia inter 
nervum medium et marginem, in reliqua parte cum nervo inter- 
medio angulum plus minus rectum formantes, subtus valde pro- 
minulas; venulis pariter sub angulo recto inter venas transver- 
sis, sed ba"d tam regulares maculas minores formantibus valde 
ramosis; maculis ultiniis quadratis aut pentagonis irregularibus. 
Infiorescentia axiUaris aut in ramis axillaribus brevibus termina- 
lis, dein fructifera lapsis foliis nunc pseudo-lateralis , saepe 
axiUaris, corymbosa rariflora, petiolo suo multo longior 11 
poll. alta , folia sua vix dimidia longa , erecta, dein fructifera 2 — 
3 poll. alta, et saepa nutans, subpendula, patentissime trichoto- 
ma, apice nunc dichotoma, Pedunculi & rami inflorescentiae 



tennes graciles subcomplanati sanguinei, pube minuta canescentes, 
ad divlsiones bracteati. Bracteae parvae, ad divisiones inferiores 
4-nae A^erticlllatae biformes, quarum binae foüa diminuta linea- 
ria at'uminata reforunt, longiores, binae intermediae stipulares 
acutae dein biiidae, plus duplo reliquis minores, omnes per- 
sistentes marcescentes. Flores in inilorescentia quaque 6 — 10, 
médiocres. Calycis tuhus subglobosus basi parum attenuatus, pal- 
lide viridis minute puberulus laevis , germini totus adnatus, 1\ lln. 
altus; limbus liber profmide 4 — 5-partitus ; lacirdae sinu lato ro- 
tundato distinctae et in sinnbus utrinque glandula globosa minu- 
ta, nnuc binis collateralibus conflnentibus, munitae, basi latius- 
culae, subulato-attenuatae erectae iategerrimae, \ — | lin. lougae 
persistentes. Corolla epigyna tubulosa subinfundibnliformis laete 
aurea crecta, 5 — G lin. longa, apice 1 lin. lata; tuhus extus mi- 
nutissime A^elutinus, intus pilis albidis minutis pnbernlns et e 
filamentis adnatis costatus; limbus 4 — 5-fidas; lacirdae in alabas- 
tro valvatae, acntae, erectae dein patentes imoqne subreflexae. 
Stamina 4 — 5 inclusa; filamenta fere tota tubo corollae adnata; 
antherae subsessiles lineari-oblongae , utrinque obtusae subtrunca- 
tae introrsae biloculares; loculi contigui, rima longitudinali de- 
hiscentes; ^;o//<?« albidum globosum minutum laeve, stomatibus 3 
Germen calyci connatum subglobosum, vertice ,ti-uncatnm, 2-locu- 
lare ; dis sejnmentum tenue membranaceum utrinque placentam cras- 
sam carnosulam, in linea mediana peltatim insertam gerens, ob-. 
longo-ovatam plano-convexam ; gemmulae plurimae totam placen- 
tam obtegentes liorizontales ; stylus erectus teretiuseulus inclusus 2 
lin. longus, albido-flavescens , pilis patentibus raris liirsutulus ; stig- 
mata 2, stylo longiora, 2|- lin. longa, inclusa semiteretia intus 
plana, primo erecta sibi invicem adpressa, unicum stylo crassius 
fingentia, saepe conglutinata, dein apice et saepe tota divergen- 
tia, acuta, extus puberulo-papillosa. Fructus baccati albidispon- 
gioso-carnosi , tactu frigidi, subglobosi, diametro 4 lin. , apice um- 
bonati , limbi calycis vix producti, laciniis horizontaliter connlven- 
tibus emarcidis coronati & obtecti, glandulis inter lacinias sub- 
globosis minutis; ejjicarpium membranaceum glabrum laeve; 7ne- 
socarpium spongiosum succoso-carnosum ; endocarpium & dissepi- 
mentum chartacea alba glabra; ?-ecepüacuk carnosa exsculpta. Se- 
mina copiosissima nigra horizon talia complanata 4-angularia sub- 



— 33 — 

ouneata, basi J — ' parte angiistiora . minnte reticulata iS: 
maculis muriculata; testa crustacea. 



/3. laacrocalyx Hsskl. 

DiAOX. Calycis tubo majori, ovoideo, glaberrimo, limbo ma- 
jori, in fructu dein magis producto cupulilbrmi, lacinüs basi la- 
tioi-ibus, sinu minus lato sejnnctis; inflorescentia majori magis 
patenti-erecta , fructibus majoribus irregularitei' angulatis. 

Habitat eadem cuni specie loca; floret eodem tempore. 

Desckpt. Infiorescentia 2 poll. alta, in fracta 3 — 4 poll. al- 
ta, vix natans erecta; pedicelli 4 — 6 lin. longi virides aut ru- 
benti-vlrides , in fructu 6 — 12 lin. longi; jlores 10 — 12 paulo 
majores. Calycis tuhis ovoideus basi parum attenuatus glaberri- 
mus lucidus, Havescenti-viridis, fere 2 lin. altus; limbus ad basin 
f ere partitus erectus 1 lin. & ultra altus; laciniae sinu angus- 
tiore etsi rotundato sejunctae, e basi } lin. lata acuminatae 
subsnbulatae , post antbesiu calyx mox subglobosus apice trunca- 
tus viridis, limbi persistentis vegeti lacinüs patentibus & paten- 
tissimis coronatus; corolla apice 2 — 2 1 lin. lata. Fructns majo- 
res, angulato-subglobosi diametro G lin., calycis limbo producto 
interne 1 — \\ lin. alto integro cupulilbrmi cum margine suo et laci- 
nüs inflexis conniventibus , verticem fructum planum obtegentibus. 

Deze en de twee volgende soorten van Bertiera zijn kleine 
zAvakke heesters , en de laatste niet eens als eigenlijke hees- 
ters te beschouwen. Zij groeijen wel is waar aan de berghel- 
lingen op slechts 4 — 5000' hoogte , doch ze zijn zeer moe- 
ijelijk in de tuinen over te brengen en kwijnen daar 
eenigen tijd, waarna zij meestal afsterven. Dit is waar- 
schijnlijk daaraan toe te schrijven , dat ze slechts op de vochtig- 
ste plaatsen en daarbij in het digtste lommer groeijen , zoodat 
ze in de tuinen niet genoeg vochtigheid kunnen hebben- 
De bladen dezer soorten zijn meestal met levermossen 
(Hepaticae) begroeid, 

X. 3 



— 31^ — 
20. Bertiera fasclculuta BI. 

{I)C. Frdr. IV. 392.8.) 

Descrpt. ,S'i<//>-z(^ca; Il umilis subsimplex; caidis 1 — 2 peel. jil- 
tus, 2 — o lin. crassus , spongioso-suberosus, intus medullarls , gla- 
ber albescens, hinc inde rimosus. Stipulae grandes interpetiola- 
res lineari-lanceolatae acnminatissimae subcarinatae , 7 — 8 lin. 
longae, basi 1 — 1^ lin. latae erectae, ima basi intus glandulis 
teretiusculis aggregatis copiosis obsitae. Petioli breves, nunc sub- 
nulli, 1 — 4 lin. longi, patentes. Folia opposita obovato-oblonga 
acuta aut breviter acuminata, basi plus minus uttennata, 4 — G 
poll. longa, 1 — 2 poll. lata, viridia glabra, siccando juxta ner- 
V03 albescentia, subtus in nervis et venis striguloso-puberula ; 
iiervis supra vix prominulis, subtus una cum venis acute pi-omi- 
nulis; nervis secundariis pinnatis alternis aut suboppositis pa- 
tcntibus arcuatim adscendentibus et juxta marginem anastomosan- 
tibus, plurimis incompletis inter secundarios ad quartam aut me- 
diam inter nervum medium et margines distantiam percurrenti- 
bus; venis transversalibus maculas subrectangulares formantibus, 
ramosissimis reticulatis, ramis maculas minutas rectangulares aut 
in medio inter nervum medium et marginem saepe rotundatas sis- 
tentibus. Corymbi axillares ab ima basi tricliotomi divaricati ita , 
ut infimi rami ipsi coiymbi videautur ideoque fasciculati ad- 
pareant, parvi ei'ecti mox refracti, foliis mox deciduis late- 
rales, -| poll. longit*udine vix excedentes. Bracteae ad rami- 
ficationes lineari-lanceolatae acuminatae, infernae verticillatae , 
superiores oppositac aut alternae; rami iuflorescentiae angulati 
et pedkelli 2 — 3 lin. longi teretiusculi minute puberuli. Ccdycis 
tubus tui-binatus 5-angulatus brevis, 1 lin. altus et ad fauces 1| 
lin. latus; limbus erectus 5-partitus brevis; lacmlae triangulares , 
e basi lata acutissimae aut subulatae, sinu lato rotundato sejunc- 
tae, glandulis interjectis nullis, ante anthesin erectae, in autlie- 
si patentiusculae, dein patentissimae 1\ lin. longae. CoroUa au- 
roa pubcrula, pro ratione inflorescentiae mediocris, 5 — 7 lin. longa ; 
tubus ima basi paulo inflatus, dein subpentagono-cylindricus 
cvcctus, apicem versus inflatus, l lin. latus; limbibs 5-dentatus, 
ad fuuces villosus; dcntcs ovati acumioati patentes, dein subre- 



— 35 — 

tlexi. Stamina 5, tubo corollae ad faaces inserta iuclusa; aïithe- 
rae subsessiles lineares iutrorsae, 1 lin. fere longae, acumiuatae 
biloculares, longitadinaliter deliiscentes ; pollen albidnra globosum. 
Gerineii calycls tubo connatum, vertice disco epigyno tectum, bi- 
loculare; geinmidae plarimae receptacula peltatim dissepiinen- 
to inserta tota obtegentes; stylus basi annalo epigyno cinctas, 
teres filiformis erecLus, pilis patentibus albidis miuutis hir- 
sutiusculus; stigmata 2 semiteretia primo conglutinata , stigma cla- 
vatum stylo paulo crassius fingentia , dein patentia sabreflexa , an- 
theras tangentia (nee exserta.) Fructus raritcr reperiuntur, indc- 
que adliuc desiderantur. 

21. Bertiera jacanica VA.? 
(nC. Prdr. ir. 302.7.) 

DiAGX. reforiaata. Fruticubis simplex, foliis petiolatis oblongis 
aut elliptico-oblongis acuminatis, basi attenuatis snpra hirtis, 
pubtus hirsuto-puberulis subglaucescentibus , corymbis terminali- 
bus aut axillaribus divaricatis trichotomis , primo erectis, dein 
refractls, corollae tul)o brevi? (e BI. 1. c), baccis albidis carno- 
sis globosis, calycis dentibas erectis aut patentibus cdronatis; 
calyce 5-dentato, glandulis pedicellatis \ in sinubus omnibus per- 
sistentibus. 

Descupt. Fruticulus simplex (e lil.); caidis teres glabcr spon- 
gioso-suberosus , longitudinaliter rimosus, ajbido-flavescens nitidu- 
lus 1 — 5 lin. crassus ,1 — 2 ped. altus , apice viridis teretiuscu- 
lus glaber, nunc hinc inde ramulos paucos oppositos emittens; 
ramuli compressiusculi virldes, pilis albidis sparsis patentibus 
liinc inde obsessi. Stipulae interpetiolares , e binis per paria 
altc connatis ortae, iraa basi saepe et petiolis adnatac, ita ut 
in priniis, si folia abortiva ad magnitudinem perparvara sint re- 
ducta, vaginam ramum cingeotem formeut, ovato-oblongae basi 
paulo attenuatae, apice bifidae virides, albido-ciliolatae , 3 lin. 
pupra medium latae, persistentes marcescentcs , dein deciduae, 
cauli et i-amis adpressae, ima basi iutus corpusculis viridibus mi- 
nutis carnosis glandulosis praeditae. Petioli patentes semiteretes 
hirsuti viridcS, \ — 1 poll. longi, i'"'o/?« oppositu elUpüco-oblonga 



^ 36 — 

aut oblonga actimiaata, baslu versas plns minns longiter attenu-* 
ata, G} — 10 poll. longa, li — 2* poll. latar aut 8 poll. longa, 3 
poll. lala, juveuilia uü'inque cano- et molliter pnberula, adulta 
snpra aspera. intense virldia, siccando nigresceutia , sabtns hirsu- 
to-puberula e pills patcntibus brevibus articulatis acatissimis, ex 
articalis alternis saepe contractis moniliformibas , subglaucescen- 
tia; nervo niedio cam secundariis pinnatis, oppositis ant subop- 
positis utrinque prominulis acntls, liisce patentibus marginem 
versas adscendentibns et juxta marginem arenatim anastomosanti- 
bus', venis transversalibas maculas primarias sabrectangnlares 
formantibus, venulis transversis copiosis in maculas secundarias 
irregulares parvas divisas. CorymU terminales erecti , dein f racti- 
feri refracti , nunc ramo unico tantum excrescenti , altero inevoluto 
jiseudo-axillares ; inferne umbellatim 4 — 5-fi.di; rami iteratim 3- 
cliotomi aut abbreviati, ramuli nonnulli subumbellati ; bracteae ad 
divisiones inflorescentiae e stipulis aut foliis transformatis minu- 
tis ortae, minutae, inter se plus minus in involucrum integrum 
aut partitum connatae, margine limbriato-glandulosae et glandu- 
lae stipitatae pariter in superficie bractearum albescentes. Pedi- 
celli uti rami inflorescentiae glabri angulati virides, erecti aut 
patentes 1 — 2 lin. longi. Calycis tubus subglobosus viridis gla- 
ber, germini connatus basi vix atteuuatus, 1 — 1|- lin. altus; lim- 
bus patens 4 — 5-partitus; lacinlae sinu. lato rotundato sejunctae, 
ad latus utrmnque glandulis binis stipitatis, sinu insertis persis- 
tentibus munitae, e basi lata acutissimae, persistentes. Corolla?? — 
Fructus albidi carnosi subglabri, apice calycis laciniis basi car- 
nosulis albidis cum interjectis glandulis coronati, quasi fimbria- 
ti, vertice nudo plano, glabri, diametro 2J — 3 lin., dein exsuc- 
ci corrugati, 2-loculares polyspermi; epicarpinm tenue membra- 
naceum; mesocarpium carnosum dein exsiccatum endocarpio sub- 
didymo medio sulcato cliartaceo arcte adliaerens, primo facile 
solubile. Dissephnentum tenue chartaceum album, receptacula 
utrinque in medio peltatim inserta, lamina semiseptum formant! 
suffulta, bemispliaerica primo carnosa dense seminibus obtecta et 
pxseulpta. Semina perplurlma minuta complanata scrobiformia ^ 
nigrescentia cuneata aut 4-angularia aut quadrata aut 3-angularia 
muriculata. Testa crustacea; alhumen oopiosum , emh-ynm rec- 
tum, cotyledones ovatae emarginatae. 



— 37 — 

22. Mussaenda AfzelUi Don. 

[Don Hlsi. ofDichlamijd. UI. 489. 13. Wljo. Rprt. IL h-2'2. 4.) 

Folia brevi-petiolata ovata aut ovato-oblonga , basi obtusa 
aut subcordata, apice acuta vix subacuminata , utrinque vi- 
ridia , (subtus leviter) supra (magis) scabriuscula , subtus in 
primis in nervis eorumque ramificationibus ferrugineo-pilosa ; 
ramuli juniores & inflorescentia sericeo-pubescentes ; alabastra 
sericea ; folium calycinum subrotundum acutiusculum , basi 
subattenuatum album villosum , diametro 0,08 — 0,09. Fruc- 
tus desiderantur. 

Halfklimmende doorbloeijende heester, in 1850 uit 
den Hortus botanicus te Amsterdam verkregen; groeit bij- 
zonder goed in dit klimaat. Door mariotten laat hij zich 
gemakkelijk voorttelen; doch heeft nog geene zaden voort- 
gebragt. Hoewel reeds 10' hoogte bereikt hebbende, toont 
hij nog weinig neiging tot klimmen, doch duidt genoegzaam 
aan, dat hij te zwak is, om zelfstandig regt op te groeijen. 
Hij heeft veel overeenkomst met de overige soorten van zijn 
geslacht, vooral ook door de vervorming van enkele kelk- 
blaadjes, welke tot een groot wit blad uitgroeijcn, en waar- 
van op iedere bloemtros van 1 — 5 voorkomen. Deze soort 
overtreft de javaansche van dit geslacht in sierlijkheid en 
minder wilden groei. Vaderland : Sierra Leona. 

Vm. LONICEREAE. 

23, Vihurnum Sandankica Hsskl. 

[Ixora Sandanhwa hrt. Bo<j.) 

Descript. Frutex rarissime florens — e Japonia sub Ixorae no- 
mlue missus — , 6 — 7 peJ. altus; raml teretes verruculoso-asperi 
strlcti erecti. Folla opposita breviter petiolata, ovata aut ovato- 



-^ 38 — 

oblonga obtusa anl subacuta, ramorum florentiiim saope ovalia 
aut ovali-oblonga obtusa imoqiie apice rotundata, omnia in raar- 
gine subrevobito plus minus exacte crenulato-serrulata , in apice 
serraturae cujusque glandnloso-incrassata , mme subintegerrima , 
coriacea, firma glaberrima, supra atroviridla nitidula, nervis 
eorumque ramincatlonibus exsculptis, subtus prominulis. Corymbi 
plerumque terminales, nunc in ramis axillares, abbreviati parvi 
erecti tricliotomi basi ebracLeati; hixicteae ad ramificationes solita- 
riae & ad floi'is cujusque basin ternae miuutae. Coi-olla albida bre- 
viter tubulosa ; antherae ad fauces corollae subsessiles ; fjnictus glo- 
bosi calycis limbo persistenti vegeto coronati, 1-spermi rubri. 

Een japanschc heester, reeds sedert vele jaren in den 
plantentuin hier en te Tjipannas gekweekt. Slechts zel- 
den brengt hij kleine , witte, onaanzienlijke bloempjes aan 
kleine trosjes en nog zeldzamer enkele vruchten voort. 
Te Tjipannas groeit hij wel zoo weelderig als te Buiten- 
zorg, doch bereikt nooit eene hoogte boven de G'; zijn 
groei is zeer onregelmatig, daar hij uit den onderaard- 
schen stam vele jonge spruiten maakt, waarvan de sterk- 
ste door den struik regtop doorschietende, de grootste 
lengte bereiken , en zich daarna vertakkende , te zamen 
met de minder sterke spruiten een' digt ineen groeij enden 
struik , met ongelijk dikke vertakkingen , vormt. 

De Japansche naam is Sandankwa. 

IX. APOCYNEAE. 

Bleekeria Hssld. 

OiJSERV. I. Genus novum hocce „ Lactaria Rmpli'^ Cer- 
hcram in ter & Tamjhiniam Thouars (DC. Prdr. VIII. 
353 & 355) collocandum. Ochrosia Jss. (DC. 1. c. 35G), cui 
BI urne clbrr. speciem posteriorem (p. 41), certe congeneram , 
adjunxit , satis diftert : filamentis gracilibus, stjlo quam germen 
multo longiore, stigmate conico bifido, drupis exsuccis, me- 
socarpio coriaceo, endocarpio uniloculari, 2 — 5-spermo. — 



— 39 — 

Bliime elbrr. cliaracterem distinctivum hujus generis refijrma- 
vit quidem et amplificavit , attamen et tali modo diftbi't 
genus suiim alteratum a nostro : corolla infundibuliformi, gcr ■ 
minibus 1-locularibus , gemulis 2-seriatis , putamine (endo- 
carpio et mosocarpio) fibroso-lignoso , incomplete 2-loculari 
seu 1-loculari, seminibus abortu 1 — 2 apteris, em])ryoque 
carnoso (cf. BI. Mus. bot. I. 157). 

Nomine antiquiori Rumpbii „Lactaria''^ — monente amico 
Bleeker — jam ad appellandum gQwvi?, piscium quoddam usi- 
tato, dixi hoc genus valde insigne in honorem viri hujus 
doctissimi et studiosissimi non solum PISCIUM IncUae orien- 
lalis , sed totius scientiac naturalis: Doctoris Petri Blee- 
ker, Equitis Ordinis Leonis Neerlandici, Academiae Cacs. 
Leop. Carol. nee non diversarum Societatum Scientificarum 
socii, qui inter priores Societatem indicam Katurae curioso- 
rum Bataviae fundavit et nunc ei praesidet ; viri , qui om- 
ui , quo potest, studio ac labore scientias naturales colit at- 
que fovet. 

CITAR. GENERIS , (<? Bleekeriü kalokaoya sumptus.) 

Calyx 5 - partitus , eglandulosus , parvus. Corolla hypo- 
craterimorpha ; tuhus cylindricus , supra medium paulo in- 
flatus , fauces versus paulo constrictus , laevis ; Umhi lohi 
5 ovato-oblongi , acuti , aestivatione fere erecti , dextrorsum 
sese imbricantes, nee vix tortl ; appendices faucium nuUi. Sta- 
mina corollae tubo infra medium inserta; jllamenta huic 
longiter adnata ibique pilosa, summo apice tantum breviter 
libera , filiformia ; antherae lineari-lanceolatae , acuminatae , 
filamentorum parte libera duplo majores, graciles, apice 
processu perparvo connectivi acute apiculatae. Germina 
bina vdx ima basi connata parva, glabra, teretia, facie in- 
terna planiuscula, bilocularia; (jemnmlae in loculo quoque 
binae superpositae et septo completo placentifero ad medium 
insertae , erectae , ovatae ; stijlus filiformis brevis ; stupna 



— 40 — 

antlieras luiuU uttingens , capitato-ui'ceuliibnne , ad basin 
subglobosuni , supra angustato-cylindrlcum , ibique pilosu- 
lum , suinnio apice conicum , leviterque bilobum. Drupae 
uviformes, pulchrae, plerumque binae, divaricatae, acutae, 
nunc abortu unica, laete miniato-purpureae , in sutura le- 
viter carinatae; epicarpium laeve membranaceum ; mesocar- 
pium grumoso-carnosum, sat copiosum; endocarplum ligno- 
sum , compresso-obovatum ; apice conico-acuminatum , lon- 
gitudinaliter subelevate nervoso-striatum et summo apice 
muriculatum; in latere dein subdehiscens , ibique semina 
plantulas juveniles pullulant, quae fructum totum fere in 
partes duas aequales secernunt, latus oppositum sulcatum 
perforantes; endocarpiuin biloculare transverse incrassatum 
et juxta loculos iisque parallelas ca^dtates binas sat gran- 
des cylindrico-subreniformes , basi obtusas, apicem versus 
attenuato-acutas gerens , pulpa carnoso-spongiosa albida 
repletas, primo adspectu semina fingentes. Semina in lo- 
culo quoque fructus bina , aut abortu unius hinc inde so- 
litaria , dissepimento chartaceo-sublignoso , fragili , duplici , 
endocarpii diametro latiori transverso, intus glaberrimo 
nitido arcte adpressa, ovato-suborbicularia, apice subacuta, 
in toto margine ala angusta cincta ; albumen semen implens , 
corneum ; emhryum in medio albuminis , inversum , tenue , 
albidum , eoque plus duplo brevius; cotyledones planae, te- 
nuissimae, ovato-subrotundae ; radlcida cotyledonibus paulo 
longior. , 

24. Bleekeria kalokaoya (1) Hsskl. 

DiAGX. Arbor mediocris, foliis coriaceis verticillatis 3 — 4-nis, 
obovato-oblougis, apice obtusis s. rotundatis, basin versus longi- 
ter attenaatis, nunc cuneatis, breviter petiolatis; cymis subumbel- 
latis brevi-peduncnlatls, oligantliis; bracteis minutis e basi lata 
acutis; floiibus sessibus albido-flavescentibus ; foUiculis drupaceis 



(1) Voa a graeeis verbis l\x?.ü7 pulclier et \{.X',7t^i7 fructus dcrivata. 



_ 41 — 

plerumque blnls ovoideis acutis miniato-purpureirf , laevibns car- 
uosls 4-spennIs, eorumque cavitatibus carue spouglosa repletis. 

Habitat forsan Novam Hollandiam, unde attulit rev. Ds. 
White ; sed baud coustat , aunon ex aliis locis Indiae orientalis 
aut insularum Arcbipelagi indici introdiicta fueritarbor haecce et 
iu SIdney, I^ovae HoUaudiae, tantum culta? 

Dkscriptio. Ai-bor mediocris iu omnibus partibus succo lacteo 
^oetens, glaberrima, foliosa. Folia primordialia e semine vix 
prorumpentia (praetei' coty ledones) opposita, dein verticillata 3- 
na, in ramis uberioribus 4-na, nunc binc inde, sed rarius verti- 
cillo soluto sparsa, in extremitate ramorum nunc vaide approxi- 
mata, patentia, cum petiolo 4 — 8 lin. longo 3 — 8^ poll. longa, 
1 — 2 * poll. lata, obovato-oblonga , basi cuneata et in petiolum 
longiter attenuata, apice rotundata, nervis lateralibus intermedio 
f ere perpendicularibus, coriacea, glaberrima, supra nitidula ob- 
scure, subtus pallide viridia. Cymae axillares, nunc terminales, 
breves una cum floribus vix pollicem longae, dichotomae 7 — 11- 
florae, subumbellatae , glabrae. Bracteae perparvae, e basi lata 
acutae. Flores sessiles, appressi. Calyx vix 1 lin. longus, erec- 
tas; Corolla albido-flavescens ; in apice laciniarum intensius lutea; 
tubus 6 lin. longus; limbi laciniae oblongae acutae 3.]- lin. longae, 
1\ lin. latae. Dnqme singulae Ij -2 poll. longae, pollicem cras- 
sae; cavitates endocarpii 9 lin. longae, 3 lin. crassae; loculi se- 
miniferi junti transverse 1 lin. lati, 1 poll. fere longi. Semhia 
e* lin. longa, 5 lin. lata, vix '\ lin. crassa; embrijum 3 lin. vix 
excedens. Caet. vid supra in Cliar. generis. 

Deze boom, welke liier bijzonder goed voortkomt, schijnt 
geene groote hoogte te bereiken, daar hij ter hoogte van 
12', reeds vele vruchten gedragen heeft; de takken zijn op- 
waarts gerigt. Hoewel de bloemen klein en onaanzienlijk 
zijn, geven toch de rijpe vruchten in den vorm eener 
amandel door hare frissche roode kleur, aan den boom 
een sierlijk aanzien. 

25. Bloekeria saluhris Ilsskl. 

Syxon'. Lactaria salubris Rmpli. Amb. II. 255. t. 84. Cerhe- 
ra oppositlfüUa Lam. DGaud. Prodr. Syst. Veget. YIIL 354. 5. 



OchfOd'ui salabrls BI. Mii.s. I. 158. Culjjicarjium scduhre Dou 
Hist. Diclil.. IV. 100.2. 

DiAdN'. Arbor, folüs corlaceis, oppositls, in apice ramorum 
nunc o- (e descrlptione Rumpliü: 4-)-nIs verticillatis , obovatis, 
basl cuneatis, apice obtusis inioque retusis (Rmph.); cyrnls longe- 
pedunculatis multifiorls , bracteis lanceolatis , floribus pe Jicellatis , 
albidis, graveolentibus ; folliculls binis aut solitariis flavescentibus 
ovoideis acutis, delu rugosis, fibrosls 2-spermis, eoiixmque ca- 
vitatibus fibris lignosis repletis. 

Habitat insulae Ceram littora merldloaalia , pariter et insa- 
lae Leytimor," Tolehu, Buru et Maiiipa, sed ubique rara iu solo 
penitus arenoso et aliquando et lam prope scopulos. 

Descriptio Riimpbü in loco citata : » FoHa bina sibi in v leem 
)) opposita , in ramorum vero extremo quatuor simul locantur , 
» suntque similia illis Bintangor , sed paulo latiora crassiora et 
iirugosiora, 7, 8 et 10 poll. longa, 2 transversales digitos lata, 
)) superius subrotunda , et parum bifida , subtus gerunt plurimas 
» subtiles costas, sed non ita adunatas ac in Bintangor folüs , 
)>quarum inferiores parallelae sunt, superiores vero sinuosae de- 
)) currunt omnesque terminantur in oras sinuosas. Folium ipsum 
)) parum inflexum est instar scatellae vel cymbae, superius gib- 
iibosum et glabrum. Flores proveniunt in racemo ramoso uti in 
n Manga bra va liujus autem flores magis ad Jasminum accedunt, 
» in longo euim peduuculo quinque locantur alba et extensa pe- 
» tala i'etroflexa, in medio concava, ^flaccida, ingrati odoris, haec 
)) vero insident caliculo tripetalo ; in quovis autem racemo 4 — 5 
«tantum fructus ad maturltatem perveniunt, formam habentes 
))Condondong vel instar illorum IMangae bravae, geminique ple- 
)) rum que arcte sibi adcumbunt, brevibus ac vix dignoscendis in- 
)) sidentes pedunculis, qui non in centro, sed oblique fructus per- 
)) forant , qui superius duro et obtuso apice constant. Externi 
nviridis sunt coloris ac maturi flavescunt instar Mangae, qui ru- 
)) ïosi tantum sunt ex rufo nigrescentes. Sub exterioi'e pellicula 
" crassa et rugosa locatur gluma , quae per longitudinem in crassa 
>) duci potest filamenta , instar fructus Mangae bravae. Quisque 
1) vero fructus per medium sulcatus est sed nee vi sopari potest. 
') Intus bina ossicula plana sibi adcumbunt bilinguia fere , quae 
1) inferius excavata sunt , ubi pedunculo fuere nexa, haec ossicula 



— 43 — 

» ex duï'a , fusca, et tenui quasi pelli constant, iu qua plauus 
» recon ditns nucleus, corueus quasi et lentus instar corii , qui sa- 
» porera liabet nncum avellauarum , in binis cellulis , quae ab ii- 
" traque parte linguae isti adcnmbunt, nil Invenitur nisi ista cras- 
!> sa fila; Ex omni trunci et ramortnn parte, ubi inciduntur vel 
)i tblium abrumpitur imrao ex ipso ejus nervo medio exstillat lac 
oaliquot albicans tenax viscosumque, quod mox exsiccatnr. Di- 
"citiir, aliis in locis truncos fiiisse observatos, qnos bini vix vi- 
5) ri amplecti poterant, inqne fructibas quibusdam saepe inrenitar 
1) nnus tantum nucleus ac unica tantum descripta llngua. Radix 
«externe obscure flavescit, multisque fibrillis constat, intus vero 
1) palllde flavescentis est coloris et lignosa, et adeo dnra est si re- 
j) eens fiierit, ut secures majorösque cultri hebeseant si caedatur, 
» in ramcnta tarnen facile dissilit instar vitri. Sapor ejus ama- 
11 ritiem liabet fabaceam." 

26. Kopsla arhorea BI. 

{BI. Rumph. IV. p. 27.1. t. 181. except. frnct.). 

Observ. I. Delincatio fructus in icoiie citata Blumei 
clbrri. haud ad liane, sed ad sequentem speciem pertinet, 
({uacum in lierbario certe fuerunt confusa specimina; illa enim 
non solum est Xovae Guianao incola , uti refertur 1. c, 
sed in Javac parte oricntali et verosimiliter quoque occidentali 
reperitur , ob liabituni nimis similem Imcusque semper cum 
K. arhorea confnsa. 

Obseky. II. Arboi* humillor, folia minora cum petiolo 
4-lin. 5 — 7 poll. longa, 17 — 30 lin. lata, flavesccnti-vi- 
ridia; coroUae limbus tubum subacquans, laciniae lanceola- 
tae; fructus minores ovoidei bini, rarius solitarii, basi sub- 
aequales , apice obtusi seu rotundati , ventre conformi in su- 
tura linea vix visibili, subelevata notati, sub angulo obtu- 
so intcr se divergentes , \-iolacci , rof e coerulescenti tccti , 
hocce demto nitiduli, 7- — 8 lin. longi, 5 lin. crassi, caro 
bucco lacteo foetens , cxtus violaceo-tincta , intus v-iridi-al- 
ba. 



— 44 ~ 

Een dun doorbloeijenJ boompje van soms wel 20' hoog- 
te met öene ronde uitgebreide kroon , die naarmate het 
hooger opschiet, minder omvang heeft, Avat door zijne 
standplaats gewijzigd wordt , daar het in de bosschon meer 
hoog en spillig opschiet en , vrij staande , minder hoog 
Avordt , doch zich meer in omvang uitbreidt terwijl zijne takken 
neergebogen worden. De bloemen zijn welriekend. Deze soort 
komt in vele streken van Java, in het lage gebergte, en 
ook in deze streken voor. Inlandsche naam : Klloetoeng. 

27. Kopsia flavida BI. 

[BI. Rumpli. IV. p. 28.3. t. 181 qiioad f rtict., sed mala icon; 
Wip. Ann. LIL 34.). 

Obseev. Arbor quam praecedens altior robustior densior , 
f'olia majora cum petiolo 3 — 5 lin. longo 4 — 9 poll. longa, 1 
— ö\ poll. lata, intense A^ridia, nitidissima; corollae tubus 1 poll. 
longus; limbi laciniae oblongae 7 lin. longae, 3^- lin. latae; 
fructus olivaeformes , majores, suboblongo-ovoidei , 1 poll. 
longi, 6.^- — 7 lin. crassi, horizontaliter fere inter se diver- 
gentes , basi e dorso subgibboso subinaequales , apice rotun- 
dati (nee turbinato-ellipsoidei , nee 5-sulcati, nee impressi 
uti fructus descripsit BI. clbrr. 1. c), in ventre sutura levissime 
sulcata notati. Color & caeterae partes cum iis speciei an- 
tecedentis convcniunt. 

In aanzien bijna gelijk aan de vorige, doch in alle dee- 
len kolossaler , en niet riekend. Deze plant is vroeger uit 
Oost-Java in den tuin overgebragt. 

C A L P I C A R r u M Don. 

• ((?. Bon Eist. of DicU. IV. 100.) 
ü 
Chak. gen, Ccili/x 5-partitus , laciniis lanceolatis perslsten- 
tibus , apice glandulosis ; corolla hypocraterimorpha , tubo an- 
gusto, apice incrassato, foucibus intensius coloratis pilosis, 



— -io — 

eXappendiculatis ; limbi laciniis obovatis oblongis aequila- 
teris ; stamina 5 in parte incrassata tubi inserta , aiitlieris 
sagittatis inclusis; (jermina gemina unigemraulata utrinque 
squamula angusta subuliformi, germina alternanti, praedi- 
ta; gemmulae in media placenta insertae; stigma grande 
apice bilobum, antheris convergentibus obtectum; capsula 
plerumque solitaria , oblique urniformis , villosa apice fissa , 
1-locularis, in sulco apicali deliiscens semi-bivalvis, pulpa 
vÏK. ulla ; epicafi'pium tenue fibrosum ; semina solitaria ovato- 
oblonga, integumento simplici albido glabro crassiusculo ; 
albumine nullo; ernbryum erectum, cotjledonibus pallidc 
fiavescentibus , semini conformibus; radicula 'supera oA-ata. 
(Cbar. e CaJpicarpo^ Roxhurgliü Dcfn demtus!}. 

28. Calpicarpum Roxhurgldi Don. 

{Don Eist. of Dichl. IV, 100. WgJit Icon. II. 431.) 

Syxox. Kopsia frutlcosa A.DC* VIII. 352. 1 & 2 ; K. vincaefiora 
BI. Rmpli. IV. 28. 2. 

Desckpt. (1) Frutex — iu hortls in primis Bataviae frequentis- 
sime cultus, sed introductus, nee insnlae Javae incola — ; folia sub- 
rostrata aut abrupte longinscule acumluata, basi raagis attennata ,.5 — 
8 poll. longa, 2 — 3 1 poll. lata ; cymae breviter pedunculatae , bis ant 
3 veces di — 3-cliotomae, saccessive multiflorae, simultanee rariiis ma- 
gis quam 2 — 3-florae , cum pedunculo commani 4 poll. altae , dein 
absque floribus 2-pollicares ; bracteae & calyx laete parpnrei, pa- 
riter ac calycis laciuiae minate albido-ciliolatae ; bracteae sub 
floribus sterilibus cum hisce deciduae, cum fertilibus persisten- 
tes; corollae tubus 1^- poll. longus; limbi laciuiae 10| lin. longac, 
7 lin. latae. Folliculi plerumque solitarii, altero abortivo plns 
minus evoluto ad basin persistente et vegeto, e basi ovata 
urniformes, a latere utroque leviter compressiusculi, supra medi- 
um in dorso leviter infliexi, apicem versus subrefiexi; antice (in 
ventre) ab apice ad medium protuberantia valde turnida, profitnde 



(1) Descriptie snpplemcntnria tantum ai^ r-nm , qnar in 1^1. Kumiiliial ?iiji 
cit, iTperitur. 



— 46 — 

sulcatii (labia piidendoritm virginis impubci-iie relcrenli) .praeclili 
ibique in todo sulco dein deliiscentes semibivalves , coriacei, atro- 
purpiirei, molliter pubenilo-velutini , (nee dnipae pollicares ellip- 
soideae, siiperne latiores et rotundatae, dorso covexae, ventre 
applauatae et sulco impressae glabriusculae , organisatione Kopsiae 
arhoreae Blume 1. c), 7 lin. longi, 4 lin. lati, 3 lin. crassi, 
monospermi; pericarpium coriaceura tenue; tumor vulvaris spon- 
giosus intus albidus; mesocarpiura nullum ; endocarpium pergama- 
neum; semen plane generis, vid. Cliar. gen. 

Algemeen gczoclite, doorbloeijende heester, ±12' hoog, 
met brcede uitgebreide kroon. Wnfirschijnlijk werd hij in 
vroegeren tijd op Java ingevoerd , wijl liij nergens in liet 
■wild wordt aangetroÖQn , en daarbij bekend staat als in 
Pegu te huis behoorende. De roode bloemen gelijken zeer 
naar die van Vinca rosea L. terwijl de vrucht aan geheel 
iets anders doet denken, 

29. Pottsia^ocata A. DC. 

[BC. Prdr. VUL 442.) 

Observ. Species haecce vix a P. Ilookeriana AVglit. 
(Icon. lY. 130(j, Wip. Ann. III. 41.1.) divcrsa videtur: 
glandularum praesentia vix sufficit, nee foliorum acumen 
obtuslusculura ad distinguendas species. 

Descrpt. Frutex scandens glaber. Rami teretcs virides; ju- 
veniles pube iiisca minutissima adspcrsi dein glabrati, et solum 
ad intcrnodia fusci ibique inter petiolos oppositos linea elevata 
notati. Petioli \ — 1 poll. longi. Folia oblonga aut imo (sed ra- 
rius) ovata basi plerumque cordata, nunc fere rotundata et inae- 
quilatcra, apice plus minus longe acuteque acuminata, utrin- 
que glaberrima, supra obscure viridia, subtus pallidiora, ncr- 
vo medio cum secundariorum saepe oppositorum paribus 5 — G 
supra laetius colorato, 2 — 5 ixjll. longa, 16 lin. — 3 poll. lata. 
Injorcsccntia axillaris laxa, folio suo longior, cymoso-paniculata 
•3-cliotoma, in iiltima divisione saepe 2-cliotoma. Pedimcidus com- 
munis 2-pollicaris viridis; rami sensim sensimque magis pealüds- 



— 47 — 

ccntes, Slim mi albidi aut roseo-albidi ; pedicelli erecti tcrctes gla- 
bri roseo-albi 3 lin. longi. Cahjx viridkisculus cupuliforiftis per- 
parvus, lineam dimidiam vix altus, glaber 5-fidus; lac'miae ercc- 
tae, lubo corollae adpres?ae ovatae aciitae, nervo medio crasso 
viridi percursae, margine tenues liyalinae ciliolatae, intus ad ba- 
sin 1 — 2-glandulosae, Hnc inde eglandiilosae. Corolla liypocra- 
terimorpha; tubus basi sub-5-gibbus ruber dein pentagonus; (caet. 
vid. Wght. 1. c). Nectarii glandulae albidae, plus minus inter se 
cohaerentes , calycem duplo superantes , glaberrimae. Fractus (huc- 
usque ignoti) folliculi teretes tenues elongati filiformes penduli, 
glabri , apice inter se per longum tempus cobaerentes (et inde fol- 
liculo altero abortivo aut minus rite evoluto alter arcuatim flexus) 
13 poll. et ultra longi, vix lineam crassi, membranacei , dein lon- 
gitudinaliter deliiscentes et tortuosi. Semina compressa linearia 
oblonga, apice longiter comosa. 

Zwaldve regtsorawinclende , doorbloeijende heester , met 
vele slappe neerhangende takjes, die hem meer het aan- 
zien van eene vaste plant , dan van eenen heester geven , 
hoewel hij om zijnen harden klimmenden steng, die onder 
de massa van zijne fijne slappe takjes verborgen is , onder 
de heesters moet gerangschikt worden. Hij vormt zulk 
eene digtc massa , dat slangen enz. bij hem eene . veili- 
ge schuilplaats vinden. Hij behoort in deze streken te 
huis. 

X. SPIGELIACEAE. 

30. SpifieUa AntJiehnia L. 

{Wild. Sp. pi I. 824.1. DC. Prdr. IX. 7.23. Lam. lil. /. 107.) 

Descept. Ilerha annua, vix pedem altitudine excedens, laete 
viridis erecta. Caulis ramique teretes glabii, Hnc inde rore glau- 
cescente obtecti; interiiodia superiora longiora tcretia. Stlj)ulac 
interpetiolares brcvissunae latae acutae vix \ lin. altae et 1 lini 
latae. Folia petiolo 3 — 4 lin. longo sustenta opposita, infcriora 
minora, oblongo-lanceolata utiinque attenuata, 2 poll. longa, 
superiora internodio abbrcviato quateniatim ?ubverti<:-illala, mul- 



^ -IS — 

to majoi-a, sed inter se per paria inaequalia, brevlter petiolata 
ovato-«blonga acuminata,, basi minora attenuata, majora siibeor-' 
dato-rotundata, majora ad 4 poll. longa, 2 poll. lata, minora 
cum petiolo 3-Kneari 2^ poll. longa, 1 poll. vix lata, subquinqiie- 
nervia, laete viridia, supra et ad margines minutissime scabra; 
ex foliorura axillls saepe ramuli progredi solent, foliis minoribus 
plantam juvenilem florentem habitu et foliorum forma et magni- 
tudine referentes. Sjncae nunc in juvenilibus aiit in ramis seni- 
lium ex axilla quaque solitariae cum longiore terminali; in seni- 
libus spica centralis aut imo laterales ima basi raraosae indeque 
plures congestae reperiuntur, 2 — 6 poll. longae, apice recurvae, 
secundae oo - (20 — 50-) florae. Flores in sn'pei-iore rbaclieos pa- 
gina dispositi, erecti, bractea minuta laterali suffulti. Fechinculi 
1 lin. longi, rliaclii spicae totiter adnati. Bractea haud floreni su- 
um in medio sustinens, sed nunc dextrorsura nunc sinistrorsum 
lateri exteriori pedunculi adposita rhacliique adpressa, üneari- 
subulata, vix * lin. longa. Bracteola altera ad apicem pedunculi 
pari modo nunc dextrorsum nunc sinistrorsum lateralis, calycis 
tubo adnata, inter lacinias calycinas fere interjecta, sed exacte 
inferior, eadem cum bractea configuratione. 

(Flovis descriptio satis bona in Endl. Gen. p. 606. DC. Prdr. IX. p. 3 re- 
perienda, addam hoc loco solum notas, quibus discrepat nostra planta a descrip- 
tionibus laudatis): 

Calycis ramo transverse compressi laciniae margine minute ser- 
rulato-mucronulatae , in antliesi erectae conniventes, dein erecto- 
patentes sinuque satis lato sejunctae, eglandulosae. Corolla 3 lin. 
alta , tubulosa ; tuhus teres, 1 \ lin. longus, albidus glaber; limbus tu- 
buloso-infundibuliformis sub-5-gonu3 5-costatus, <ïostis ad sinus 
lacinianim percurrentibus , 5-plicatus roseo-albus, apice 5-valvis; 
ladniae brevissimae. Stamina in apice tubi corollae ad basin 
limbi inserta, inclusa; filamenta capillaria tenuissima. Gerinen 
didymum (nee basi calloso-incrassatum Endl. 1. c.) aequabile ; 
stigma stylo articulatim , sed eadem directione, insertum üque sub- 
aequilongum, fusiforme acuminatissimum , basi stylo crassius, al- 
,bum glabrum, apice minute patentim muriculato-pilosum , dein ad 
articulationem deciduum indeque stigma concavum [auct.] referens. 
Capsula didyma, stylo persistente in sinu munita, transverse oblon- 
ga subglobosa, rhaclii parallele compicssiuscula, eclünato-muri- 



— 49 — 

cillata, basi dein calloso-incrassata , iudurata et capsula ibidem 
elastice circum^cissa decidua ; basis haec capsulae fundum calycis 
vestiens cirpersistit , trans verse elliptica utrinque acuminata, ibique 
ia dentem firmum acutum desinit, in lateribus rhacM parallelis 
breviter denticulata et in medio septi rudimento, rhachi inflores- 
oentiae perpendiculari, conspicuo. Semina in loculo quoque 8 areo- 
lato-muriculata. 

Eene zaaiplant, die bij toeval met vele andere soor- 
ten op Java is overgebragt, en bier leeft en voortteelt, 
alsof zij geheel te huis ware ; hare overtogt geschiedde vol- 
gender wijze. Toen de minister van staat, gouv, gen. 
J. J. RoCHUSSEX, in 1845 op zijne reis herwaarts, 
Brazilië aandeed en van daar eenige kisten met planten 
medebragt, werd de aarde, daarv-an komende, zorg^-llldig 
gezaaid , waaruit een 25-tal soorten van braziliaansche 
planten , welke in dezen tuin nog niet aanwezig waren , 
zijn voortgekomen , waaronder zich ook deze Spigella be- 
vond. Op gelijke wijze zijn meerdere planten uit andere 
landen verkregen , zoodat het aanbevelenswaardig is , om 
dergelijke aarde in staat te stellen , om de in haar bevatte 
schatten uit te leveren. Zoude van de aarde, voor ballast 
der schepen gediend hebbende , welke hier of daar wordt 
uitgeworpen , ook soms niet veel partij te trekken zijn ? 
Het zoude geene bevreemding baren , zoo zich op de eilan- 
den in straat Sunda vele planten , uit andere warme he- 
melstreken afkomstig , bevonden , wat wel eens een op- 
zettelijk onderzoek verdiende. 

XI. LABIATAE. 

31. Orthosiplwn tomentosus Bnth. (3. ijarvljiorus Bnth. 
{DC. Pr dr. XII. 51.) 

Observ. I. A generibus confinibus distinguenda species 
nostra tubo coroliae exserto , stylo apice capitato-stigmatoso ; 
Moschosmac aliquot accedit , sed calycis dente summo de- 

X. 4 



— üO — 

currente , corollae tubo exserto, linil)o subbilabiato , labio 
inferiore plano , lübis omnibus fere aecjnalibïis sat distinc- 
ta. Ocimum corollae tubo breviore in primis difFert et si 
huic generi adscribere velles, inter Gi/mnocima Bnth. (DC. 
1. c. p. 39) collocaro eam deberes , a qulbus autem folio- 
rum bractealium defectu discrcpat, 

Observ. II. Bcntliam vir clariss. ad vainetatem hanc ob- 
servat, speciei novae typum forsan praestare; et si eam ab 
Orthosiplione toinentoso sejungcremus, nomina O. moUis jure 
salutare possimus. 

Descrpt. Herba — e Java centrali a viro indefesso et de horti- 
cultura indica, nee non de scientia nestra amabili optime merito J. 
H Teysmaxx , horti bogoriensis hortulano , allata — annna, erecta, 
2 — 3-pedalis, tomentoso-pubescens , moUis, ramosa. Rami erec- 
to-patentes. Pctioli 6 — 14 lin. longi. Folia ovata aut subrotun- 
do-ovata acuta creuato-deutata, basi rotundata ant nunc fere 
truncata , integerrima aut imo subattenuata et saepe inaeqnilatera, 
2 — 3 poll. longa, 1 ^ — 3 poll. lata , utrinque sed in primis sub- 
tus raolliter brevissirao tomento pnbescentia. liaccmi terminales 
elongati subpaniculati , dein 10 poll. longi laxi; verticlllasti'a 6- 
flora secunda. Calyx pedicellatus , in antliesi erectus, 1\ lin. lon- 
gue, dein fructifer nntan*, 3 lin. longue dente superiore ovato 
subdecurrente , binis inferioribus longioribus aristulatis, interrae- 
düs latis ovatls subacntis vix nucronulatis ; fauces intus nndae. 
Corolla lilacino-albida ; tahus exsertus snbincu.rvus , 2 lin. longus 
ad fances snbinfiatiis ; liinbi 3 lin. longi labium superius 3-dentatnm, 
inferius concavum integerrimnm. Stamina omnia libera nuda de- 
clinata, corolla piudo longiora, 3-linearia (indeqne O. stambieo 
paulo accedens species). Stylus antlieras excedens filiformis gla- 
ber, apice clavato-capitatus , albido-lilacinus leviter 2-lobus, stig- 
raatosus. Fructus lucescentes, minntissime pnnctnlato-verruculosi. 

Zaaiplant uit het zuidergebergte van Djokdjokarta , die 
onder de schoonbioeijende mag gerekend -worden. 



— 51 — 

32. Salcla stachyoides Kntli. /3. allodapa (1) Hsskl. 

{cf. BC. Prdr. XII. 303. 156.) 

Obs. Planta nostra in vicinitate liorti Tjipannns prope 
Patjet et in diversis locis ad pedem orientalem moiitis Gedeh 
sua spgnte uberrime progrediens et primo a me pro specie 
(listincta habita et diagnosi sequenti distincta fuit. Cuni 
aiitem e litteris hortulani peritissimi J, E. Teysmann cer- 
tior foetus essem , S. stachyoklem Kntli. in horto citato 
frequenter cultivatam fuisse , et semina ab incolis uti illa 
Oclmorum ad conficiendas potiones adhiberi, nolui specie- 
rum gregem jam nimis ingentera generis hujus angmentare. 
ITaud impossibile enim est, nostram nil iiisi formam ube- 
riorem plantae americanao esse , ciijus iconem in Plant, 
acqidn. baud comparare potui. Eara ob caiisam descriptioncm 
fusiorem confeci, ut difFerentiae facilius possint observari 
ab iis , quibus plantam citatam Kuntbii in patria sua videre 
licitum erit , quae e diagnosi Bentbami clbrri. in DC. 1. c. 
cqiule simplici , foliis minoribus , angustioribus brevitei' pe- 
tiolatis acutis et bracteis oblongis acuminato-subulatis diiler- 
re videtur. S. elomjata Kutb. DC. 1. c. 157 ditfert: caule 
subsimplici bumiliori , foliis breviter petiolatis acutis , gla- 
Ijriusculis duplo minoribus , spicis oblongis , 2 poll. longis , 
calyce tubuloso, dentibus acutis , corolla calyce 2-plo longiori. 

DiAGX. r.EFORMATA. Hevbficea erecta ramosa puberuia, foliis 
longiter petiolatis ovatis aut ovato-lanceolatis acumiuatis basi ro- 
lundato-cuneatis , sumniis oblougo-Ianceolatis acuminatis, basi lou- 
giter et saepe iuaequaliter attemiatis, crenato-serratis , utrinque 
pubescentibiis , sxibtus mollibus subincanis; racemis simplicibus 
spicaeformibus erectis elongatis terminalibus , verticillastris 10 — 
18-floris valde approximatis ; bracteis late ovatis subulato-acumi- 



(1) Nomeu derivatum a voce ■^•?J<0^X7rC7 /-l : cu , exoticus, e terra aliena 

proceJens. 



— 52 — 

tiö, calycibud aequilungis; floribus internis pedicellatis, externis 
subsessilibus; calvclbus campanulatis costatis viridibus incano-pu- 
berulis 3-dentatis, dentibus 2 inferioribus laiiceolatis acurainatis- 
simis dein applicatie, superiori ovato acuminato dein complicato, 
superne acute cariiiato, a latere compressis & faiices calycis clau- 
dentibus; corolla calycem vix dimidium superante, extus puberuia, 
tubo incluso, stylo breviter barbato; stigmatis lacinia superiors 
reflexa; nuculis ovalibus conipressiusculis glaberrimis laevissimis 
maculatis. 

Descrpï. Herba annua — ex liorto bot. Tjipaunas ob usnm se- 
miuum in vicinias cultura transplantata et nunc prope vicura Patjet 
& in jugo Kajumanis ubique sua sponte uberrime progrediens — 
erecta, 3 — 6 ped. alta, robusta ramosissiraa. Caulis crassus i-angu- 
laris viridis, ad nodos paulo incrassatus et ad latera profunde sulca- 
tus, inferne I poll. crassus, minute subincano-pubescens, ab infi- 
mis fere nodis cruciatim ramosus. Rami plerumque simplices, nunc 
infimi pariter ramosi, cauli subsimiles, sed tenuiores et in primis 
apicem versus densius pubescenti-tomentosi, erecto-pateutes, pos- 
tremo delapsis foliis fere plantam totam paniculatam sistentes. 
Petioli semiteretes superne leviter sulcati patentes , basi valde dila- 
tati & cum oppusito linea protuberante juncti; ima basi juxta ramirm 
protuberantia cristaeformi muriculata intenslus viridi notati, 3 — 
2 — (ramorum) 1 — \ poll. longi. Folia opposita, pariter a basi apicem 
raraorum versus sensim valde dim^nuta, ovata s. ovato -lanceolata 
acuminata, basi rotundato - attenuata aut acuta, 6.J — 5 poll. Ion- 
ga, 3 — 2/- poll. lata, suj^eriora oblongo-lanceolata acuminata, basi 
acuta aut plerumque inaequaliter attenu;ita, 4 — 2|- poll. longa, 2 — 
If poll. lata-, o??imrt supra l)asin integerrimam crenato-sei-rata, ser- 
raturis mucronulato - apiculatis , supi'a atroviridia puberuia, sub- 
tus molliter pubescentia subglaucescentia, nervo medio cum late- 
ralibus pinnatis, suboppositis aut alternis, supra planis, sub- 
tus valde prominulis, erecto-patentibus , intra marginem arcuato- 
anastomosantibus et venis transversis inter se junctis, maculas sub- 
rectangulares formantibus, venulis valde ramosis irregulariter re- 
ticulatis, maculis 'secundariis saepe pentagonis, venulis multis in- 
tra maculas libere desinentibus. Racemi in omnibus ramis termi- 
nales, spicaetbrmes cylindrici deasissirai, haud (aut rarissime basi) 



— 53 -> 

interrupti 14- — 5 poll. lougi, 8-fa,riam Imlnicoti, dense et mollitei- 
canescenti-tomeatosi, 4 — 8 lln. crassi, bracteati. Bracteae [folia 
floralia auctorum) foliuceae, sub quoque verticillastro binae opposi- 
tae, calycibus in autliesl subaeqiiales, dein paulo eis breviores , 
persistentes, vegetae, patentes subrotundo-ovatae, subito abrupte 
acumiuato-snbulatae, 4 — 4|- lin. longae, 2 lin. latae, ima basi pau- 
lo attenuatae, 9-nerviae, nervis infra apicem confluentibus , seri- 
canti-puberulae et longiter ciliatae. Flor es 5 — 9 in quoque latere, 
densissime congesti axillares , e ramulo brevissimo vix distinguen- 
do progredientes, verticillastra 10 — 18-flora sistentes, breviter pe- 
dicellati et priores evoluti superiores, subsessiles et serotiui iufe- 
riores cujusve axillae; pediceUi superiorura vix 2 lin. longi. Calyx 
in anthesi campanulatus 4 lin. longus, IJ- lin. latus, 10-costatus, 
densissime et in primis in costis pilis albidis canescenti-puberulus, 
caeterum totus viridis ; tubus interne paulo inflatus et intus cbarta- 
ceus , facile a parenchymate aut facie exteriore separabilis et quasi 
capsulam 10-costatam valvatam fingens, longiter pei'sistentem; limbus 
3-dentatus; clentes in anthesi patentiusculi, inferiores 2 lanceolati acu- 
minatissimi, inferne profundius sejuncti, superior ovatus acurainatus, 
medio carinatus subcomplicatus ; calyx fructifer dein paulo auctus 5 
lin. longus, 1^ lin. latus, viridi-flavescens; dentes, superior a latere 
compresso-complicatus , inferiores applicati iudeque fauces clau- 
dentes, infex-ne et superne acute carinati, calycem quasi bidenta- 
tum referentes. Corolla violaceo-coerulea parva, calyce vix dimidio 
longior, 5 — 6 lin. longa, tota in labils puberuia, in tubo glabra efc intus 
exannulata; tubus inferne dilatatus albidus, supra basin paulo inclina- 
tus et augustatus et dein sensim tauces versus dilatatus; limbus bila- 
biatus; labiam superius erectura subgaleatum concavum, inten- 
sius coloratum, iutegrura, infenus longius 3-lobum, lobis pa- 
tentibus, latei-alibus ovatis obtusis, iutermedio emarginato. Sta- 
mina 2 ad fliuces corollae inserta, sub labio superiori corol- 
lae recepta; jilamenta lilacina teretia subcomplanata , ex-ecto- 
adscendentia, apice paulo dilatata; connectivum lilacinum ai'- 
cuatum, sursuni adscendens et apicem versus attenuatura, a 
latere complanatum, deorsum dilatatum lineari-lanceolatum acu- 
tum, latere infex-ne cam opposito connatum et ad insertionenx a^i- 
pendiculo securidiformi px-aeditum; antherae dimidiatae ixniloculai'es 
lilacinae erect,ae, longitudinaliter inti'orsum dehiscentes; pollen 



— 54 — 

flavescens globosum. Germen annulo nectarifero insldens, viridi- 
flavescenti, glabro, lobulo antico elongato, 4-loliatum, albidum 
nitidum; stylus teres elongatus, pilis patentibus apicem versus 
obsitus, lilacimis; stigma violaceum bifidum, lacinia superiore lon- 
o-iore refiexa exserta. Nuculae semina Ricini communis valde dimi- 
nuta referentes, ovatae compresslusculae, \ lin. longae, -J lin. latae 
nitidissimae, cinereae, maculis fasciatis nigrescentibus notatae. Ejn- 
carpium humefactum in vasa spiralia creberrlma solutum, nubecu- 
lam albldam formaus uti nucularum Ocuai. 

33. Roylea eleaans JFll. 

[WLl. jyiant. as. rar. L jx 57. t. 74. DC. Prdr. XIL 516). 

ObSERv. Etsi vir clrss. Wallicli. 1. c. declit descnptionem 
et delineationem hujus fruticis , nolui retinere meam , quam 
secundum specimina, ex insulae Maiiritii introducta etin hor- 
to Tjipannas altitudine 3450' s. m. culta, confeci, antequam 
descriptionem laudatam viderim; praebet enim nostra notas 
iioimullas sat, a descriptione optima Wallichii diversas. 

Descrpt. Frutex erectus 6 — 8 ped. altus, ramosissimus canes- 
cens foliosus, floribundus; rami erecti inferne subteretes, molliter 
albo-cinereo-tomentosi (nee aetate parum glabriores); ramnli pa- 
tentes squarrosi obsolete-tetragoni, fere omnes floriferi. Folla copiosa 
parva petiolata opposita , petiolo semitereti 6 — 12 lin. longo erecto- 
patenti sufFulta, ovata acuminata s. acuta, basi plerumque rotundata 
aut subtruncata, vix subcordata, in petiolum breviter decnrrentia 
acutiuscula , 3 — sub-5-nervia , serrato-dentata , dentibus i'otundatis 
apiciilatis, 8 — 18 lin. longa, 5 — 12 lin. basi lata, nervis lateralibus 
turcatis et venis pinnatls oppositis aut alternis supra sulcatis ereeto- 
adscendentibus intra marginem anastoraosantibus et venulis trans- 
versis junctis, laaculas primarias subrectangulares formantibus, 
venulis secundariis irregulariter in maculas divisas, venuia in api- 
cem dentis cujusque excurrenti, supra viridia, sed pilis minutis 
albidis patentibus moUibus sparsis pilosa et e venis sulcatis bul- 
lata, subtus pallide viridia et pilis densis albidis subcanescentia 
et punetulis byalinis minutis splendentibus conspersa subglandu- 



iosa; fioralia ab reliquis liaud distiiicta, solum paulo miuora. 
Cymulae axillares crebrae oppositae 5 — 3-, nunc abortu 2 — 1-fio- 
rae, folio suo semper dimidlo circiter minores. PedimcuU 1 — 1,! 
lin. longi, uti ramull tomeatosi, dickotomi ciira flore ceutrali diclio- 
tomiae; rarauli 1 — 2-flori brevissirai et j^ëdiceUi teretes, vix | liu. 
longi, pilis albidis hirsutuli; bracteae ad divisioaes inflorescentia»et ad 
basin pedicellorum binae teniaeve liueari-subulatae virides , albido- 
hii'tulae, 1 — 1 } lin. longae marcescentes persistentes. Calyx infuudi- 
buliformis , subbypocraterimorplius ; tubus cylindrico-pentagoniis ; 
intus laevis, ad fauces paulo dilatatus et pubérulus, lO-nervius, 
nervis valde prominulis costatus, alternis ad sinus limbi percur- 
rentibus, ibique furcatis, alternis in laciniarum nervum medium 
prolongatis, intense viridibus nuuc subrubentibus, pilis albidis an- 
trorsis liirsutulus, 3 lin. long., 1 liu. crassus; limbus subaequaliter , 
nunc inaequaliter 5-partitus (nunc, sed lusu naturae, 6-partitus), 
plerumque erectus, infundibuliformis, nunc patens explanatus, tu- 
bo aequilongus, flavescenti-viridis; laduiae membranaceae obovato- 
oblongae, basi parum attenuatae, apice obtusae, 3-nerviae, nervis 
lateralibus e furcatione nervorum tubi ortis, basi sigmoideo-flexis , 
dein nervo m©dio parallelis et cum eo ope venarum transversalium 
anastomosantibus reticulatae, glabrae, solum in nei'vis subtiis 
et marginibus minute puberulae aut ciliolatae, nunc subaequales, 
nunc binae superiores multo minores aut una earum tantum mi- 
nor; calyx totus post antliesin persistens marcescens, nunc nucu- 
lanim evolutione lateraliter lissus, nee auctus, nee alteratus, so- 
lum fuscesceuti-membranaceus , reticulatione laciniarum colore 
saturatiore magis coaspicua. Corolla calyce paulo lonoior, labio 
superiori erecto inserto, inferiore patenti ia planitie apicum laci- 
niarum calycis, alblda, summo apice subrosea bilabiata erecta; 
ticlnis teretlusculus , nervis 10 albidis proniiuulis subcarinatus , 4 
lin. longus, iutus infra niedi;im annulo ];)iIoi"am clansus, apiceni 
versus paulo inflatus et a lateribus compressiusculus glaber, sed 
miuute punctulatus; laUum superius erectum oblongum obtusum 
subforuicatum , dein tere planiusculnm imoque subrevolutum, pau- 
lo intensius coloratum, 3 — 5-nerviura, extus albidorpllosulum ; hi- 
ferlas superiori subaequilongum o-lobum patens; laduiae laterales 
oblongae acutiusculae lateraliter subfalcatim dejectae, dein subre- 
vobitae, iatermedia multo minor, obovato-subrotunda , medio 



— 56 — 

sulcata apice subemarginata , albida plana, deiu subrevoluta. 
Staraina 4 faucibus corollae inserta, infra labium superius sub 
eoque adscendentia , per paria valde approximata, apice conniventia, 
inferiora paulo longiora, labio superiore breviora aut ei dein sub- 
siQc^longa,; filamenta albida nuda complanata exappendiculata gla- 
bra erecta, apicem versus subcurvata; antherae nigrescentes sub- 
exsertae, per pai-ia sibi yalde approximatae, biloculares, glabrae nu- 
tantes; loculi subglobosi divaricati transverse deliiscentes subcon- 
fluentes; pollen albidum ellipsoideum , linea mediana (sulco?) nota- 
turn laeve, sub aqua visum globosum. Germinis lobuli viridi-fla- 
vescentes, apice truncati, minute albido-j^unctulati, dein punctulis 
Msce majoribus liiacinis; stylus erectus filiformis albus glaber 5 
lin. lonoas, apice paulo incurvus et incrassatus subroseus, bifidus; 
laciniae aequales patentes; stigmata 2 punctiformia ad apicem la- 
ciniarum styli papillosa. Nuculae plerumqne solitariae, 3-nae re- 
liquae plerumque plus minus inevolutae evolutam sustinentes, obo- 
vato-oblongae eompressiusculae dorso convexo, antice carinatae, 
apice oblique tmncatae et minute muriculatae, caeterum glaber- 
rimae, nitidae, virides, dein apice obtusae et vix muriculatae, 
caeterum glaberrimae nitidae, virides, dein apice obtusae et vix 
muriculatae, nigrescentes opacae, in fundo calycis emarcidi sessiles, 
vix 1 lin. longae; pericarpium carnosulum. 

Deze doorbloeijencle lieester is slechts weinig houtachtig, 
maar behalve uit de hoofdstengen uit vele dunne slappe takjes 
te zamengesteld, die digt in en door elkander gegroeid een' 
breeden ronden struik vormen ; de bloemen zijn onaanzienlijk , 
zoodat hij maar weinig den naam van „ eleganf'' verdient. 
Hij is door den heer D. T. Pryce van Mauritius hier 
ingevoerd. 

XII. VERBENACEAE. 

34. Prlva eckinata Jss. 

[BC. Prdr. XL 534.5. Wip. Eprt. IV. 34.1.) 

Obs. I. Folia in specimine nostro — sua sponte e terra 
surinamense progresso — supra haud sunt nitida; corolla haud 



— 57 -. 

purpurea (Wip. 1. c), sed pallide lilacina (in vivoij, nee fruc- 
tus quadricornes e^adunt; caeterum Schaiurrl descriptio om- 
nibus partibus optima. 

Zaaiplant, op gelijke wijze als Spiegeiia uit aarde van 
Suriname verkregen ; zij is niet zeer aanbevelenswaar-. 
dig, daar hare vruchten slechts tot last der voorbijgan- 
gers strekken , wijl ze zich aan ieder zacht , met ze in 
aanraking komend , ligchaam vasthechten. 

35. CleTOcUndron .dispafifolium BI. 

(JDC. Prdr. XI. G72. 63.) 

Observ. Species haec hucusque nondum sufficientor nota 
inter C. acuminatum Wil. et C. erioslphon Schauer collocanda 
est (DC. 1. c. '6^^. 17 et 18) et diagnosi sequenti fusiorl dis- 
tinguenda : 

DiAGX. Glaberrimum ramis ramulisque tetragonis, foliis membra- 
naceis petiolatis (inaequalibus in eodem pare), oblongo-lauceolatis 
basi acutis, apice acuminatis, integerrimis aut supra medium re- 
paado-denticiüatis , subtus pallidis opacis; cymis pedicellisque 
tenuibus laxis, lapsu foliorum paniculam laxam f brmantibus , apice 
plerumque foliiferam, folia sua dimidia tantum aequantibus; ca- 
lyce glabro in anthesi conniventi, fructifero ref'racto, 5-partito, la- 
einiis oblongis acuminatis; coroUae tube calycem suuni 5-quie3 
superante, filiformi. — Folia ad 6 poll. longa, 2^- poll. lata; petiolus 
2 poll. lougas ; pedunculi et eymae ramificatlones atropurpurei ; calyx 
purpureo-coloratus 2 lin. longus; fnictifer auctus 3-linearis; corolla 
flavescens; tubus 10 lin. longus; limbi laciniae angustae 3-lineare.s; 
stamina bas duplo excedentia, pallide flaA^escentia. 

De Clerodendron-?>ooYiQ\]. zijn alle min of meer groote, door- 
of bij korte tusschenpoozen bloeijende heesters of boompjes, de 
m(?este met prachtvolle bloemen. De hier vermelde is 
een boompje , dat in deze streken te huis behoort en de 
hoogte van 8 — 10 voeten bereikt, met opstaande bloem- 



— 58 — 

tros, waaruit de geelachtig -witte bloemen aan horizontale 
zijtakjes ontluiken. Deze soort is zeer vruchtbaar zoo zelfs, 
dat zij soms met zwarte ronde bessen als behangen is. De 
inlandsche naam dezer en der beide volgenden is: Kibangbara. 

3G. Clerodendron eriosi2:)J.ion Schauer. 

(BC. Pr dr. XL 662. 18.) ' 

Observ. Valde haec praecedenti speciei accedit, a qua au- 
tem diversa floribus majoribus et cymis minus gracilibus tom- 
entosulis, corollae tubo villoBo • breviori. — Caljcis laciniae in 
anthesi sunt erectae subconniventes , fructiferae patentissi- 
mae. 

Deze heeft de meeste overeenkomst met de voorgaande, 
wordt zelfs nog wel zoo kolossaal en komt ook in deze 
streken voor. 

37. Clerodejidron calamitosum L. 

(DC. Prdr. XL 663. 21.) 

Observ. Calycis laciniae sunt lineares acuminatae! Fructus 
magnitudine cerasi minoris, atro-violacei splendentes, calyce 
patentissimo suftïïlti. Distinguuntur varietates sequentes: 

IX. glabriusculum Ilsskl. foliis ovato-ellipticis utrinque acu- 
tis , vix m prima juventute pube obsessis , glabriusculis (1 — 2 
poll. longis, 8 — 10 lin. latis) grosse serrato-dentatis. 

(o. molle lisskl. foliis oblongo-ellipticis in utraque pagi- 
na minutissime molliterque puberulis, utrinque attenuatis, 
minute serrato-dentatis (2 — 3,5 poll. longis, 10 — 16 lin. la- 
tis). — Habitat Javam orientalem, unde cl. Zollinger varieta- 
tera hanc insignem attulit. 

Deze beide variëteiten , zijn kleine heesters van slechts een 
paar voeten hoogte en gelijken zeer veel op elkander ; ze 
zijn wegens hunne opstaande bloemtrossen , met geelachtig 
witte, betrekkelijk nog al groote bloemen en railden bloei 



■\vel waardig, in tuinen aangeplant te worden. De verme- 
nigvuldiging geschiedt zoo wel door zaden , als door Avor- 
telspruiten. De eerste behoort hier te huis en de laatste is 
door den heer Zollixger uit Banjoewangi toegezonden. 

38. Clerodendron fallax Lindl. 

{DC. Pr dr. XI. QQ^).3o.) 

Observ. Speciem hanc cl. Teijsmaxx in horto quodam 
prope Telaga provinciae Clieribon reperit et ad hortum bota- 
nicum transmisit. — Folia diametro 7 — 9 poll., in floriferis ra- 
mis 4 poll., petiolo fere eadem longitudine. 

Van dezen schoonen roodbloeijenden heester met opstaan- 
de bloemtros ter hoogte van 3" en 6" uitgespreid, bestaan 
. meerdere variëteiten , waaronder eene met witte bloemen , die 
echter na de zaaijing gedeeltelijk weder rood worden. Hij be- 
reikt de hoogte van iV, en werd door mij gevonden in den tuin bij 
den passangrahan te Telaga , in het Cheribon'sche. Een 
met v/itte bloem werd aan den voet van den berg Moeria , 
in Japara , gevonden en in den tuin van Djoerang overge- 
bragt , van waar hij voor den plantentuin verkregen is. In- 
landsche naam van deze en de beide volgende: Kemhang 
hoe'jdvq. 

39. Clerodendron infortunatiim L. 

{DC. Prdr. XI. 6G7.34. Emjyk herh. amh. IV. 108. t. 

49. optlm.) 

Observ. A specie praecedente corolla multo minore , ca- 
lyce minus araplo & foliorum forma sat distincta species; 
folia 4 — 61- poll. longa, 2[ — 4 poll. lata; petioli 2 — 5 poll. 
longi; corolla punicea. 

Deze heeft A'eel overeenkomst met de vorigen , echter zijn 
de roode bloemen veel kleiner. Hij komt hier en elders 
in het wild voor, waar hij door zijne schitterende roode 
kleur aan de voorl)ijgangers al spoedig in het oog valt. 



— 60 — 

40. Clerodendron viUo.mm BI. 

(DC. Prdr. XI. 667.36.) 

Foliorum diametros longitudinalis 4 — 9, transversalis 3 — 
8 j^ poll.; folia infcriora ramorum sterllium medium versus 
repando-dentata et in dentibus mucrouiilata ; calyx post aii- 
thesin auctus , fi-uctura dein bullato-oLtegens et occultans , 
flavescenti-viridis ; coroliae laciniae viridiusculae basin ver- 
sus incarnatae; filamenta albida, antherae atro-violaceae; sty- 
lus antheras baud tangens. 

Deze heester heeft een geheel ander aanzien, als de vorige, 
door zijne ruige witachtige bladen ; de bloemkroon is paars 
van binnen met groene slippen ; de bloemtros opstaande 
met kleine onaanzienlijke bloemen. Hij wordt 6 en meer 
voeten hoog , en schiet zijne wortels , waaruit overal 
jonge planten ontspruiten , ver in de rondte uit, zoo- 
dat hij zelfs een lastig onkruid wordt. Hij behoort in de 
benedenlanden te huis , en wordt niet verre van Batavia , 
en elders op Java, wild voorkomende aangetroffen. 

41. Clerodendron foetidiiin Bnge. iS. inte(jrifoUum Hsskl. 

Observ. Planta nostra valde accedit ad C. pldlippimtm 
Schauer DC. Prd. XI. 667. 35 , quae species autem dilFert: 
ramis villo strigoso-tomentoso canescentil)us, foliis acumina- 
tis supra hirtis, subtus villosis, calycibus lanuginoso-tomen- 
tosis , cymis laxifloris , coroUa villosa , tubo calycem vix du- 
plum excedente. — C. Bxichannnü Wip. DC. 1. c. 672. 61 
difïert: foliis pubescentibus , inflorescentia colorata, villosa, 
coroliae coccineae tubo breviori. — C. foetidum Bnge. DC. 1. c. 
672.60 differt: foliis repando-acuteque dentatis, coroliae tu- 
bo minus longo et forsan colore aliisque signis e diagnosi 
citata haud patentibus. — Forsan haec varietas speciei novae 
typum praebet, quam C. ixoraeflori nomine salutarem et 
diagnosi sequehti distinguerem : 



— 61 — 

DiAGN'. Fnitex, ramulis petiolisqus glabi-iusculis , inflorescentiae 
ramis minute sei'iceo-pubemlis, foliis longiter patiolatis subrotun- 
do- vel ovato-cordatis acutis integerrimis glabriuscuKs , in nervi.s 
subpuberulis, subtus ad sinum biglandiilosi^ ; panicula e cyrais 
sat copiosis in apice ramorum axillaribus fastigiatis multifloris 
densis sat ampla, foetente; bracteolis parvis caducis; calyce par- 
vo glabriusculo complanato 5-fido, laciniis e basi latiuscula acu- 
minatis ; corollae candidae hypocraterimorphae tubo calycem 9 ve- 
ces excedente, limbo regulari 5-fido, lacinils lineari-oblongis acu- 
tiusculis, margine refle^o, patentibus. — Petioli 4 — 8 poll. longi, 
foliorum diametrura subaequantes, basi incrassati atro-virides ; ca- 
lyx 1^ lin. longus, corollae tubus 12 lin. longus, laciniae 3 lin. 
longae; fructus calyce aucto vegeto viridi suffulti. 

Dit is de grootste der hier bestaande soorten van dit ge- 
slacht , maakt even als voorgaande , vele wortel spruiten , doch 
is, niettegenstaande zij eene hoogte van 12' bereikt, meer 
heester- dan boomachtig. Zij bloeit zeer mild met groote 
opstaande bloemtrossen en heeft betrekkelijk maar weinige , 
doch dikke takken. Van Singapoer alhier ingevoerd. 

42. Clerodendron squamatum Vhl. 

(DC. Prdr. XI. QQd. 41.) 

x. japonicum Hsskl. Bracteis linearibus, bracteolis erectis , 
floribus majoribus, calycis laciniis erectis longioribus et Ion- 
ge acuminatis , tubo corollae calycis duplam longitudinem vix 
aequante, laciniis tubi 2 tertias partes aequantibus, stami- 
nibus corollam (limbum cum tubo) 2-plam exedentibus, fo- 
liis acuminatis, petiolis minute puberulis, folio suo bre\'io- 
ribus. — Folia ad 12 poll. diametr., petioli ad 7 poll. longi; 
calycis laciniae erectae, G lin. longae, basi 2 lin. fere latae, 
corollae tubum in alabastro subaequantes; corollae tubus in 
anthesi 8 lin. longus, laciniae 5 hn. longae, l^- lin. latae, 
infimae breviores et angustiores, filamenta, 21 poll. longa. 



— 62 — 

p. üulicum. Ilsskl. Bracteis foiiacois petiolatis ovatls co- 
loratis, bracteolis circinatim revolutis, fioribus niinoribus , 
calycis laciniis inflexo-coiiniventibus, (in antliesi) brevioribus, 
acuminatis, tubo corollae calyce plus duplo longiore; laciniis 
dimidium corollae tubum vix superantibus undulatis, dein 
reflexis, staminibus coroUam duplam longis, foliis acutis, pe- 
tiolis glabriusculis folio suo longioribus. — E Singapura m- 
troductus frutex. — Folia in petiolo ad 10 poll. longo dia- 
metro 8.\ — 9 poll., supra intense viridia lucidula, calycis la- 
ciniae inflexae conniAcntes, globuluni fingeutes, o^lin. lon- 
gae, corollae tubus 8 lin. longus, laciniae 5 lin. longae, 2[- 
latae, infimae 8 lin. longae, 1' lin. latae, filamenta 1^- poll. \ix 
excedentia. 

Obseiiv. A varietate liac /3. differunt: C. ivfermedium 
Cliam. DC. 1. c. 42: foliis acuminatis opacis, calyce patulo 
semi-5-fido, laciniis oblongis acutis, corollae tubo calyce 
sub-4-plo longiore; — C. nrticifoUum "VYU. DC. 1. c. 43: pu- 
be ramorum et nervorum foliorum, foliis grosse dentatis , 
panicula amplissima subnuda, calyce semi-5-fido campanula- 
to patente, corollae tubo calyce subtrilobo longiore; — C. Blu- 
meanum Scliauer DC. 1. c. 44. foliis cordato-ovatis , opacis, 
acute dentatis, glandulis raris conspersis, panicula subnuda, 
calyce campanulato 5-dentato, dentibus rccurvis, corollae 
tul)0 calycem G -duplo excedente. 

Deze mag, wat kleur en grootte van bloemen betreft, 
onder de schoonste soorten van dit geslacht gerekend wor- 
den, hoewel de plant zelve, na uitgebloeid te hebben, lang 
bladerloos en als afgestorven daar staat. Zij groeit meest- 
al met eenen enkelvoudigen stam , tot de hoogte van 5 h 
6' , doch maakt aan den voet meerdere stammetjes , die op 
geringen afstand rondom de moederplant opschieten. Ook 
brengt zij uit hare wortels op verderen afstand vele 
jonge planten voort. Zij is uit Japan " verkregen en 
aldaar genaamd Tooldri. 



— G3 — 

De variëteit i/idicion, is xaw Siugapoer verkregen en in 
habitus zeer gelijkvormig, doch in alles, van kleinere cli- 
raensien , dan de var. japonlcum. 

Xm. BOKRAGIXEAE. 

43. lleltoiropiwn ciü-assaricum Li. 

{DC. Prdr. IX. 538. 28.) 

Descrpt. Tlerha parvci humilis , vix 3 poll. alta — sua spoate. e 
solo peruviano a uie cum plantis Cinchonae allato enata — glaber- 
rima glauca carnosula, ramosa; rami procnmbentes , adscendenti- 
erecti, nuuc ab uno, nunc ab altero latere subcompressi. FoUa 
plerumque opposita aut subopposita imoquesed rarius alterna, brevi- 
ter petiolata, crassiuscula catnosula leviter acidula, lineari-oblonga 
aut subobovato-oblouga , apice obtusa mine acutiuscula, nunc ro- 
tundata, basi attenuata et subdecurrentia , patentia, 5 — 10 lin. lou- 
ga, 1^ — 3 lin. lata, nervo medio subtus vix prominulo, integerrima. 
Spicae plerumque terminales, ramo laterali excre?centi saepe sub- 
laterales aut subconjugatae, apice scorpioldeo-circinatae, dein vix 
pollicem longae ebracteatae secundae. Flores (solem versus) se- 
cundi in racbeos pagina superiori, parvi; calyz carnosulus viridis; 
profnude 5-partitu3; ladniae lineari-oblongae acuminatae, apice 
subincurvae conniventes, in anthesi p'atentes, vegetae, subfrnctu di- 
midiani lineam vix excedentes'; corolla hypocraterimorpha albida 
5-mera, nunc 4-mera; tuhus inclusus basi bullatus , apice angusta- 
tus suburceolaris viridis, extus et intus glabriusculus ; limbus ad 
fauces Inteolus pervius, eberbis, in alabastro plicatus, dein pla- 
nu3 et subuudulatus ; lachiiae ovato-oblongae , acntiusculae medio 
sulcatae, subreflexo-iDatentes, margine subundulatae. Stamina imo 
tubo corollae inserta, inclusa libera; ƒ Za?«e«^a subnulla tenuissima; 
anthei-ae e basi latiuseula attenuatae apiculatae glabrae, subdel- 
toideae, basi subcordato-bilobae. Germen minutum subglobosum; 
stigma umbraculiforme conicum , apice subbilobum. Nuculae fructus 
calyce suffultae eoque majores, diametro fere 1 lin., leviter 4 sul- 
catae et inde 4-lobae, laeves glabrae. 

Dit kruipend plantje is pas kortelings uit peruaansche 
aarde opgekomen; zijne kleine witte , van binnen geelachtig- 



_ 64 -- 

groene bloempjes doen wel eenigzins aan het vergeetmijnietje 
denken. 

XIV. CAKDIOPTERIDEAE. (1) 

44. Cardiopteris quinqueloha Hsskl. 
Syn: Cardiopt. jaoanica (Dl. Rmph. III. 206. B^. t. 177.) 

1. A. (1847.) Pervpterygium quinquelohum Hsskl. Cat. p. 

' 235. (1844). Endl. Gen. Sppl. IV. iir. 94 No. 5888/6. 

Obs. Nomen specificum posterius ob prioritatem publicationis 

adoptandum erit equidem majori jure, cum verosimiliter species 

nostra pariter Indiam continentem ac Javam habitare possit. 

Descrptioxi Blumeauae 1. c. addenda et emendanda offero haec : 
Calyx persistens vegetus, paulo dein auctns, fructus basin stipiti- 
formem (carpopodium) arcte cingens eiqtii adpressus; lacimae 'va. 
anthesi concavae acntae et subacuminatae (nee obtusae), subfruc- 
tibus aciitae planiusculae. Corolla primo subcampanulato-connivens, 
dein patens. Filamenta brevia, antberis dimidiis paulo longiora, 
nunc iis vix breviora. Stylus medio subarticulatus ; pars inferior 
(stylopodium) dein excrescens, superiorem tenuiorem cum stigmate 
ad latus nunc reprimens, crassa carnosa viridis, 4 lin. longa, IJ 
lin. lata, 1 lin. crassa, compress» ad latus styli sulcata, apice 
truncato-biloba, lobis saepe inaequalibus, glaberrima nitidula, 
siccando (in berbario) valde contracta, teretiuscula (uti BI. 1. c. f. 
10.). Stigma capitatam et in fructumaturo ad latus sulcatum stylopodii 
inter boe et alam samarae persistens et ipso stylopodio jam deci- 
duo baud excrescens, etsi styli parte superiori vegeta paulo in- 
creta conica, a latere compressa suffultum. Samara cum carpo- 
podio 1 lin. longo 11 — 13 lin. longa, 7 — 8 lin. lata, ovali-oblonga , 
apice emarginato-cordata (rarius tam profunde cordata uti est deli- 
neata 1. c. excepta fig. 10). Semen lineari-oblongum albidum ory- 



(1) In Catalogo olim flores deflorr.los cnm frnchi valde juvenili erroneë pro flori- 
qsnifumcc is et hcrmaphroditos, quorum pistilla sunt perparva, jiro niasculinis 
snmsi; hnac ob cansam in germine gemmulam solitariam tantum vidi. 



_ 63 — 

zaeforme, 3^ — i liii. loagum, 1 liu. latum, \ lin. crassum nee 
semipolllcare , seniiüueani laLum, lineare BI. 1. c. & f. 12. 13.) 

Deze zaaiplant, die oppervlakkig beschouwd zeer veel 
overeenkomst heeft met eene Cucurhitacea , klimt met 
hare zAvakke kruidachtige stengen op heggen en struiken 
tot eene hoogte van 10 — 12' en wordt over geheel Java, 
maar nergens in groote menigte gevonden. Als haar einde 
nadert, vallen alle bladen af, doch blijven/le stengen en takken 
nog eenigen tijd voortleven, om de \Tuchten tot volle rijp- 
heid te brengen, waarmede de plant dan geheel als met 
loovertjes is behangen. De zaden kunnen somtijds zeer lang 
in den grond liggen , zonder te kiemen , maar ook zon- 
der te bederven en komen later onder gunstige omstandig- 
heden op. In Midden-Java wordt zij Angien angknan en 
in het zuiden der Preanger Gamhas genoemd, onder welken 
naam ook eenige Cuci/r6iïac(?ae bekend staan, zoodat het schijnt, 
als of de inlanders ze ook daarmede verwant houden. 

XV. CONVOLVULACEAE. 

45. Bataias"^ glaberriina Hsskl. 

DiAGN'. Caule vohibili glabernino tereti, foliïs amplis pctiu'.atis 
acute cordatis, omuibus tri — .5-lobis, lobo iatermedio basi paulo 
attenuatis, omnibus acuminatis glaberrimis integerrirais, supra ni- 
tidulis, subtus glaucescentibus, pedunculis dicbotome multifioris, 
pedicellis fastigiatis; sepalis ovato-subrotundis; corroUa spaciosa 
campauulata. frnctn 2-locuIari, 2-valvi, 4-3permo, seminibur, pl- 
losis. 

Observ. I Si re vera ad Batatas reducenda species hae'. 
sat insignis , inter B. edulem et paniculatam coUocanda erit. 
A"ar. y . platanifoUa Chois. prioris speciei forsan nimis affinis 
habenda, sed tenet foliorum nunc 5-fidorum lobos acumiu!^ 
obtuso praeditos petiolosque villosulos; species ulterior foliis 
palmatis 5 — 7-fidis diversa, lobis obtusiusculis raro acumi- 

X. 5 



— 66 — 

natis. Si inter Convovulaceas 2-loculares iiiquiramus , ad Ipo- 
moeam L. Chois. equiclem Sect. IV. „diversifolias" pertineret ; 
ibique J. fastigiata DC. Prdr. IX. 380. 209 differt: foliis 
minoribus , sepalis lanceolatis mucronato-aristatis, seminibus 
glabris et /. dichotoma Chois. DC. Prdr. IX. 383. 230 cor- 
rolla tubuloso-infundibuliformi , fructu compresso , seminibus 
glabris sat diversa. 

Observ. II. Alt Batatas jure ab Ipomoea sejungendum 
genus? Mea opinione haud rite est distinctum; cf. Hss"kl. 
Cat. p. 139. 

Descriptio. Caulis volubilis glaberrinius teres viridis, nunc 
altero latere sanguineus. Folia ampla petiolo 2 — 5 poll. longo, supra 
canallculato suffulta, acute cordata, diametro 4 — 7 poll., triloba, 
lobo intermedio basi paulo attenuato , acuminato, lateralibus latere 
exteriore rotundatis, supra medium sinuatis, nunc plusminus pro- • 
funde' 5-loba, lobo medio basi valde attenuato, una cum colla- 
teralibus oblongo-lanceolato acuminato , exterioribus obtusis s. acu- 
tis s. imo hlnc inde subacuminatis minus pi'ofunde ab intermediis 
sejunctis; omnia glaberrima integerrima, supra nitidula atro-viri- 
dia, subtus glaucescentia. Pedunculi petiolos dimidios excedentes, 
dichotomo multiflori (10 — 24-fl.) cum flore centrali in quaque 
dichotoraia, erecti 1 — 1\ poll. longi, fastigiati, basi bracteati; 
bracteae caducissimae oblongo-lanceolatae acuminatae concavae et 
carinatae, alabastra in prima juventute involventes. Calycis sepa- 
la ovato-subrotunda concava, obtusissima, conniventia et dein 
fnictum bullato-includentia, 4 lin. longa. Corolla basi coarctata, 
calyce tecta, supra calycem speciosa campanulata purpurea, intus 
intensius colorata et ad limbi simis radiis 5 notata, 2 poll. alta; 
limbus 5-plicatus 5-lobus, lobis transverse latis truncatis, diame- 
tro transverso 2i poll. Stamina supra partem coarctatam corollae 
\n?,eït?i:, filamenta basi incrassata, villosula, subulata, 8 lin. lon- 
ga; antherae erectae. Germen 2-loculare, septis transversalibus 2 
incompletis solummodo summo apice 4-loculare, annulo glandulo- 
so sat crasso crenulato flavescenti cinctum; loculi 2-gemmulati, 
Stylus simplex teres, stigmate antheras erectas excedente, aut 
5-tura stamen longius haud superantc, glaber; stigma capitatum 



— 67 — 

subglobosum bilobum, bipartibile papillosiim. Fnictus calyce ve- 
geto vix aucto inclusus , 2-locularis, 2 valvis, 4-spermus aut abortu 
3 — 2-spennns; semina ad insertionem longe pllosa. 

Deze en de vier volgende soorten zijn rankende planten met 
regtsomwindende stengen , die of lieesteraclitig , vaste of zaai- 
planten zijn. Ze hebben alle zeer sclioone bloemkelken, 
in verschillende kleuren, min of meer groot, en enkel- 
voudig of in trossen geplaatst. Haar groei is echter meest- 
al zeer wild, zoodat ze minder voor potkultuur of kleine 
tuintjes geschikt zijn , echter dienstig voor prielen* of heg- 
gen , tot schaduw of om te maskeren. De hier beschrevene is 
eene vaste plant met lilakleurige bloemen, welke zich des 
morgens openen en des avonds verwelken; zij kan wegens 
haren milden trosvormigen bloei onder de schoonste gerekend 
worden. Zij is in 1851 uit den botanischen tuin te Caen 
in Frankrijk verkregen. De inlanders hebben haar den 
naam van Ohi djawa (Batatas edulis) gegeven. 

4G. Argyreia t'diaefolia AVght. 

(Wght. Icon. lY. t. 1358, bona.) 

Syn. Rivea tiliaefolia Chois. DC. Prdr. IX. 325. 1; 
fructum autem haud vidi. 

Observ. I. Rivea ornata Chois. DC. 1. c. "Wght. Ie. lY. t. 
1356 (cf. ibid. 839 & 851) difFert: foliis minoribus et in 
primis corolla angustissima uti et stigmatibus lineari-clavatis 
nee subglobosis. 

Obs. II. Wght. clss. in nota post No. 1355 magis accu- 
rate distinxit genera tria affinia sequentia: 

Lettsomia, germine 2-loculato, loculis 2-gemulatis, stig- 
mata capitato 2-lobo. 

Argyreia, germine d-loculato. loculis l-gemmulatis , stig- 
mate capitato 2-lobo. 



— GS — 

Rivea, germine 4-locuIato, Icculis 1-genimulatis, stigma- 
tibus 2 linearibus cylinclricis s. lamellatis. 

Descrpt. Folia diametro 6-poll., nervis baseos baud radiatim 
e nervo medio sed parallele excurrentibus , supra minutissime ve- 
lutino-puberula; petioli2 — 3 poll. longi; peclunculi petiolis suis sem- 
per rainores, dichotomi 3 — 6-flori; in dicbotomia quaque flos uni- 
cns; sepala externa 10 lin. longa, ultra pollicem lata, interiora 
paulo angustiora, exterius interius involvens, pubera intus gla- 
bra; corolla purpurea, 4 poll. longa, in limbo 3i poll. lata, in- 
reliqua parte supra tubum constrictum diametro 9-lin. Germe7i 
biloculatura, loculi bigemmulati, stylus simplex, stigma bilobura. 
Ex horto calcuttensi in liortum bogoriensem introducta species. 

Dit is eene der kolossaalste soorten, zoo om hare groote, 
lang gesteelde, Avitachtige bladen, als om hare grove, lange 
ranken , die beneden geheel houtachtig worden , meer dan 
30' opklimmen, en eene digte, ondoorzienbare massa 
daarstellen. De bloemen , die, hoewel zeer fraai lila- 
kleurig , niet . onder de grootste kunnen gerekend worden 
staan op langgesteelde , groote trossen , welke buiten de 
bladen uitsteken , en zijn over dag geopend. Zij wordt 
wel gebezigd tot dekking van koepels , waartoe eene enkele 
plant meer dan voldoende is. Het is eene ingevoerde plant , 
verkregen uit den botanischen tuin te Calcutta , en ook 
door den heer Zollinger uit Egypte toegezonden. Om de 
gelijkvormigheid met Jrgyreia mollis Chois. hebben de in- 
landers haar Aroij tatapaijan gedeh genoemd, wijl die plant 
bij hen onder dezen narun bekend is. 

47. Anjyreia speciosa Sweet. 

(IJC. Prdr. IX. 330.12.) 

Obsf.rv. An A.argentea Chois. re vera ab hac specie sit 

distincta? valde dubito; e diagnosi solummodo corrolla glabra 

et forsan caulis pubescentia differt. Diagnosis (l. c.) paulo 
erit mutanda: 



- - 69 — 

Pedunculis petiolo longioribus subumbellatiui cymosis , 
(10 — 12 poll. longis); bracteis acuminatis, margine undulato- 
crispis (2 — 3^- poll. longis; ] — 2 poll. latis); sepalis (7 — 8 poll. 
longis) acutiusculis nee obtusissimis (cf. Wght. Icon. 851. fg. 
3.); corolla (2.^ poll. long.) extus dense albido-villoso-puberula, 
ad llmbuin paullo contracta, (diametro limbi 2 -poll. ; folia 8— 
13 poll. longa, 6 — lOj- poll. lata; petioli 3 — 6 poll. longi). 
Icon Rliedii Hort. malab. XI. t. 61 bona in primis quo- 
ad bracteas coplosas. 

Ook deze groeit vrij wild , doch is niet zoo dik van 
steng, en minder langlevend dan de vorige. Hare lila- 
bloemkelken zijn groot en jDrachtig, en bloeijen mede over 
dag. Zij is mede uit den botanischen tuin te Calcutta 
verkregen. Even als bij de voorgaande is haar de Java- 
sche naam van Aroij hoJiol hehoh toegekend. 

48. Tpomoea tuberosa L. y. oHgavtlia ITsskl. 

(DC. Prdr. IX. 362. 86.) 

DiAGX. Peduuculis pauci- (6 — 7-) floris. petiolo bvevioribuj, 
sepalis in alabastro aeuminatiiii convolutis, folionim lobis acumi- 
natissimis. 

Desceipt. Folia 3 — 5 poll. longa, 3^- — 7 poll. tran.sver?im lata 
corolla am-ea 2 poll. alta et 2 i^ poll. diametro in limbo; calyx gla- 
berrimus, ia anthesl convolutus, connivens, in fructu patentissimus 
siccus, sepalis apice subrevolntis , 2 poll. fere longis; fructus peri- 
carpium pergamaceum vix liinc inde in suturis valvarura deliiscens . 
demum basi solutum, operculatim deciduum; loculi 2-, abortu 1- 
spermi; semina nigra velutina, 8 lin. longa. 4 liu. lata, antice plana 
dorso convexa. 

'Deze knolvormende plant is langlevende , doch niet zoo 
wild groeijende als de twee voorgaande , Hare bladen 
zijn diep ingesneden gelobt, zoodat haar rijke bloei van 
gele bloemen meer in het oogvallend is. Zij opent hare 
bloemen eerst des morgens na 8 uur en sluit ze des avonds 



— 70 — 

voor G uur. Ook deze is ingevoerd en van Sydney af- 
komstig en lieeft ook reeds eenen inlandsche naam verkre- 
gen en Avel dien van Aroij kaïooijang. 

49. 1'pornoea dasysperma Jcq. 

[DC. Prdr. IX. 386. 240.) 

De-SCRPT. liami jiivenile-s, petioli & pedunculi hinc inde mucro- 
nibus parvis aculeolati, caeterum glaberrimi, filiformes, teretes. 
Folia in nervo medio supra albido-puberula caeterum .glaberrima , 
utrinque opaca, subtus pallidiora, membranacea, 1 — 2 poll, longa, 
transversim 14 — 30 lin. lata; lobus intermedius oblongo-lanceolatus 
acuminatus, laterales angustiores et breviores, baseos extremi bre- 
vlssimi vlx acuti; ^je^io^i 1 — 2 poll. longi. Quae stipulae dicuntur, 
sunt folia rami axillaris inevoluti perparva, bina plerumque, 
'ó — 5 lin. longa, subpinnatifido-7-loba , lobis lineari-lanceolatis 
acuminatis patentibus. Pedunculi axillares inter gemmam axiUa- 
rem et caulera, medio articulati ibique bibracteati vix pollicem 
longi; bracteae flores axillares abortivos foventes. Sepala obtusis- 
slma inaequilonga , exteriora minora, 2 exteriora bksi cordatira 
bigibbosa, tertium gibbum unicum tantum centralem praebens, 
indeque calyx basi ante, in et post anthesin 5-gibbus, sub-5- 
calcaratus, 2 interiora longiora 5-lin. longa, tenuiora basi egibba. 
Corollae 1\ poll. longae tuhus albidus intus lllacinus, lineis stra- 
raineis 5 radiatim notatus, diametro transversali paulo majore; 
fructus desiderantur. 

Deze heeft met de voorgaande veel overeenkomst, doch 
groeit minder sterk, en is slechts eene zaaiplant. Zij is van 
elders ingevoerd. Inlandsche naam Aroij Kawoijang 

XVI. SOLANACEAE. 

50. Solanum glcmcum Dun. 

. {BC Prdr. XIII. I. 100. 210.) 

A DiAGXOSi & DESCRiPTioxE 1. c. nostra specimina differunt 
hisce paucis notis: Petiolis paulo longioribus ad 6 lin. longis; 



— 71 — 

foliis utrinque atteauatis; ramulLs ad iaflorescentlae ramiücationes 
üavesceati-viridibus uec dilute purpareis, calyce vix 2 lin. diame- 
tro sistente. Fructus adlmc desiderantur. 

Deze kleine eenstammige zich weinig vertakkende hees- 
ter werd in 184G uit den Akademie-tuin te Utrecht verkregen, 
onder den naam van Malesherhia glauca. Hij tiert te Bui- 
tenzorg niet zeer weekleri^, en heeft nooit bloemen voort- 
gebragt, welke echter kortcdijks uit eenen tuin te Batavia 
verkregen zijn , zoodat het daar heerschende heete kli- 
maat zijne regte standj)laats schijnt te zijn. Uit zijne wor- 
tels komen rondom dé plant , op eenigen afstand , even als 
bij sommige CLerodendra vele spruiten te voorschijn , die 
zich gemakkelijk laten overplanten. 

51. Solanum cunelfolium üua. 

{BC. Prdr. XIII. I. 200. 487.) 

Species e solo surinamensi sua sponteenata! — Folia majora ad 
3 poll. lata, in ramis fructiteris nunc subintegra, in uberioribus 
sat profunde incisa; pedunculi ad 10 flores gerunt. 

Kleine heester, die niet veel hooger dan 3' wordt, en 
met zijnen zwakken stam en zijtakken , die tot de aarde ne- 
derbuigen , eenen digt in elkander gegroeiden struik vormt. 
Hij werd uit surinaamsche aarde gewonnen. Hij mag geene 
aanspraak op veel schoonheid maken , noch om zijnen groei , 
noch om zijne kleine witte bloempjes ; schijnt hier echter 
geheel in zijn element te zijn. 

52. Solanum grandijiorum E,. & P. /3. leiocarpnm Dun. 

{DC. Prdr. XIII. I. 339. 778.) 

Ad descriptionem optimam Duuali clbrr. addenda et emeudan- 
da habeo sequentia; 



Aibasciilum eiegans globoium 10 — 12 ped. iiltum, ramis infe- 
rIoribu3 depressis, solum fere attingv^ntibus. Ravii seniores cum 
foiiis dein supra subglabrati; rami robusti 2 — 3 lin. crassi flori- 
feri; petioli 1 — 2*- poll. loagl; folia absque petiolis 6 — 10 poll. 
longa, 3 — 5 poll. lata, plerumque sat profande pinnatifido-incisa , 
lob is 7 — 5 acutis, nunc sed rarius subintegen-imis aut sixbrepan- 
dis, supra hirta, laete viridia, subtus pallidiora. Racemi solitarii 
3 poll. alti, 11-flori; pedlcelli poUicares, in anthesi jjrecti, ante et 
post anthesin deflexi. Calycis laciniae oblongo-lanceolatae acumi- 
natae, longiter mucronatae, mucronibus in alabastro inaequalibus 
.subcircinatim involutis, in anthesi ad basin fere cupuliformem re- 
volutae, intus albidae; dein in fructu calyx persistens vegetus, 
friictns peuduli basin obtegens, basi cyatbimorplius crassissimus 
gibbus subglabratus, laciniae fructui adpressae, apice subemarcidae, 
sinubus siibacntis sejunctae. CoroZfc pulcberrima grandis, versico- 
lor (colore valde mutabili) primo violacea, dein lilacina et postre- 
mo albida, coloribus omnibus in eadem inflorescentia simultanee 
reperiendis, semidiametro 16 linearum, in anthesi horizontaliter 
explanata, caet. speciei. Stamina erecta conniventia 8 lin. longa. 
Stylus in sterilibus vix filamenta superans, in fertilibus imoque 
antheras excedeas, laete viridi-albidus. Stigma intense viride. Fruc- 
tus virides subglobosi glabri, diametro 2-polI. 

Adest specimen floriferum valde juvenile, quod proportiones se- 
quentes refert: Rami 10 lin. crassi; ^jefioZi ad 4 poll. \ong\; folia 
absque petiolo 14 poll. longa et 10 — 13 poll. lata, profunde pin- 
natinda, laciniis iterum plus minus profunde pinnatifidis ; acu- 
Lei in ramis, petiolis et nervo medio foliorum subtus robusti, 
rectl virides (basi atrovirides) ad 8 lin. longi; racemi dichotom; 4 — 
7 poll. alti, successive 00 -flori , ad 30 fiores gerentes, simultanee 
6 — l-1^ovi\ fiores hucusque omnes steriles, intense violacei, dein li- 
lacini, nee albidi. — Ejusdem speciminis rami inferiores haud fiori- 
feri praebent petiolos 6 lin. crassos, 10 poll. longos, folia diameti-o 
longitudiuali et transversali 21 pollicum, lobis baseos retrorsuni 
spectantibus , margine interiori se iifvicem imbricantibus ; aculeos 
petioli virides, basi 8 lin. latos &totidem altos, splendentes, juvenl- 
les puberulos. 

Species haecce ex liorto calcuttensi sub nomiae >S'. macranthi 
missa fult et seriori tempoi-e sua sponte e solo sidneyensi pro- 
greisa est. 



Deze is de grootste van alle der hier aanwezige Sola- 
7uim-aoovten ; hoewel geen zeer vast hout bezittende , moet 
zij toch als . boomachtig beschouwd worden , en bereikt hier 
eene hoogte van ruim 12', doch te Tjipannas van meer dan 20', 
terwijl zij hier eene" meer breede uitgespreide kroon vormt, 
dan te Tjipaunas , waar zij meer in de hoogte opschiet en 
minder zijtakken maakt. Zij is overigens eene behagelijke 
plant , jong zijnde om hare groote weelderige bladen , en 
later in bloei gerakende , om de variatie in de kleur harer 
bloemen , die pas ontwikkeld donkerblaauAV zijn , kort daar- 
na in het lichtblaauw overgaan en eindelijk bijna wit wor- 
den , zoodat zich de/e drie verschillende kleuren op eene 
en dezelfde bloemtros bevinden. Ouder wordende krijgt zij 
een minder behagelijk aanzien door hare doode en afgeleef- 
de takken, en minder weelderigen groei. De Javanen, die 
veel smaak in de vruchten van sommige Solaimm-soorten 
hebben , vinden echter in deze , die vrij groot zijn , en op 
een' kleinen platten appel gelijken , geen' smaak , zoodat het 
nut der plant nog onbekend schijnt. Zij is hier ingevoerd 
uil Bengalen en later ook uit Sydney. 

53. Solanum Comitis Dun. 

[DC. Prdr. Xin. I. 345. 793.) 

Descript. 1. c. bona. Addenda habeo sequentia: 

Folia nunc cum petiolo 2-pollicari 8 pol!, longa, 3 poll. lata, 

ovato-oblonga aut ovato-lanceolata, liinc inde sinuato-repanda; 

corolla refiexa coeruleo-violacea, stella interna linea mediana gla- 

berrima (nee pilosa) lucida, intensius colorata notata; stigma viride. 

ileperit in monte Laioa Javae insulae hortulanus TEVSiL^N'N'. in- 

vestigator florae Javae indefessus. 

Deze sierlijke heester verdient wel in Europa te 
worden ingevoerd. PTij wordt niet hooger dan 6', zijne 



- 74 - 

ronde 4' breede kroon is steeds met paarse bloemen over- 
dekt, terwijl de geelachtige vruchten onder de tijdens hare 
rijping doorgegroeide takjes verscholen staan. Hij groeit 
aan den vbet van den berg Lawoe, in Soerakarta, bij het 
land Kamoening , op ± 3600' boven zee. Herwaarts overge- 
bragt blijft hij nog altijd eene sierplant , doch heeft niet 
meer dat frissche donkere aanzien, als ter plaatse, waar hij 
natuurlijk voorkomt. 

XYII. SCKOFULARINEAE. 

54. Paederota hracteata Sbld. & Zucc. 
{Wip. Ann. I. 535. 2.) 

Observ. IFulfenia L. (DC. Prdr. X. 45(3.) difïert: corol- 
lae lacinia superiore bifida, stylo apice integro et pedun- 
culis scapiformibus. — Calorhabdos Bnth. (1. c. 458.): corolla 
tubulosa incurva oblique bilabiata , spica elongata ; — Veo-o- 
nica L. (1, c. 458): limbo coroUae patente, laciniis subinae- 
qualibus, stigmate integro, foliis plerumque oppositis , flori- 
bus racemosis. 

Descrpt. Herba perennis parce ramosa. — e Japonia m hort. 
bot. bogor. introducta — apice prociimbens radicans; rami teretius- 
culi, efoliornm insertione decurrenti-marginati, irregulariter sub- 
4-angulare3, glabri; ramuli virides asperuli e punctulig minutis. 
Petioli breves subcomplanati supra subcanaliculati 1 — 3 lin. longi 
patentes glabri. Folia alterna oblonga aut ovato-oblonga acuminata , 
basïinaequaliter subattenuata aut acuta , ibique, integerrima, supra 
basin acute mueronato-serrato-dentata 1 — 2 poll.longa, 5 — 10 lin. la- 
ta, membranacea glabra, nervo medio vix supra prominulo, basi 
sub-3-nervia, nervis coUateralibus & reliqviis pinnatis, infimis oppo- 
sitis, superioribus alternis erecto-patentibus, rectis, ad marginem tere 
percurrentibus et dein intra marginem adscendenti-anastomosantlbus, 
venis internis vix prominulis, ad serraturas percurrentibus & in- 
ter se rete formantibus. Infiorescentia in ramis abbreviatis axilla- 
ris capitata centripeta, foliis muUo minoribus plerumque 4 oblon- 



-75- 

go-lanceolatls quasi involucrata ; capitula ovato-oblonga 6 lin. Ion- 
ga, 4 lin. crassa multiflora. Flores densissimi in axiilis bractearum 
subsessiles parvi 2 lin. vix excedentes, rbachi angulatae sulca- 
to-exsculptae birsutulae viridi inserti; hracfeae floribus aequilon- 
gae lineares subulatae virides, margiue albidae et minutissime 
laceratim deuticulatae , supra complicato-sulcatae. Calyx profunde 
5-partitus; ladniae bracteis conformes, sed minores erecto-paten- 
tes glabrae persistentes. Corolla infundibiüitbrmis , roseo-lilacina ; 
tiibus basi albescens, sub-4-angularis, 1 lin. altus, ad fauces in- 
tus barbatus; limbus 4-partitu3 erecto-patens ; ladniae subaequales, 
imbricativae, 2 exteriores tubo paulo breviores, oblongo-laoceola- 
tae, subulato-acuminatae, (siccando?) contortae, a latere compres- 
siusculae subcanaliculatae. . Stamiaa 2 corollae tubo paulo infra 
fauces vasQvia.; filamenta filiformia erecta, in tubum ad basin decur- 
rentia (tubi basi inserta, eique ad fauces adnata) laciniis corolli- 
nis subaequilonga, easque nunc superantia; antherae primo ovato- 
oblongae intro rsae biloculatae, loculis lineari-oblongis parallelis 
contiguis , liiiea longitudinall mediana sulcatis luteis, dein exsertae 
abasi ad apicem fere bipartitae, infra apicem insertae, versatiles 
loculis rima longitudinall mediana dehiscentibus , apice subcou- 
fluentibus, basi obtusis; pollen siccum flavescens oblongum utrin- 
que acutiusculura aut ovali-oblongum obtusiusculum, longitudina- 
liter sulcatum glabrum, aqua humefactum hyalinum globosum. 
Germen ovato-oblongum utrinque sulcatum acutura minutum gla- 
brum, biloculare, vix \ lin. longum, glanduloso annulo basi cinc- 
tum; gemulae oo receptacula bina obtegentes ovatae sessiles; sty- 
lus dein elougatus, antheras superans, lilacinus, apice bilabiatus, 
labiis brevibus patentibus stigraatosis. — Fructus ? ? 

Eene overblijvende of vaste plant, uit Japan verkregen. 
Hare bloemstengen gaan gewoonlijk in ranken over, die ter 
aarde gebogen , gemakkelijk wortel schieten, en nieuwe plan- 
ten voortbrengen. Hare bloempjes, hoewel zeer klein, geven 
echter in bundels vereenigd , om de fraaije roode kleur , 
een sierlijk aanzien. 



- 76 - 
55. Beyrichia oci/moides Chm. & Schicht. 

(DC. Vrdf. X. 378.1.) 

Observatio. B. scuteUarioides Bnth. ^-ix differt, nam flo- 
res primo sunt axillares, dein solum successive se format spica 
densa. — Haud majori jure B. villosam. Bnth. sesejunctam 
censeo a specie nostra, nam valvae capsularum dein apice 
sunt evidenter bifidae, etsi in statu priori per longum 
tempus integrae remaneant. 

Descrpt. Herba suaveolens — sua spoute e solo brasiliensi enata — 
vix 1\ ped. altitudlne excedens, puberuia laete viridis. Rami te- 
traquetri, angulis subalatis. Folia basi in petiolum 5 — 6 lin. lon- 
gum attenuata, ovata, serrato-crenata, cum petiolo IA — 1| poll. 
loiJfa, 8 — 10 lin. lata acuta; superiora ovato-oblonga , brevius 
petiolata, ob.?olete crenata acutiuscula, basI attenuata vlx 1 poll. 
Ion o-a, 5 lin. lata; floralia ovato-lanceolata, basi attenuata, apice 
acumlnata, leviter crenulata, nunc subintegerrima, sensim decrescen- 
tia et a bracteis haud distinguenda. Flores sessiles inferno in fo- 
liorum axillis solltarii, ramis axillaribus infra florem excrescen- 
tibus, dein altius in spiccnn basi interruptam, apice densissimam 
strobillformem congesti; spica basi saepe subramosa indeque pa- 
niculam referens. Bracteae summae ovatae acutae subintegrae, 
calyce vix longiores; bracteolae collaterales ad basin calycis cu- 
jusdam binae auriculaeformes, subtus bullato-concavae, e margine 
revoluto, mediani calycis laciniam posteriorera longae. Calyx vi- 
ridis, 5-partitus; ladniae 4 anticae llnearl-lanceolatae acuminatae 
ciliato- pilosae vix liu. longae; postica subrotundo-ovata, diametro 
IA lineari; fruetum dein obtegens, omnes in fructu persistente.s 
vegetae. Corolla lilacina 3*- lin. longa, calyce duplo longlor, per- 
sonata; tuhus teres albidus, apicem versus paulo constrictus; lim- 
bus dilatatus 2-labIatus, faucibus e lablo inferiori supra ad palatum 
prominulo clausis; labiuin utrumque subconforme; inferlus diame- 
tro trausversali 2 lin. paiüo majus, longitudiualiter, in primis 
superura, nervis purpurels delicatulls percursum. Stamina ad tubi 
apicem inserta inclusa, 2 sterilia rninuta albida rndimentaria , 



— 77 — • ■ 

vix 1^- lin. longa, apice incurva nee coliaerentia ; 2 fertüta a,d pa- 
latum clausura tangeatia; filcunenta albida erecta, apice curvata 
subulata conniventia, 1 lin. longa; cm'Aerfle dimidiatae unilóculares , 
connectivo sat crasso, viridi-flavescenti subliemispliaerlco adnatae. 
Germen minutum conicura, minutissime puberulum, calycis laci- 
niis anticis dimidio brevius; stylus filiformis, sat longus strictus, 
erectus, 1|- lin. long., albidus; stigma crassum truncatum subin- 
fimdibuliformi-concavum , levissirae bilobum. Capsula calyce vege- 
to et bracteolis bracteaque aut folio florali cincta et semitecta 
ovata conica, in latere utroque leviter sulcata, nitidula minu- 
tissimeque puberuia 2 lin. longa, septicide 2-valvis; valvae dein 
summo apice leviter bifidae, tenuissime cliartaceae fnscae, longi- 
ter seminibus jam delapsis persistentes , axi infloreseentiae pa- 
rallelae; columna placentifera dein in centro capsulae libera coni- 
ca spongiosa badio-fusca, minutissime exsclulpta. Semina pluri- 
ma minuta obvei'se pyramidata apice latiora truncata, basi le- 
viter attenuata. 

Eene zaaiplant , op ctexelfde wijze als No. 30 uit Bra- 
zilië verkregen ; wordt niet liooger dan een voet en heeft 
geenen langen levensduur , doch door hare zeer fijne zaden 
komt zij als onkruid spoedig weder in menigte te voorschijn. 

XVIII. ACANTHACEAE. 



5G. Khermayera suhpaniculata Hsskl. 

DiAGX. Cauie erecto subsimplici tereti, cano- velut iuo, foÜis lon- 
giter petiolatis oblongis acutis, basi subinaequaliter- attenuatis in- 
tegerrimis, minute sparseque et in primis in nervis pubeinilis, 
subtus glaucescenti-argenteis, racemis termiaalibus elongatis basi 
plerumque ramoso-subpaniculatis multifloris, cum bracteis lineari- 
lanceolatis acuminatis et calycibus hirsuto-puberulis , laciniis ca- 
lycinis 3 subaequalibus : 

Observ. A plurimis speciebus confinibus racemo elonga- 
to basi sabpaniculato recedit. - .E. glauca Nees (DC. Prdp. 



— 78 — 

XI, 73. 10.) clifFert: caule ramoso, scabro, spicis (racemis) 
foliosis terminalibus et axillaribus , foliis glabris , subtus con- 
coloribus, minoribus. — E. Staurogyne Nees (1. c. 75. 17) 
differt : foliis glabris , caule et petiolis hirto-tomentosis , ra- 
oemo brevi, (cf. Wil. pi. rar. as. II. t. 186.) — E. argen- 
tea Nees (DC. 1. e. 76. 18) differt: foliis lanceolato-oblon- 
gis glabris, caule et petiolis strigoso-hirsutis , racemis axilla- 
ribus et terminalibus brevibus. — E.glauca Wght. (Icon. t. 
1488) differt: toto habitu, bracteis majoribus , foliis minori- 
bus, racemis densioribus , minoribus. 

Desckpt. Caulis erectus, in anthesi 1 i — 2 ped. altus, subsimplex 
foliosus, teres atrorubenti-coloratus , pilis mimitissimis strigulosus, 
primo albescens, dein canus, sat crassus. i^oKa saepe alterna plu- 
rima longe petiolata, petiolo 1 — 2-pollicari tereti, supra planius- 
culo, pube minuta adsperso, oblonga hinc inde oblongo-lanceolata 
acuta rarius subacuminata , basi plus minus longiter acuteque at- 
tenuata et inaequilatera, 2i — 4 poll. longa, vix 1 — li poll. lata, 
integerrima, supra atroviridia et pube minuta in primis in nervis 
canescenti obtecta, subtus glaucescenti-argentea pariterque minu- 
te densiusque puberuia, carnosulo-membranacea. Ramuli in axillis 
fere omnibus propuUnlant inevoluti 2 -foliati, rarius apicera versus 
magis evoluti, altero plerumque multo minore. Racemus spicaefor- 
mis terminalis baud foliosus, 10 — 12 poll. longus, supra basin 
nudam 1 poll. longam ramis 2 subconformibus 5 — 6 poll. longis 
subpaniculatus, hirsuto-puberulus , subviscosus. Bracteae in tota 
inflorescentia conformes lineari - lanceolatae acuminatissimae , basi 
attenuatae 3-nerviae, nervo medio robustiori, lateralibus submar- 
ginalibus tenuioribus, viridi-purpurascentes , 4 lin. longae, vix 
lineam latae, in primis in nervis et margine liirsutae. Flor es in 
bractearum axillis solitarii breviter pedicellati; pedicelli 2 lin. fere 
longi erecti, supra medium articulati et bibracteolati. Bracteolae 
flori ad latus utrumque adpresae, anguste lineari-lanceolatae sub- 
^ubuliformes, acuminatae, 3 lin. fere longae, atropurpureae , cum 
bractea et calyce in fructu persistentes. Calyx purpureus apice 
intensius coloratus , 3 lin. excedens ; laciniae 3 , — superiores binae 
cura inferiori — majores et latiore?, binae laterales tenuiores et bre- 



— 79 — 

viores. Corollae tiibiis, quando inti'a calycem reconditu.^. basi an- 
gustatus, dein inflatus cylindricus, totus 7 lin. longus, 2 i lin. 
crassus, extus den se puberulus, ventre (infra) albidus, dorso (su- 
pra) roseo-lilacinus ; limbus aequalis, (nee oblique) 5-fidns; laci- 
niae omnes subrotundo-ovatae , patentes. Stamina 5 corollae tubo 
supra partem angustatam inserta, 1 sterile rudimentarium vix 1 
lin. longum; filamenta ± 4 lin. longa, apice subadscendentia et 
pilosa-subbarbata. /S'^?/^zi,s teres longus erectus subflexuosus; stigma 
irritabile, tactu elastice convergens, labiuni snperius brevius bi- 
lobum, lobis acutis extrorsum flexis; inferius longius, ovato-acu- 
tum, utrumque ante fecundationem revolutum, inferius subcirci- 
natum. Capsula calyce persistente vegeto conniventi, 4A lin-. longo 
brevior, 3 — 3| lin. longa, subtetragono-cy lindrica , acuta, in su- 
turis subcarinata, 1 lin, crassa; valvae dorso sulcato-depressae 
septiferae. Semi7ia in loculo quoque 20 superposita, septo funiculo 
papillaeformi innata. 

Overblijvende plant met vleezige zwakke steng ; zij 
groeit in schaduwrijke bosschen aan het gebergte Sallak , 
enz. Zij maakt meestal slechts een bladrijke onvertakte 
steng, waaruit ter hoogte van een' voet de vertakte bloem- 
steng regtstandig ter lengte van ook bijna een voet, ont- 
staat , die rondom met fraaije bloemen behangen is. Zij 
bemint de lommer en sterft , te veel aan de zon blootge- 
steld, spoedig af. Hare jonge bladen worden raauw met 
sambal tjabeli , gegeten. Inlandsche naam : Runduh en 
ook Kedjih. 

57. Barleria lupulina Lndl. 

(DC. Prdr. XI. 237. 46.) 

Oeserv. Species haec bracteis haud spinosis buUatis , 
spicam strobiliformem formantibus, corolla distincte bilabi- 
ata , antheris sagittatis et stigmate haud infundibuliformi paulo 



— 80 — 

Descrpt. Fnitex, Gendarussae vulgari Nees. aliquot slmilis, sed 
robustior et valde spinosus, 7 — 8 ped. altus ramosissiraus glaber- 
rimus; rami divaricati teretes luride sanguinei longitudinaliter ri- 
mosi, superiores et ramuli compi'essiusculi plus minns profunde 
alternatira sulcati, ad foliorum insertionem paulo incrassati atro- 
sanguinei glabri. Folia opposita sabsessilia lineari-lanceolata utrin- 
que acuminata, apice mucrone rigido subspinescenti praedita gla- 
bra, excepto nevvo medio subtns et margine, qui strigulis albi- 
dis raris autrorsis simt obsessi, supra atro-, snbtus pallidiori-vi- 
ridia, nervo medio laete sangnineo, snbtus dein pallidiori et pos- 
tremo albescenti percursa et margine augusto rubro colorato inte- 
gerrimo cincta subcoriacea 2-4 poll. longa, 4-6 lin. lata (rarius 
reperiuutur folia latiora utrinque acuta 2 poll. longa, 6 lin. la- 
ta), nervis secundariis oppositis aut suboppositis vix conspicuis, 
diaplianis horizontalibus , ultra medium arcu magno cum suo su- 
perior! auastomosautibus. Sjncae in ramis terminales strobili- 
formes rectae aut paulo incui'vae, nune cernuae (in eodem ramo) 
ovatae aut ovato-oblongae, 1| — 3 poll. longae, 7 — 12 lin. latae. 
Bradeae subrotundae, ima basi attenuatae, concavae, buUatao, 
imbricatim sese tegentes, flores ante et post antbesin totos occul- 
tantes, sub fructu dein deciduae, apice mucronulo spinescenti per- 
parvo munitae, 8 — 9 lin. longae et fere latae; basi ad me- 
dium virides, supra medium luride sanguineae, integerrlmae, 
extus minute puberulae et ad basiu scutellulis (uti in Clerodendvis 
qiübusdam,) rotundis elevatis conspersae, a basi flabellatim mul- 
tinerviae, nervis furcatis versus marginem nervoso anastomo- 
santibus. Bracteolae binae collaterales lineari-lanceo latae pei"~ 
parvae 1 — 3 lin. longae, semper quam calyces multo breviores, 
subulato-attenuatae nee rigidae, minute puberulae. Spinae (brac- 
teolae abortivae) axillares infra ramum et petiolum, cujus baai 
primo sunt adnatae, geminatae breviter stipitatae, primo erectae 
arcte sibi adpressae herbaceae sanguineae, quasi unicam fere for- 
formantes, dein mox secedentes et replicatae divaricatae et folio 
deciduo persistentes, glandulam minutam rotundam (florem abor- 
tivum) iuterse foventes, latae sanguineae complanatae firmae acu- 
tissimae nitidulae, dein lignescentes albescentes 3 — 7 lin. lin. lon- 
gae, non solum in gemmis inferioribns sed ad summas fere spicaa 



— 81 — 

valde appi'oximatas i-epericndae et fructicem valde armatnm red- 
dentes. Flores solitarii in axillis bracteae cujnsque. Caljx 4-pai'- 
titus laete viridis, apice tantum sangnineus, minute paberulns, et 
uti bracteae scutellis jam dictls albidis obsessus; lac'miae mncro- 
uato-subulatae rigidae subpungentes 5 lin. longae, exteriores 2 
latiores (superior cum inferlori) ovato- oblongae , basi fere 3 lin. 
latae, iuteriores angustiores lineari-oblongae basi 1 liu. latae ; om- 
nes conniventes persistentes, longe vegetae, dein in fructu matnro 
erecto-patentes emarcidae. Corolla in alabastro aurea inclusa, 
• sub antbesi dein intensius colorata exserta 1 J- poll. longa extus 
minutissime puberuia; tuhus 1 poll. longus, fïiuces versus sensmi 
dilatatus, infundil)uliformi3 ; limbus 2-labIatus inaequalis; lahiiim 
sujjerius multo «brevius oblongum basi attenuatum, in alabastro 
convolutum, stamina involvens, l poll. longura, apice \ poli. 
latum, basi attenuatum; lahiiim inferius 4-lobum, 1 poll. longnm 
et apice ^ poll- latum, lobls obovatis subemarginatis basi attenu- 
atis, G lin. longis, 4 — 5 lin. latis. Stamina 4, addito rudimento 
quinti in alabastro semper praesentis minutissimo; bina longiora 
lougltudine labii corollae superioris, bina minima, omnla fertilia 
jam ante antliesin pollen emittentia, tubo corollae supra medium 
inserta. Filamenta majorum anguste lineai'iu complanata erecta 
flavescentia, minute puberuia nitidula, minorum vix \ lin. longa, 
tenuia subulata barbata. Antherae majorum lineari-oblongae acu- 
tae, 2 lin. longae, basi ad medium 2- partitae, subsaglttatae, dorso 
ad sinum insertae, biloculatae, loculis linearibus longitudinaliter 
deliiscentibus ; minorum filamentis aequllongae subrotundo- ovatae 
apice emarginatae, basi subcordatae, inaequales, loculis subpa- 
rallelis, longitudinaliter debisceutibus. Pollen in utraque forma 
antlierarum conforme grande subroseo-albnm, ellipsoideum, can- 
cellatum, tubei'culatum , sub aqua visum globosum. Germon basi 
annulo * lin. alto carnoso albido obsolete 5-lobato cinctum, ob- 
longum utrinque paulo attenuatum, acutum, basi albidum, apice 
laete viride, glaberrimum nitidum 1 1 lin. longum, biloculare; (/em- 
miilao in loculo quoque binae; stylus fdiformis pallide viridis 
glaber 9 — 10 lin. longus; stiyma terminale subobliquum conicum 
albidum papillosum, stylo paulo crassius, summo apice leviter 
cmarginatum (nee compresso-infuudibuliforme). Capsula ima basi 
annulo gUinduloso , nuuc emarcido membranaceo fusco ciucta , ibique 
X. 6 



— 82 — 

hrevissime attenuata, axi inflorescentiae parallele complanata ova- 
fo-oblonga acuminata merahranacea, apice coriacea fiiTQa rigicla 
jningcns, 7 lin. longa, 3 lin. lata, li lin. crassa, paulo supra 
basin 2-locularis. Dissepimentum rigidum sublignosum. Semina in 
locnlo qnoqiie solltaria, retinaculo tentii longo, acutissime su- 
bulato, apico curvato, caeterum rectinscalo patenti 3 lin. lougo 
saffulta, compressa rotundato-ovata , basi subinaequalia , prima 
jnventute dense floecosa, floccis dein arctissime adpressis serican- 
tia cinerascentia 3 lin. longa, 2|- lin. lata, A lin. crassa. 

Deze licestcr, Avelkc uit de tuinen van Amsterdam en 
Gronincjen herwaarts werd gezonden , groeit bijzonder 
Aveelderig zoo liier als in den tuin te Tjipannas, en is dik- 
Avijls van bloemen voorzien. De vruchten, welke elastisch 
opspringen, verstrooijen de zaden in zijnen geheelen omtrek 
on deze heester is daardoor reeds in den tuin van zelf op- 
gekomen , een bewijs, hoe goed hij zich heeft weten te ak- 
klimatiseren. Op het eerste gezigt zoude men jonge planten 
voor Gendarussa vulgaris houden en onderscheiden zij zich dan 
hoofdzakelijk door de fraai roode kleur harer bladnerven. 
Deze soort laat zich ook door stekken gemakkelijk vermenig- 
vuldigen. 

5c>. Bar ter ia puhijiora Bnth. 

(Wip. Ann. III. 220.) 

Obseev. Barleria Frioniiis L. DC. Prdr. XI. 237.46, 
Wght. Je. II. 452 differt calycis laclniis majoribus ovatls, 
corollae laciniis obovatis obtusis subemarginatis , floribus 
subternis, intermedio ebracteato, fohis longe petiolatis, spi- 
nis solum extrarameis. — B. Ilystrix L. DC. 1. c. 239.51 
floribus minoribus purpurascentibus &c. 

Descrpt. Herbae snffruticosae 3 — 4 ped. et paulo ultra altae, 
ramosae spinosae; radkes ramosae flexuosae, superiores subliori- 
zontak?, infcriores verticales ] ped. longac, fibrillis copiosis obsi- 



— 83 — 

tac. Caulis erectns subllguosus, obsolete tetragouus snbteretlns- 
culus, liiuc inde panlo genicnlatns, ad nodos incrassatns, ad aii- 
gulos snberoso - verrnculosus , cortice saepe longitndiualiter fisso, 
tusco-cinereus , inferne albescenti- cinercus, ad pedeni et ultra sim- 
plex, 4 — 5 lin. crassus, divaricato-ramosus dicliotomus e continua- 
tioue terminali saepe abortivo. Bami cruciati lurido-virides gla- 
bin plus minns genicnlati patentes aat patentissimi ; internodia 
o — 4 poll. longa, basi saepe tumida, 2 — 3 lin. crassa, caeterum ac- 
qualiter tereti-tetragona 1 — 1\ lin. crassa, inferiora plns minns 
suberoso-rimosa, rimis in lineas longitudinales seriatis dein con- 
llacntibus; ramuli glaberrimi subcomplauati, in lateribns foliis op- 
positis sulcati, inter insertiones petiolorum linea minnte puberuia 
uotatl. Petioli oppositi breves patentes, supra plani levitcrque 
sulcati, e folio decurreuti anguste marginati, 4 — 6 lin. longi. 
Fol'ia plerumque ejusdam paris aequalia, hinc inde inaequalia, 
niembranacea oblongo-, aut elliptico-lanceolata, cumpetiolo 1^ — 
5 poll. longa,| — \\ poll. lata, supra laete viridia, opaca glabra, 
subtus glaucescentia, minutissime squamulato-punctulata , pruno ad 
nervos strigulosa, dein glabra, in margine integerrimo antrorsum 
striguloso-ciliata ; nervo medio cum collateralibus pinnatis, infc- 
rioribus oppositis, superioribus alternis erecto-patentibus, apice 
cum ramulo supra medium superioris deorsum progredieuti sub 
angulo fere recto anastomosantibus , supra exaratis, subtus acute 
prominülis, venis transversalibus liorizontalibus unitis, maculas 
subrectangulares formantibus, venulis copiosis in maculas irregu- 
lares minores divisas et multis venulis libere desinentibus, in su- 
perficie superiori folii prominülis, sub lente tantum conspicuis, 
striulas parvas formantibus. Inflorescentia axillaris, plerumque 
autem ad apicem ramorum, ibique in racemum spiciformem den- 
sum basi interruptum congesta multiflora, nunc solum in omni- 
bus axillis foliorum separata spinoso-bracteata pauciflora, in axil- 
lis inferioribus multis rami floriferi abortivi ad spinam stellatam 
2 — 4-radiatam reducta, radiis acutissimis teretiusculis patentibus 
rigidis pungcntibus albido-rufis, saepe ramo altero excrescenti 
intra inflorescentiam abortivam et ramum pseudo-axillaris , sae- 
pissime autem axillaris. Folia fioralia aut Iracteae foliaceae albes- 
centi- virides , a foliis reliquis magnitudinc tantum diminuta, la- 
titudine angustiore, apice raagis pungeuti mucrone praedito te 



~> 84 — 

subtus pilis in nervis adpressis albidis clisllngnenda, flore suo 
miaora 1 — 1 PoH- longa, 4 — 2 lin. lata, pleramqne 3-ncrvia. 
Bracteolae binae collaterales paulo altiores erecto-patentes , basi 
lineari- lanceolatae in subulum rigidum dcsincntes, albescentes, 
4 — h\ lin. longae, supra basin |- lin. latae. Flores plerunique 
solitarii in axilla bracteae cujusque, i'arius terni, 1* poll. longi 
erQCti aurei sessiles. Calyx profunde 4-partitus , G lin. longus , 4 
lin. latus; laclaiae irabricativao biseriatae inaequilatae pungenti- 
subulatae, extus minutissime pubernlae punctnlatae, canescenti- 
virides, intus glabrae, longitudinaliter neryoso-striatae , erecto- 
patentes, dein erectae por.sistentes , exteriores latiores oblongo-, 
interiores lineari-lanceólatae , 1^ — \ lin. latae. Corolla infiiudibuli- 
foi^mls, tenuiter membranacea extns minutissime puberula; tuhus 
ima basi paulo inflatus , dein teres erectas , sed mox fauces versus 
dilatatus, pallide flavescens, intus glaber, 7 lin. longus, 1 lin. su- 
pra basin latus; limbus bilabiatus, 8 — 10 lin. longus, G — 8 lin. la- 
tus; labium superius obovato-oblongum acutiusculum , 8 lin. Ion- 
gum, 3i lin. latum, nervis intensius coloratis flabellatim fur- 
catis percursum, glabrum integerrimum , planum, erectum; infe- 
rius multo majus, 9 — 10 lin. longum, 8 lin. latum, 4-partitum, 
pariter ac superius nervoso-striatum ; laciniae oblongae acutae, 
laterales majores, 8 lin. longae, 4 lin. latae, intertnediae hmOiQ basi 
iinbricativae 6 lin. longae, 2\ lin. latae. Stamina 4 fertilia, tubo 
coroUae infra fauces inserta , antica minuta inclusa ; filamenta lon- 
giora infra insertionem longe in coroUae tubum decurrentia , erecto- 
adscendentia , labium superius multo , inferius paulo excedentia , 1 1 
lin. longa, paulo flexuosa, teretia glabra'; minora vix 1 lin. longa 
crecta, retrorsum albido-barbata ; antherae liueari-oblongae acutae , 
basi ad medium fissae, sagittatae , dorso supra sinum insertae , vcr- 
satiles 1 lin. longae, 2-locnlares, loculis oppositis, longitudinaliter 
introrsum dehiscentibus , valde patentibus, flavescentes , dor.so fus- 
ccscentes; minores subrotundo-cordatae aut subreniformes, proratione 
fllamenti grandes luteae biloculares ; loculis ovato-oblongis, basi a- 
cutis, longitudinaliter introrsum dehiscentibus, patentibus; poUeii 
flavescens ellipsoideum transverse et longitudinaliter 10-sulcatum 
indcque cancellatum et in caucellis tubcrculatum , sub aqua visum 
globosum minus conspicue tesselato-tubcrculatum 1-porosum. Gcr- 
men stipitatum bi'eve viiide glabrum couicuni, 1 lin. vix longum, 



— 85 — 

ap'ce val Je attenuatnm, 2-locnlare; gemmulae in loculo quoque 
binae; st t/lus tennis filiformis longIssimiTS , 1^ poll. Longns, flaves- 
ceus glabei' teres, sLccaudo snlcatns, apice truncatus, paulo in- 
crassatns inteasinsque coloratas stigmatosns ; stigma trancatum. 
Capsida ovato-oblonga basi parum, apice longiter attenuata, a 
latere utroqne compressa, in ter calycem i-econdlta, 7 lin. longa, 
supra basia 2| lin. lata et 1.} lin. crassa, glabra niembranacea , 
bilocalaris, basi disperma, dein ab apice ad basin septicide bi- 
valvis et bipartibilis ; septum capsnlae transversum, rigidam sublig- 
nosum, medio bipartibile et elastiee desiliens: retinacula raagna in 
locnlis sibi opposita, patentlssima uucinata falcata acutissima. Se- 
mina in locnlo quoqne solitaria grandia complanata subrotando- 
ovata, apice acuta, basi subinaeqaalia obliqua , epilis tennissimis 
oriclialceo-sericea, utrinqne linea mediana paulo prominula notata , 
4 — 5 lin. longa, 3 lin. lata, 2- lin. ci^assa; testa coriacea brunnea, 
arcte adhaerens, baud tuberculata, sed sericanti-pilosa ; emhrnum 
curvatum; cotyledones magnae suborbicnlatae cartilagineae albidae 
planae applicativae ; radicula conica curvata, ad nodum vitaleni 
valde incrassata; plumula valde minuta. 

Dit aan den voet van den Gedeb in liet wild groeijcndc liecstertje 
kan Avel als fraaibloeijend aanbevolen worden. Zijne bloemen heb- 
ben veel overeenkomst met die van B. Prloiiitis L., zijn ecliter 
grooter. Door stekken is de vermeerdering van dezen kleinen 
heester zeer gemakkelijk. 

59. Aphelandra tetrcujona Kees. 

{DC. Prdr. XI. 295. 1.) 

Desckpt. Folia elliptica subcoriacea , petiolo 2 poll. longo tere- 
tiusculo suffulta , breviter acuminata aut acuta, basi acuta, vix acu- 
minata, in petiolum hinc marginatum decurrentia, 8 poll. longa 
4 poll. lata, supra intense viridia, nitidula, subtus glaucescentia 
et minutissime albido-punctata , nervo medio et secundariis sub- 
tus valde pi'ominulis et acutis pallidis, secundariis suboppositis 
autplerumque alternis, patentissimis 11 — 12 in latere quoque, gla- 
bra, subtus nunc pilis minutissimis in nervis eorumque ramlfi- 
cationibus strigulosa. Spica tetragona deuse imbricata, 5^- poll. 
longa, 3* lin. lata, recta stricta solitaria; rhachis albida laevis, 



— 86 — 

infra insertionem bractearum a petiolo rliaclii adnato dense uti brac- 
teae ipsae toraentosa. Bi'acteae obscure virides 3 lin. longae, basi 
2 lin. latae, dein inerescentes 5 lin. longae, 3 lin. basi latae, basi 
dense albido-lanato-tomentosac, tomento quasi linea i-ecta borizon- 
tali abscisso; caeterum omnes albido-ciliatae ; hracteolae lineari- 
lanceolatae carinatac subulato-acuminatae, miniatae; extus albido- 
toraentosae, calyce minores, 3 lin. longae, basi IJ- lin. latae, ca- 
lyci arcte adpressae. Calyx conuivens rainiatus' extus puberukis; 
lacjniae 4 lin. longae, superior et inferior latiores oblongo-, interl- 
ores 3 angustiores lineari-lanceolatae, omnes albido-ciliatae. Corolla 
ultra 2\ poll. longa, ad fauces 4 — 5 lin. lata, miniata ; iiites inferne 
globosus carnosulus , *upra basin paulo angustatus, et dein fauces 
versus sensim dilatatus , a latere compressiusculus , glabei'rimus ; 
Ziwi^Ms bilabiatus extus puberulo-velutinus ; helium sjqyerius S-&ü.um; 
laciniae binae laterales perparvae acutae, inteAnedia 9 lin. longa, 
primo subfornicata, dorso plana, dein reflexa patens 2-fida, 
lobis lanceolatis acuminatis, 5 lin. longis, 3 lin. latis subconcavis; 
lahium inferius integrum 13 lin. longum, 4 lin. latum, oblongo- 
lanceolatum subrevolutum. Stamina supra partem globosam et 
angustatam tubi corollae, suporiora paulo altius inserta, corolla bre- 
viora adscendentia; fLlamenta complanata glabra, pallide miniata, 
2 poll. longa, apice securidiformia ; o?2i/ierae conniventes, superiores 
dorso coliaerentes, rarius dein uti inferiores solutae liberae, dor- 
so carinatae et altius sulcatae , ad carinam insertae et basi longi- 
ter cartilagineo-cornutae et acutissimae, apice acutiusculae lineares, 
a latere complanatae, 3 lin. longae brunneae, ad marginem albidae, 
1-loculares, summo apice pilis albidis arachnoideis et dorso in sulco 
pilis brevibus albidis patentibus obsessae. Germen toro tumido glan- 
duloso, quam germen crassiori, impositum, oblongo-conicum viride 
glaberrimum nitidum 2-loculare; disseimnentum e basi crassissima 
apicem versus attenuatum, conicum; rjemmulae in loculo quoque 
binae erecto-adscendentes ; stylus miniatus, apice inter antlieras 
receptus, summo apice bidentatus, stigmatosus, dente superiori 
brevi , iuferiore patenti longiori. Fructus in horto nunquam ma- 
turare videntur. 

Deze is een der prachtigste heesters onder de sierplanten; hij 
groeit zeerforsch, maar tevens zeer zuinig, zoo dat er slechts stek- 
ken aankomen, als hij gebloeid heeft. Hij heeft eenen enkelen regt 



— S7 — 

opstaandeu stam van omtrent 4' hoogte, die ook mlsscliien nog 
hooger wordt en beneden geheel kaal is. 

GO. Cijrtaniiicra PoliUana Nees -y. veinthia Nces. 

[DC.Prdr. XI. o30.G.) 

Observ. I. Auctor generis (1. c. p. o28) fiLimeiita apice 
recurva dicit, in nostra specie aiitem simt incurva, uti in Grap- 
tophijlLo; equidem antlieraruni loculos liaud arcto contiguos 
sed inaequaliter insertos liabeo, alterum paulo altius insertum, 
et subdivergentes ; pariter labium corollae superivis liaud 
lineari-falcatura in nostra dicendum, sed lineari-oblongum 
concavum subfornicatum, apice incurvum , subfalcatum ; in- 
ferius liaud elongato-obconicum , sed elongatum obovato-cu- 
neatum , trifidum , laciniis omnibus subaequalibus. Ultima 
liaec difFercntia forsan errore typographico ortum videtur. 

Observ. II. An varietas nostra specioi novae typum prae- 
beat? decernero nondum audeo , donec speciem normaleni 
cum liac comparaverim. 

Descrpt. Fruticulus o-pedalis, n])errime tiorens, inierno saepe 
aphyllns, apice tantum folia panca floresque gerens; ramuli tetra- 
goni dense puberuli et in lateribus binis, foliis oppositis alterna- 
tim linea densissime canescenti-tomentosa notati ; caeterum virides , 
dccurrenti-sublineati. Folia [inferiora omnia decldua) ovato-ob- 
longa acuminata, basi rotundata etabruptim angustata ibiqnesub- 
anriculato-attenuata (in petiolo decnrrentia autor.) et basi ipsa trans- 
versim crispato-plicata, cnm petiolo 6 lin. longo 4 poll. longa, 1{ 
poll. lata, supra atroviridia opaca, snbtns incano-glancescentia 
iitrinqne, in prlmis autem supra, moUiter velutina, nervis supra 
vix, subtus valde prominulis , secundariis inferne et supeme oppo- 
sitis, intermediis. subalternis, inferioribus valde .approxunatis lio- 
rizontallbus , versus margines adscendentibus , reliquis erecto-pa- 
tentibus, omnibus juxta marginem anastomosantibus , integerrima, 
javenilia albido-lanata. Tlvjrsus terminalis 3i — 4 poll. longus, 
1| — 2 poll. crassus, oblongo-ovalis, floribns multis simul floi-en- 
tibus roseis ornatus. Pedunculus sabnullus; ^A?/?'52</i partiales abs- 



qnccorollls 1 poll. longi, a basi decompositi, 10 — 12-flori; par- 
tes inflorescentiae vix viscidulae, dense velutino-pubescentes , pal- 
lide virides, calyce basi ad margines laciuiarum albescenti, una 
cum bracteis bracteolisque ciliato. Bixicteae hiferiores diversifor- 
Bies ovato-, aut obovato- oblongae et turn basi attenuatae acutae 
aiit obtusiusculae, 7 — 9 lin. longae, 3 — 4 lin. latae; superiores ob- 
longae aut lineari-oblongae, 7 — 8 lin. longae, 1| — 2 lin. latae; 
hradeolae lineari-lanceolatae acnminatae, nunc longiores nunc eo 
breviores et lineares G— 3 lin. longae, 1 — i lin. latae. Calyds la- 
ciniae lineari-lanceolatae acnminatae 5 lin. longae. Corolla 2-pol- 
llcaris erecta carneo-rosea, pubescenti-viscidula; tuhus fere 1 poll. 
longus, lahium inferius 5 Tn. latum, superias dein a latere 2 lin. 
latum; alahastra 1| poll. longa, apice subclavata, 31in. lata, labio 
superiore tnm planiusculo medio carinato et jnxta carinam utrin- 
que sulcato, apice subincnrva. Connectivum antherarum atrosan- 
gainenm, locuü flavescenti-albidi. Capsula parva caljcem hand 
aut vixexcedens, elastice debiscens, inter bracteas recondita, 5 lin. 
longa, apicem versus li lin. lata depressa, ^ lin. crassa, versus 
bas in attenuata etalateribus compressa, apice pungenti, coriacea 
rigida laevis, ad orig;nem dissepimenti 2 — i-sperma. Semina len- 
tcalaria suborbicnlaria, margine tenuiora, retinaculis parvis trun- 
catis persistentibus sufFulta, nigrescentia , minutc tuberculata. 

Eene prachtige plant, die zoowel hier als te Tjipamias weel- 
derig groeit en mild bloemen geeft. Zij is van Brazilië afkomstig 
moet ecliter, om goed te tieren , in de lommer worden ge- 
plant. Zij laat zich gemaldcelijk door stekken voortplanten. 

Gl. Andrographis echioides Noes /3. dichotoma Hssk. 

(DC. Prdr. XL 518.11. WgM. Icon. 467.) 

Observ. I. Nostra antheris iraberbibus basi 2-calcaratis , 
calcare altero bre\aori, stigmate dilatato, proratione styli et 
floris magno subbilabiato , antherae nni saepe adglutinato 
et cum corolla staminibusque deciduo. 

Observ. II. Flores apertos nunquam vidi! semper corol- 
lae iobi apice quasi conglutiuati obviam venierunt minimi, 



— 89 — 

imbricatlm sese obtegentes, cxtus pilis cfijMatis obsessi,- co- 
rollae jam marcescentes (iiti in alabastro pariter confor- 
matae, nee apertae) minimac, vix 1 lin. longae, e calyce 
nunquam exsertae, tubo globoso, dein supra medium con- 
stricto et limbo cylindrico subaequali. — Etsi florcs aperti 
liaud constant, attamen fructiis seminaquo matura sat copiosa 
proferuntur. 

Observ. III. Icon Wgbtii optima, praecipue quoad ba- 
bitum totius plantae; racemi autem plerumque in axiUa 
quaque circa florem centralem axillarem bini divaricati, al- 
ter paulo minor. 

Eene zaaiplant, door zaden van den beer Zollinceu uit 
Ceylon verkregen. Jong zijnde staat zij regt op , docb na- 
dat zij een' voet hoogte bereikt, vele zijtakken gemaakt 
heeft en met vruchten en bloemen beladen is , wordt zij te 
zwak, om staande blijven, en neigt dan met hare takjes ter 
aarde, de topjes steeds opgerigt houdende. Zij leeft soms 
langer dan een jaar, en vermenig\"uldigt sterk door liare 
vele kleine zaden, die zich even als bij vele andere Acan- 
thaceae, bij het het openspringen verre verspreiden. 

XIX. LENTIBULARIAE. 

(j2. Utricularia dlaniha li. S. 

{BC. Prdr. VIII. 21. 102. Wght. Icon. 15G9 optim.) 

Observ. Semina, apud Wght. 1. c. fg. 14 et 15 optlmc 
delineata, valde discrepant a descriptione DC. 1. c. p. 2 & 3. 
Sunt enim 20 — 30 , pro ratione fructus sat grandia, lenticu- 
laria , excentricc peltatim receptaculo globoso inserta , flaves- 
centia angulata , margine tenuiori subulata , dorso convexius- 
cula , ventre concava. Testa flavescens cellulosa laxa grosse 
reticulata, faciliter secernibilis ; nucleus membrana altera hy- 
alina tenuissima albida minutissime celluloso- reticulata arcte 
cinctus lenticularis albidus, rotundus, altere latere levissi- 



— 90 — 

me emnrglnatus constans , e massa ]iomo;';oiiea albumlnosa 
compacta, sub lente in granula amyli soluni dissolvenda , nee 
embryum centrale fovente ; — liaud sccurus sum , annon em- 
brynm inevolutum ad sinum lateris nuclei viderem, mem- 
branulae tonui laudatae adliaerens et cum eo fjicilo separa- 
bile; si adfuit, minutissimus fuit. 

G3. Utrlcidaria conferta lïsskl. 

OBSEr.Y. E diagnosi Candollcana nostram pro U. humili 
Vhl. (DG. Prdr. VIII 22.103) liaberem, etsi opponunt squa- 
mae remotae!— ni opponeret icon Wiglitii clbrri. (Icon. 
lhl^/2) et pedunculi plerumqne 2 — 3-ni imoquc plures con- 
ferti, uti in U. macrolepide Wglit. (Icon. 1580/2) repe- 
riendi , quae autem squarais ovatis foliaceis divcrsa (cf. Wip. 
Ami. III. 5. 13.) — TJ. diantlia supra (No. 62) citata aliquot 
accedit , exceptis foliis subspatliulatis ; diagnosis Candollcana 
(1. c.) imo magis cum nostra convenit, si _ pro radicibus sto- 
lones legeres; calycis lobi autem hand sunt accrescentes nee 
post antbesin decurrentes. — An U. Uftora BI. DC. 1. c. 
10.33 liuc pertineat? c diagnosi nimis incompleta distingui 
liaud licet; e pedunculis confertis nostra U. geminlscapae Benj- 
(Wip. Ann. I. 489. 11.) affinis videtur, sed pariter diagnosis 
nimis incompleta est, quin decernere difFcrencias possim. 

DiAGX. Pumila nataus submersa laete viridis glabra , stolonibus 
radiciformibus copiosis , ramulls geniculatls simplicibus aut ramulo 
uno alterove mimito obsitis , foliis caulinis nullis, stolonum brevibus 
filiformibus, binc inde utriculiferis , solitariis aut binis; utriculis 
compressis ovoideis , apice setiferis, setis nunc ramosis; peduncu- 
lis plerumque confertis 2 — 6, erectis 3 — 4-, rarius 1 — 2-floris ; pe- 
dicellis erectis, bracteis binis suffultis, altera majori subrotunda» 
altera minuta ovata acuta, bracteolis nullis, calycis lacinüs ovatis 
obtusis, fructibus subglobosis erectis calyce majoribus, parvis. 

IIabitA-T paludes prope Bataviam , colltur in horto bot. bogoriensi. 



— 91 — 

Descrpt. Badlces vix ullae. Cauüs erectus albidas nrmc rosens , 
abbreviatus , vix 2 lin. altus , submersus ; stolones pei-plnres elou- 
gatae, 2 poll. et ultra longae, tennissimae caplUares, caulera sus- 
tinentes, laetissime pallide virldes glabrae, liinc inde pilis pateti- 
tibus tennissimis, lentis ope tantani conspicuis obsltae, ramosae 
geniculatae. Foüa caulina nulla, stolonum brevla capïllaria acuta 
integra acuti-subulata, nuuc utriculifera ad basin ramulorum, 
gemmula altera saepe inter ramulos et stolones. Utiiculi ovati, apice 
magis protracti attenuati, dein truncati et fimbriato-setulosi , nunc 
rari nunc plures, brevi-petiolati complauati, juvenlles pallidissime 
virides, subliyalini minimi, dein .V lin. longl, laete et postremo 
intense indici, apice tantum viridiusculo, eleganter aveolati; setae 
apicis partim simplices, partim ramosi, ramis patentibus acutis- 
simis, omnes tenuissime articulati uti et stolonum pili. Pedun- 
culi (scapi aut.) ex eodem caule rariter solltarii, plcrumqu* 3 — G 
conferti, superpositi, alteri jam apice emortui, basi persistentes , 
plerumque 3 — 4-flori, 1 — 2 poll. longitudine vix excedentes, tere- 
tes nudi glabri, laeves, stricti, erecti, inferno albldo-, superne 
laete virides, dein rubescentes, rarius 1 — 2-flori, ante evolutionem 
uti et stolonum apiees inflexi. Bracteae ad basin pedicellorum, al- 
tera subrotunda rubescens perparva, pedunculum fere amplectens, 
inferior, altera minuta opposita, ad super' ores pedicellos subae- 
quales ovatae acutae; bracteolae nullae. PedicelU teretes 1 — 3 lin. 
longi virides, erecti aut erecto-patentes , glabri, dein rubescentes. 
Ccdyx bipartitus . ladniao ovatae obtusae applicativae ante et post 
antliesin virides longitudinaliter nervoso-striatae dein sub antliesi ru- 
bentes, persistentes, A^egetae, basin fructus sustinentes, vix \ lin. 
excedentes. Corolla lutea (1) parva, lahium superius inferiore vix 
brevius erectum subrotundo-ovatum iutegrum concavum; inferius 
concavum, integrum ? . . . , calcar acutum horizontale, labio in- 
feriore paulo brevius, 1 lin. longum. Stamina apice conniventia; 
fdamenta brevia complauata, apicem versus dllatata, paulo supra 
basin curvata anticc antherifera, albida; antherae obovato-oblou- 



(1) riores in aqua et spiritu raissos ol) nimiam corollae tenuitatcm liane vite 
explicare baud concedeiimt. 



— 93 — 

gae subcomplanatue facie linea vei'ücali vlx elevata notatae, ibique 
dein 'longitaclinaliter deliiscentes, medio haud constrictae, sed trans- 
verse septatae indeque superposite bilocalares, loculis confluentibiis , 
dimldia fllamenta longae. Oermen minutnm , calycem dimidinm lon- 
gnm , globosnm , viride , glabi'nm , laeve , nitidum , uniloculare ; 
(jemmulae plarbnae receptaculo globoso vLridi insertae idqne totam 
obtegeiites; stjlus brevis crassu5, stigma capltatam subbilobum 
dimidium longns, apicem versas paulo dilatatus. Fructus subglo- 
bosus viridis laevis glaber, a lateribns caljcis laciniis tectis 
panlo compressus, diametro 1 lin., stjlo persistent! rubenti api- 
culatns, basi hand linea horizoutali notatus; dehiscentia ignota 
(verosimiliter irregularis, exteusione seminum orta); epicarpium 
membranacenm. Semina peltata, dorso convexa, ventre concava, 
irregulariter pentagona, margine albido tenuiter atteniiato alata; 
nudem laete iudico-vli-idis orbicularis, basi emarginatus compres- 
sus, testa laxa reticulata, nee tuberculata cinctas et (kein 7nembrana 
tenmssima lijalina inclusus, totus fere albuminosus (semen exal- 
bumiuosiun acotylcdoueum Ricli. DC. Prdr. VIII. p. 2 & 3.) 



64. Utricularia reclinata Ilsskl. 



Observ. U. fascicnlata Rxb. DC. Prdr. VIII. 7. 18 (nee 
Wglit.) diftert calycis laciniis obtusissimis et calcare obtuso. 
Icon liujus spccici ajuid AVglit. (Ie. t. 15G8) valde aceedit 
pedunculo pedicellisquc fructiferis rcfloxis, at foliorum con- 
formatione et insertionc , floribus majorlbus et calcare obtuso 
sat diversa habenda.— Z7. flexuosa Vld. (DC. 1. c. 24. 124} 
foliis spinulosis [U. vuhjaris L., cui folia sunt conformia) 
disjungenda.— t/. flexuosa BI. Bijdr. 739. (cf. DC. 1, e. 24. 
124. /3.) difFert: bracteis obtusis et calcare obtuso puberu- 
lo. — U. aurea Lour. (DC. 1. c. 8, 20) lobis calycinis lan- 
ceolatis ineurvis forsan vix diftert. 

Ui.vcN. Fliiltans submersa. Foliis semiverticillatis 3 — 5-nis,ova- 
to-oblougis obtusis, tenuissime piuuatisectis ; rliaclü lineari di- 



— 93 — 

latata, segmentis farcatim divisis capillarlbus , ad infimas divisio- 
nes utriculiferis , tcnuissimis, pilis antrorsis minutissimis obsitis 
pedunculis erectis flexuosis, 3 — 7-floris, bractels ovatis acutls , pe- 
dicellis duplo longioribus erectis, dein longe excrescentibus rcfrac- 
tis, calycis laciniis acutis, calcare qnam labium inferius breviore 
acuto, vix puberulo, fructu subgloboso rostrato, supra basiu linea 
horizontali puuctorum notato. 

Habitat palndes et lacus moutosos ad pedem moutis Gedeli, al- 
tltudine 4 — 5000' supra mar. 

Desckipt. CcmZe^ spongiosi, longl, fluitantcs, pallldc virides, liiuc 
inde rubentes, longitudinaliter striati, pilis miuutissimis albidis 
antrorsum obtecti, ramosi, una cnm ram'S dense folosi; internodia 
plas minus -' poll. longa, ^ lin. crassa. Folla semiverticillata 3 — 5- 
na, intermedio plerumque majori, valde approximata, ita utfolia 
ad imam basin 3 — 5-partita dicere posses, basi semiamplexicauli , 
utriculorum ope natantia, nee cmersa, oblongo-ovata, apice rotun- 
data, \ — 1\ poll. longa 4 — 10 lin. lata, ad basin pinnatisecta; 
utrkuli pyrifdrmes, basi obliqne stipitati, apice truncato, nu do, 
umbonato, nee horizontaliter piloso, nitiduli, albescenti-virides, 
siccaudo plus minus intense indici ; rhaclds cauli ramisque conformis 
spongiosa, laete vLridis, complanata, liuearis, binc inde subsulca- 
ta; segmenta patentissima 4 lin. longa, a basi iteratim furcata et 
in primis ad divisiones interiores, binc inde et ad superiores co- 
plose utriculifcra , utriciilis ultimis autem niinorlbus; nltima elou- 
gata capillarla tenuissima flacclda (nee rigida) teratia, flexuosa, 
pilis albidis acutissimis antrorsis, sub lente tantum visibilibus 
.parce obsessa. Pedimculi erecti firmi emcrsi subflexuosi, 2. f — 4 
poll. longi, 3 — 7-llori, glabri, virides, ante antliesiii apice niitan- 
tes et rubentes. Bracteae ovatae, acutae, concavae, primo alabas- 
trum cum pedicello brevissirao foventes, dein basin pedicelli clon- 
gati florentis sustinentes, erectae, postremo subrcfractac, mem- 
branaceae, glabrae fuscescentes integerrimae vix 1 lin. cxccdentcs. 
Pedicelli in antbesi ereeti, palllde viiides glaberriuii, teretes, 
apice vix incrassati, bractea plus duplo longiores, 2.1 lin. longi, 
dein sub fructu valde accrescentes et in primis versus apicem 
crassiores, 5 lin. longi, apice 1 lin. fere crassi, refracti, peduncu- 
culo fere paralleli. Florcs parvi lutei. Calyx bipartitus, viridis, 



— 94. — 

rubescens, glaberrimits , long'tudinalitei' nervoso- 
striatus, in alabastro oblongo 1.J lin. longus et | lin. crassus, 
valvarls; laciniae aequales ovato-oblongae acutae persistentes , dein 
excresceutes, 3 lin. longae, 2 lin. latae, vegetae, fractnm obtegen- 
tes , nitidulae virides. Corolla flava parva, 2 lin. vix excedens, per- 
sonata; tuhus brevissimus , subbullatiis, ad fauces constrictns, al- 
bidus; labiam svijerius paulo brevius, galeatum, supra palatum 
cum inferiori connivens, integerrimum ; inferlus basi calcare ad- 
scendente cnrvato, acnto, ipsiqne subaeqdilongo glabro et longi- 
tudinaliter striato munitum, integi'um, palato valde prominulo, 
foi-nicato, leviter plicato ad fances ibique paulo intensius rubes- 
centi colorato. Stamina 2 conniventia, minuta, corollae tubo ad 
fauces inserta; filamenta complanata, apicem versus dilatata, su- 
pra basin paulo curvata, albida, nuda, vix |- lin. longa; antherae 
•oblongae minutae, longitudinaliter deliiscentes , medio baud con- 
strictae; pollen globosum minutum albidura. Pistillum calycedimi- 
dio brevius; germen subgloboso-ovoideum, uniculare; gemmulae \)\a- 
rimae receptaculum globosum viride scrobiculatum totura obtegen- 
tes; Stylus brevis conicus; stigma unilaterale unilabiatum, orbicu- 
lare, basi tenuissimum ibique mobile, dein inflexum papillosum 
albidum. Fructus subglobosi, apice conico rostrati, supra basin li- 
nea borizontali punctorum intensius coloratorum rubentium notati 
(quasi lineam, ubi fructus a basi operculi instar secedere destina- 
tusesset, referenti) membranacei virides glabri, diametro 2\ lin., 
ad medium calyce obtecti, apice liberi, uniloculares. Becejjtaculum 
globosum intense viride, seminibus totum obtectum scrobiculatum. 
Semina regulariter 5-angularia subcompressa, dorso (extrorsum) 
leviter convexa, vcntre subconcava, margluc liaud attenuata, ob- 
solete tuberculato-tessellata viridiuscula ; nucleiis e testa latiuscula 
crassiuscula cclluloso-reticulata facile separabilis, orbicularis, len- 
ticularis, memhrana tenuissima, minuto cellulosa arcte inclusus, 
massam tantum albuminosam absque embryi rudimeuto praebens. 
sub leute facile comprimendam et in granulos amyli secernibilera, 

Deze fijne waterplanten (No, 02—04) kunnen slechts in stil- 
staande wateren voortgeteeld worden , zijn ecliter niet moeije- 
lijk te verplanten, en eens gegroeid zijnde, vermeerderen 
zij spoedig en zenden hare kleine maar liefelijke gele bloemp- 
jes uit liet water omhoog. 



— 95 — 
XX. 8AP0TACEAE. 

05. Chrijso2)hijUum o-liodoncuriuH Hsskl. 

Obsehv. Species liacc nova sectioni „ Oxystemon''' A.DC. 
Prdr. VIII. 163.46 adscibenda et inter Ch. humelioides 'Mxi. 
(1. c. 15G. 2) & CJi. (jranatense Sprng. (1. c. 157, 5.) coUocan- 
da erit. Species posterior difFert: inflorescentia, floriLus magnis , 
foliis acutis imoque retusis, multo minoribus petiolisque ma- 
joribus. — Ch. lanceolatum A. DC. (1. c. 1G2. 33) diftert: toto 
liabitu , foliis oblongo-lanceolatis ad costam infra tomentosis , 
stigmate 5-crcnulato et fructu 5-loculari. — Ch. fjrandlfolhim 
Steiid. (1. c. 1G3.46.) forsan liaud differt. 

DiAG>r. Arbor alta, foliis ellipticis, oblongo-ellipticis ant ovali- 
bus breviter aciiminatis aut acutis, basi attenuatis, acutis aut imo 
obtusis, coriaceis, integerrunis, primo subtus lepidoto-tomentellis, 
dein glabratis et postremo utriuque glaben-imis supra nitidis ; inflo- 
rescentia fasciculata aut brevissime cymoso-racemulosa, axillaris 
5 — 10 — 00 floi-a, petiolo breviori, flonbus minutis, calycis laciniis 
late-ovatis acutis, adpresse canescenti-puberidis , coroUa 5-partita 
subrotata glabriuscula, calyce 2-plo longiori, germine 5-loculari, 
fructu 1-loculari 1-spermo drupaceo olivaeformi. 

Ilahlt. sylvas moutosas Javae occidentalis, ubi primus arborem 
liane repori anno 1841 et ad bortum bot. bogoi'. misi, — et sylvas lit- 
torcas Javae centralis, ubi Teysmann, liortulanus praeclarus ean- 
dcm anno 1853 vidit. 

DESCPtPT. Arbor alta robusta pulcbra, succo lacteo foctens; co- 
ma foliosa oblonga densa laete viridis; rand tcretes crassiusculi , 
cinerco-nigrescentes lougitudinaliter rimosi, indeque asperi, foliiferi 
et saepe ramulis 1 — 2 patentibus apicc foliosis fastigiatis ornati; 
ramuli cum fciliis inevolutis dense nigrescenti-ferrugineo-lepldote- 
strigosi, dein glabrescentes, glaucescenti-virides , vix minute albi- 
do-strigulosi , rimuloso-verruculosi; cicatriccs petiolorum delapsorum 
liippocredimorpliae 3-punctulatae. Pclioli patentes teretiusculi , 
supra planiusculi et plus minus profunde sulcati, basi incrassati 



— 96 — 

primo uti ramiali lepidoti, dein glabrati glaucescentl-vlricles , postre- 
mo rubescentes, 1 — 2 poll, longi. Foüa sparsa coriacea, elliptica 
aut ovalia, juvenilia nunc oblongo-ellïptica integerrima, e margine 
subundulato erecto subconcava, acuta aut plerumque acute 
acumlnata, rarius subobtusa, basi in petiolura aequaliter aut 
inaequaliter-attenuata, acuta aut obtusa nunc rotundata, 7 — 11 poll. 
longa, 3| — 5 poll. lata, aut in innovationibus 3t — 5 poll.longa, 
1 — 2 poll. lata, supra glaberrima nitida atroviridia, nervo medio 
cum secundariis suboppositis 8 — 10-paribus taud prominulo fla- 
vescenti, subtus pallidiora, juvenilia evolutajuxtanervum medium 
laete roseum et secundarios basi roseos dein flavescentes valdo 
prominulos minute lepidote puberuia, postremo tota glaberrima. 
Injlorescentia axillaris aut supraaxillaris, pro ratione arboriseti'a- 
morum minuta fasciculata, aut pedunculo paulo evoluto cymoso-ra- 
cemosa, petiolis vix longlor aut multo brevior, 5 — 10 — co -flora; 
pedicelli nunc ad unum nunc ad alterum pedunculi latus subum- 
bellati, tenues filiformes divcrgentes, 2|^ lin. longi, una cum calyce 
adpresse canescenti-pubcrull ; Jiores minutissimi, toti vix 1 lin. alti. 
Calyx 5-partitus imbricativus ; ladniae late ovatae, acutae vix 
t lin. longae conuiventes , dein persis^entes vegetae, nee auctae, fruc- 
tum sustinentes. Corolla extus minutissime pxxberula, subglabra, 
calyce 2-plo longior, exserta, fere ad basin usque 5-par- 
tita subrotata, albida; ladniae ovato-oblongae concavae, basi pau- 
lo attenuatae albescenti-virides , margine tenuiori albidae subre- 
flexac 1 lin. longae, in anthesi patentes, in alabastro imbricativae, 
post antliesin crectae conniventes. Stamina 5 ima corollae basi in- 
serta laciniisque ejusdem opposita, in carum concavitate recepta, 
vix eis aequilonga, dein paulo longiora; filamenta sigmoideo-flexa, 
concavitatem laciniarum corollae sequentia filiformia , apicem versus 
subulata glabra ; antherae ovoideae aplculata, basi subcordatae sub- 
intro rsae, primo inclusae, dein exsertae patentes, filamentls brevlo- 
res, versatiles 2-loculares; loculi longitudinalitcr deliiscentes. Ger- 
men subglobosum, minutum, 5-locularc, fuscum, canescenti-liir- 
sutum; fjemmulac in loculo quoque solitarlae erectac; stylus brevis 
viridis teretlusculus crasslusculus subtrisulcus , longe persistcns; 
stigma truncato-subtrilobum. Frudus drupacci, ollvacformes, ob- 
longi, apice vix retusi, glaberrimi, rubcntl-vlolacci , nitidi, 1 poll, 
longi, 9 lin. ci'assi, carne aurautiaco-flavida succosa, 1 — 2 Üa. 



— 97 — 

ci'assa,9ïicl rliapliem seminis crassiore, abortu 1-lociiIares, l-S2Jermi, 
rudimentis loculürum abortivorum vix conspicuis. Seniea oblono-o- 
clllpticum atropurpureiim siibuigrescens nitidum glaberrimiim , basi 
paulo atténuatuni a latere paulo compressum, 71in. longum, 3 — 4 
liu. crassum; testa sat crassa ossea, extus in liilo per totam fere 
longltudinem exsculpta, albida; alhumen carnosuni copiosum, sa- 
men totum implens, embri/Hm involvens tenue, candidum, nitidu- 
lum, in centro seminis ejusque longitudine, erectum; radicula ad 
basin seminis fructusque sita, vix 1 lin. longa, siiboblique coty- 
ledonibus inserta; cotyledones oblongo-ovatae acutiusculae nitldulae, 
sibiinvicem adpressae, conglutinatae, primo albumini fere ndhae- 
rejites, G lin. longae, basi 3 lin. latae. 

Deze boom is dezelfde, waarvan in het Xatuurkundig 
. Tijdsclirift voor Nederlandscli Indie , I. 477, onder No. 2 
is melding gemaakt, als uit liet Bantam sche verkregen, en 
bevattende eene soort van getah j)ertja. Hij is later ook 
in deze streken , en in de nabijbeid van Samarang gevon- 
den , waar hij om zijnen fraaijen vorm bij eene der post- 
stations is aangeplant. Hij schijnt geen zeer hooge boom 
te zullen worden , daar zijn stam zich ter hoogte van 10' 
reeds zoodanig vertakt, dat de hoofdstam zich daarbij op- 
lost. De pogingen om de getah van deze , en andere soorten 
dezer familie , in meerdere hoeveelheid uit liet Bantamsche 
te verkrijgen , hebben geene resultaten opgeleverd , en hoe- 
wel deze boom aldaar is teruggevonden , schijnt men het ook 
daarbij gelaten te hebben. De inlandsche naam werd op- 
gegeven te zijn Karet andjieng. Sideroxylon attenuatiim was 
bekend onder Karet pantjal; en nog eene soort, waaraan 
bladen ontvangen zijn, doch welke nog niet in den tuin 
voorhanden is, onder Karet kehalan; terwijl de volgende. 
Karet moending den boom voorstelt, waarvan in het Tijdschrift 
voormeld on^er No. 1 is melding gemaakt. 

KakosmantJms (1) Hsskl.. 
Char. gex. Calyx l-partitus biseriatus, lobis subrotuudo-ova- 



(1) Nomen a vocibus graecis küC/CCJ fA,0i7 , foefois d civê7 , /'JJ dcnvati 

X. 7 



— 98 — 

tis subaeqiuilibus, apic.e dein subljlfidis, subimbricalis scriceo- 
tomentosis ; * corolla 8 — 12-fida, calyce longior, tiibo campanu- 
lato, laciiiiis tubo aequelongis, crectis, lineari-lanccolatis; stami- 
na corollae tubo ad faucem inserta, duplo laciniarum ejus nu- 
mero, biserialia, fertilia, filamentis brevibus, anthcris oblongo- 
lauceolatis acutis, rimis lateralibns longitudinaliter debiscentibus ; 
poUine ellipsoideo; germen liberum aureo-sericeum parvum 4-go- 
no-pyramidale 12-loculare, stylo exserto tetragono attenuato sub- 
curvato, apice truncato-stigmatoso, gemmulis in loculis solitariis 
ex angulo interuo loculorum pendulis; fructus drupacei paucilo- 
culares oligospernii. 

Observ. Genus 'novum Fayenam A.DC. (Prtlr. VUL 
190} inter et Basslam Koen. (1. c. 197) collocandum , calyco 
liujus, corolla et staminibus jn-ioris praeditum. 

GG. KakosmantJtus malcrojyJijjllus Hsskl, 

Descrpt. Arhor 25 pd. (in liorto) alta, truncus diametro ferc pedali; 
Coma ovato-oblonga intense viridis, dense foliata. Rami robusti crassi 
cinerasceuti-fusci glabri, (siccando?) longitudinaliter corrugato-sulcati 
et inter sulcos angulati, angulis acutis et saepe longitudinaliter rimu- 
losi , liorizoutaliter crebre ruptuli, ad apicera summum saepe \ poll. 
crassi. Stiptdae parvae binae triangulares acuminatae , medio acute 
carinatae, 2 lin. vixexcedentes, adpressae glabrae deciduae. Petioli 
alterni, breves, crassi 6 — 9 longi, 3 lin. crassi, cicatricem subrotun- 
dam auttransverseovalem, punctulis tribus , e residuis fasciculorum 
vasorum ortis notatam praebentes. Yolia grandia ad ramorum aplcem 
congesta 5 — 8, juvenilia inevoluta cum summo apice ramulorum 
fernigineo-tomentosa, dein evoluta coriacea , supra glaberrima in- 
tense viridia, nitidula, subtus minutissime argenteo-sericea , obo- 
vato-elliptica, basin versus plus minus longiter atteuuata, sed ipsa 
basi rotundata aut imo subcordata, apice rotundato-obtusa 10 — 
15 poll. longa, supra medium 5 — 7 poll. lata, intcgerrima subun- 
dulata,nervo medio crasso, supra plano, subtus val de prominulo, 
sed inprimis apicem versus complanato; uervis secundariis pin- 
natiri oppositis aut suboppositis , ferc liorizontaliter patentibus, in 
vcciuiLatc margiuis adsccndeutibus , arcuatiju auastomosautibus , 



— 99 — 

margini valde approxLmatls eumque fere attlngentibiis; venis intor 
nervos transversis, maculas subrectaugularos saepe leviter arciia- 
tas primarias formantibus, tamosis, ramis varie anastomosantibu.^, 
maculas irregulariter 5-gonas parvas sisteutlbus, in utraque folio- 
ruin pagina conspicuas. Peduncidi 2 gemniis pulvinulum formau- 
tibus paulo supraaxillaribus folionim jam deciduorum fiiscicula- 
tini cougesti prorurapentes, copiosi ima basi bracteati, radiatïni 
divergentes subcomplanati laete vii'ides, primo pilis singulis minu- 
tis rufis adpressis conspersi, dein glabrati 1 — IA poll. longi, * lin. 
crassi. Bracteae minutae, extus pilis rufis nitidulis dense obtectae, 
ovatae acutae, vlx 1 lin. excedentes, mox marcescentes, deciduae. 
Flor es graveolentes fei-e liircini, parvi, subglobosi, stylo prominu- 
lo mucronati, diametro 3 lin. Calyx imbi-icatus persisteus 4-par- 
titus biseriatus ; lachdae exteriores paulo majores, ovatae aut obo- 
vato-subrotundae, concavae conniventes acutae, extus dense, sed 
minutc, canescenti-feiTugineo-tomentosae , intusque pariter nee tam 
dense puberulae. Corolla by pogy na monopetala decidua , tenuis ; 
tabas campanulatus erectus, 2 lin. altus et fere latus, extus intus- 
que donsissime sericeo-tomentosus ; limbus erectus 8 — 12-fidu3 fla- 
cescenti-viridis tenuis; laciniae lineari-lanceolatae acuminatae, basi 
leviter attenuatae, pilis albidis pubescentes, 1*- lin. longae, sta- 
mina sterllia ligulata repraesentantes. Stamina fliuclbus coroUae 2- 
seriatim in?erta, ejusque laciniarum 2-plo numero; ƒ /ame«ia brevia 
erecta complanata, apicem versus attenuata, dense longiterque lanato- 
pubera; antherae terminales erectae oblongo-lanceolatae acutae ru- 
fae, denslus quam filamenta lanuginoso-puberae, basi insertae, bi- 
loculares; IocaiU contignl, primo apice, deinlateralitertotiabapicebasin 
usquo deliiscentes ; pbllen caudidum, siccum oblongum utrinqxio 
subtruncato-obtusum , longitudinaliter 1 — 3-plicatum, sub aqua 
visum ' globosum ; fovilla granulosa succo glutinoso intermixta. 
PistUlum sessile pyramidale, apice longiter attenuatum subcurva- 
tum, 4 lin. longum; rjermen liberum extus aureo-sericeum sub- 
tetragonum, in stylum apice attenuatum, leviter inter angulos 3- 
sulcatum, 12-Ioculare; gemmulae in loculis soKtariae pendulae obo- 
vato-oblongae; sti/lus e germine continuus crassiuculus , strictus 
apicem versus leviter curvatus, ad medium, uti germen, sed mi- 
nus dense sericeus, supra medium glaber, truncatus; stijmainmc- 
tiforme glutinosum. Fructus desiderantur ! 



-^ 100 — 

Een Loom met bijzonder groote bladen aan dikke stijve 
takken , die te zamen eene zware uitgebrekle kroon vormen. 
Hij bloeit somtijds met duizende bloemen , die eene onaan- 
gename reuk , naar gekookt was trekkende , verspreiden. 
De vruchten zijn eenigzins zoet en eetbaar, doch minder 
smakelijk, hoewel sappiger dan die van ^limusops Bojeri 
DC. (Sawo). Hij werd vroeger (1841) door den heer 
Hasskarl , uit het Bantamsche in den tuin overgebragt , on- 
der den naam van Karet moending. Zie aanmerking tot de 
vorige No. 

Keratepliorus (1) Hsskl. 

Oeserv. A genere hoc novo differunt: Azaola Blanco 
(DC. Prdr. YIII. 19G.) : calycis tubo ventricoso, lobis elon- 
gatis linearibus, corolla calyce longiore, staminibus pluri- 
bus, antheris aristatis, bacca oblonga ^rumïovmi]— Payena 
A.DC. (1. c.) corolla basi tubulosa, calyce longiori, stami- 
nibus 8 , antheris connectivo obtusiusculo terminatis , gem- 
mulis pendentibus; — Isonandra Wght. (DC. \. c. 187) ca- 
. lyce subvalvari , corolla 4-fida , staminibus 8 , filamentis lon- 
gioribus. 

Char. gek. Calyx 4-part;tu3, laciulis aestivatione irabricalis 
exterioribus latioribus, interioribiis paulo lougioribus; corolla 8- 
partita, campanulato-connivens; stamina 16, interiora minora, 
ima basi corollae inserta, filamentis brevissimis ; antheris lanceo- 
latis, iuclnsis, connectivo producto acnminatis, pilosalis; germen 
8 — 12-IocnIare, gemmulis in locuHs solitariis erectis, stylo erecto, 
snbciirvato , tereti elongato , longe exserto , apice trnncato aut bre- 
viter dentlcalato, stigraatoso; bacca ovato-oblonga, snbconica cui-- 
vata l-locnlaris, 1-sperma; seinen teretiuscnlum sabcurvatam cras- 



(.1) ^oiucii a verbo gvr.cco Ks 9ürY,(p OCOS , cor:n{/cr, Jerivatiim ob fnic- 
tuum funnani 



~ 101 — 

sum alburainoaum, cotyledonibus ol)IongI.s, quam nidicala inultotie5 
longioribus. 

67. Keratephorus Wujliüi Hsskl. 

Si'KOX. Isonaiidra pO'ijcmdva Wglit. Icon. t. 1589. Wip. Ann, 
III. 12. 1. 

DiAGX. Foliis oblongis s. ovallbns, acuminatis, fasciculls axil 
laribns 3 — 5-floris, germine 8-localari. 

G8. Keratepliovus Leerii Hsskl. 

Syxon. Azaola Leeri T. et_B. Nat. Tijdsdi. Ned. Lid. VI. 11 G- 

DxA-GX. Foliis ovalibus s. ovali-oblongis basi acutis, apice su- 
bito ia acumsn breve attennatis, coiymbis terminalibns, pedicellis 
fasciculatis, germine 10 — 12-locnlari. 

Habit. Sumatrae provinciam Palembang. 

Dbscrpt. Arbor alta , succo lacteo , dein indarato elastico, Getah 
pertjah appellato, foeta. Rami teretes tenues albido-cinerascentes, 
ad insertiones petiolorum paulo incrassati, dicbotome ramulosi; 
ramuli cum gemma terminali et foliis nondum evolutis miuute 
adpresseque ferrugineo-pUosi. Stijmlae nullae. Petioli breves, ei-ecti 
teretiusculi, supra sulcati, 2 — G lin. longi, flexuosi, primo pari- 
ter adpresse pllosuli, dein glabri. Foüa (1) alterna ovalia aut 
ovali-oblouga, basi acuta, apice subito in acumeu breve sed acn- 
tum 3 — 6 lin. longum attenuata, 2 — 3 poll. longa, 12 — 20 lin. la- 
ta, nunc tenuiter coriacea, integerrima, margine snbuudulata, 
siccando utriuqne aequabiliter fusca aut subcinerascentia, nervo 
medio utrinque plano, paulo prominulo, secundarüs pinaatis co- 
piosis suboppositis , subtus, nee valde, prominulis, supra vix con- 
spicuis immersis rectis patentibus, ad marginem fere percurrenti- 



(1) Folia ranii unrns tautiim sicci, florentis raihi snppetunt , ad paginam iüferio- 
rem apliidibus plauis Üavesceiitibus, punctis binis nigrcscentibus notatis, teuiiibus 
adpressis obsita. 



_ 102 — 

bus, ibiquc dicliotomis et areuatlm cum vccinis anastomosantibus ; 
nervls intermediJs iucompletls pluribus mox ramosis, venis vix 
conspicuis, onmibcts nervis parallelis et maculas angustas, follis 
trausvci-sas, oblongas rectaugulares aut saepe sub angulo acuto 
fractas formantibus. Injiorescentia corymbosa ad apicem raitiulo- 
rum brevium axillarinm, qui lapsis folüs paniculatim suut dispo- 
sltlila, iitpaniculam coiymbosam repraesentent ; |?ecZiceWi 4 — 5-ni, 
fa.sciculati, erecti, 5 lln. longi tenues teretiusculi apice cernnl uti 
pedunculi miiiute et adpresse ferrugineo-pilosuli. Flores parvi 2 ^ — 
3 lln. alti. Cahjx imbricativus 4-partitus, 2-seriatiis; ladniae ex- 
teriores paulo breviores, sed latiores, subrotundo-ovatae, extus 
miniite adpresseque ferrugineo-pilosae , coriaceae, intus glabrae; 
interiores binae paulo longiores, late ovatae acutiusculae, excepto 
raarofine membranaceo et glabro pariter extus pilosulae, rubeuti- 
fuscae , 1 \ lln. longae , basi 1 lln. latae. Corolla calycls fere lon- 
gitudliic, campanulata; dein decidua, profunde 8-partita (aut po- 
tlus 8- et gamopetala); ladniae ima basi tantum coliaei'entes , ob- 
longo-lanceolatae, acutae, aequales, raargine tenuiori, erectae (sub 
antliesi patentes?) 1 lin. longae, \ lin. latae. Stamina ima basi 
corollac inserta IG,* laciniis corollinis dimidio breviora, interiora 
minora; jUamenta subnulla; antherae erectae lineari-lanceolatae 
acuminatae, basi subemarginatae, extrorsae, bilocnlares ; connectl- 
vum latiusculum introrsum conspicuum, extrorsum loculis binis 
obte'ctum, sed longe supra loculos productum et minute adpressc- 
que ferrugineo-pilosulum, e pilis iuarticiTlatls complanatis acutl» 
integerriiais subflexuosis, suinmo apice fere minute panicillatum; 
loculi llneares basi crassiusculi , apicem versus attenuati, dorso 
connectivi inserti, longitudinaliter deliiscentes ; pollen minutum al- 
bidum ellipsoideum , medio longitudinaliter plicatum. Gernien mi- 
nutum liberum, conicum, dense pilis jam laudatis obtectimi, 10 — 
12-loculatum; gemmulae in loculis solitariae, adscendentes; sti/lus 
elono-atus teres, siccando multisulcatus , 4 lin. longus, exscrtus, 
acutus, post antbesin persistens, a laciniis calycis dein conniven- 
tibus et sese involventibus arcte inclusus ; stigma terminale pun-cti- 
forme. Fructus drupacei obovato-oblougi, subconici, medio leviter 
curvati, uniloculares , monospermi, 20 lin. longi, basi 7 — 8 lin. 
crassi, styli rudimento apiculati, laeves glaberruni, llavescenti- 
viridcs (?, iu spiritu conservati fasci). Pericarpiim 2 lin. crassum , 



— 103 — 

caruosum. Semem erectum , tereti-oblongum , subcurvatum 1 — 1 J 
poll. longum, 4 lin. crassum ; umhilicus lateralls linearis, ad api- 
cem percurrens; testa (criistacea ?) coriacea, fragilis, crassiuscula ; 
albumen coplosnm, albidum, corneum , bipartibile , interne planum, 
externe convexum ; embryum ab albumine inclusum , ejusdem cum eo 
longitudinis ; cotyledones carnosae, applicativae oblongae obtnsae, 
11 — 12 lin. lougae, 4 lin. basi latae; radicula teres 2 lin. longa, 
\ lin. crassa, in inferiore seminis parte liünm versus spectans; 
fjcmnmla liaud conspicua. 

Over dezen boom is tot nu toe verder niets Lekend, 
als hetgeen in dit Tijdschrift VI, p. 2 &c. is vermeld naar 
berigten van den officier van gezondheid 1^ klasse , den heer 
Van Leer , die ook den tak en de ATuchten , die tot onder- 
zoek gediend hebben , heeft gezonden. Zijn naam is Balam 
tandoek. 

XXI. EBEXACAE. 

Rhipidostirjma Ilsskl. 

Observ. I. Genus hoc novum ob flores hermaphrodltos 
calycemque profunde partitum Roijenae L. (DC. Prdr. VIII. 
210) aliquot accedit, quod numero autem quinario, corolla 
campanulata, staminibus 10, germinc hirsuto 4 — 10-locu- 
lari, stylo 2 — 5-lobo, stigmatibus capitellatis distinguendum 
crlt. Keliqua genera Ebenacearum omnia floribus hand her- 
maphroditis recedunt et praeterea Maha Frst. (DC. 1. c. 
240) calyce minus profunde partito cupulaeformi, germine 
hirsuto, 3-loculari, stylo 1, stigmate o-partito ; — Canjilia 
RBr. (DC. 1. c. 243) calyce minus profunde partito, co- 
rollg, campanulata, staminibus ante lobum quemque corol- 
lac gemiuatis , filamentis connatis , germine 4-loculari. — Dlos- 
Pljros Dalech. (DC. 1. c. 222) calyce 4 — (i-lobo, corol- 
la tubulosa aut campanulata, staminibus pluribus, germine 
4 — 12-loculari, stylis 2 seu 4, stigmatibus punctiformi- 



— 104 — 

bus. — Rospidios DC (1. c. 220) iu floribus 4-nariis corol- 
la campanulata stylis apice truncatis; — MacrigJitia A.DC. 
(1. c. 220) corolla cylindracca , stylo 3-ficlo, stigmatibus 
acutis, gemmulis solitariis. 

Obseev. II. A. DeCandolle, vir clbrr., in nota (l.c. 220) affir- 
mat : „ numerus 3-narius in praesenti ordine et in plerisque 
alüs 4-nario magis constans et ad genera constituenda ido- 
neus". In hoc autera genere nostro notam hanc haud af- 
firmatam reperi, flores 3-narii et 4-narii nempe promisque 
in eadem cpnula occurrere solent. 

CIuü'. gener. Flores hermapliroditi. Calyx 3 — 4-partitus, tube 
brevi cupulaeformi, laciniis valvatis patentibus margine reflexis. 
Corolla urceolata subgiobosa, limbo 3 — i-fido, lobis in alabasti'o 
sinistrorsum convolutis, conum acutum formantibus , dein patenti- 
bus. Stamina 3 — 4 ima corollae basi inserta ejusque lobis altema, 
inclusa, filameiitis filiformlbus gi'acilibus erectis; antheris lineari- 
bu3 apiculatis, lateraliter rima duplici debiscentibus. Germen basi 
annulo pilorum sericantium adpressorum cinctum, trigono-(et in 
floribus 4-narii3 quoque semper ternarium, raro binarium nun- 
quam 4.-narium) depresso-globosum glabrum G-loculare; gemmidis 
in loculo quoque solitariis ; stylis 3 erecto-patentibus persistentibus 
viridibus, inclusis; stigmatibus flabellatim explanatis fimbriato-in- 
cisulis. Bacca calyce reflexo suffulta, ellipsoidea, laevis, nigres- 
cens, 6- (aut abortu 2 — 1-) locularis, pericarpio coriaceo; semi- 
na in loculis solitaria, ex apice pendula oblongo-trigona , dorso 
convexa, aut in monospermis teretia, stria longitudinali peri- 
pherica, nunc sulcata, notata; albumeu cartilagiueum ; embryum 
axile rectum, snbcurvatum, ultra medium semen longum; ra- 
dicala cotyledonibus dimidiis longior. 

69. Rhiindostigma Zollingeri Hsskl. • 

DiAGV. SPEC. Arbor, foliis oblongo-lanceolatis utrinque attenua- 
lu sparsis, cymis brevissimis , infra folia lateralibus, 3 — C-floris. 



— 105 — 

Habitat Javtie partem occidentalera , sylvas montanas litoris 
meridionalis. 

Descrpt. Arbor mecliocris pyramidalis ramosissima folio:5a. 
Z2a««' erecto-patentes teretes cinereo-albi punctulato-asperuli; ramu- 
li virides minutissinïe puberuli dein glabrati. Stipulae nullae. Pe- 
tioli breves 1— r2 lin. lougi plano-coavexi, supra leviter canalicu- 
lati. Folia alterna sparsa subcoriacea oblongo-lanceolata iitrinqiie 
attenuata, apice nuuc acmninata, 1^ — 2* poll. longa, 8 — 10 lin. 
lata integerrima, margiue subreflexo, venis erecto-adscendentibus 
intra marginem reticulato-confluentibus, supra laete viridia lucidu- 
la, subtus pallidiora, iitrinque glaberrima. Ci/mae brevissimae , 
plerumque 3-florae, nuuc dicbotomae, 4 — 6-florae, plerumque infra 
folia e ramis denudatis axillares et iude folüs dclapsis nuuc late- 
rales, vix 1 liu. altae. Bvacteae brevissimae ovatae, acutae, ad 
pedicellorum basin, virides, deciduae. P edicelli tevetes, 1 — 1* liii. 
longi, virides, glabri. Cal//x 3 — 4-partitus; tubus brevissimus cu- 
pulaeformis vix |^ liu. altus; liinbi lac'vdae ovatae, acutae, sub- 
deltoideae, 2| lin. longae, basi 2 lin. latae, margine reflexo. Co- 
rolla urceolata albida 2 liu. alta; tubus subglobosus, limbus 3 — 4- 
partitus; laciniae patentes ovatae, quam tubus • breviores , in prae- 
rioratioue sinistrosum convolutae, couum acutuni foi'mantes. Sta- 
?nina et germen vid. Cbar. gen. Germen \ lin. altum ; styli germlui ae- 
quilougi. Baccae obovato-ellipsoideae vu'ides, dein nigrescentes , 5 
lin. longae, 4 lin. crassae, abortu saepe l-loculares 1-spermae; (1) 
jjericarpium coriaceum. Semen obloug-um teretiusculum pendulura, 
saepe sulcatum, caeteruni iis spec. sequentis conforme; embrymn 
lougius, fere semiuis longitudine. 

Een niet zeer groote boom met weinige , onregelmatig 
geplaatste , opstaande hoofdtakken , vreike beneden kaal , 
doch ter halver lengte naar den top met vele mede 
opstaande zijtakjes voorzien zijn , die te zamen afzonderlijke 
kroonen vormen , -waaruit de geheele kroon des booms is 



(1) In anuis aiitcrioi'ibus Iiacc artor liinc inde fruclus . scd seniper aspermos, 
;ncuo3 protulif 

X, B 



-~ 106 — 

zamengestekl , die met den stam reeds eene hoogte van 
20' bereikt lieeft. De bloeitijd valt in April; uit de jarige 
takjes komen duizende groenaclitige bloemen te voorscliijn , 
die om gelijklieid in kleur met de bladen weinig in liet 
oog loopen. Ze vallen na den bloeitijd' spoedig af, ter- 
wijl de bloemsteel nog daarna staan blijft, en slechts 
weinige brengen vruchten voort. Deze plant is vroeger door 
den heer Hasskap.l uit het Bantamsche in den tuin over- 
gebragt, onder den inlandschen naam Kikonneng kajoe. 

70 liJdjndostigma Teijsmanni Hsskl. 

DiAGN. Arbor, foliis subdistichis obloogis cu?pidatis basi obtusis 
aut acatls, cymis brevibus axillaribus 5 — 9-Iloris, floribus majo- 
ribus. 

Ilabit. sylvas moutanas ad ped. Mont, Salak. 

Descrpt. Rami erecto-patentcs teretes cinerei rimulosi asperuli; 
ramuli teretes, glabri nitiduli. Petioli teretiusculi supra plani, 3 
lin. longi. Folia subdisticha oblonga aut ovali-oblonga imoque 
ovalia basi acula aut obtusa, apice cuspidata 3 lin. longa, mar- 
glne integerriino , 3 — 4^ poil. longa, 11 — 20 lin. lati. Cymidae 
cum floribus 6 lia. altae, 5 — 9- florae erectae axillares, peliolo 
breviores dicliotoiTiae. PedimctiU et peclicelli crassiusculi , teretes. 
Bracteae uti et flores quam in prior e rigidlores , majores , sed 
conformes. CalyrAs ladniae 3 lin. longae, 2\ Uu. basi latae. 
Corolla 3 iin. alta. Fructus baccacei, coriacei atro-virides , 
dein atro-violacei, laevissimi, basi calyce persistente vege- 
to reflexo suffalti, ad 8 lin. longi, G lin. crassi, apice minute 
umbonati 6-, aut plernmque, seminibus nonullis abortivis, pauci- 
loculares; ijericarpium coriacenm; caro perparca glutinosa; disse- 
pimenta membranacea firma, saepe pressione seminum ad latus 
unum alterurave repressa. Semina in loculo quoqne solitaria, ex 
apice pendula, oblongo-trigona laevissima nilida, linea peripberica 
locgitndinali pallidiori notata, interne lateribus binis plana, extus 
convexa, 6 — 7 lin. longa, 3 lin. fere crassa, utrinque obtusiuscu- 
la. Albumen copiosum cartilaginenm, lacteum, semen totum ex- 
plens, embryum cingens; mehryum candidam, inversnm, subaxile, 



— 107 — 

snbcnrvalum , 4^ lin. longam, dorso magis approximatam ; radicu- 
' La loiiga cylindrico-conica, basi versus insertionem seminis ad 
eg as apicem spectans, ibique vix inclusa, promlnala , a basi apicem 
versus sensim attenuata, 2^ longa, basi A lin. crassa; cotyledones 
accumbentes, oblongo-lanceolatae, acutae, snbacuminatae , basi 
\ lin. latae. 

Deze boom gelijkt in bloeiwijze zeer veel op de voorgaan- 
de , doch zijne hoofdtakken staan meer regelmatig in even- 
wijdige cirkels met 2 a 3 takken , horizontaal , de onderste 
zelfs neergebogen , om den stam , en zijn verder uitgespreid ; 
de zijtakjes staan niet rondom de hoofdtakken, maar plat, 
in de breedte uitgespreid, zoodat de kroon niet zoo digt, 
maar doorzigtiger is, dan die der voorgaande soort; de 
bladen zijn ook grooter en eenigzins anders gevormd. Hij 
bloeit mede in April, doch heeft nu voor het eerst vi'uch- 
ten gedragen ; hij is uit het gebergte van Buitenzorg verkregen. 

71. 2[aba Eheniis Sprng. 

{DeCand. Prdr. VUL 242.17.) 

DIAG^^ reformata (secundum specimina amhoinensia): Foliis 
ovali-oblongis aut oblongo-lanceolatis , utrinque acutis aut le- 
viter attenuatis, apice obtusiusculis subcoriaceis, primo cum ra- 
mulis adpresse pilosis, dein glabratis, nitidulis; cymis asillaribus 
simplieibus aut inferioribus 3-chotome ramosis brevibus, sed pe- 
tiolo semper longioribus, floribus parvis subumbellatim congestis 
serieels ; fructibus ? 

Descrpt. Rami teretes tenues flexuosi cinerascentes punctulato- 
asperi; ramuli virides dense pilis autrorsis adpressis tecti, dein 
glabrati. Stipulae nuUae. Petioli breves, patentes, plano-convexi, 
2 liu. vix longi, primo pilis patentibus hirti, dein glabrati, nx- 
bescentes. Folia oblonga, oblongo-Ianceolata , ovali-oblonga imo» 
que liinc inde subovalla, plaua patentia, basi acuta aut plus minus 
attenuata, apice obtusa, acuta aut imo acuminata (sed semper 
obtuse!), 3| — 1| poll. longa, 19 lin. lata, aut 3 — 4 poll. louga, 



— lOs _ 

14 lia. lata, aut 2 poll, longa, 9 — 12 lin. lata, primo tenuissimo 
adpresse pilosa, sericea , ■ dein glabrata, utrinque nitidula, inte- 
gerrima, margine rigidioi'i, nee reflexo, Cymulae 6 — 8 lin. lon- 
gae bracteatae, totae sericeo-puberulae. Bracteae lineares subcon- 
cavae, vix 1 lin. longae rubescentes caducissimae. Pedunculi te- 
rctes virides. Caljx campanulatns 1\ lin. altus et ad fauces la- 
tus, flavescens erectus seini-3-fidus; ladniae ovatae, acutae di- 
midio calyce breviores. Corolla 'flavescenti-albida , extus sericea 
1 lin. longa, 1 lin. crassa, campanulato-tubulosa, 3 iida, lobis 
acutis 1 lin. longis patentiuscnlis. Stamina 3, germinis rudimeii- 
tum villosum minutum cingentia eique adhaerentia hypogyna, nee 
coroUae inserta, 2 lin. longa; filmnenta tenuissima, filiformia, 
erecta; antherae erectae lineares apiculatae, latere utroque deliis- 
centes. — Reliqna desiderantui'. 

Deze kleine mannelijke boom heeft ter hoogte A^an 10' 
reeds vele bloemen voortgebragt. Zijne takken staan op- 
waarts gerigt, doch zijn te zwak, om de vele zijtakjes te 
dragen, waardoor de benedenste worden nedergebogen. De top 
is van gelijke hoogte met de 3' lager staande takken , die te 
zamen eene platte kroon vormen. Hij werd in 1847 door 
den heer J. B. Cleeeens , toenmaals gouverneur der Mo- 
lukken, van Amboina aan den tuin 'gezonden, onder den 
naam van Beloo itam, wat echter een abuis schijnt ge- 
weest te zijn , wijl eene Diosjyyros maritima ook daaronder 
begrepen was , aan welke welligt deze naam toekomt , daar 
toch het ehbenhout, waartoe onze plant behoort, op Amboina, 
met den naam van Kajoe arang , bestempeld wordt. 

XXII. SIPIIOXANDEACEAE. 

72. (JauLtheria tricliopliylla Eoyl. 
[DC. Pvdv. VII. 592. 4.) 

Observ. Species sectioni secundae adnunieranda , nam 
bracteolae a calyce satis distant, 2-4, infra medium pedicclli 



— 109 — 

parvi iusertae. Au 6'. ymmnndaria DC. (1. c. 3) suflicienter 
distincta: foliis e diagiiosi subsessilibus mtegerrimis? — G. re- 
pens BI. (/. c. 593.5.) vix difFert. 

Descrpï. Fruticulas herbaceus, humilis, basi ramosus procum- 
beus, — summa cacumina montium Panfjeramjoh ^' Gedeh (altltu- 
dine 9500' s.m.) Javae occidentalis habitans; — rand piirpurel, 
nunc fiisci, liirti e i)ilis aciitissirais, .strictis, patentisshnis , deusis 
rufis, 1 — 2 ped. loiigi, inter muscos hinc inde radicantes, fibrillis 
tenuissimis ramosis flexuosis, 1 — 2 poll. longis, parce eqiiidem 
plerumque dichotome ramosi, unilateraliter distiche et dense foHosI. 
Folia alterna, omnia in petiolis brevibas, vix 1 lin. longis, solera 
versns erectis horizontaliter patentia ramosque obtegentia, coria- 
cea, plerumque ovata, nunc subrotunda aut o vato-oblong-a , ao.uta, 
mucronnlata, basi rotundata subcordata, nunc inaequalia et acu- 
tiiiscnla, mai'gine subintegen'ima, obsolete serrnlata, in serratura 
quaque rigide setoso-ciliata, sap ra glaberrima, subtus in nervis 
venisque parce hispide pilosa, pilis patentibus persistentibus , basi 
sub-5-nervia, nervis et altioribus alternatim pinnatis, supra exa- 
ratis, subtus paulo prominulis, adsceudenti-ereetls, intra margi- 
nem arenatim anastomosantibus , maculas primarias oblongas for- 
mantibus, venis transversis vario modo ramosis et anastomosan- 
tibus maculas secundarias irregulares formantibus, 4 — 6 lin. Ion- 
ga, 3| — 4 lin. lata, oblonga 4 lin. longa 2i- lin. lata, subrotun- 
da diametro 3*- — 5-lineari, supra laete viridia, opaca, siccando 
nunc albescentia, subtus glaucescentia lucidula. Pedunculi axilla- 
res ad basin ramorum aut in totis axillis ramorum abbreviatorum , 
2 — 3 poll. longorum, penduli aut erectiusculi, apice nutantes, l-J- 
liii. longi, ante floram evolutionem cum iis bracteis (perulis auct.) 
iuclusi; bracteae 6 — 7 herbaceae, binae inferiores minimae cum 
pari secundo majori subrotundae; superiores 3 tnaximae, ovato- 
oblongae, omnes obtusae concavae, extus minutissi'iie sericeae, 
margine ciliolatae; superiores paulo infra pedunculi évoluti me- 
dium dispositae, persistentes , vix marcescentes et sub fructu me- 
diae vegetae. Cali/x berbaceus, albido-viridis , siccando "rubescens, 
protunde 5-fidus, basi integra horlzontali; limbus campanulatas ; 
lac'miae imbricativae e basi lata acuminatae 1^ lin. longae; basis 
calycis dein excrescens campanulata et laciniis omnibus conniven- 



— 110 — 

tibas calyx urceolato-snbglobosus evadit; postremo calyx magid 
excrescit sensimque sat crassus carnosus oblongus, violaceus , 7 lln. 
longlis, 4 liu. crassus, basi exsculptus ita, ut bractea summa nunc 
plane sub basi reperlatur eique sit adpressa , caeterum laevis gla- 
ber, fructum fovens et occultans nee ei arcte adpressus. Corolla 
liypogyna albida aut albldo-rosea glabra urceolata, dein subcam- 
panulata, 3 lia. loaga, 1 — 1\ lin. lata, apice 5-dentata; dentes 
minuti, ovati, acuti, ajiice subrefiexi. Stamina 10, ima corollae 
basi inserta eaque dimidia vix longiora ; filamenta albida , ima basi 
paulo contracta, dein lata, complanata, superne subuia to-attenuata 
paulo viilosa; antherae flavae oblongae acuminatae, dorso supra 
basin obtusam insertae erectae, conniventes, biloculatae, introisae; 
loculi apice sejuncti biaristati, introrsum ab apice ad medium et 
ultra deliiscentes; pollen albidura. Squamulae liypbgynae nuUae. Ger- 
OTe?tminutum glabrum virldi-albidum , depresso-globosum 5-sulca- 
tum, 5-loculare; gemmulae mlocvM?, plurimae, placentas centrales 
radiatim dispositas, dense obtegentes; stylus longus, rectus, teres, 
germen 2 — 3-plo longitudine superans , ad antberarum apices tan- 
gens; stigma tnincatum minutissime 5-lobum, lobis patentibus. Frac- 
tus mivsL calycem arapliatum, carnosum totus occultus et ejus basi 
1 — lï lin. crassa, spongiosa, intus albida (peduncalo carnefacto?) 
suffultus, depresso-globosus , diametro transversali 2-, verticali li- 
lineari, coriaceus, tennis, styli basi vegeta coronatus, fuscus, 5- 
valvis, ab apice basiu versus deliiscens; valvae septiferae; septa 
tota a columna centrali soluta; placeutae basi columnae adnatae, 
supra basin liberae erectae carnosulae compresso-oblongae , subtri- 
gonae, acutae, viridiusculae , seminibus undique (interneet externe) 
obtectae ; columna centralis vegeta albido-viresceas , in stylum tran- 
siens. /Semiwa fusca plurima, subglobosa, apiculata, compressius- 
cula, obsolete tessellato-papillosa ; testa subcrustacea. 

Deze lieve kruipende heester, welke ik ook op den 
Prahoelieb gevonden, lant zich moeijelijk voortplanten , om- 
dat het voor hem in de lagere streken te warm is; hij zou- 
de mede in europeschc tuinen aangekweekt kunnen worden. 



— 111 — 

XXIII. UMBELLIFERAE. 

73. Apium fractophi/llum Hornera. 

[DC. Prdr. IV. 101. 6?) 

Obsery. I. A genere „Apium IlfFm. Encll. Gen, No. 4394" 
paulo receclit nostra pctalis liaud subrotundis et praesentia 
involucri et Involucelli! — :i Petroselmo ü^m.. Endl. Gen. 
No, 4393, cui ob signa ultima accedit, dïiFert petalis liaud 
emarginatis, nee in lacinulam inflexam coarctatis, fructus velli- 
culis lateralibus 2-vittatis, carpoplioro simplice (?), foiioi'um 
lacinüs infimis liaud cuneatis, involucoUis haud poiyphyllis. 
An species Hornemanniana re vera ad j)lantam nostram 
pertin eat? valde dubiura videtur; nulla specie autem magis 
accedente, huic adscribere malui, quam novam proponere. 

Dlign'. nov. Caule erecto striato, follis omnibus ternato-bipinna ' 
tisectis, segnientis ovatis, inferiorum cordatis, supei'ioruni aut ter- 
minalium basi attenuatis, inferioribus acutis, superioribus acuminatis, 
duplicato- (aut superioribus nunc simpliciter) serrato-dentatis , um- 
bellis erectis, iuvokicri foliolis oblongis, involucelli 5 membrana- 
ceis coloratis ovato-oblongis. 

Descriptio. Herha pareanis, 3 — 1 ped. alta robusta graveolcns. 
CauUs tei-es, longitudinallter obscure costis plurlmis haud valde 
elevatis notatus, puber ulus, dein glabrescens, dichotome ramosus , 
laete viridis, ad nodos saepe et inferne rubescens aut sanguineus. 
Folia inferlora ternato-bipiunata cum petiolo 14 poll. longa, 6 poll. 
lata; petioli pallide virides, profunde canaliculati, basi amplexi- 
caules ibique et ad basin petiolulorura cum iis ad basia sangui- 
neo-colorati, erecti patentes, longltudiaaliter striati ; /oZto^a in pin- 
na quaque 7 — 3 breviter petiolulata, terminalia 3 saepe confluen- 
tia, infima ovata, obtusa aut acutiuscula, basi inaeqiialiter cor- 
data, deorsum auriculato-protracta, superiora et in primis termi- 
nalia acuta aut subacuminata, basi attenuata, orania duplicato-ser- 
rata aut serrato-dentata aut imo simpliciter serrato-dentata; ju- 



— 112 — 

venilia in primis subtu.s puuerula, dein glabrata, 1^ poll. — 9 liii. 
longa, 14 — 8 liii. lata, Apuun graveuiens redolentia. FoUa su- 
-periora petiolo ad vagiuam reducto, ad transitum ia rliacliim 
jam pinnata; foliola iis iuferiorum subconformia sed multo miuora 
et sensim sensimque magis acuminata. Folia summa ■vix 2 poll. 
longa. Umbellae terminales aut in rrtmis , axillaribus termiuales 
compositae albiflorae; pedunculi 2 — 3- pollicares, sub fructificatione 
6 poll. longi; involucrum 5-pbyilum; foliola 3 exteriora majora mem- 
branacea, laete viridia, longitudinaliter intensius striata, oblonga 
acuta 8 — 12 lin. longa, 2 — 3 lin. lata, reflexa, nunc apice bi-evi- 
ter 3-foliolata , foliolis pinnatifido-incisis acuminatis persistentibus ; 
radü 18 — 20 teretes tenues glabri inaequales, exteriores longiores 
l?r poll. longi, patentes aut erecto-patentes , interiores breviores, 7 — 
10 lin. longi, erecti. Umhelkdae 8-florae parvae, primo involu- 
eello totae inclusae; involucellum membranaoeum albidum, 5-pliyl- 
lum ; foliola ovato-oblonga aut oblonga acuminata , rarius apice 
rudlmentis foliorum 3-linearium acuminatorum coronata, mox 
marcescentia, reflexa, perslstentia; pedicelü 20 — 30 inaequales, 
2\ — 1 lin. longi, deusi. Calycis limbus obsoletus. Petala patentia, 
alba, ovato-elliptica acuta, apice paulo inflexa, dein plana, mar- 
gine undulata , basin versus leviter attenuata. Stamina albida pe- 
talis paulo longiora, erecto-patentia ; filamenta filiformia; antherae 
erectae oblongae apice subemarginatae ; styli 2 albidi, e basi lata 
complanata primo erecti, dein subreflexo-divaricati; stylopodiitm 
flavescenti-viride, subdldymum, a latere compressiusculum, verru- 
culato-rugosum , persistens. Fnictus in umbella augmentata erec- 
ta patenti, diametro 4-poll. et 2 poll. alta plurimi subrotundo-ova- 
ti, stylopodio vegeto coronati, a latere utroque compressi, et ad 
suturam mericarpiorum contracti, indeque 2-dymi, 1 lin. altl 

et lati, primo laete virides, dein ; me?icarpia 5-juga, 

jugis filiformibus aequalibus, lateralibus margiuantibus ; vallecidae 
dorsales univittatae, laterales bivittatae; carpophorum indivisum 
(?). Semen gibbo-convexum , facie planiusculum ; albumen intus pla- 
num, vix leviter sulcatum. 

Habitat Japoniam; in liorto Tjipannas uberrime florens et friic- 
tificans colitur. 



— 113 — 

74. Cryptotaenia japonica Hsskl. 

DiAGN'. Umbellis in paniculam foliosam dispositis pauci-radiatis ; 
fructibus oblongis; foliolis inciso-dentatis, dentibus mucronulato- 
et argute serratis. llabit. Japoniam. 

Descrpt. Herba erecta glabra, basi subbulboso-inerassata , 2 
ped. alta, gracilis, apicem versus dichotome ramosa, subpanicu- 
lata. Folia trisecta, inferiora niajora et longius petiolata, cum 
petiolo pedem fere longa, superiora vix 5 poll. longa et summa 
minora. Petioli amplexicaules , basi vaginantes, dein teretes erec- 
ti, inferiores 8 — 9, superiores 4 et summi 1 poll. longi. Foliola 
bina collateralia sessilia et inaequilatera , intermedium basi longi- 
ter attenuatum cuneatum, omnia ovata acuminata aut solum sum- 
ma acuta, 3 — 5-uervia, nervis flabcllo.tim dispersis, dicliotomis, 
grosse inciso-dentata, dentibus argute minuteque serruiatis, serra- 
turis mucronulatis, inferiorum ad 2 poll. longa, 21 — 24 iiu. latti, 
summa minora, lineari- lanceolata , acuminata argute serrata, ;] — 1 
poll. longa, 2 lin. lata, in vaginali parte petioli abortivi sessilia. 
Umbellae numerosae pauci-radiatae erectae, contractae paniculam 
2 — 3-cbotomam fingentes; involucrum \A%v\vaiqyiQ Z — 4-pbyllum; in- 
volucellum 2 — 4-phyllum; foliola utriusque lineari-filiformia erec- 
ta apice incurva, virldia persistentia , 1 lineam longitudine vix 
excedentia ; radii umbellae et umbellulae plerumque 3 , valde inae- 
quales, erecti, conniventes, | — 5 lin. longi, sub fructxi ad longitudinem 
duplam et ultra excrescentes. Flores minuti, albi. Calycis limbxis 
5-dentatus; clentes brevissimi aeuti erecto-patentes. Petala alba obo- 
vato-oblonga , acuminata, acumine inflexo, erecta, conniventia. 
Stamina petalis minora, stylos aequantia, albida erecta; antherae 
oblongae erectae. Styü 2 erecti conniventes albidi, e stylopodio 
suo albido-viridiusculo conico progressi. Fructiis atrovirides lae- 
vissimi, nitiduli, lineari- oblongi, a latere utroque compressi, ibi- 
que valde contracti, stylopodio bipartlto viridi et stylis erectis 
conniventibus coronati, 2 — 2*- lin. longi, 1 lin. lati; mericarpia 
5-juga, jugis filiformibus obsoletis, in frnctu maturo vix pro- 
minulis, 2 lateralibus ante marginem positis; vittae 30 circiter 
pericarpio corticoso arcte adnato tectae, sectione transversali tan- 
tum visibiles, badiae; carpophorum liberum, apice bifidum, per- 
sistens. Semen teres. 



— 114 — 
XXIV. SAXIFRAGACEAE. 

75. Adanüa sylvatica Msn. 

{Wip. Rprt. II. 377.1.) 

Srxov. Cyanüls sylvatica Rwdt. DC. Prdr. IV. 16.1. 

Obsert. An re vera ab Aclamia cyanea WIL pi. as. rar. 
III. 10 t. 213 diversa sit, non decidere possum, quia opus 
hoc celeberrimum cura natura comparare nequiverim; e'de- 
scriptione sequenti comparatio facilior erit. 

Descrpt. Herbae basi suffruticosae , 4 — 5 ped. altae; caules 
plures ex eadem stirpe simplices teretes, 3 — 4 lin. crassi, inferne 
ad nodos et e lenticellis lateraliter fibrillas temies emittentes. Sti- 
pulae nullae. Folia opposita berbacea, petiolo patenti teretiusculo , 
supra submarginato , rubenti, giabro, 1 lin. et ultra crasso, 1 — 2 
poll. loDgo suffulta, crassiuscula , nee corlacea, utrinque glabra, 
supra opaca, obscure viridla, subtus pallidar, elliptica aut ellipti- 
co-oblonga acuminata aut breviter rostrata, basi in petiolum at- 
tenuata, 5| — 9 poll. longa, '2\ — 4 poU. lata, supra basin inte- 
gerrimam glanduloso-sei'rulata, nervo medio supra pallide viridi, 
plano, nee prominulo, subtus crasso valde pi'ominenti , reliquis 
pinnatis , patenti-erectis, marginem versus adscendenti-arcuatis , ei- 
que valde approximatis , anastomasantibus, supra canaliculato-ex- 
sculptis, subtus cum venis transversalibus valde prominuüs, hisce 
maculas primarias transversas subrhomboideas aut irregulares 
formantibus , valde ramosis , ramis minus prominuüs , maculas ir- 
regulares 4 — 5-gonas sistentibus. Injlorescentia paniculata termi- 
nalis, pro parte ramis inferloribus paniculae axillaribus indeque 
panieula basi foliosa, apice fastigiata, subcorymbosa , ante antne- 
sin candida, in antbesi cyanea, 7 poll. alta, 4 — 5 poll. lata. Ba- 
mi inflorescentiae erecto-patentes , inferiores longiores subcompla- 
nato*-terete3 virides , dein fuscescentes, minute pulverulento-puberu- 
li, dein glabrati, tricbotomi, ramulis dicbotomis. Bracteae ad di- 
vlsiones paniculae vix ullae, rudimentariae. Pedicelli teretes, pul- 
verulenti, 3 lin. longi, primo pallide, dein cyaneo-virides. Cahjx 



. — 115 — 

gei'mini connatus , parvus , iu alabastro iuteuse viridis , iu antliesi 
albescens subcyaneus; tubus subeampanulatus, basi paulo attenua- 
tu3 , minute puberulus ; limbus brevis patens 5 — 6-clentatus ; dentes 
e basi latiuscula acuti. Corolla in alabastro alblda, subgiobosa, 
5— 6-sulcata, diametro 2-lin., deiu lilacina diametro 2| — 3-lin., 
aestivatione valvata; in antliesi cyauea, patens, 5 — 6-petala; pe- 
tala crassa carnosula, supra subconcava, oblonga acuta, apice 
leviter inflexa, 2^ lin. longa, 1 lin. lata, extus in nervo medio 
leviter sulcata, decidua, calycis laciniis alterna, ejusque faftcibus 
inserta. Stamina 10 — 12, vertici germinis ad calycis fauces bise- 
riatim inserta, seriei exterioris minora, petalis alterna, interna 
majora, iisque opposita, 2tlin. vix longiora, in alabastro inflexa, 
dein ereeta, cjaneei ; filamenta teretia, apicem versus subulata; an- 
tJierae basi insertae, erectae ovatae, acutae, biloculares, loculi 
contigui lateraliter per totam longitudinem dcliiscentes ; pollen can- 
didvim, globosum. Germeu calyci totum adnatum 4 — 5-locvilare; 
septa tenuia; receptacida crassa, trigona, gemmulis perplurimis 
obtecta; styll 4 — 5 cyaneo-virides , patentes, staminibus breviores; 
stirjmata capitato-clavata cyanea, sulco levi subbiloba. Fructus? 

Deze slechts weinig houtachtige doorbloeijende heester, 
waarvan enkel de benedenste oudere stengen naar hout 
gelijken , wat echter zeer broos en met merg gevuld is , 
terwijl de jongere takken , waaraan zich de bladen en 
bloemtrossen bevinden , meer kruidachtig zijn , groeit het 
weelderigst ter hoogte van ± 7000 , waar hij niet alleen om 
zijne sierlijke regtopstaande bloemtrossen uit blaauwe bloem- 
pjes , maar ook om de blaauwe kleur zijner -vruchttrossen , 
een sieraad der bosschen uitmaakt en hoewel hij ook la- 
ger aan het gebergte gevonden ' wordt , komt hij daar 
niet meer zoo krachtig voor , als op evengenoemde hoogte. 
In den plantentuin te Buitenzorg In-engt hij zelfs nog bloemen 
voort, doch moet daar vooral in de schaduw geplaatst 'wor- 
den. Hij laat zich gemakkelijk van zaden, stekkej^ en 
marcotten voortplanten en wordt veel aan het Gedehge- 
bergte gevonden. De soendasclie naam is Gigiel of Kig- 
kiel. 



— llö — 

XXV. ANONACEAE. 

76. Uvaria? macrantJia ITsskl. 

Observ. I. Mea opinione Uvariae petalis interloribus mi- 
traeformiter cohaerentibus summo jure a genere sunt sejun- 
gendae; e flore Bocageam, e fructu Uvariam repraesentant. 

Observ. II. Valde acceclit nostra ad U. poli/pT/renam BI. 
Fl. Jav. p. 35. t. 12 et 14. D., a qua recedit: petiolts su- 
pra planis (nee profunde canaliculatis); /oZ/Y.s basi exacte, sed 
leviter, cordatis 4 — 8 poll. longis, 2 — 4 poll. latis et majori- 
bus; calyce extus castaneo, sericeo; sepalis ovato-hemispliae- 
ricis, diametro 4 — 4^ lin., persistentibus ; petalis externis 
planis oA-ato-suborbicularibus acutis, diametro pollicari, con- 
coloribus, siccando dein nervis intensius coloratis supra no- 
tatis ; interloribus paulo (nee longe) minoribus ; mitra supra 
genitalia sat alte elata (G lin.), vertice planiusculo urabona- 
ta; singulis petalis ungue incurvo spathulato, 6 lin. longo, basi 
2, apice 4 lin. lato suffultis ; lamina 10 lin. lata, 6 lin. longa, 
nervo medio crasso percursa (nee reniformi, diametro verti- 
cali 3, transversali 4^. lin. BI. 1. c. Tab. 14. D. 5.), intus 
villosa (nee glabra). 

Descrpt. A^'bor mediocris, coma elliptica dense foliosa; foliis gran- 
dibus, prima juventute dense puberulis, dein glabris, coriaceis, 
supra nitidis, subtus nitidulis, nervis subtus valde prominu- 
lis, ovato-oblongis aut oblongis, breviter acuminatis, basi cor- 
datis, inaequilateris, margine subuadulatis breviter petiolatis, pe- 
tiolo supra plano; pedunculis terminalibus , ramo laterali excres- 
centi oppositifoiils paucifloris; floribus suaveolentibus grandibus; 
petalis dense sericeo-villosulis extei-ioribus suborbicularibus acutis 
patentibus planis persistentibus, polyneuris, nee striatis nisi siccando, 
primo«albidis , dein aureo-Iuteis , interioribus minoribus unguiculatis 
cordato-ovatis acutis, flavis, subtus longitndinaliter pui-pureo- 
striatis, in mitram genitalia obtegentem cohaerentibus; fructibns 
oblongis pedicellatis polyspermis. 



— 117 — 
Habit. Jiisae occidentalis sylvas montanas. 

Een fraaije boom , die bij 20' hoogte en 6" dikte , eene 
volle ronde kroon bezit, welks takken reeds ter hoogte van 
6' eenen aanvang nemen , en aan welker buitenste dunne tak- 
jes de schoone groote bloemen eindelings voorkomen; 
vruchten zijn daarvan in den plantentuin nog niet verkre- 
gen. De planten zijn door den heer Hasskarl in 1841 
uit het Bantamsche aangebragt. De inlandsche naam is , 
als voor de meeste soorten van dit geslacht, Küadja. 

77. Guatievia Utoralls BI. 

{BL Fl. .Tav. 99. t. 49. A.) 

Descriptionem valde incompletam Blumei celeberrirai notis 
hisce paucis augmentare licitum mihl videtur. 

Frutkulus elegans (in horto fructibus undique tectus) vix 2^ 
ped. altus. Rami fastigiati nigrescenti-fiisci , rimulosi, nitiduli. 
Petioll bi-eves 1 lin. vix excedentes ei-ecti, supra leviter sulcati, 
subtus convexi. Folia oblongo-lanceolata acuminata, büsi attenua- 
ta, saepe inaeqiiilatera , 3 — 5|^ poll longa, 10 — 17 lin. lata inte- 
gerrima, niargine subreflexo, patentia, coriacea, supra nitida a- 
troviridia, subtus pallidiora, nervo medio ibique valde acute pro- 
minulo , secundariis intra marginem arcu eleganti inter se cohae- 
rentibus utrinque, sed in primis subtus, couspicuis. Flores oppo- 
sitifolii, nunc irregulariter laterales, parvi virides, nutantes, ple- 
rumque solitarü , liinc inde 2 — o-nive ; pedieelli brevissimi. Calycis 
sepala acuta reflexa, supra basin deiu decidua. Petala viridia, 
exteriora multo minora ovata acuminata erecta, interiora plus 
4-plo majora subrotundo-ovata, acuta iuflexa, genitalia obtegen- 
tia, 2 bn. diametro, atroviridia glabra. Stamina plurima albes- 
centia truncata, vevtice transverse oblonga. Germhia viridia et 
fmctus vid. BI. 1. c, sed pedieelli pariter ac carpella glaberrimi, 
lucidi miniati 2 lin. longi, teretes exsulci; carpella ovalia ob- 
tusa, basi baud angustata (nee attenuata purpurasceutia BI. 1. s. 
cit.); pericarpiiim intus carnosum: semen 5 lin. longura, 3 lin. crassum. 



— lis — 

Dit is een fraai lieestertje, dat meer nog ora zijne 
oranjekleurige vruchten , "vvaarmeclc liet soms rijk beladen 
is, dan oni zijne niet zeer aanzienlijke bloempjes de aan- 
dacht verdient. Het wordt niet hooger dan een paar voeten , 
en heeft op een stammetje eene even breede kroon, als het 
hoog is. Het is almede in 1841 door den heer Hasskael 
uit het Bantanisclie aangevoerd. Do inlandsche naam is Ki- 
ladja hetjiel. 

XXVI. CAPPARIDEAE. 

78. Gijnandropsis speciosa DC. 

[DC. Prdr. I. 238.9, Don Mst. of DlcUamyd. I. 271. 7.) 

Syx. Cleome spedosa H. B. K., Sclilt. Syst. Veg. VII. 2G, ubi 
descriptio o]Jtima Kuuthü clss., cul addam liaecce pauca: 

Herba elegantissiraa speciosa — ex horto botanico Calcuttensi mis- 
sa, niuic ia terra Bogoriensi ubique sua spoute enascens — annua, 
3 ped. alta. Rami vlx tetragoui, sed teretes, ex insertione petioli 
cujusque sulcis 3 deciirrentibus inaequaliter notati, exinde 5 — 7- 
sulcali. Petiüli ad 6 poll. longi, sat crassi sulcato-multangulati , 
cum ramis glabri. Foliola longlter acuteque acurainata ad 6 poll. 
longa, 1 \ poll. lata , supra nervos secundarlos eleganter transverse 
sulcata. Racemi terminales erecti, successive ad 2 ped. longitudinem 
egredlentes. Bracteae cordato-ovatae, inferne acuminatae, super- 
ne acutae persistentes, racemi rhacbim pnlcbre vestientes, in- 
feriores 7 lin. longae, basi 6 lln. latac, superlores paulo minores, 
Ccdyx purpureo-coloratus; ladniae pateatissimae apice suberectae, 
petalorum ungue paulo breviores , 2 lln. longae. Petala 4 lin. la- 
ta, laete rosea (nee vlolacea). Stipes 5 lin. longus, uti et genlta- 
lia totus roseus. Stamina 2 poll. longitudinem excedentia ; antlierae 
erectae cuspidatae 3 lin. longae; in florlbus sterllibus stipes germi- 
nis vix 1 lin. excedens; geinnen ipsum 1\ lin. longum. Stipes 
friictus plus quam 2 poll. longus; s'diqua in pedunculo cum cJir- 
popodio patentissimo pendula glabra, longitudinallter tenuiter sulcata, 
Z\ poll. longa, 2 lln. crassa. Semina dorso muriculata, a latei-i- 
bus corapressa, laevla. 



— 119 — 

Eene kruidacr.tige zaaiplant van 4 a 5' hoogte, die om 
hare prachtige bloemen en rijken bloei de algemeene 
aandacht verdient, welke ze ook voor eenige jaren, toen ze 
pas uit Britsch Indië was ingevoerd, genoot; doch nadat ze 
door de vele zaden algemeen verspreid is gcAvorden , is ze 
zeer in waarde gedaald. Zij zal echter steeds niet alleen om 
hare schoonheid gekweekt worden, maar ook voornamelijk 
om de jonge bladen, wanneer het meer algemeen bekend 
zal zijn , dat deze eene zeer goede groente opleveren , 
waaraan toch in de benedenlanden , waar zij juist het weel- 
derigste voorkomt, algemeen groot gebrek is. Eene andere 
soort van dit geslacht wordt met den inlandschen naam van 
Sasaiüi oetan bestempeld, waarom wij deze, ter onderschei- 
ding, Sasaicie oetan sehraiuj konden noemen. 

79. Cleohie aculeata DC. 

{DC. Prdr. L 241.44, Schlt. Syst. VIL 42. 62. Don 
Rist. Dichl. L 274.45.) 

Descrpt. Ilerha — sua sponte e solo suriaamensi enata — humilis , 
pedem vix alta, minutissime vekitino-puberula. Radix ramosa, 
ramis horizontalibus, longiter expansis albidis, 8 — 10 poll. longis, 
Caulis rami patentes divaricati subdiffusi teretes geniculati, sub- 
tus virides, supra rubentes. Stipulae binae spinescentes parvae 
flavesceuti-albidae recurvae. Folia inferlora o-foliolata longiter 
petiolata, summa simplicia breviter petiolata aut subsesilia. Fo- 
liola ovalia aut oyali-elliptica acuta, basi inaequilateraliter attenua- 
ta, lateralia 9 — 11 lin. longa 4 — 6 lin. lata, breviter petiolulata; 
floralia folia simplicia breviter petiolata ovata aut subrotundo- 
ovata acuta aut obtusiuscula, ad 8 lin. longa et 5 lin. lata, omnia 
minutissime puberulo-velutina membranacea flaccida, utriuque laete 
viridia opaca. Pedunculi axillares solitarü uniflori graciles glabri , 
6 — 7 lin. longi, erecto-pateutes filiformes, dein fructiferi patentis- 
simi. Flores parvi albido-viresceutes erecti. Calycis viridis laci- 
niae ad medium patentes, supra medium erecto-adscendentes , li- 
neari-lauceolatae acutae, l lia. longae, glanduloso-velutiuae. Pe- 



— 120 — 

tala 4 erecla conniventia , calyce duplo longiora, anguste iiugui- 
culata, obovato-oblouga, flavescenti-alblda, 1 lin. longa, glabra, 
toro perparvo insea-ta. Stamlna 6 cum petalis inserta eisque lon- 
giora; filamenta filiformia subaequalia flexuosa erecta, petaio rum 
longitudine ; antlierae erectae basi aflixae lineares coeruleae , supra 
petala exsertae, longitudiualiter dehiscentes. Germen cylindricum, 
basi angustatum, vix stipitattim, filamentis subaequilongum , 
erectum, glabrum; stylus subnullus; stirpna disciforme suborbi- 
culatum. Capsula siliquaetbrmis, basi breviter stipitata et angus- 
tata eompresso-teretiuscula, torulosa, acuniinata subcurvata, 15 — 
18 lin. longa, 1 lin. crassa. Semina reniformia a latere utroque 
corapressa, dorso convexa et muriculato-aspera. 

Mede eeiie kruidachtige zaaiplant , die toevallig met aar- 
de nit Suriname is ingevoerd; ze wordt niet veel hooger dan 
een voet , en heeft niet veel schoons, der vermelding waardig. 

XXVII. NYMPHAExiCEAE. 

80. Nyniphaea ruhra Rxb. 

Observ. Valde doleo monographinm novam Npnphaea- 
rum celeberr. Lelimannl mihi haud suppetivisse , quam 
solum ex extractu quodam belgico cognoscere potui; hanc 
ob rem haud certioreni me facere potui, an sequentes tres 
formae tantum sint speciei supra dictae, an forsan species 
distinctae? Hoc loco igitur dabo descriptiones omnium tri- 
um; alii decidant, 

cc. Purpurea. 

Desckipt. Radix tuberosa ; /o/w subtns fusco-viridia pubcrula, 
juniora subsagittata ovato-oblonga integerrima acuta, basi acute 
cordata, subpeltata, lobis baseos divergentibus ovatis acutis aut 
obtusiusculis, rubro-fusca, 2 — 4 poll. longa, 15 — 30 lin. lata; 
senioi^a fusco-viridia, ovalia aut oblongo-ovata, acute dentato-si- 
nuata, 1\ poll. longa, b\ poll. lata, sinu baseos acuto, lobis acutis 
minus divergentibus. Pedunculi erecti 1 ped. alti, teretes glabri, 
nibentes. Flores haud natantes erecti, purpureo-rosei, diametro 
•i| poll. Calyx extus rube,?centi -viridis, intus purpureo-rosens ; 



— 121 — 

sqmla 4 oblongo-lanceolata acuta 20 lln. longa, 7 lin. lata; ;)c- 
tala 21 purpureo-rosea oblongo-lanceolata obtusa, 24 lin. longa, 
8 lin. lata, interiora paulo angustiora. Yilamenta purpurea; an- 
therae intense purpureo-aurantiaceae haud appsndiciilatae. Stigma 
12-radiatum. 

(^. rosea. 

Descrpt. Radix tuberosa. Folia elliptico-snbrotuuda , peltato- 
cordata, acute dentato-sinuata undulata; sinu baseos acuto, lobis 
sese baud imbi'icantibus acutis, supra laete viridia, subtus fusco- 
purpurea, nervis eorumque anastomosibus prominulis vividibus. 
Flores per tres dies consequentes sese de novo aperientes, diame- 
tro 4 poll. rosei, haud natantes, erecti; peduncuü adscendenti- 
erecti, virides subfusci. Calyx 4-sepalixs, estus viridis intus ro- 
seus ; sepalum unum esterius ad apicem appendice laterali foliaceo 
praeditum, reliqua oblongo-lanceolata acuta. Petala 24, exteriora 
majora et latiora, oblouga acuta, intensius colorata rosea, 20 lin. 
longa, 6 lin. lata, interiora lineari-lanceolata acuta, 18 lin. longa, 
3 lin. lata. Geidtalia lutea; stamiiia co ; filamenta albida plana, 
atitherae luteae, introrsae, liaud appendiculatae, muticae. Stigma 
12-radiatum. 

7. albi flora. 
(N. thermali Lehm. afin.) 

Desckpt. Radix tuberosa. Folia oblongo-orbicularia, peltata 
cordata, sinu acuto, petiolum baud attingente et ab eo per 6 lin. 
distante, adulta ad 7 poll. longa, 5 poll. lata, juniora 3 poll. lon- 
ga, 2 poll. lata, lobis baseos subacutis, margine interiore sese sub- 
imbricantibus ; plantarum juvenilium integerrima, adultarum si- 
nuato-dentata^ dentibus acutis, 9- nervia, nervis furcatis, supra 
laete viridia lucidula, subtus dein fusco-rubentia puberuia, nervis 
eorumque ramificationibus valde prominulis. Peduncidi teretes ad 
pedem alti crccti. Flores haud natantes erecti, diametro fere 5-pol- 
licari, pulchre albidi. Cahjx 5-sepalus; sepala extus viridia 7 — 9- 
nervia, apice rubentia, intus candida, 2 poll. longa, 9 lin. lata. 
Petala circlter 20, exteriora latiora, magis concava apicem versus 
ibique rubentia, oblonga obtusa, nunc subacuta, basi attcnaata, 
X. 9 



— 123 — 

sepcalis subaequalia, interlora linearl-oblonga acuta basi vix atte- 
nuata 18 lin. louga, 4 lin. lata, omnia patentia. Standna basi 
connata plurima; filamenta versus medium paulo dilatata, dein 
angastata, apice obtusa, antherarum loculis introrsum iramersis 
lougitudinalitei' deliiscentibus, inferne albida , apice antherifero ce- 
riua, exteriora ad poUicem longa, apice 1 lin. lata, interiora sen- 
öira multo minora, suj)ra basin erecto.- patentia, apice subconni- 
ventia et in primis in somno conniventia globulum ovatum for- 
mant ia. Stigmatis raclii 16, staminibus interioribus subconformes , 
sed miuores. — Flores per 4 dies consequentes sese aperiunt. 

Deze zijn overljlijvencle waterplanten , die in den droegen 
tijd afsterven en slechts de knolletjes en zaden in den mod- 
der teruglaten , om in den regentijd met nieuwe pracht te 
verschijnen. Op Bali , van waar zij verkregen zijn , staan 
ze om hare schoone bloemen in hooge achting, zoo zelfs, 
dut men daar geene zaden bekomen kan , dewijl de bloe- 
men alle geplukt, en in het haar gedragen worden. Ze 
worden op de markten te koop gebragt. Deze waarde heb- 
ben ze welligt niet alleen aan hare schoonheid, maar mis- 
schen ook aan de godsdienstige vereering te danken, welke 
de Bramauen aan de heilige Lotosblcem bewijzen, waaraan 
deze soorten na verwant zijn. Doch behalve dit zijn het zeer 
sehoone waterplanten, wier bloemen tijdens den bloeitijd, die 
voor elke bloem drie dagen duurt , zich over dag openen en des 
nachts sluiten , zich uit het water oprigten , en tusscheh de op 
het Avater drijvende donkergroene bladen eene liefelijke uitwer- 
king op het oog hebben. Na de bevruchting duiken ze onder wa- 
ter , om daar tot rijpheid te komen , waarna de -sTuchten open- 
springen en de zaden ontlasten , die nu door een blaasje 
gedragen op de oppervlakte drijven , om zich ginds en her- 
waarts te kunnen verspreiden , waarna dit blaasje open- 
springt , en de zaden in den modder nederdalen , om ter 
zijner tijd nieuwe planten voort te brengen. Men weet niet, 
welke van deze drie kleuren men het meeste bewonderen 
zal: de donkerroode is echter het schitterendste, hoewel 



— 123 — 

de rosé en witte ieder in hare kleur haar weinig toegeven. 
Men kan ze ook in groote potten, half met modder en 
half met water gevuld, planten, waarin ze mild bloeijen , 
en rijpe zaden voortbrengen. De balinesche naam is voor 
de roode Toendjoeng harah , voor de rosé T. dado , en 
voor de witte T. poetie. 

81. Nymj)haea coerulea Savign.? 

Desckpt. Foliis ovato-subrotuudis, subintegei-rimis, profimde cor- 
datis, lobis subacutis paulo divergentibus, a basi loborum ad apicem 
2 poll. longis, trans verse 21 poll. latis, supra atrovu'idibus , sub- 
tus atropurpureis 7-nerviis, prominulis, floribus semi-apertis li- 
laclnis, diametro vix pollicari, sepalis 4 viridibus oblongo-laaceo- 
latis acutis, liueolis atropurpui'eis striatulis, intus subcoloratis 
sublilacinis ; petalis 8 — 9, calyce paulo longioribus, lilaciuis ob- 
loiigo-lauceolatis acuminatis 2-seriatis, interioribus angustioribus ; 
staminibus 12 — 14, exterioribus longioribus, apice breviter appen- 
diculatis (uec tam acute ac ia JV. stellata "Wild. Wght. Icon. I. 
178.); germine 6-loculari, loeulis oo -gemmulatis ; stigmata peltato 
6-radiato, radiis adscendentibus , stigma cupuliforme formantibus. 

Habitat paludes ad littora borealia Javae insulae prope Pe- 
kalongan, ubi legit eam hortulanus indefessus J. E. TEYSM;AX>f, 
anno 1854, mense Octobri floriferam. 

De blaauwe soort dezer fraaije w^aterplanton , die slechts 
kleine bloemen voortbrengt, werd te Pekalongan in de moe- 
rassen digt bij zee gevonden. Hare groeiwijze is gelijk aan de 
voorgaande, en zij kan ook in kleine potten gekweekt worden. 
Hare bladen sterven ook af, doch de knolletjes zijn over- 
blijvend. Op Java worden alle Nymphaea- soorten, met den 
naam van Taratteh kef j il bestempeld, in tegenstelling van 
de Taratteh hezaar of Nelumhium speciosum. 

82. Nymphaea sp. fl. lilacino. 

Descript. Folia inter rainora, subrotuuda cordata glabra mte- 



— 124. — 

gerrima aut subsinuato-re panda , diametro 2-2^ poll. supra laete 
virldia, subtus subrubentia. Folres suaveolentes , lilacini per 2 
dies consequeiites aperti, 1} poll. diametro. Cahjx 4-sepalus; se- 
2}ala lanceolata acuminata, extus obscure virdia e lineoUs sangui- 
neis tenuissimis sparsis, 15 lin. longa, 4 lin. basi lata. Corolla 
primo erecta dein semi-expansa, 12-petala ; petala 3-seriata, serie- 
rum diversarum paulo dlvcrsa; exteriora 4 oblongo-lanceolata 
acuminata, basin versus fere albida, versus apicem lilacina , ' dor- 
so calyciua virldiuscula et lineolata, margine tantum petaloidca; 
intermedia 4 subaequilonga et lata sed tota corollina; intima 4 li- 
neari-lanceolata et paulo breviora. Stamina plus quam 30, supra 
autlieras appendiculo lilacino, in stamiuibus serierum interiorum 
breviori, praedita, exteriora longiora. Stigma 12-radiatum; radii 
apice suberecti. 

Seriori tempore planta liaec, in liortum equidem paludes ar- 
tificiales transplantata , dimensiones valde augmentavit. Petioli 
teretes laeves virides 5 — 6 ped. longi; folia natautia ovato-sub- 
rotunda, ad insertionem petioli fere cordato-incisa , lobis sub- 
divergentibus , diametro longitudinali 8 — 12, transversali 6 — 10 poll., 
supra laete viridia glabra nitida, siccando flavescenti-viridia, 
punctulato-A'^elutina , subtus viridia opaca, nervis radiatim dispcr- 
sis et ramis transversis junctis prominentibus. Pedunculi l\ ped. 
longi, rubescentes (in aqua profundiori forsan longiores?), toti 
submersi; fiores natantes, in alabastro rubentes, sub antbesi dein 
albidi , diametro 4 — 5 poll. ; sepala ad 2\ poll. longa , 7 — 9 lin. lata. 

Deze soort behoort in de moerassen bij Batavia te huis , en 
varieert zeer in haren groei, daar ze nog zeer jong met klehic 
bladen reeds begint te bloeijen, als Avanneer de bloemen 
ook zeer klein zijn. Zoo ze echter ruimte genoeg heeft , 
breidt ze zich sterk uit, zoodat ze dan bij eene diepte onder 
■water van een paar voeten eenen cirkel van meer dan 6' 
diameter beslaat. Bladen en bloemen zijn dan ook veel 
grooter. De bladen spreiden zich stcrvormig uit en drij- 
ven op de oppervlakte , evenals de meeste bloemen , die zich 
bij ongenoegzame diepte echter ook wel, even als alle' de 
hiervoren genoemde , boven den waterspiegel ve'rheften. 



— 125 — 

De inlandsche naam te Batavia is almede Taratteh kcijil. 
Ilot is ook eene overblijvende plant, die soms van Lladcn 
verwisselt. 

XXVIII. ALSODEINEAE. 

83. Dlorijktandra Roxhurgldi Hsskl. 

ObSERV. Sub nomine Alsodelae Roxburghii Wil. hacc 
planta fuit missa ex liorto botanico Calcuttensi; Wal})ers 
(Rprt. I. 225.) hanc synonymam dicit cum Pentaloha Rox- 
ImrgJdi WIL; specimina nostra autem liaud congruunt cum 
cliaractere generico ni Alsodelae (Endl. Gener. no. 5047), ni 
Pentalohae (1. c. 5048) , quae genera teste Arnott liaud in- 
ter se sunt distinguenda (cf. Endl. Gen. Sppl. III. 89. IV. 
iir. 45). Difterunt a planta nostra: Conohoria DC, Prdr. 
I. 312 filaraentis breviter unguiculatis , hinc in ligulam di- 
latatis, extus appendiculatis , stylo flexuoso, germine villo- 
so, foliisque oppositis ; — Rinorea Aubl. fabrica staminum ; — 
Alsodeia Thouars filamentis basi in ureolum connatis, hinc 
in ligulas dilatatis, urceolo appendiculato , corolla et calyce 
pcrsistenti capsulam induviantibus ; — Ceranthera Palis. ur- 
ceoli inter petala et stamina praesentia et staminum fabri- 
ca; — Pentaloha Lour. nectario 5-dentato, stylo brevi, bac- 
ca subrotunda 5-loba; — Phjsipliora Sol. staminum fabrica 
et fructu inflato. (cf. DC. Prdr. I. 312 — 14.) Ex Endl. 
Gen. no. 5047, Alsodeia difFert: disco urceolari inter peta- 
la et stamina, filamentis brevissimis, petalis patentiusculis ; 
et Pentaloha ex Arnott, uti supra dictum fuit, nil nisi fruc- 
tu baccato diversa est. — Prosthesia BI. Bij dr. 8G6 filamentis 
in urceolum connatis distincta. 

Ilaec planta géneris uovi typum praestat, petalorum et stami-. 
mim structura sat insiguis, ab Alsodeia jure sejuugeudi, quod 
bis notis erit distinguendum : 



— 126 — 

JJlorijkiandra Hsskl. (1). 

Qlicü'. gen. Mores minuti; ccdyx. 5-partItus, lacluil::; imbiicatlvis 
acutis; corolla 5-petala, petalis unguibus tenuibus hyalieis sul- 
fultis, oblongo-lanceolatis viridiusculis patentibus, in alabastro im- 
bricativis, sub shithesi mox subelastice patentim reflexis et con- 
voluto-tortuosis ; stamina 5 hypogyna, petalis alterna, filament a 
gracillima tennissima, e faticibus petalorum exserta, unguibus sublon- 
giora, iuter se plus minus conglutinata ; antherae ad basin barbatae , 
e basi latiuscula attenuatae, apice connexivo elongato terminatae, 
iatrorsum ab apice ad basin dehiscentes; pollen 3-gono-subglo- 
bosum ; germeii superum minutum subtrigono-globosum glabriuscu- 
lum uniloculare, placeutis parietalibus 3, gemmulis co ; stylus fi- 
liformis strictus erectus substriguloso-pilosus , antheras superans; 
stigma minutum terminale; fruCtus basi calyce vegeto suffaltus, 
uniloculaiis , 3-valvis, valvis medio placentiferis , seminibus ple- 
rumque omnibus abortivis, excepto tantum unico roraanente, e 
margine valvulae unius pendulo glabro. — Frutex\\yxïü.\\\i>,\ rami pa- 
tentes, distiche alternatim foliati, glabri; stipulae acuminatae ca- 
ducae. Folia subsessilia oblongo-lanceolata acuminata, basi atte- 
nuata, ibique subintegerrima , caeterum serrulato-crenata, subtu?? 
albesceiiti-vh-idia, 1 — 1-|- poll. longa, A poll. lata. Mores axilla- 
res sessiles, plerumque terni succedanee evoluti, antherarum co- 
no albido et petalis viridiusculis contortis patentibus sat in- 
signes, 2 lin. vix excedentes. Capsidae glabrae, styli rudimento 
coronatae, 3-gono-pyramidatae, plerumque abortu 1-spermae. 

Deze kleine heester, die niet hooger dan een paar voeten 
wordt en wel eenigzins neiging tot klimmen vertoont, wat 
hij welligt in zijn vaderland ook doet, is uit den planten- 
tuin van Calcutta verkregen. Hij bloeit en geeft hier reeds 
sedert eenigen tijd vruchten , doch kan wegens de kleine 
witte bloempjes niet onder de fraaije sierplanten gerekend 
worden. 



{W Nomen a verbis graecis '^iOyvlCTO<7 , perforatus & xVijp, vir, derivatur 
ob couuni antherarum stylo perforatiina. 



— 127 — 
XXIX. PANGIEAE. 

84. laraktoyeiws Blumei Ilsskl. 

Syn. Hydnocarpus heterophyllus Bh Rumpli. IV. 22. t. 178. 

B. 1. [except. fiorlb.) et relmpressionein vide ia ejusd. 

Mus. bot 15. 27.) 

ObsERV. Genus novum — TaraktOLje7ios (1) Hsskl. — a 
Bkimeo celhrr. in monographia sua Pangieariun 1. 1. c. c. 
praetervisum et cum Hydnocarpo confusum, inter lioc genus 
et JPangium collocandum erit. Ab Hydnocaipo floribus 4- 
nariis, petalis calycis laciniarum duplo nvimero et stamini- 
]jus petalorum 2 — 4-plo numero distinctum; a Fangio fiori- 
bus 4-nariis, calyce imbricativo, staminibus in floribus mas- 
culinis et in primis hermapbroditis plurimis, 3-plici petalorum 
numero, germine sub-globoso, foliis stipulatis, breviter pe- 
tiolatis subintegerrimis, floribixs bermapbroditis succedanee 
cyniulosis, fructu globoso. 

Char. gener. Flores polygami. Cahjx in alabastro imbrlcativiis 
4-sepalus, sepalis deciduis, exterioribus paulo minorlbus. Corolla 
8-petaIa , squamis totidem, lis oppositis basi eoi'um adnatis. Masc. 
Stamina 8, petalis duplo longiora; filamentis filiformibus liberls 
hirsutis; antheris sagittatis, loculis apice convergentibus , basi di- 
vergentibus, longitudinaliter dehisceutibus. Hermaph. Stamina triplici 
petalorum numero, iis masc. conformia et fertilia(?); germeii subglo- 
boso-pyriforrae birsuto-sericeum uniloculatum , «basi leviter atte- 
nuatum; stigma sessile peltatum, 4-radiatum; placentae parietales 
4; gemmulae plurimae. 

Desceiptioxi Blumei 11. cc. addenda sunt sequentla: Rami 
albido- cinerascentes , longitudinaliter riraulosi, teretes stricti pa- 
ten ti-erecti; 7'amuli subangulati virides glabri. Stijndae minutae, e 
basi lata subito subulatae, \ lin. latae et altae, ramo adpressae, 
apice marcescentes. Petioli subteretes, supra leviter canaliculati 
virides subtorti, apice baud, sed basi paulo incrasati. i^o^ia in ar- 



(1) Nomen derivaliim a Td^oikTOT ., turbatus & 'y£V07, gcuns. 



__. 128 — 

bore liermapli. paulo aHgustiora, nee dlversifoi'mia, oblongo-elliptica, 
oblonga aut oblongo-lanceolata acuta ant saepius acuminata, 
frequenter acumiuatissima, in hermapb. 4 poll. longa 1| poll. lata, aut 
7 i)oll. longa, 2 poll. lata, in masc. 5 poll. longa, 16 Hn. latq,, aut 8 
poll. longa, 21 poll. lata, nunc recta, uunc tota ± recurvato- 
arcuata, margine utroque paulo, aut magis elevato-subconcava 
glaberrima. Cyinae masc. asillares, 2 lin. altae breves succedaneae, 4 — 
8-florae, apice dicbotomae; ramuli virides teretes reeurvi, 1-llori 
persistentes ; Pedicelli teretes, 6 lin. longi, virides glabri penduli, 
apicem versus paulo incrassati, decidui. Calyx vid. supr. Cbar. 
gen.; sqxda reclinato-patentia decidua, concava membranacea sub- 
rotundo-ovata, exteriora minora et paulo robustiora magisque 
viridia, diametro 2\ lin., intei'iora tenuiora majora, diametro 3 
lin., margine subrevoluto. Petala 8 tenuissima albida erecto-pa- 
tentia, stamina sustinentia, mox decidua, subrotunda aut trans- 
verse ovaHa, diametro 2 lin. aut 2 — 3 lin., extus pilis albidis 
longis patentibus supra medium obsessa et margine toto cilia- 
to-fimbriata , concava et in concavitate squamas confonncs sed 
minores, diametro 1-lin. aut 2 — 1-lin. foventia. Squamulae baec 
carnosulae flavescenti-virides. intus glabrae, extus dense sericeae et 
margine ciliatae. Sepala et petala margini tOi% plani horizontalis , 
diametro 2-lin., albidi, crassiusculi sixbcarnosuli inserta. Stamina 
erecta, toro inserta eumque totum obtegentia, ima basi subcon- 
nata, dein caduca . libera erecta, capitulum diametro 8-lin. forman- 
tia; fdamenta albida, vix medio iucrassata, filiformia, 2 — 3 lin. 
longa, ima basi subconnata, a basi' ultra medium usque pilis al- 
bidis patentibus hirsuta, apice glabra, in connectivum deltoideum 
albidum subsagittatum , medio canaliculato-plicatulum transeun- 
tia ; antherae erectae, l- lin. longae et basi latae, sagittatae , 2-locu- 
lares; loculi connectivi lateribus exterioribus adnati, longitudina- 
liter dehiscentes; j9oZZe« subglobosum albidum; rudimentum germi- 
nis nullnm. IlermapJi. vid. supr. Cbar. gen. Cymae breviores vix 1 lin. 
altae , caeterum ils masc. conformes, exceptis staminibus gerrnen cingen- 
tibus 24; gerrnen diametro 21 — 3-lin. extus leviter cc-sulcatum et pilis 
minutis fuscis densissime serieeum; stigma viride glabrum. Cyma 
fructljlcans 4 — 5 lin. longa, 2 lin. crassa; ^^ecZiwcwZifs teres 1 poll. 
longus, 2 lin. crassas, cinereo-fuscus giaber, dein lignosus. Fructus 
diametro o-poll. indebiscens. Pericarpium extus , lignosum , intus 



■ — 129 — 

suberosum (in siceo, in vivo foi-san camosum?), 2 lin. crassum dunira 
et in maturo fructn intleliiscens persistens, stigmate 4-lobo coro- 
natum, vix vertice nmbonatnm. 

Een boom van ± 50' hoogte bij een voet dikte. Hij groeit 
zeer regelmatig op een' stam , welke met vele stijve , hori- 
zontale, niet zeer lange, digt bij elkander staande takken 
. bezet is , waardoor hij eenen eenigzins pyraraidalen vorm 
verkrijgt. Ter hoogte van 10' brengt hij soms reeds vruch- 
ten voort ter grootte van een' mansvuist , die om hare git- 
zwarte kleur , welke ze reeds van het begin harer ont- 
wikkeling aannemen , aan afgestorvene of verdorde vruchten 
doen denken, die voor niemand anders dan voor de apen 
van nut schijnen te zijn, welke zich er veelal op vergasten. 
Op den kalk- of vogelberg van Tjampea wordt deze boom 
veelvuldig aangetroffen en is bekend onder den naam van 
Kandar loetoeng. Ook heeft de heer Hasskarl hem in 
1841 uit Bantam raedegebragt. 

XXX. PHYTOLACCxVCEAE. 

85. Microtea maypurensis G. .Don. 

Descjrpt. Herba — sna sponte e solo brasiliensi enata — glaberrima 
elegans erecta, dichotome ramos issima, pedem et dimidiuni fere al- 
ta. Bami glabri rigidinscnli nitiduli sulcati, ad insertiouem petiolorum 
plernmque bulboso-incrassati , ibique foliis blnis sibi oppositis, folio 
snstinenti fere collateralibas praediti. Folia alterna oblonge- s. li- 
neari-lanceolata acurainatissima, basi longiter sensimque in petlo- 
lum attennata 1 — 2 poll. longa, 2 — i\ lin. lata, carnosula, nervo 
, medio prominulo, lateralibas vix conspicnis. Bacenii primo tel- 
minales, ramo antem axillari escrescenti oppositifolii , gracillimi 
simplices, primo 1 — , dein sensim sensim sensimque ad 8 poll' 
longi et turn frnctibus in basi * inflorescentiae maturis' decidais et 
postremo calyce cum peduncnlo primo persistentibus, dein pariter 
decidnis, longiter nndi, apiöe tantum floriferi. Bracteae ad basin 
pednncnli cujusdam 3, interniedia lineari-oblonga acuta, collatera- 
Jibus perparyis. Fedunculi solitarii uaifiori , liueam dimidiaiü exce- 



— 130 — 

lentes, ereclo-patentes, versus apicem paulo incrassati, in calyceni 
sensim transeuntes. Calyx vix mediam lineani altns, 5-partItus, la- 
ciniae oblongae acutae, medio extus virides, margine alhido-flaves- 
centi petaloideo , sub authesi pariter ac f 'ructnm sustiuentes aut fruetu 
jamjam delapso erecto-patentes (aec reflexae). Caet. generis. Fruc- 
tus calyce duplo majores, primo flavescenti-virides, dein obscure 
virides glochidiati. 

Eene kruiclaclitige zaaiplant , die uit van Brazilië ingevoer- 
de aarde is opgekomen. Zij wordt niet liooger dan 1' en 
hoewel de witte bloempjes zeer klein zijn, is ze daarmede, 
tijdens haren hloei , als bedekt , zoodat ze dan een geheel 
niet onaangenaam aanzien heeft. 

XXXI. MALVAGEAE. 

86. Abutilon sundaicum G. Don. 

{G. Don Ilist. of Dichlam. L 500. G. Sida BI. Bijdr. 
78. Wip.'RpL I. 315. 15.) 

Obseky. A. tubulosum Hook., Wip. Ann. II. 158. 11, vix 
ni calyce tubuloso difFert; — A-pohiandriim W. & A,, Wip. Rprt. 
I. 322. 1 foliis abrupte acuminatis subrotundis et racemo. — 
Pariter et Sidae speciebus aliis valde accedit sed diagnosibus 
brevibus haud sufficienter recognoscendis. 

DiAGK. NOV. Suffrutex erectas, foliis cordatis subrotundis acu- 
minatis, aut deltoideis longiter acuminatis, inferne grosse, superne 
repando-dentatis, longiter petiolatis, supra viridiasculis velutinis, 
subtus glaucescentibus molliter tomentosis, stipulis lineari-subula- 
tis caducis; pedunculis axillaribus petiolo longioribus sub-l-floris; 
calyce profunde 5-fido; corolla horizontaliter expansa, plus duplo 
calycera superante; capsula 5-loculari, hirta, 5-valvi, apice 5- 
aristata; loculis dein secedentibus 2-partibilibns 6-spermis; semini- 
bus reniformibus. 

IlAP.Tr. Javae occident. provinciam Preanger circa Sumadang, 
in gr.naiiiosis ad viam publicam. 



— 131 — 

Descrpt. Sitffrutex elegans ramosas erectiis, strictus 8 ped. (nee 
2-ped. Don 1. c.) altus. Cauüs ramique pilis sparsis pateutibu? 
obsiti et iuter pilos niinute pubernlo-glutiiiosi, teretes. Stlpulae 
cadacissimae solnm. in suinmis ramulorum apicibus reperien- 
dae, lineares subuia tae erectae adpressae. Petioli teretes piiberuli 
patentes, dein imoque (slccltate?) refracti, ad 6 poll. longi, supra 
atrovirides aut sanguiuei. FoLia inferiora subrotundo-cordata acu- 
minata, grosse dentata, sinu baseos acuto, lobis rotundatis, dia- 
metro 6-pollic., 7 — 9-nervia ; paido altiora longias acuminata, grosse 
dentata, diametro longitudinali 7-, transversali 5-poll., dein 'ei me- 
dio in acumen attenuata, diametris 7 et 4 poll., repando-dentata 
et iwstremo altius in caule principali cordato-subdeltoidea, e basi 
lata longiter acuminata, sinu acuto, lobis baseos rotundatis, basi 
ad 3 poll. lata, ad 5 poll. longa, supra laete viridia, minute ve- 
lutina, subtus molliter densissimeque glaucescenti-albido-tomento- 
sa, repando-dentata, apicem versus subintegra; in ramorum sura- 
mitate minora cum petiolo 6-lineari 2|- poll. longa, basi 1 jjoll. lata. 
Peduncidi in axillis folio rum inferiorum solitarii, foliis suis sub- 
aequilongi, erecto-patentes teretes, supra medium articulati 2 — 2^ 
poll. longi, .teretes puberuli; iu apice caulis ramoruraque nunc ex eadem 
cum pedunculo axilla ramuli progrediuntur floriferi, foliis diminu- 
tis praediti, peduuculis brevioribus et inde caulis paniculam folio- 
sam sat grandem raram sparsam repraesentat. Involucrum nullum. 
Calyx in alabastro subglobosus, apice 5-angulatus et apiculatus, 
valvatus, dein profunde 5-fidns, basi 1 lin. latus truncato-planus , 
caeterum erectus viridis extus velutinus ; ladniae oblongo-lanceo- 
latae, nunc ovato-oblongaeacurainatae, nervo medio crassiore per- 
cursae et binis submarginalibns tenuiorlbas, hinc inde sub anthesi 
per paria inter se plus minus cobaerentes, 5-ta solnm totalibera, 
post antliesin dein omnes sejunctae, 5 lin. longae, 2|- lin. latae. 
Corolla rotata aurea pulcbra, expansa diametro ll-poll. ; petala 5 
obverso-deltoidea inaequilatera, unguibns tubo stamineo supra 
basin inserta, 9 lin. longa et apice trnncato 9 lin. lin. lata, ad 
insertionem pallidiora. Tubus stamineus cum basi sua brevi, 1 lin. alta, 
dilatata fornicata germen obtegens, 5-gonu3, glaber, supra inser- 
tionem petalorura angustatus, teres et pilis brevibus stellatis 9-ra- 
diatis, radiis subulatis acutissimis, dense echlnato-tomentosus , 
supra petala vix 1 lin. altns ; ülamenta oo filiformia, a parte nunc 



— 132 — 

descripta tnbi starainei tota libera, erecta, penicillnm 6 — 7 poll. 
longum formantia, albido-flavescentia, nitidala , exteiiora breviora, 
infra apicem subulatum pilis patentibas, apice minnte capitatis 
praedita; antlierae versatlles reniformes, rima verticali transverse 
deliisceute-5 bivalves blloculares, septo dein sublibero brevi inter 
ambos loculos persistente, acuminato. Gerinen subglobosnm apice 
5-carinatum, totum pilis albidis stellatis densissime hirsuto-villo- 
sam, diametro 1} lin., tubo stamineo obtectum, 5-localare, e car- 
pidiis 5 extns totis, intus ad medium usque et paulo altius con- 
natis, parte libera conniventibus tubum formantibas stylarem; 
gcmmulae in loculo quoque 6, angulo centrali biseriatim insertae; 
styli 5 basi inter germinis tubum apicalem recepti, connati, dein 
toti liberi, filiformes erecti conniventes, basi albidi, supra medium 
flavescentes, apice flavi; stigmata discoideo-subbemisphaerica, sty- 
li sui plus duplo diametro, papillosa flava, antberas filaraento- 
rum longissimorum attingentia. Fructus juveniles calyce inclusi, 
dein matari basi calyce emarcido, plus minus irregulariter fisso 
suffulti eumque plas duplo superantes, 7 lin. alti et apice diame- 
tro 8 lin., nigrescentes birti, 5-locnlai'es , 5-lobi, lobis ad medium 
fere fructus llberis, apiculatis subvesicularibus; loculi oblongi acu- 
miuati, apice divergentes, primo apice introrsum bivalves; dein 
sutura dorsali pariter dehiscente et ventrali a columna centrali 
sécedentibus toti bivalves , postremo, valvis binis collateralibus lo- 
calorum contiguorum inter se sécedentibus, fructus totus in par- 
tes 10, nunc ima basi tantum cobaerentes, plus^ minus complete 
secedens, solum columnam centralem pariter in 5 solaitam, 
apice e faniculis emarcidis G , biseriatim sibi superpositis, squarroso- 
penicillatam relinquens. Semina plerumque in loculo quoque 6 
subreniformia, in angulo ventrali acuta, in dorso convexa, punc- 
tulato-aspera; testa subcoriacea fasca aut negra aut nunc canes- 
cens. 

Eone lieestcraclitige zaaiplant, die wel eene hoogte van 
10' bereikt. Om hare vrij groote gele bloemen, kan zij 
onder de sierpLanten worden gerangschikt , wa^r toe ook 
hare niet onaanzienlijke liladen helpen bijdragen. Van den 
Last WIJ rdt, evenals van dien der meeste planten uit deze fa- 
milie, touw vervaardigd. Ik vond ze langs den groeten postweg 



— 133 — 

iu liet regentschap Soemedang, waar zij Ilandehenuij heet. 

XXXII. STERCULIACEAE. 

87, Ilellcteres oblouga Wil. 

{Wip. RpvL I. 332. 4. II. 704.5. G. Don Hist. Dichl. 
L 508.24.) 

OcSEr^v. I. Ab Oudemansia Miq. (Plant Jungh. p. 295.) 
differt nostra : fructu haud processuhus Stellatis obvallato ; — 
a Methorio Schtt. (Endl. Gen. 5315) fructu ohlongo, semi- 
nibusque in quoque loculo recto pluribus; — ab Orthothecio tu- 
bi stammei lacinüs fertilibus in urceolum haud coalitis , quae 
in nostra ad basin fere sejunctae reperiuntur. 

Observ. II. Diagnosis apud Wip. 11. cc, e Don 1. c. traduc- 
ta, valde defecta apparet nee plane speciraina nostra, e 
horto Calcuttensi sub hoc nomine missa, quadrant. Malui 
diagnosem reformare quani ob defectum diagnoseos speciem 
novam creare. 

DiAGX. KEFOEM. Frutex foliis oblongis aut ovato-oblongis acumi- 

natis, basi plus minus obliqne cordatis, duplicato-serrato-dentatis, 

liirto-stcllato-tomentosis, racemulis axillaribus 2 — 4-floris, uunc sub- 

terminalibns , lilacinis; tubi staminei lacinüs 10 fertilibus, conni- 

ventibns, ad basin fere liberis, antheris transverse deliiscentibns , 

. .* 
sterilibns lineari-lanceolatis interiorlbns 5; capsnla oblonga dalva, 

5-loculari, loculis rectis, demnm in centi'o solntis, sutnra placen- 

tari apertis. — Folia 1 — 3| poll. longa, 6 — 20 lin. lata; ramorum 

juvenilium majora magis niolliter pnbescentia, seuiliam magis gla- 

brata. Flóres parvi lilacini. 

Een heester van 4 a 5' hoogte met dunne slappe, roede- 
vormige takjes , die horizontaal of omgebogen afhangen 
Hij is uit den botanischen tuin van Calcutta verkregen. 



. — 131. — 

88. Oudemansla hirsuta Miq. 
^ (Plant. Junfjh. 297. Orthotheclum Hsskl. Cat. 202.) 

Observ. Huc pertinere videtur Helicteres spicata Colebr. 
(G. ^Don Hist. Dichl. I. 507, Wip. Rprt. I. 332. 1. II. 794. 2.); 
antlierae autem sunt evidenter erectae , longitudinaliter de- 
hiscentes, nee transrersae, loculi superne rima communi aperti! 

Een lieester van 6' hoogte met in eene scliuinsche rigting 
opstaande stengen en takjes. Het is eene Javasche plant. 

89. Otidemansia javensis Hsskl. 
(Orthothecmm Hsskl. Cat. 202. Helicteres BI. Bijdr. 80.} 

Observ. Haec species forsan eadem est ac Oudemansla 
integerrima Miq. (PI. Jungli. .296), quae vix nisi foliis nunc 
majoribus , subtus lutco-albidis , floribus 3 lin. longis diver- ' 
sa -videtur. Folia in nostra sunt 1 — 2 poll. longa, 4-*- — 9 lin. 
lata, flores albido-lilacini. 

(3. angustifolia Hsskl. [Helicteres ancjustifolia L. (DC. 
Prdr. I. 477. 10. BI. Bijdr. 80) solum foliis angustiori- 
bus, 3—5 lin. latis, 1 — 2 poll. longis, diversa est. 

Een heester van 5' hoogte met dunne slappe roedevor- 
mige takjes, veel overeenkomst hebbende met ff. oblonga; 
eene javasche plant. — De variëteit is oppervlakkig beschouwd 
geheel gelijk aan O. javensis en uit den botanischen tuin 
van Calcutta verkregen. 

90. Oudemansia virgata Hsskl. 

[Helicteres Wil. G. Don Hist. Dichl. I. 508. Wip. Rprt. 
I. 332. 3. II. 794. 4.) 

Folia 12 — 16 lin. longa, 4 — 6 lin. lata, rigidiuscula ; 
fructus ovato-subglobosi, nunc subtrigoni . 6 lin. longi , 4 
lin. lati , apice 5-denticulati. 



— 135 — 

Een heestertje van slechts een voet hoogte niet dunne 
slappe stengetjes, die, met bloemen en ATUchten beladen, 
meestal ter aarde buigen. Ook deze is uit den botanischen 
tuin van Calcutta herkomstig. De inlandsche naam dezer' 
heesters is dezelfde voor allen , wordende zij hier Kokontolan 
geheeten. Ze zijn om derzelver kleine, weinig interessan- 
te bloemen en vruchten niet zeer voor sierplanten aan te 
bevelen , hoewel ze zich eti door zaden , en door mareotten 
gemakkelijk laten vermenigvuldigen. 

XXXIII. EUETTXEEIACEAE. * 

91. Sclioutenia ovata Kths. ? 

[Nederl Kruidk. ArcJi. I. 312. "\Vlp. Ann. 11.1(38.) 

Observ. Arbor e toto characterem Schouteniae Krths. 
quadrans, ni germen opponeret; fructum in Sclioutenia dicit 
Korthals clrss. trilocularem, loculis 3-spermis, dum in nos- 
tra germen est 1-loculare, gemmulis G in basi germinis ge- 
mmatim sessilibus erectis; an forsan error in charactere gene- 
ris? Omisso hoc signo germinis 1-locularis, intor Dnm- 
beyaceas Exiteliam inter et Ruiziam (Endl. Gen. 5342) po- 
nenduin erit genus. Posterius defectu involucri, corolla ma- 
jori, germine 10-loculari, Exitelia (Endl. Gen. 5357) corol- 
la quam calyx majore, germine didymo, stigmate simplice, 
dr/Lipa biloculari et foliis integerrimis basi biglandulosis di- 
versa est. 

Descrpt. Arbor habitu Pterospermi; rami teretes cinerei. Sti- 
pulae lineares 2 lin. longae caducae. Petioli breves teretes vix 3 
lin. lougi, cinerei fasco-tomentosi. Folia aherna subdistiche dis- 
posita, ovato-oblonga acnta aut plerumque oblonga imoqne oblon- 
go-lanceolata acuminata, basi rotundata aut subcordata valde in- 
aeqnilatera, altere latere rotnndato, altei'o attentiato aut sed ra- 
rias rotnndato et altius inserto, 2 — i\ poll. longa, 10 — 24 liu. 
lata, ad medium usque iutegerrima, supra medium, plas miun-^ 



— 136 — 

irregularlter sinuato-dontata ant solum repanda, margine ele- 
vato snpra concava, obscure viridia uitidula, sed minutissime 
pnbernla , snbtus ferrngineo-tomentosa, in nervo medio et secnnda- 
• riis intensius colorata, basi sub-3 — 5-tiervia, nervis 2 marginali- 
bu3 brevibus, reliquis pinnatis oppositis aut suboppositis , erecto- 
patentibus, venis transversalibus subtus valde prominulis rectis 
junctis, maculas primarias fere rectangulares formantibus, venulis 
tenuissimis , primariis maculas 4-angulare3, et dein secundariis 
maculas minutas irregulares formantibus, rete in superficie folio- 
mm elegans sistentibus. Inflorescentia racemosa axillaris ad apicera 
ramomyi ant terminalis, nunc racemis basi ramosis subpanicnlata 
compacta, ramos dein totos floribus obtegens. Peclunculus communis 
sat brevis 4 — 5 lin. longus, cum bracteis, pedicellis et alabastris 
densissime stellatim ferrugineo-tomentosus , 5 — 7-florns. Brac- 
teae minutae caducae lineares 1 lin. longae. Pedicelli erecti apcie 
nutantes, 7 — 8 lin. longi teretes. Alabastra erecta subglobosa 
dein minus dense tomentosa, flavescenti- viridia pentagono-subglo- 
bosa, aestivatione valvata. Calyx corollaceus patens albido-flaves- 
cens 5-, rarius 6-sepalns; sepaZaoblonga acuta 3-nervia membrana- 
cea, extus pilis stellatis obtecta, intus glabi-a nitidula, ima basi pube- 
ruia, stellam albidam formantia, 5 lin. longa, 2\ lin. lata, per- 
sistentia vegeta, paulo augmentata. Petala 5 sepalis alterna eis- 
que brevlora et multo angustiora , line^ria, basi longiter attenuata, 
apice acuminataS Hn. longa, vix tertiam lineam lata, alba glabra 
caduca. Stamina 20 cum petalis hypogyna, omnia fertilia confor- 
mia patenti-erecta, petalis paulo breviora; filamenta filiformia li- 
bera albida glabra; antherae terminales oblongae, basi insertae, 
longitudinaliter debiscentes biloculatae. Germen subglobosum, den- 
sissime lauato-villosum l-loculare, e carpellis 3 conformatum; gem- 
mnlae 6 , geminatim in basi germinis erectae sessiles ; styliis cras- 
siusculus e 3-bus conflatus, 3-partitus; stigmata 3 papillosa te- 
retiuscula subclavata, Finictus immaturi calyce vegeto et dein 
marcescenti stellatim patenti, llavescenti-albido membranaceo et 
staminibus emarcidis basi cincti, globosi pisiformcs spongiosi, den- 
sissime lanato-villosi , flavescenti- virldes, stylo emarcido nunc sc- 
mi-deciduo coronati, semina pro parte jam abortiva. Fructus ma- 
ttiri haud debiscentes, intus rudimentis 3 dissepimentoinim notati' 
perkarpiam «fragile , crustaceum , fusco-villosum , pisifome , calyce 



— 137 — 

emarciclo patenti fiiscesceuti suffultum; semina fnictus cavitatem 
tolam impl-entia, sessilia erecta, columnae tenui rliapliem semi-ad- 
natam sustinenti circumposita , o (nunc 1 solitarium) erecta albi- 
da , irregularlter trigono-sitbglobosa ; albumen nulliim ; radicula in- 
fera brevis prominula ; cotyledones crassiusculae albidae et (in pri- 
mis exterior magis) conferuminatae , sub-3-lobae. 
Habitat sylvas montanas Javae occidentalls. 

Een regtststandige boom van ± 50' hoogte, die in den 
natuurstaat waarschijnlijk veel hooger wordt; hij is in zijne 
geheele lengte, behalve den benedenstam , ter hoogte van ± 
10' met takken bezet , die zich niet verre van den hoofdstam 
verwijderen. Zoowel in den bloeitijd , als tijdens de rijping der 
vruchten, heeft hij een zeer eigenaardig aanzien^ dewijl de 
bloemen en vruchten , waarmede hij als bedekt is , wel eenig- 
zins naar hop gelijken. Ook de vreemde bruine kleur zij- 
nen bladen draagt hiertoe bij. Het is een javasche boom, onder 
den inlandschcn naam van Harikoehoen bekend. Zijn hout is 
zeer gezocht voor werkhout , omdat het taai en buigzaam is ; de 
jonge stammetjes worden veel voor wagenboomen gebruikt. 
Hij wordt door zaden en ook door marcotten vermenigvuldigd. 

XXXIV. TILIACEAE. 

92. Erinocarpus Knimoni Hrt. Bombay. 

Obseev. Arbor haec insignis, ex horto botanico Bom- 
bayensi hoc sub nomine missa, genus novum sistere videtur 
inter Tlliaceas Ileliocarpo L. (Endl. Gen. 5367.) sat affine , 
quod autem difFertllore pentamero, stigmate bifido et capsu- 
lae str.uctura. Nee minus Omphocarpus Krthls (Wip. Ann. 
II. 172.) affine genus videtur, fructibus autem satis diversum. 

Descript. Arbor comosa. Bami teretes crassiusculi; juveniles 
glabriusculi virides, dein canescenti-fasei. Stipulae caducissimae 
ovato-lanceolatae. Foliatio alterna. Petioli teretes, basi crassius- 
culi apicem versus atteuuati patentes, 2 — 3 poll. longi, in jnveni- 
libus ramis ad 8 poll. longi. Folia cordata subrotunda , apïce acn- 

X, 10 



■— 13S — 

niinatct, snperiora (rami floriferi) viï angulato-subtriloba , repan- 
do-crenato-dentata , 5-nervia, dentibas glanduloso-mxlcronulatis , 
iufiniis 3 ad baseo.s lobos utrinque glanduliferis , diametro 3 — 6 
poll., in ramis javenilibus liaud liorentibus multo majora robustiora, 
diametro 11 poll., 7 nervia, sub-o — 5-loba, lobis plus minus acu- 
minatis, dentibas loborum baseos pariter scutellato-glandulosis , 
omnia Inete viridia, minutissime puberulo-pilosiuscula. Inflorescen- 
tia in ramulis ultimis foliatis terminalis sparsa raraque subrace- 
mosa. Flores ad apicem pedunculorum erectorum 8 lin. longorum 
plerumque 3, subumbellatim congesti, breviter pedicellati et ante 
evolntionem alabastrorum bracteis 4, involucram fingentibus, ob- 
tecti, alabastio subpyriformi similes. Bracteac oblongo-lanceolatae 
acutae incurvae, extus minute puberulae, caducae. Pedicelli basi 
articulati 3^ — 1 lin. longi teretes, cum alabastris ferrngineo-fusco- 
tomentosuli. Alahastrum supra basin tumidam paulo angustatum, 
oblongum, apicem versas acuminatum, longitudine l'ere 2 poll. Ca- 
bjx 5-sepalus; in aestivatione valvatus. sejtala ad basin libera li- 
neari-lanceolata, intus flavescentia glaberrima, apice subrevoluta. 
Petala 5 hypogyna, vix sepalis breviora, obovato-spathulata, sub- 
acata, basi longiter unguiculata, in praeÜoratione convoluta, iu- 
tegerrima, laete aureo-flava, flaccida; unguibus ad basin glandulam 
nectariferam infra insertionem filamentorum coUocatam, transver- 
se oblongo-subrotundam obtegentem rufo-puberulis. Stamina oo - 
seriata, plurima, gynopliori apici inserta, iraa basi inter se con- 
nata; filamenta filiformia erecta, dein torta fusca flaccida; antherae 
terminales subrotundae bilocnlatae, antice longitudinaliter dehis- 
centes, dorso infra medium insertae, purpureo-fuscae , persisten- 
tes. Gerinen breve inter staminum basem connatara reconditum, 
subtrigono-globosum , pubescenti-liirtam 3-localatum; gemmulae 
in loculo quoque solitariae erectae ; stijlus filiformis longus albidus 
in apice acutiusculo truncatulo viridi stigmatosus, stamina peta- 
laque longitudine excedens. Fructus in ramo quoque inflorescen- 
tiae plerumque solitarii, raro bini nutantes, lignosi 3-quetri, sub-3- 
alati, indehiscentes, inter alas mucronibus firmis lignosis antro- 
sis armati, rarius abortu ancipites, ala tum fructum cingenti, 3- 
loculares locale 1 — 2 plerumque arbortivis l-loculares. Semina 
in loculis solitaria, ex ejusdem apice pendula, oblonga subcom- 
planata ; testa coriacea flavescens ; albv.men sat copiosum , embryum 



— 139 — 

involvens. Embrymn kiete viriele lucidaluin iiiversiun; racUada 
recta supera, luluui versus spectaus; cotijledones sat magnae pla- 
nae applicatae. 

Een heésteraclitige boom, die niet liooger wordt dan + 
25', met weinige zijtakken, maar die zeer geneigd is, om neven- 
stammen te maken. Zijne groote bloemtrosscn met gele 
bloemen en gedoomde vrucliten hebben geen onbehagelijk 
aanzien , hoewel de boom zelf niet fraai mag genoemd 
worden. Hij is vroeger van Bombg,y verkregen. Men kan 
hem door zaden en marcotten vermenigvuldigen. 

93. Corcliorus capsularls L. 

(WgJit. Icon. 311. hona!) 

Folia ovato- s. oblongo-lanceolata acmninata, basi rotundata aut 
subcordata, dontibus infimis setaceo-prodactis ; pedanculi o-flori 
oppositifolii. 

Eene zaaiplant, met houtachtige steng van 3 a 4' hoogte. 
Zij is geene sierplant, doch in Britsch Indië van groot 
nut, dewijl ze daar het zoogenaamde Juta-vlas oplevert, waar- 
in groote handel gedreven wordt, en Avaarvan ook de goe- 
niezakken voor verzending van koffij en rijst gemaakt wor- 
den , benevens allerlei touwv/erk en zelfs papier. Ook wordt 
de plant als moeskruid genuttigd. Zij groeit op Java ook 
hier en daar verwilderd, doch schijnt nergens in kuituur te 
zijn gebragt. De inlandsche naam is hier niet bekend. 

94. Triumfetta hitmifusa Hsskl. 

DiAGX. Ilerba Inxnrians litimifasa, minute stcUato-pnberuIa; 
ramis elongatis teretibns subangnlatis ; foliis sparsis in i'amis longe 
iuter se distantibns, ia ramulis jnnioribas sat densis, rameis sab- 
rotundis cordatis, 3-nerviis, profande 3-, nunc sab-5-lobis, lobo in- 
termedio obovato, basin versns attenuato, lateralibns ovatis aat 
oblongis nunc bilobis, ramuiorum secundariorum nnnc snbintegris, 
nnnc profnude 3-lobi3, omnibus dentatis crispatis e dentibus mar- 



_ 140 — 

<nne reflexo promiuullö, jnvenilibus stellato-puberulis , senioribus 
glabratis , subtus glaucescentibas ; stipulls liüeari-lauccolatis serru- 
latis; fioribus opposllifoliis solltarils, pedunculis brevibtis, sepalis 
llnearibus, petalis flavo-aureis, obovato-oblongis 6 — 7, stainina 
superantibus, sepala aequantibus. — Capsula depresso-globosa, diam. 
5-lin. , glaberrima lucidula, aculeis firmis rectis, vix hamulatis, 
ecliinata, vertice impresso, ö-locularis, indeliiscens , subllgnosa ; 
locuü 2-, aut abortu. 1-spermi; semina, ubi sibi. sunt appllcata, 
valde applauata, nee septo sejuncta, ovoidea acutissima, primo 
dense striguloso-puberula, .dein glabrata, 2 lin. longa, 1 lin. lata ; 
testa coriacea, suballutacea, valde crassa et dura, badia; embi'yuin 
intra albumen axillare excentricum aut centrale. 

Habit. Javae orientalis litora borealia, abi reperit eain Tejs- 
mann, horti bogoriensis hortulanas. 

Affines: T. procumhens Frst. (DC. Prdr. I. 508. 25), qnae difTerL 
foliis subtrilobis ; — r. radkans Boj. (Wip. llprt. II. 119. 7) 
difFert: foliis longe petiolatis ovalibus, oblongis vel rotundatis in- 
tegrls vel obtuse 3-lobis; — T. trilocularis DG. (1. c. 2G.) differt: fo- 
liis subrotundo-ovatis , superioribus ovato-lanceolatis.^ — T. dlvcrsi- 
ioha Prsl.. (Wip. Rprt. V. 110.) differt foliis vclutinis 5-lobis, lobo 
medio angnstato elongato. 

Eene kruipende overblijvende of vaste plant, die zich 
met hare plat ter aarde gestrekte stengen in hef mulle 
zeezand, direkt aan de kusten, vastwortelt. In den plan ten- 
tuin overgehragt groeit ze zeer Aveelderig en bedekt den 
bodem geheel en al over eene oppervlakte van ±12 vier- 
kante voeten, zoodat ze ook hier, hoewel niet noodzakelijk, 
hare roepmg volgt, om den bodem vast te leggen. Zij werd 
.door mij gevonden aan het strand te Tjilatjap, en later ook 
in het Bantarasche. De inlandsche naam van dit geslacht 
is hier algemeen PoinpolLvoetan. De voortteling geschiedt 
én door ranken, én door zaden. 

XXXV. DIPTEROCARPEAE 
',*, 95. Anisoptera bantamensis Hsskl. 

■.- v^,. Oeseey. A charactere generico (Endl Gen.. Suppl: IL 



— lil — 

80. 5392/1) nostra solum differt comiectlvo anthernrum 
haud in setam producto , vix mucronulato petalisque oLlongis , 
quae signa liaud sufficiunt ad constituendura genus novum. — 
A generibus confinibus differt nostra: a Dipterocarpo Grtn. 
(Endl. Gen. 5392) calyce j)rofunde 5-fido, tubo vix campa- 
nulato , lacinils omnibus dein excrescentibus coloratis , 2 ma- 
joribus, oblongis obtusiusculis subreflexis, 3 minoi'ibus e ba- 
si angustata ovato-lanceolatis acutis, aestivatione imbricativa , 
corollae petalis angustioribus (?), staminibus 15, antheris 
oblongis , connectivo in mucronem brevem \nx acutum pro- 
ducto, st} lo apice clavato, truncato, 10-crcnato, stigmatibus 
3 superpositis ovato-lanceolatis divaricatis, fruetu calycis tu- 
bo patellari suffulto sive calyce patenti cincto, stjdo dcciduo, 
foliis alternis , floribus paniculatis par\'is. — A Dryohalanope 
Grtn. (Endl. Gen. 5393. et Sppl. II. p. 80.) calycis laciniis 
OA'ato-lanceolatis , petalis oblongis, staminibus 15 biserialibus, 
haud in tubum connatis , antheris haud linearibus, stigmate 
haud capitato , calycis fructiferi laciniis omnibus excrescenti- 
bus, föliaceis. — DitFerunt dein Vateria L. (Endl. Gen. 5394 et 
Sppl. II. p. 80.): calyce fructifero immutato reflexo, stylo 
filiformi , stigmate simplici , staminibns (in Isauxi) haud per 
paria seriei interioris et exterioris colocatis. — Retinodendron 
Krth. (ad Isauxin ductum) : calyce dein aucto, nee inaequaliter 
evoluto. — Hopea Rxb. (Endl. Gen. 5396.) calyce 5-sepalo , 
sepalis 3 — 2 demum excrescentibus , antherarum connectivo 
haud in cuspidem setaceam producto, stylo filiformi, stigmate 
acuto , floribus flavis. 

DiAGN'. Arbor medlocris pyramidalis glaberrima; foliis oblongis 
breviter acaminatis basi nunc acutis, nunc obtusiusculis, nervis se- 
cundariis suboppositis , coriaceis, subtus lepidotis, supra nilidulis 
concavis, petiolo primo patenti, dein adscendenti; petalis oblongO" 
lanceolatis, apice infiexis et ciliolatis; antherarum connectivo. in 
mucronem brevem producto, calycis fructiferi lobis subcolorati.5 
3-nerviis, lepidoto-panctulatis, 2 longioribas subreflexis. 



— 142 — 

IIap-it. Keperi anno 1811 in sylvis montanis lltoris meridionalis 
provinciao Bantam, Javae insulae. 

Een regtstandigo boom van — 40' hoogte , die ecliter pas 
is Leginnen te blooijen , zoodat hij zeker eene veel grootere 
hoogte zal bereiken; hij heeft eene lange ovale digte kroon, 
uit vele hoofd- en zijtakjes zamengestekl. Ilij is door den 
iieer IIasskarl uit het Bantamsche verkregen, doch de in- 
handsche naam is onbekend. Hij wordt door zaden vermenig- 
vuldigd. 

XXXVI. TEENSTROEMIACEAE. 

96. Sauraiija pendula BI, 
{Krth. Verli. 12G.8 Wip. Rprt I. 370.2.) 

Observ. A charactere generico (Endl. Gen. No. 5414) 
differt nostra hisce : Calyx haud 2— 3-bracteolatus, sed brac- 
teae ad insertionem pedunculi et divisiones ejus sunt repar- 
titae ; axilla in bracteis siiperioribns saepe sterilis , gemma 
haud evoluta , reperitur ; laciniae petaloideae. Petala basi 
valde carnosa ad altitudinem 3 — 4 lin. connata , junta deci- 
dua (una cum staminibus,) praefloratio convoluto-imbricativa. 
Stamina 30 uniseriata, ima corollae basi inserta, basi inter 
se in coronam apice filamentosam connata ; 'antherae in ala- 
bastro extrorsae semilunari-curvatae , apice inflexo , dein 
'rectae inflexae introrsae evadunt; loculi basi sejuncti ibique 
rimula 4-tam antherarum partera longa dehiscentes. Styli in 
alabastro basi erecti, superne sinitrorsum flexuosi turbinati, 
albidi dein erecti, apice vix incrassato, stigmatosi. 

Descrpt. Frutex 4 — 6 pèd. altus foliosns. Bami sat crassi te- 
retes albido-cinerascentes rimulosi ; ramuli teretes virides 2 — 3 lin. 
crassi, ad apicem cum petiolo et foliornm jnvenilium nervo medio 
et venis utrinque squamulis dense obsiti. Squamulae virides ovato- 
lanceolatae acnminatae ant ovatae acutae, magnitudine diversa, stipu- 
lares maximae, e basi lata snbulatae, 1 lin. longae et basi latael 



— 143 — 

in folüs ramisque adultls nnnc decidaae, nunc subemarcidae per- 
sistentes et partem hanc asparam redden tes. Folia jnvenilla exacte 
intense viridi-glandaloso-serrulata , glandnlis subglobosis, evolu- 
tione dein inaeqaaliter sinuato-serrata, obovato-oblonga, nunc sub- 
ovalia, basin versus cuneato-attenuata, apice acuta aut breviter 
acuminata, cam petiolo 3 — 8 lin. longo 4 — 9 poll. longa, 1| — 3[ poll. 
lata. Racemi axillares 2A — Si poll. longi, patentissimi, apice nutan- 
tes 3-fidi, penduli, ad ramificationem priman, 1| — 2 poll. longi, 
et apice bibracteati; j^anii plerumque supra medium iterum 2-brac- 
teati , gemmis autem in axillis liaud evolutis, racemi plerumque 3- 
flori remanent. Pedunculi ejusque rami uti et bracteae pari modo 
ac ramuli et folia juvenilia squamulosi. Bracteae oblongo-lanceo- 
latae crassiusculae, laete virides, acutae aut acumiuatae, leviter 
serrulatae, serraturis mucronulatis , 6 — 9 lin. longae, 2 — 3 lin. la- 
tae ; superiores conformes sed minores. Pedicelli '1 — 3 lin. longi 
tei'etes, apice incrassati carneo-colorati glabri. Alahastrum suh^lo- 
bosum glaberrimum carneo-roseum, ad apices sepalorum se invi- 
cem arctissime imbricantium viridiusculum, diametro 5 — 7 lin. Se- 
2mla post anthesin pariter globoso-conniventia et sese imbricantia. 
fructum inclndentia, alabastrum referentia. Caetera vid. supra 
Observ. Fructus maturus desideratur. 

Habit. fruticeta ad pedem montis Gedeli, altitudine circit. 
4000 ped. 

In horto bogoriensi colitur frntex senilis robustus 8 — 10 ped. 
altus, quod ad folia juvenilia et inflorescentiam plane cum iis spe- 
ciminis supra descripti congruus. Folia in juvenilibus tironibus 
sunt obovato-elliptica, breviter acuminata, basi nunc valde inae- 
qualia, attenuata aut subcuneata, ad 10 poll. longa et 4 poll. 
lata, nunc oblonga acuminata aut acuta, basi aequaliter acuta 
aut subattenuata, 5 — 7 poll. longa, 2 — 3 poll. lata. Pedunculi nunc 
1-fiori. 

Een heester A'an 10 a 12' hoogte, die zich aan den voet 
in meerdere stammen verdeelt en vele zijtakken maakt, 
zoodat hij een' digten ovalen vorm verkrijgt. Om zijne 
hangende , niet onaardige bloemen zoude hij wel eene plaats 
in elk park -s'erdienen , doch in liet belommerde gebergte 
tehuis behoorende, laat hij zich daartoe niet dan met verlies 



— 14.4 — 

zijner schoonheid bezigen. De inlandsche naam is voor het 
geheele geslacht Kilehlioh. De voortteling geschiedt door 
zaden en ook gemakkelijk door marcotten. 

XXXVII MELIACEAE. 

97. Melia japonica Don, Hsskl. 

[Don Ilist. Dichlam. I. 680, itbi erronee foila p)innata 

dicuntur, Hsskl. Catal. p. 219, Wip. Eprt. V. 373, 

uhi diagnosis refor??iata.) 

Desckiptio. Folia 13 — 15 poll. long-a, 9 — 11 poll. lata, eir- 
en mscriptione ovata; foliola 5 — 7 ovato-lanceolata, longiuscule et 
et acute acuminata, 1^ — 2| poll. longa, 10 — 16 liii. lata, ad me- 
dium pleruraque integerrima, snpra mediam ant integerrima, aut 
obsolete crenulata, in acamine integerrima, basi subinaeqnalia, jn- 
venilia supra partim et subtns dense albido-punctulata e pilis 
stellatis microscopicis multi-radiatis et ramosis, dein supra glabra- 
ta. Panicnlae avillares, folio suo breviores, 2 — 3-cliotomae, ramis 
divaricatis. Flores lilacini odoratissimi. Tabas stamineus viola- 
ceus. E Japonia introducta. 

Een stijve regtstandige boom , die echter al spoedig zware 
zijtakken maakt, -waardoor de middenstam opgelost wordt. 
Hij bereikt zoo de hoogte van ± 30' , met vele kleine 
opstaande zijtakjes, en verliest soms alle zijne bladen, 
om, alvorens nieuwe te maken , zijne prachtige bloemtrossen 
ten toon te spreiden , waarmede alle toppunten alsdan sclierm- 
vormig omgeven zijn. Tegen den tijd , dat zijne vruchten 
rijpen en geelachtig worden , begint hij ook zijne bladen 
weder te verliezen. Deze boom laat zich door zaden even 
als door marcotten gemakkelijk voortplanten en wordt in 
Japan genoemd : Zendan of Malmi-zendan. De javasche 
naam voor dit geslacht is Miendi en ook Kakera - klkera. 



— 145 — 

98. Sandoricum glaherrimum Hsskl. 

DiAG>J. Arbor, folüs 3-toliolatis, foliolis (quam ia speciebus 
sequentibas multo minoribns) glaberrimis obloagis aut elUpfcico- 
oblongis, breviter aciiminatis, lateralibus mediocriter petiolalatls , 
intermedio longius petiolulato, nervis secundariis subtiis paulo 
promiimlis, pauiculis ad apicem ramorum axillaribns glabriuscnlis , 
folio suo iiunc bi-evioribus , nunc longioribus, floribus pedicellatis 
plerumqne in ramo quoquo o-nis. — Habitat Javae occidentalis syl- 
vas montanas. — Foliaó — 9 ^ poll. longa ; petiojus communis 1^ — 2l 
poll. longus; petioluli foliolorum lateralium 2 — 4 lin. longi, inter- 
medii 1 — 1^ pollicem vix excedentes; foliola lateralia 21 — 5 poll. 
longa, 15 — 30 lin. lata, intermedium 5! poll. longnm, 2 — 3 poll. 
latum ; panicnlae G poll. longae ; flores ulbidi dein flavescentes sua- 
veolcntes. 

Deze drie soorten (Xo. 98 — 100) worden door de inlanders 
onder de vruchtboomen gerangschikt, hoewel de vruchten niet 
veel aangenaams van smaak bezitten. Zij hebben bijna den- 
zelfden habitus , hoewel de eerstgenoemde nog al verschillend 
van aanzien is, wat zijne meer glanzende bladen en dunnere 
twijgen betreft. Deze boomen hebben eenen niet zeer hoo- 
gen stam, maar verdcelcn zich spoedig iu meerdere grove 
takken , die met hunne vertakkingen eene breede ronde 
kroon vormen, welke de hoogte van 40' — 50' bereiken 
vooral als ze in de kampongs tusschen ander geboomte 
worden opgezwiept , als wanneer de stam ook hooger be- 
gint zijne kroon te vormen. De stam verkrijgt een dikte van 
1 — 2' diameter, doch het hout is van weinig waarde. 

De vrucht van No. 98 is genaamd Katjapl (de boom 
Kikafjapi); zij is minder bekend, doch volgens de inlan- 
ders gelijk aan de derde. 

Observ. Species duae sequentes , quac pariter ac haec 
nova foliolis integerrimis gaudent, e diagnosibus nimis bre- 
A^ibus clrss. Blumei haud rite distinguendae sunt, quam ob 
causam addam diagnoses reformatas et ampliatas. 



— 14G — 

99. Sandoriciirn indicum BI, 

[BI. Bijdr. 163). 

DiAGXOS. reform. Arbor foliis 3-follolatis, foliolis bi-eviter pe- 
tiolulatis, late oVatis, nnnc suboblongo-ovatis , basi inaequaliter 
rotundatis, nnnc intermedio subcuneato, acutis aut breviter aca- 
minatis, juvemlibus puberulis, dein glabi'atis, supra nervos se- 
cundarios subtus valde robustos evaratis, intermedio majori lon- 
gius petiolulato ; paniculis axillaribns puberulis , petiolo suo lon- 
gioribus, folio toto autem brevioribus; floribus bracteatis aggre- 
gatis. — Folia rami fiorentis ad 15 poll. longa; petiolus communis 
3 — 4| poll., petioluli foliolorum lateralium 2 lin. longi crassi 
teretes , intermediorum Ij poll.; foliola lateralia 5 — fiy poll. longa, 
3 — 3| poll. lata, intermedium 7 — 8 poll. longum, 4 poll. latum. 

Deze , de Sentoel , is de minst geachte vrucht en zeer zuur. 
De schil is zeer dik, en wordt niet anders gegeten als tot 
konfituur bereid. Slechts de vleezige pitten worden afgezogen. 

100. Sandoricum nervosiwi BI. 

[BI. Bijdr. 163.) 

DiAGNOS. reform. Arbor foliis 3-foliolatIs , foliolis nunc subro- 
tundo-ovatis , apice rotundatis aut acutis, nunc ovato-oblongis 
acuminatis, primo utrinque pubenilis, dein supra glabris nitidulis, 
subtus pubernlo- velutinis , lateralibus breviter petiolulatis, termi- 
nuli longiter petiolulato, nervis lateralibus supra exaratis, subtus 
crasse prominulis, (paniculis virgatis axillaribus e? Bi.). — Folia 
5 — 17 poll. longa, petiolus communis puberulus Ij — 7 poll.longus, 
petioluli laterales 2 — 3 lin. longi, terminalis 8 — 32 lin. longus, 
foliola lateralia 2\ — 71 poll. longa, 1| — 4 poll. lata, terminale 
3^—8 poll. 2— 4[ poll. latum. 

Ook deze heet Katjajn; daarvan wordt de schil even 
als van de vorige tot konfituren gebezigd, en de pitten 
mede afgezogen, die niet zuur en nog al aangenaam van 
smaak zijn. 

Men vindt deze boomen (No. 98 — 100) in meest alle 



— 147 — 

kampongs (dorpen) ; ze laten zich gemakkelijk van de vrij 
groote pitten voortplanten. Do bloemen zijn weinig aan- 
zienlijk en meestal onder de groote bladen verborgen , 
even als do Langende groene vruchten , die eerst bij het 
rijpen geelachtig worden. 

loi. Walsnra? pimiata Ilsskl. 

Obsert. Germen 2-loculare , annulo laetc rui)ro, colorato 
circnmvallatum ; in loculo quoque adsunt gemmulae binae ; 
stigma depresso-globosum ; bacca exsucca. — Folia impari-pin- 
nata 2-juga. 

DiAGX. Arbor mediocris, coma dense globosa, ramls teretibus 
cinereis rimulosis; folüs alternis pinnatis 2-jugis cam impari; 
rhachi ad foliolorum insertiones et petiolulis utrinqae nodoso- 
incrassatis; foliolis versus apicem folli majoribns coriaceis glaber- 
rlmis, supra concavis, oblongis aut oblongo-lanceolatis , longiter 
acuminatis, basi breviter attenuatis et inaequilateris , integerrimis, 
nervis secundariis conspicuis suboppositis patentibas; subtiis glau- 
cescentibus; panicalis ad apicem ramorum axillaribns aut foliis 
abortivis subcongestis flistigiatis glabris; rbachide complanata; 
bracteis caducis, ramis patentibus; floribus copiosissimis albicHs 
parvis; fractibus monospermis. — Folia 12 poll. longa; rhachis 4 — 6.J 
poll. longa; foliola 4 — 8 poll. longa, 1[ — 3 poll. lata, petioluli G- 
llneares; paniculae totam arborem obtegentes Intescentes, 6 — 8 poll. 
longae; flores vix 2 lin. longl. — Reperi anno 1841 in Javae provin- 
cia Bantam in sylvis montosis litoralis meridionalis. 

Een nog jonge boom, van 25' hoogte en G" dikte, die nu 
voor het eerst gebloeid heeft , doch vv-elks breede ronde , 
bijna platte , ondoorzigtbare kroon met opstaande en neder- 
gebogen takken nu ook geheel met opstaande blocmtros- 
sen als overdekt was , en vele vruchten heeft voortge- 
bragt. Hij is door den heer PIasskarl uit het Ban- 
tamsche in den tuin overgebragt, doch de inlandsche naam 
is onbekend. De voortteling zal door zaden moeten geschie- 
den. 



— 148 — 
XXXVIII. POLYGALACEAE. 

102. Polygala (BlephariJium) javana DC. 

[DC. Prdr. I. 327. Wght.etArn. Prdr. I. 28.137. Don 
Bist. Dicïd. L 354. 90.). 

Observ. Diagnosis Candolleana, hand plane quadrat, nam 
est nimis incompleta , forsan secundum specimen recenter flo- 
rens siimpta. Differunt species affines sequentes hisce notis: 

P. WigJitiana Wip. (Rprt. /. 233.18, Wght. Icon. I. 67. 
Wglit. et Arn. Prdr. I. 38): glabritie et colore, ram is dif- 
fusis , foliis linearibus , racemis brevioribus , alis oblongis 
acuminatis, capsula oblonga liaud ciliata; — P. crotallarioides 
Hmlt. (DC. 1. c. Don. Dichl. I. 354. 91.) fructu pubescente, 
alis villosis , foliis petiolatis , caule sufFructicoso difFuso et e 
Wil. pi. as. rar. t. 185 toto liabitu; — P. liumilis Spanogli. 
(Wip. Rprt. I. 234.33.) alis ovalibus acuminatis subfalcatis^ 
fructu ovali , ramis prostratis , foliis elliptico-lanceolatis ; — P. 
rufa Spanogh. (Wip. 1. c. 32; Hsskl. PI. Jungli. p. 125.) 
fojiis angnstioribus , racemis terminalibns , capsula oblong o- 
elliptica; — P. densifora BI. (Wip. Rprt. 1. c. 31.) racemis 
supra-axillaribus , alis ovali-oblongis acuminatis falcatis. 

Descrpt. TIerha suberecta; caulis puberulus teres; rami pauci. 
Folia obovato-cuneata, breviter petiolata, 10 — 14 lin. longa, 4 
lin. lata. Racemi oppositifolii , primo oliganthi 7 — 8-flori, folinm 
suum vix excedentes, dein sensim elongati, Hores plurimos deci- 
duos snccesive proferentes, apice soinmmodo fertiles, frnctus pau- 
cos gerentes, ad 4| poll. longi; ad pedieellorum insertionem brac- 
teis o persistentibus vegetis reflexis ovatis acnmiaatis ciliolatis 
muniti. Alae subrotundo-ovatae acutae flavescentes , nervis viridi- 
bus percursae, minutissinae puberulae, capsula sua paulo longiores; 
carina barbata, Capsula orbiculata. — In graminosis prope Bogor 
et in liorto ipso sua spoute ubique copiosa. 

Eene zaaiplant, die liefst in eenen vasten grasbodem 
groeit. Zij wordt slechts een voet hoog, en behoort niet 



— 149 — 

tot de fraaiste van cllt geslacht, Avijl de bloemen naainve- 
'lijks van de bladen zijn te ondersclieiden . Zij vrordt hier 
overal Avild gevonden ; de inlandsclic naam is Lida ajam. 

103. Pobjijala [Tiinutua) variahllis H. B. K, /3. albi flora DC. 
[DC. Prdr. I. 328. 80.) 

Obskuv. An eadem species ac P. scoparia II. B. K. (DC. 
1. c. 329. 101)? cujus patria tantum recedere videtur; 
nostra enim e solo brasiliensi sua spontc progressa est. — P. 
paludosa Hil. (Wip. Eprt. I. 239. 78.) differt foliis baud . 
aut vix punctato-pellucidis , alis ellipticis unguiculatis , flo- 
ribus amethystinis , seminibus apice trimcato-obtusis 2-appen- 
diculatls. 

Desckpt. Ilerba tenera, pedem altitudlne vix excedcns, laete viri- 
dis, minutissime puberula, ramosissima fastigiata foliosa. Folia 
alterna anguste linearia, brevissime petiolata patentia, 4 — 8 lin. 
loDga, vix 1 lin. lata, pellncido-punctulata, acuminata. Injiores- 
centia primo terminalis, dein ramo axillari excrescente subopposi- 
tifolia, spicato-racemtisa laxa multiflora, javeniiis pollicem circiter 
longa, dein lioribus succedaneis elongata, ad ó poll. longltudinem 
excrescens, floribus fructibusque dein successive decidnis solum 
versus apicem pollicem longum fertilis. Flores parvi albidi, 
ante antbesin erectl, sub anthesi patentes, post antliesin deflexi, 
locgitndinem 1 lin. vix excedentes; aZae oblongae acutae, basi levi- 
ter attenuatae; carina apice processubus 4 patentissimis (sub an- 
thesi) praedita, iadeque apice stellulam praebens. Fmctus glabri 
viridi-flavescentes , oblongi, a latere subcompressi, apice vix emar- 
ginati, in sutura ntrinque intensius virides, alls persistentibus ve- 
getis, nervo medio cum collateralibus ad medium solum tangentibus, 
purpurascentibus percursis, fructui subaequilongis fere toti obtecti, 
maturitate elastice loculicide debiscentes. Vcdvae revolutae cum 
dissepimento persistentes, utrinque semen unicum, ex apice fructus 
pendulum, sed fructu pendulo nunc erectum praebentes. Semen um- 
bilicum^appendiculis biuis teuerrimis albidis, dimidium semen lon- 
gis, linearibus subfixlcatis praeditum, uigrum cylindricum, basi pau- 
lo atteuuatnm, pilis crebis sparsis hirtulain. 



— 150 — 

Een tenger zaaiplantje van ± 1' hoogte, dat wegens de 
vele kleine witte bloempjes een geheel witachtig aanzien 
heeft. Het is uit braziliaansche aarde opgekomen en hier 
geheel verwilderd. 

XXXIX. CELASTEINEAE. 

104. Celastrus repanda BI. 

(BI. Bijdr. 1145. Wip. Rprt. I, 533. 3.) 

DiAGN. reform. Follis suboppositis ovato-oblongis s. oblongo- 
lanceolatis acuminatis, nunc acutis subhicidis pergamaceis 
rigidis venoso-reticulatis , venis prominulis, margine calloso-crena- 
tis subrepandis , cymis dicbotomis axillaribus , folio subaequalibus. — 
In borto rarissime flores profert, attamen 1843 florentem exami- 
navi. — Petioli semiteretes 6 Un. longi, folia 3 — 4 poll. longa, 2 — 
1^ poll. lata, rami teretes subglaucescentes, nervus medius folio- 
rum cum petiolo rubescenti-flavescens. 

Eene boompje van 25' hoogte en G" dikte, met korte hori- 
zontale takken, waaruit soms op een voet afstands van den 
stam regtopstaande stammetjes voortkomen. Volgens den heer 
Bluüe zoude het aan den Gedeh voorkomen; de in- 
landsche naam is niet bekend. Door marcotten laat het 
zich vermenigvuldia-en. Vruchten heeft het hier nog niet 
voortgebragt en de bloemen 'zijn zeldzaam. Welligt is het 
eene japansche plant. 

105. Stplionodon celastrinus GrfF. 
{Endl. Gen. Sppl. IV. iii. p. 84. JFlp. Rprt. V. 404.) 

OiiSERv. Ob embi^yum perfcctiiis , totum semen longitudine 
aequans , Celastrineis potius , quam Itlcineis adnumerandum 
genus videtur. 

Descrpt. Arbor humilis; coma pyramidalis laeté vlridis. Ramt 
teretes subgeniculato-ilexuosi cinerascentes primo longitudinaliter 
et dein quoque trans verse riraulosi, glabri; ramidi virides teretius- 



— 151 — 

culi glabri. Stipulae minutissimae, caclucae, ia siipremo apice ra- 
. muloruni tantum conspiciendae, ovatae. Petioli breves 2 — 3 lin. 
longi, semiteretes, glabri, erecto-patentes, virides, supra plani. 
Folia alterna oblouga aut elliptico-oblonga, rarius ovato-oblonga, 
saepe angusta , S, — 8 poll. longa, 1\ — 3 poll. lata, acuminata aut 
acuta, basi acuta, margine plus minus conspicue crenato-serrato , 
undulata, et medio cancava, curvata, coriacea glaberrima, supra 
nitidula, laete viridia, nervo medio subtus valde prominulo, secun- 
dariis saepe suboppositis erecto-patentibus, intra marginem anas- 
tomosautibus ope venularum reticulatarum. Pedunculi axillares 
petiolo vis lougiores, patentes succedauee umbellatim 3 — l-flori, 
simul semper 1-flori. Bracteae ad basin pedicellorum miuutissimae 
cisque arcte adpressae latae, vix 1 mllmt. altae, vii'ides; j;c?cZjce^/j 
virides teretes patentes, 3 — 3^ lin. longi, apice paulo iucrassati. 
Cahjx cupulaeformis vrridis extus glaber ; limbus 5-fidas membrana- 
ceus flavescens deciduus; ladniae (sub anthesi) patentes ovato- 
subrotundae , diametro \ lin. Petala 5 calycis laciniis alterna, erecto- 
pateutia, obovato-subrotunda, diametro verticali 2 lin., transversali 
\\ lin., carnosula fiavescenti-albida integerrima glaberrima deci- 
dua. Stainma 5 petalis alterna cum hisce hypogyna, basi inter se 
connata, erecta, supra pistillum conniventia, arcum mitraeformem 
(ad instar petalorum Bocagearum et Uvariae macranthae &:c.) Ibr- 
mantia, albido-flavescentia, 1 lin. alta; filamenta complanata apice 
inflexa in connectivum continua; antherae pro ratioue floris parvae 
ovato-cordatae acutae biloculares ; locuU ab apice basin versus di- 
vergentes, utrinque ad marginem connectivi adnatae, longitudina- 
liter deliiscentes, crystallis tenuissimis acicularibus albidis micros- 
copicis foeti; pollen (sub aqua visum) 3-gonum, in angulis poro- 
sum, fovillam emittens. Germen semiimmersum, subliberum, e basi 
subglobosa conicum, apicem versus leviter sulcatum glaucescens, 
diametro 1 lin., superposite 2 — 3-seriatim oo-loculare; stylus nul- 
lus aut si mavis apex conicus germinis perforatus; stljma punctl- 
forme; geminnlae in loculo quoque solitariae alternae pendulae, al- 
ternae diversae seriei erectae. Frnctus aurantii pomi minoris faciem 
praebentes, colore citrino, l^ — 2 poll. longi, 1 — 1\ poll. lati, o-la- 
bri, apice subumbonati drupacei subcaruosi; imtamina tot quot 
germinis loculi in carne sicca grumosa dura flavo-aurantiaca ni- 
dulantia, eique arcte adhaerentia, angulo interne fructus affixa, 



— 153 — 

Gompressa, latitvidine sua radio fructus parallela, traas verse su- 
perposita, ovalia 6 lin, longa, 4 lin. lata, 2^ lin. crassa ligQOSa; 
testa membranacea fusca tennis; embryum in albnmine subcorneo 
lacteo centrale, longltudine totlus seminis, complanatnm ; cotyle- 
dones maximae orbiculare-j applicativae, basi subcordatae, diametro 
3 lin.; radicula minima 4 lin. longa, cylindrico-conica, liilum ver- 
sus spectans. 

Habitat sylvas montis Salak Javae occidentalis. 

Een noo- joncje boom van 20' lioo2;te en 6" dikte met 
lange stijve horizontale takken, regelmatig op korte afstan- 
den rondom den stam geplaatst , -welke eenigzins den pijra- 
midalen vorm nadert. De kroon blijft doorzigtig, dewijl de 
oudere bladen al spoedig afvallen, en slechts bladen aan 
de jonge takken gevonden worden. Hij behoort aan den 
berg Salak te huis. De inlandsche naam is niet bekend. 
Hij wordt door zaden vermenigvuldigd. 

XL. ILICINEAE. 

106. Villaresia scandens Hsskl. 

Desckpt. Fnitex scandens, habitu Fid cujusdam; rami tere- 
tes graciles subHexuosi; ramidi cum petiolis et inflorescentia fusco- 
puberuli, dein glabrati, albido-clnerei; petioli subteretes 0.007 — 
0.012 (1) longi, patentissimi semitorti, in ramis sterilibus 0.005 — 0.007 
longi; stipulae caducae, e basi latiuscula attenuatae, 0.004 longae, 
ad latus utrumque petioli. Folia alterna patentia, in ramis steri- 
libus ovalia aut ovali-obovata, basi plus minus inaequali-rotunda- 
ta, apice brevlter acuminata, ad 0.19 longa, 0.11 lata; in rauiis flo- 
riferis obovato-, aut ovali-oblonga, basin versus attenuato-acuta, 
apice breviter abrupteque acuminata, coriacea subpergamacea , su- 
pra intense viridia nitida glaberrlma, nervo medio primo pube- 
rulo, dein glabrato, subtus minute puberuia, laete viridia 0.09 — 
0.12 lont^a, 0.04 — O.OG lata, margine integerrima aut subrepanda. 
Inflorescentia terminalis paniculato-cymosa aut in apice ramorum 



(1) Metri (mensurae gall. & nederl) 



— 153 — 

erecta, raiuis patentibus; hvacteolae minutae lineares subincurvatae 
caducae, vix 0.002 longae, ad ramificationes et basin pedunculo- 
rum. Pedunculi brevissimi erecti 0.001 — 0.002 longi, sub floribus 
articLilati. Flores paryi , aperti diametro 0.006 , albido-flavescentes , 
in alabasti'o una cuin iuflorescentia minute pubernli. Calyx liber 5- . 
sepalus : sepala in alabastro imbricativa , subrotunda extus, puberuia 
subcarinata, intus glabra concava, in anthesi dein reflexa. Petala 5 11- 
bera, sepalis alterna erecta ; ƒ to?nen?a petalorum. tres quartas partes 
longa, albida filiformia stricta apice acuta ; antherae parvae candidae 
2-loculares longitudinaliter introrsum dehiscentes, subrotundae, dor- 
so supra basin bifidam insertae persistentes. Germen subsulcato- 
pyramidatum, apice truncatum villosum , filamenta dimidia longum , 
biloculatum; cjemmulae in loculis solitariae pendulae; styhis teres 
albidus glaber terminalis erectus strictus, germine longior, apice 
stigmatosus emarginatus. Fnictus immaturi sepalis petalis et sta- 
minibus persistentibus emarcidis sufflilti, complanato-glabri ve- 
lutini, plerumque inaequilateri, styli rudimento excentrico co- 
ronati, loculo altero abortivo ad basin conspicuo, altero fertili 
1-spermo; semen teretiasculum pendulum. Fructus matw'i subglo- 
bosi, uno latere e basi ad medium, ubi cicatrix stylaris, leviter 
carinati glabri subaurantiaci, diametro vertlcali 0.03, trans versali 
0.024:, uniloculati; rudimento loculi abortivi ad basin conspicuo, 
drupacei, subbaccati, vix lignosi. Semen e dissepimento pendulum 
globosum, in centro cavitate 4-angulata (an semper?) praeditum; 
embryum semen totum im plens; radimla in parte seminis superior! 
lateralis, versus liilum spectans ; cotyledones carnosae plano-convexae 
(nee plano-orbiculatae) ; albumen nullum. 

Deze hoog klimmende, doch niet wmdende heester, welks 
stam beneden 3" dik is, heeft al het aanzien van eene Fi- 
cus-soort, -.vaarmede zijne bladen zeer veel overeenkomst 
hebben. Zijne ranke loten schieten in het geboomte regt- 
standig op tot eene hoogte van wel 50' en vertakken zich dan 
veelvuldig naar alle zijden, zonder dat aan deze zijtakken 
zijne klimmende aard te bespeuren is, en vormen daar- 
door eene breede digte ondoordringbare massa, -waarmede 
b. V. eene groote mangaboom , geheel omhangen en bedekt 
is. Hij behoort mede in deze streken te huis. De inland- 

X. 11 



— 154 — 

scbe naam is Derangdan aroij. Hij laat zich gemakkelijk 
door marcotten . vermeerderen , even als door zaden , die 
echter , niettegenstaande het groot aantal bloemen , slechts 
zelden voorkomen. 

XLI. AQUILARINEAE. 

107. Drimyspernmm Blumei Dccsn. 
{JFlp. Bprt. V. 409.2.) 

DiAGN. refo7'm. Frutex ramis erectis, foliis oblongo-lanccolatis 
utrinque attenuatis glabris, capitulis subsessilibus axillaribus aut 
terminalibns 15-floris , ex trorsum glabris; laciniis minute cibolatis. 

Habitat Javae centralis partem meridionalem , ubi prope 
Djokdjakarta legit Teysmann. — ^Folia 4] — 5 poll. longa, \\ poll. 
lata, obscure viridia, integerrima, nervo medio supra vix promi- 
nulo; capitula 15-flora; flores 9 lin. longa, tubus linearis; limbus 
4 — 5 — 6-partitus; stamina plerumque 8. 

Deze heeft veel overeenkomst met de volgende, doch 
blijft slechts een kleine heester van hoogstens 6' hoogte , 
die meestal met enkelvoudige stammetjes en zeer weinige 
takken groeit. De bloemen komen enkel aan de opstaande 
uiteinden der takjes voort. Het blad is ook meer gelijk op 
de oppervlakte , terwijl dat van de volgende gegolfd is. Deze 
heester Avordt in het midden van Java gevonden , waar hij be- 
kend is onder den naam van Apit. Te Banjoewangi en te Ba- 
li bolding komt een dergelijk heestertje voor onder den 
naam van Martjoegoenda, dat als geneesmiddel tegen 
koortsen gebruikt wordt. Het is echter nog onzeker of het 
eene andere soort is, Avat de van daar overgebragte plan- 
ten nader zullen uitwijzen. Hij schijnt daar echter niet 
hooger te worden, dan een paar voeten en wordt door 
zaden en marcotten voortgeplant. 



— 155 — 

108. Drimyspermum laurifolium Dccsn. 
{IV Lp. Rprt. V. 409.3.) 

DiAG>f. reform^ Arbor hnmilis, ramis patentibus, foliis breviter 
petiolatis oblongis aut elliptico-oblongis, acnminatis, basi plas mi- 
nus attenuatis aut acutis; capitulis ad apiceni ramorum termina- 
libus 6-floris plerumque geminis congestis, Üoribus glabris, laciniis 
miiiute ciliolatis, drupis coloratis subglobosis apiculatis glomerato- 
congestis. — Habit. Javae occidentalis sylvas frequens. 

Descrpt. Folia cum petiolo 2 — 3-lineari5 — 6 polL longa, 1| — 
2* poll. lata, pallide vii-idia, margine subreflexo minute undulata; 
nervo medio cum secundariis snpra acute prominulo. Flores iis 
praecedeutis speciei paulo miuores, caeterum valde sbniles glabri; 
laciniae limbi minute cDiolatae ; cajntula minus densiflora \an sem- 
per?). Drupae subglobosae, transverse latae (9 lin.) et "crassae, 
7 lin. altae, basin versus laete puniceae, apicem versus flavescen- 
tes, apiculatae. Pericarpium coriaceum; mesocarpium pulposo-car- 
nosum albidnm, insipidum subdulce. Nuces duae plano-convexae , 
pulpae arcte adhaerentes eaque involutae; putamen duplex; ex- 
terius fibroso-reticulatum sat firmum, pulpam succosam includens, 
tenuem, interiorem albidam, dein arcte adbaerentem, arillum basi 
crassum caeterum tenuem fingentem; interius fragileatrum crnsta- 
ceum. Semen depresse globosum compressiusculum 4 lin. latum , 3 
lin. altum et crassum; testa tennis membranacea albida; coty- 
ledones totum semen implentes inaequales, altera crasslor; ra- 
dicula in apice seminis inter cotyledoues vix prominula minima. 

Een fraaije boomachtige heester, die eene lioogte van ± 
12' bereikt en welks takken en stam soms met sneeuwwitte 
bloemen bedekt zijn. Ook de rijpe oranjekleurige vruchten 
geven aan dezen heester een niet onaardig aanzien. Hij* 
groeit liefst in de schaduwrijke bosschen , waar hij slanker 
en met minder takken opschiet, dan wanneer hij in tuinen 
is aangeplant, waar zijne takjes veelal horizontaal omgebo- 
gen worden. Hij heeft dit met de Daphnoïdeae gemeen , 
dat zijn bast leerachtig en uit sterke vezels is zamengesteld, 
die bij de inlanders wel tot touwwerk gebezigd worden , 



— 15 6 — 

waarom zij hem ook den naam van Kakopasan (katoenach- 
tig) gegeven hebben. Hij komt voornamelijk in West- Java 
voor en wordt door zaden even als door marcotten ge- 
makkelijk voortgeplant. 

XLII. EUPIIOEBIACEAE. 

100. ' Alchornea Zollingerl Ilsskl. 

Obsery. A charactere generico (cf. Endl. Gen. 5796) vix 
recedit floribus monoicis , calyce femineo 6 — 8-(nec 5-) par- 
tito , fructu hand baccato. 

DiAGXOS. Arbor liumilis fruticosns, ramulis vlllosiusculls, sti- 
pnlis lineari-lanceolatis acuminatissimis ; foliis sparsis longiter 
petiolatis, ovatis, ovato-oblongis aut subrotnndo-ovatis , plas mi- 
nus abrupte acuminatis, basi nunc rotundatis mme subattenuato- 
acutis et bistipellatis, stipellis rubris subulatis decidnis, 3-nerviis, 
su-btus villosis, snpra glabratis, perforato-punctatis, in axillis 
nervorum subtus glandulosis ; floribus monoicis, masculis in racemis 
interrupte spiciformibus lateralibus glomeratis , femineis in racemis 
terminalibus bracteatis oliganthis , dein polyanthis ; fructu 3- , aut 
abortu 1-cocco glabro, stylo coronato, pergamaceo, sexpartibili. 
. Habit. Zoüi]ujei\ vir clrss., speciem hanc insignem in Sumatrae 
insulae provincia meridionali » Lampong" dicta , reperit horto- 
que benevole communicavit. 

Desckpt. Arhor sat elegans humilis fruticosus; rami laete vi- 
rides teretes, juniores villoso-pubescentes. Stipulae sanguineae, 
lineari-lanceolatae acuminatissimae erectae, 2\ lin. longae, deci- 
duae. Petioli teretes virides, supra, basi apiceque plus minus ru-, 
bescenti, villosi, 1 — i\ poll. longi. Folia sparsa, ovata ovato-ob- 
longa aut subrotundo-ovata, plus minus abrupte acuminata, acumine 
acutissimo, basi nunc rotundata, nunc subattenuato-acuta, ad in- 
sertionem bistipellata , stipellis teretibus attenuato-subulatis ru- 
bris, 1 lin. vix longis, ei-ectis, conniventibus, deciduis, 3 — 8| poll. 
longa, 1\ — 6 poll. lata, crenato-serrulata , serraturis glandulosis, 
basin versus subintegra integrave, basi 3-nervia, subtus in axil- 
lis nervorum lateralium cum intermedio, hinc inde et inter late- 



— 157 — 

rales et marginem, plerumque glandula scutaeforml lucltla, in pa- 
gina superioi-e colore pallidiore conspicaa, obsita, yervis secun- 
dariis oppositis, suboppositis imoqne alternis, plerumque in paria 
5 — 6 repartitis, subtus sat promiuulis, venis pulclierrime reticu- 
latis, supra minute puberuia, dein glabrata, subtus villosa, per- 
forato-punctulata e glandulis diaphanis minutis punctiformibus 
parenchymati immersis. Floi^es monoici. Masculini in racemos 
interrupte spiciformes laterales (e gemmulis ante axillaribus, foliis 
antem jam per longura tempus deciduis prorumpentes) patentes, 
graciles, 2 — 2} poll. Ion ges, laete virides congesti, in bractearum 
niinutarum, e basi lata acatarum, deciduarum axillis 3 — 6 glomeru- 
lati, breviter pedicellati minuti caduci. RliacMs teretiuscula liir- 
suto-puberula. Alabastra globosa laete viridia, puberuia nitidula, 
apice breviter apiculata, striis intensius viridibus 4 uotata, mar- 
gines laciniarum calycis iudicantibus. Calyx in pedicello vix | lin. 
longo tenuissimo tereti valvatim 2-, rarius o-partitus ; ladniae iiiter 
se saepe coliaerentes, concavae, stamina patentia sustinentes. Stainiiia 
8 germinis rudimeutum centrale minutara apiculatum cingeuta ; 
filamenta omnia in cupulam membranaceam ad medium usque co- 
liaerentia, superne libera latiascula, alterna paulo breviora, dentes 
cupulae, dein reflexa umbrellam margine dentatam et ib que an- 
therifei'am referentia; antherae calyce jam aperto adliuc in globu- 
lum cobaerentes et interiores interstitia exteriorum lougiorura sis- 
tentes, dein elastice resilientes et pollen globoso-trigonum emit- 
tentes, supra medium dorsum insertae, primo subglobosae, apertae 
oblongae, biloculares, loculis longitudinaliter dehiscentibus, oblon- 
gis, valde apertis. FLores feminei in racemos terminales spicifor- 
mes bracteatos, e floribus plurimis inevolutis saepe oligauthos 
imoque unifloros, 1 — 2 poll. longos, fructificantes o poll. longoa 
dispositi. Rhaclds teres hirsuto-puberula, in parte floribus desti- 
tuta plerumque bracteis plus minns emarcidis persistentibus tecta. 
Bracteae e basi latiuscula acuminatissimae erectae adpressae, 1 lin. 
longae, ad insertionem nunc utrinque, nunc ad latus unicum tan- 
tum glandula viridi aut apice sanguinea i-otunda lucidula plas 
minus elevata praeditae. Bracteolae axillares coUaterales minimae 
subulatae, vix A Hn. longae, a bractea saepe obtectae, omnes in fruc- 
tiferis racemis cum calycis laciniis deciduae, glandulis magis ele- 
vatis et vertice impressis tantum persistentibus. Calyx imbri- 



— 158 — 

cativas, G — 8-partitus; ladiiiae e basi lata acutissimae, uti brac- 
teae extus puljeralae, ciliolatae, 1\ lin. longae, interiores angus- 
tiores, erecto-conaiventes , virides, ad basin glandulis alternis 
plus minus conspicuis viridibus aut sanguineis notatae, longe per- 
sistentes, in fructu dein deciduae. Germen glabrum subgloboso-tri- 
gonum, apice depressum, viride, J- lin. longum, 3-loculare ; ^remwwZae 
in localo quoque solitariae; stylus viridis glaber crassus teres, 
7| lin. longus; s%??ia^a 3 subuliformia erecta stricta, intus papil- 
losa, 6 lin. longa, dein cnm stylo marcescentia persistentia. Fimc- 
tus 3-cocci, glabri depresso-subtrigono-globosi, diametro 3 lin., 
aboi-tn nunc 2 — 1-cocci et irregulariter extus conformati, stylo 
persistenti nunc plus minus laterali aut subbasali ; epicarpium per- 
gamaceum ; cocci 2-valves, elastice desilientes, in partes 6 solabiles, 
partibus hisce elastice desilientibus ; cofem?2a placentaria persistens 
trigona, apice 3-dentata; endocarpium cliartaceum. Semina in 
coccis solitaria pendula laevissima nitidnla, dorso convexa, ven- 
tre angulato-plana, cinereo-fusca ; car?/nraZa umbilicali conica sub- 
. carnosa ; testa crustacea ; albumen copiosum ; embryum minutum vix 
dimidium semen longum, (1 In.); cotyledones planae rectae; radi- 
cula umbilico proxima supera. 

Een heesteraclitige boom van ±12' hoogte met opstaande 
stengen en takjes , vormende te zamen een' vrij digten ovalen 
struik. De bloemen zijn, even als bij de meeste planten 
uit deze familie , weinig in het oog vallend. Hij werd 
door den heer H. Zollinger in 1845 uit de Lampongs 
overgebragt, en laat zich door zaden en marcotten ligt 
vermenigviildigen. De inlandsche naam er van is niet be- 
kend. 

110. Excoecaria bicolor Zoll. in hort. 

[Antidesma Ilsskl. Cat. p. 81. [fiores femineos tune nondum novi.) 

Observ. De charactere generico vide Endl. Gen. Sppl. II. 
p. 87. 5772, flores autem in nostra specie sunt monoici, 
etsi in ramis diversis dispositi, sepala in masculis floribus 
inflexa, staminum basin ad instar globuli involventia; calyx 



— 159 — 

femineus trificlus, persistens vegetus et sub fructu dein ex 
evolutione liiijus 3-partitus (nee triphyllus) ; stigmata, apice 
suljcircinata. — Folia in ramis sterilibus alterna, in fertilibus 
plerumque subopposita, altero minore, imoque hinc inde 
subverticillatim terna; spicae masculinae inter folia opposita 
laterales , prima evolutione reflexae, successive erecto-patentes 
viridi-flavescentes , rarius exacte axillares; racemuli feminei 
breves plerumque 3 — 4-flori axillares; semina subglobosa. 

Desckpt. Fi-uticuli graciles elegantes, 4 — 5 ped. alti, glaberrimi, 
succo laeteo scatentes. Rami plas minus intense purpurei, laevis- 
simi. Petioli breves, vix 2 — 3 lin. longi. Stipulae caducissimae 
minutae, e basi latiuscula acuminatae, lanceolatae. Folia in ramis 
uberioribxis alterna, sat distantia, in florlleris plus minus exacte 
opposita, subdisticha, hinc inde terna subverticillata, laevissima, 
oblongo-lanceolata, basi leviter attenuata, acuta, apice plus mi- 
nus longe attenuata acuminata, in oppositiibliis disparia, 5 — 1| 
poll. longa, 18 — 6 lin. lata, margine obtuse serrulato-crenata , 
supra atroviridia, subtus laete sanguinea, utrinque nitidula. Flo- 
res masc. etfem. plerumque in ramis distinctis ejasdem stirpis. Spicae 
masc. primo terminales, sed ramulis axillaribus binis excrescentibus 
mox laterales et alterae binae axillares delapsis primariis progre- 
dientes, omnes primo reflexae, sensim sese erigentes, dein erec- 
to-patentes viridi-flavescentes, raro poUicem longitudine exceden- 
tes. Bracteae acuminatae patentes; bracteolae binae collaterales 
interiores lineari-lanceolatae acuminatae fimbriato-ciliatae (ef. Wght. 
Icon. t. 18G5. A. 1 — 3). Calyx 3-partitus; laciniae bullato- con- 
cavae, inflexae, interstitia inter basin filamentorum obtegentes glo- 
bulum fingentes. Stamina 3 ; filamenta viridi-flavescentia, ima basi 
vix connata, sat robusta, calycem longe excedentia, antherae sat 
magnae didymae, extrorsum ad apicem filamentorum insertae, bilo- 
culares loculis 2-valvibus. Rudimentum pistilü nullam. — Floresfem. 
in ramulis brevibus, vix 3 lin. longis, axillaribus 3-floris. Calyx 
o-fidus; laciniae persistentes , dein fructu excrescenti ad basin fere 
sejunctae , caeterum uti bracteae et bracteolae iis florum masc. subsi- 
miles, germini adpressae, idque ad apicem fere obtegentes, fruc- 
tum dein sustinentes. Gei'men viride glabrum 3-loculare; gemmulae 
in loculis solitariae; stylus brevissimus; stigmata 3 horizontaliter 



— 160 — 

expansa et reflexa ad apicem sabcircinata. Fructus tricocus, 3-lo- 
cularis, capsularis, loculis evalvibus, apice truncato-impressus , 
diametro transversali 4 lin., stylo persistente 3-fido nigro-margi- 
Dato coronatus. JSemina subglobosa pendula. 

Een fraaije heester van ± G' hoogte , die zich vooral om 
de donkerroode onderzijde van het blad en den getemperden 
groei , zoodat hij tot kleine ronde struikjes kan gekweekt 
worden , in de verzamelingen der liefhebbers aanbeveelt. 
Hij is hier van Singapoer ingevoerd, welligt uit Britsch 
Indië afkomstig, en laat zich door zaden en marcotten ge- 
makkelijk vermenigvuldigen. 

111. Excoecaria oppositifolia Jcq. 

{Wip. Ann. I. 621. 1.) 

Observ. jE. crenulata Wght (Icon. t. 1865.) ex ipso au- 
tore vix ab hac specie diversa habenda , nisi spicis femineis 
2_3_fioris (in icone tantum 1-floris.) 

Descrpt. Folia oblongo-lanceolata, petiolo vix medium pollicera 
excedente suffulta, 6 — 10 poll. longa, 2 — 3f poll. lata, subtas 
laete viridia, supra intensius colorata, nunc abnormitate albido- 
maculata, obsolete crenato-serrata ; spicae masc. nunc aÜsque flore 
femineo nunc ad basin flore fem. praeditae; fmctus subgloboso- 
trigoni, glabri, diametro pollicari. — Teijsmann, vir clr., speciem 
liane in monte calcareo Tjampea reperit, haud procul a Bogor sito. 

Een jeugdig boompje van 12' hoogte en 3" dikte, dat zich 
echter op een paar voeten boven den grond reeds in meer- 
dere stammetjes verdeelt, welke te zamen eene digte pyra- 
midale kroon vormen, die bijna tot den bodem reikt. Het 
heeft reeds sedert eenigen tijd vruchten voortgebragt ; hoe- 
wel op een derzelve aanvankelijk slechts mannelijke bloe- 
men voorkwamen , heeft dat later ook ATOUwelijke bloe- 
men en vruchten gedragen. Het wordt gevonden op 
den kalk- of vogelberg van Tjampea in Buitenzorg, doch 



— 161 — 

de inlandsclie naam is niet bekend. De voortplanting is ge- 
makkelijk door zaden. 

112. Sapium indlcum Wild. 

{Wild. SjK. pint. IV. 572.2. Wglit. Icon. t. 1950, ubi 

cum dubio quodam est citatus Rheed. Hrt. mal. IV. 

t. 51.) 

Observ. Frutex, ex liorto botanico Calciittensi hoc sub 
nomine missus, praebet folia oblongo-lanceolata obsolete ser- 
rulata (uti in Wglit, 1. c, in icone Rhedii sunt serrata, 
ex AYlld, folia sunt ovato-oblonga serrata!) 3 — 41 poll. 
longa, 12 — 15 lin. lata, ima basi obsolete biglandulosa ; 
flores nobis desunt, sed fructus tenemus 1 poll, diametro 
subglobosos, qui ex Wild. Mespili germanici magnitudinem 
attingunt, An nostra speciraina forsan speciem diversanf 
sistunt? an forma foliorum valde variat? 

Een nog jonge boom van 12' hoogte en 3" dikte, die pas 
is begonnen vruchten te dragen en groote neiging vertoont, 
om krom te groeijen , waartoe zijne jonge wrakke roede- 
vormige takjes aanleiding geven, die onder het uitgroeijen 
reeds ombuigen. Zijne boomvormige stand wordt her- 
steld , doordien zich ter plaatse, waar de top is omge- 
bogen , steeds nieuwe regtstandige loten ontwikkelen , die 
den stam helpen verhoogen, doch welks toppen zich op hunne 
beurt mede krom buigen , waardoor de boom een onre- 
gelmatig echter doorzigtig aanzien krijgt , vermits de takken 
in alle hoeken en rigtingen door elkander groeijen. Hij is 
door zaden uit den botanischen tuin te Calcutta alhier in- 
gevoerd. 



— JG2 — 

113. Sapium aiicupar'mm Jcq. 

{Sprixj, Syst. Veg. III. 805. 1. Steutl. Kom. bot. p. 512.1.) 

ObseRv. I. Sapium aucupariam Wild. (Sp. pi. IV. 572. 1) 
comprebendit species 2 di versas, S. aiocuparium Jcq. et S. 
Hlppomane Meyer. Ex ipso Willdenovio prior species foliis 
longioribus magis acuminatis serratis apice subcartilagineo- 
rostratis distinguenda , dum ulterior foliis ovato-oblongis di- 
versa babenda est. An huc pertinet Poir. Encycl. t. 396 ? 
serraturae foliorum autem nimis acutae adparent, et nervi 
nimis transversi sunt delineati. 

Obseiiv. II. Species, etsi baud florens, nibilo minus ob fo- 
lia et petiolos valde insignes faciliter recognoscenda. — Petioli 
sanguine! 7 — 1 1 lineas longi, sat crassi subteretes, supra ca- 
naliculati , lae\assimi luciduli, plerumque flexuosi, ad insertio- 
jiem foliorum biglandulosi. Folia angusta, oblongo-lanceolata , 
5 — 9 poll. longa, 11 — 2 poll. lata, coriacea in margine sub- 
cartilagineo acute minuteque serrulata , serraturis subraucro- 
nulatis, apice acuminata, hinc inde subrostrata, supra A-iri- 
dia, subtus pallidiora. — Sua sponte e solo surinamensi ena- 
ta species. 

Deze jonge boom , die reeds eene hoogte van 25' bereikt 
heeft bij eene dikte van 6", heeft een' geheel regtstandigen groei, 
met regelmatig , rondom den stam in kringen van 1 — 4' 
afstand geplaatste horizontale takken. Hij behoort onder 
die boom en , welke soms alle hunne bladen verliezen , hoe- 
wel deze spoedig weder door nieuwe worden vervangen. 
Hij is uit surinaamsche aarde opgekomen , en heeft hier 
nog niet gebloeid. 

114. Saiiroims alhicans BI. 

{BI Bijdr. 596.) 

Observ. Diffe t S. rhamnoides BI. e diagnosi Blumeana 



~- 163 — 

foliis acuminatis; — S. indicus Wglit. calyce masc. G-partito, 
stigmatibiis longioribus vixrecurvis; — S. -e'jlcmicus \ohis ca- 
lycis masc. acutis , subacumiiiatis ; — S. Gardnerianus xix ni 
foliis acutioribus recedit. 

DiAGN. reform. Frutex foliis membranaceis oblongis obtusiusculis 
s. acutis opacis, floribus parvis masc. orbicularibns planis, mar- 
gine 5-lobis, fem. subisopliyllis , fructu baccaceo albido. 

Descriptio. FrutexlO — 15 ped. altus debilis subscandens. Rami 
pendnli aut subscandentes debües glabri, more Pbyllanthi disti- 
ebe foliati, subcompresso-teretes , linea promioula a basi folii cu- 
jnsque decarrenti subangulati, luciduli, virides. Stipulae ad ba- 
sta folii cajusdam binae, e basi lata subulatae, perparvae, vix li- 
neam longae, patentissmae divaricatae imoqne recurvae, dein de- 
ciduae. Folia vaga alternatim disticbe disposita, breviter petiolata 
et petiolo varie torto hinc obyersa, oblonga aut ovato-oblonga 
imoqne ovalia acuta aut subobtasa, basi rotundata aut subacuta 
membranacea, cum petiolo 1-lincari 2 — 3 1^ poll. longa, 11 — 21 lin. 
lata, supra obscure viridia opaca glabra, subtus pube miuutissi- 
ma raro vix conspicua obtecta,- dein glabra ta, glauca. Racemidi 
axillares perparvi, simultanee oliganthi, 2 — 3-flori, successive po- 
lyantbi, dicbotomi, vix 1 lin. alti. Bracteae minutae ovatae acu- 
tae, patentes persistentes. Pedunadi teretes graciles flaccidi virides 
2 lin. longi, apice ceruui et subincrassati; sub fructu excrescentes 
4 lin. longi, apice 5-angulati. — Flores masc. in eodem cum fem. ra- 
cemulo plerumque serius aut prius , rarius coëtanee in eodem ramo 
progredientes. Calyx planus orbicularis, diametro 3 lin., margine 5- 
lobatus, medio turbinato-excavatus ibique stamina recipiens, ob- 
scure viridis, ad lauces sanguineus; lobi subrotundi leviter emar- 
ginati, fauces versus obsolete 5-denticulati , dentibus vix a tubo 
liberis rotundatis centripetalis , antberis approximatis. Columna 
staminea brevissima ^ lin. alta inclusa, lobis borizontaliter pa- 
tentissimis |- lin. longis, laevissima atro-viridis nitidula; antJierae 
ad loborum apices subtus adnatae büoculares, longitudinaliter de- 
hiscentes flavae. — Flores fem. majores diametro 4 lin., juveniles viri- 
des, dein atrosanguinei. Calyds laciniae aequales, transverse 
ovali-subrotundae , basi subattenuatae , diametro longitudinali li-, 
transversali 2-lineari, flaccidae plerumque subcampanulato-conni- 



— 164 — 

ventes. Germea depresso-globosum sub-3-g'onum sub-3-lobnm, basi 
viride, supra flavescenti-viride, triloculare; geinmulae in loculo 
quoqne binae ; stigmata tria subsessilia, ad basin fere bifida, lobis 
horizontalibus lateraliter ceutripetali-circinatim inflexis, singnlis 
numeruni 3 foi'inantibus , sanguineis papillosis. Fructvs paulo lon- 
gius peduncnlati, basi calyce expanso, fere liorizontali , subcupuli- 
formi sustenti, globosi, albescenti-virides (immaturi diametro Z\ 
lin.) pisiformes, apice stigmatibus exsiccatis coronati, carnosi, 3 
loculares , 6-permi. 

Een zwakke heester, die tot eenige voeten hoogte regt- 
standig opschiet, doch dan te topzwaar wordt, om op zich 
zelven staande te blijven; vindt hij dan steun bij andere 
planten, dan bereikt hij wel de hoogte van 11 a 12', met 
meerdere stengen digt naast elkander , die beneden kaal , 
doch boven vertakt zijn en een' ovalen struik vormen. De 
jonge toppen en bladen worden als groenten genuttigd, 
en in Midden- Java, bij de saijoor meneer gebruikt, Katoe 
geheeten. In het westen van Java draagt hij den naam 
van Katoek. Hij teelt door zaden, marcotten en zelfs door 
afgesnedene takken voort. 

115. Sauropus indicus Wght. 

{WgU. Icon. t. 1952.) 

Observ. Ex icone citata folia basi sunt rotundata, quae 
ex descriptione acuta reperiuntur, pariter stigmata erectius- 
cula nee horizontalia et revoluta apparent, errore forsan 
pictoris, 

Di.vGX. reformat. Foliis coriaceis nitldis oblongo-s. elliptico-lan- 
ceolatis, utrinque attenuatis aut subobovato-oblongis acnminatis, 
basi acutis, florlbus minimis generis, calyce masc. plano, mar- 
gine G-dentato, dentibus ovatis acutis, fem. subisophyllis , fructu 
baccaceo albido cei-asiformi. 

Descrpt. Friitex humilis 5 — 6 ped. altus. Rami glabri teretes; 
raimli juniores subcompressi et utroqne latere e linea a foliorum 



— 165 — 

insevtione decurrenti elevata subancipites. Stipulae llneares acu- 
tae erectae, 2 liu. lougae, lougiter persistentes. Petioli perbreves 
lineam vix lougi, vix torti. Folia disticlie in ramis disposita 
cor^acea glaberrima lucida integerrima , in ramis abei-ioribus ob- 
longo-lanceolata axit elliptico-oblonga , acuminata, niinc imo lon- 
gitei- acuminata, basi attenuata, saepe inaequilatera, 2 poll. Ion- 
ga, 2-poll. lata, utrinque laete viridia, subtns pallidiora nitidu- 
la, siipi'a nitida; in ramis senioribas floriferis ovata s. subovato- 
oblonga acuminata, basi acuta, saepe inaequilatera, supra atro- 
viridia nitida, subtns pallidiora nitidula, 2 — 2^ poll. longa, \\ — 
1^ poll. lata. Racemuli axillares valde abbreviati dichotomi, nunc 
1-flori, additis gemmulis abortivis collateralibus binis, mme simul- 
tanëe 3 — 4 — 5-flori, masc. et fem. liinc intermixti, plerumque autem 
ramus uuus praecipue flores masc, alter fem. gerens. Floi-es masc. pe- 
dunado gracillimo filiformi, 3 — 4 lin. longo, colorato patenti suffulti. 
Calyx orbiculatus, in ambitu exacte 5-dentatus, dentibus ovatis 
acutis, intus versus tubum stamineum acutiusculis , externis cum 
antheris alternantibus, diametro calycis rubescenti-fusci 2-lineari. 
Flores fem. pedunculo robustiori subangulato nutanti, in calycem sen- 
sim transeunti suffulti. Caljx robustior rubescenti-fuscus, diametro 
4 lin., 6-partitus ; laci7iiae exteriores nunc paulo majores, nunc subae- 
quales, subrotuudo-ovatae acutae, apice subreflexae, caeterum paten- 
tes. Germen obverse pyramidale subtrigonum, basi viride, in apice 
dilatato roseo-fuscum , cum stigmatibus confluens ; sti(/mata generis. 
Fructus in pedunculo li poll. longo, basi tereti, apicem versus 
sensim trigono-incrassato penduli, basi calyce vegeto obtecti, la- 
clniis (reflexis, e fructu pendulo) erectis distantibus crassiusculis 
carnosis, alternis majoribus rotundatis, alternis minoribus obovato- 
subrotundis, omnibus basi plus minus angustatis, depresso-subglo- 
bosi laete roseo-colorati, vertice albescentes et stigmatum rudimen- 
tis 3-bus bicornibus coronati, ad latus 3-sulcati indeque 3-lobi, 
inter sulcos in mediis lobis linea intensius colorata elevata notati 
(valvarum sutura) et longitudinaliter ruguloso-sulcati, carnosi, dia- 
metro verticali 7 lin., transversali poUicari, 3-locnlare3, sed dis- 
sepimentis dein subevanidis tenuissimis fere uniloculares, postremo 
plerumque ab apice ad basin, rarius a basi ad apicem loculicide 3- 
valves; valvae nunc ad basin inter se sejunctae, medio interne 
septorum rudimenta gerentes, carnosae, carue albida l lin. crassa. 



— 166 — 

persistentes , nunc a basi solatae et apice operculatim cohaerentes 
deciduae ; loculi 2-spermi. Semina pendula, quam in specie sequen- 
ti minora ejasdem autem cum illa strnctarae, sed funiculus ad 
seminis angulum internum medio tantum intrans in arillum ge- 
minatim semina collateralia a basi ad medium et ultra involven- 
tem (e fructu pendulo eaque obtegentem) carnosum viridi-albidum, 
septum quasi inter semina emittentem, quam semina ipsa majorem. 

Deze heester groeit met vele horizontale , digt bij el- 
kander staande takjes, in pyramidalen vorm, tot de hoog- 
te, van 5 a ^)' op, en mag niet alleen om zijnen fraaijen 
vorm , maar ook om de nederhangende bloempjes en roode 
vruchten , wel onder de sierplanten gerekend worden. Hij 
groeit echter liefst op eene hoogte boven de 3000' , en werd 
door mij gevonden in den tuin te Tjiseroepan , regentschap 
Bandong, waar hij stellig in vroegeren tijd is ingevoerd, 
daar het eene britsch-indische plant is, die nergens op Ja- 
va wild schijnt voort te komen. Men heeft haar echter ook 
al don naam van Katoek gegeven. Door zaden , wordt zij 
gemakkelijk voortgeplant. 

116. Sauropus macrantJms ITsskl. 

"Observ. In horto bogoriensi sub nomine S. alhicantk BI. 
cultus , qui autem sat differt : floribus multo minoribus (e 
BI. Bijdr. 596 minoribus, quam in S. rliamnoideo, cujus flores 
multo minores sunt quam in nostro!). Calycis masc, forma 
valde insigni facillime a speciebus cognitis Wightii et Bluraei 
distinguenda species; ex foliorum forma aliquanto ad S. 
rhanmoidèum BI. accedit. 

DiAG.v. Frntex, foliis coriaceis ovato-oblongis acutis s. aeumi- 
natis nitidis, floribus masc. grandibus, calycibus cupuliformibus 
margine integro; calycibus fem. anisophyllis, capsula baccata glo- 
bosa albida, dein o-valvis, valvis deciduis. 

Habit. sylvas moutanas Javac occideutalis ad mout. 8alak, 
Gedeh etc. 



— 107 — 

Desckpt. Fndex debilis suberectus, 8 — 10 ped. altus, gluber- 
rimus; rami teretes; ramuli compressiuscull virides glabri nitida- 
li, linea elevata acuta a folio quoque decnrrenti notati. ^tipulae 
binae patentes divaricatae, e basi lata acaminatae, longe persisteutes. 
PetioU brevissimi teretes reflexi glabri, vix lineam longi. Folia 
disticha subpinnatim disposita coriacea, plana ant nunc saperne 
concava, ovato-oblonga ant subovata, basi rotundata aut vix le- 
vissime snbcoi'data, apice acuta imoque acuminata, glaberrima, 
snpra nitida, obscure viridia, nervo medio cum lateralibus acute 
prominulo, subtus opaca glaucescenti- viridia , nervo medio acute 
prominulo, 3 — IA poll. longa 1} — 2 poll. lata. Racemuli axillares 
brevissimi, simultaneë 1-flori, successive oo-flori, dein 3 lin. longi, 
imbricatim 4-fjiriam bracteati, in axilla bracteae cujusque 1-flori. 
Bracteae minutae ovatae acuminatae patente', apice incurvae ve- 
getae persistentes, i lin. longae. Pedunculi teretes gi-aciles, apicem 
versus subincrassati, flaccidi, 4 lin. longi, exinde flores penduli 
evadunt. Flores masc. et fem. in eoden ramo et forsan eodem race- 
mulo, sed successive, progredientes. Cahjx masc. cupuliformis i. e. hori- 
zontaliter expansus carnosus, mai'gine elevato angustiore obsolete 5- 
lobato dentibus 6 , vix solutis, biserialibus , centrum versus spec- 
tantibus, late ovatis obtusiusculis , externis antheras, internis in- 
terstitia inter ramos tubi staminei spectantibus imoque attingen- 
tibus, obscure fasco-viridis e punctulis lineolisque crebris sangui- 
neis sat minutis, dein magis rubro-fuscus , diametro 6 lin. Stami- 
nuni fabrica eadem, ac in sjaeciebus pracedentibus, tubus stamineus 
autem laete viridis et antberae roseae, dein flavescentes. Flores fem. 
in eodem ramo, sed plerumqiie altius et serius prorumpentes, pen- 
duli flaccidi, anisophylli. Calycis sepala 6 biseriata, ad basin li- 
bera, exteriora interioribus majora, sed inter se omnia cujusque 
circuli distincta magnitudiue, etsi eadem fere figura, . subrotundo- 
ovata acuta carnosula flaccida, maximum 8 lin. longum, 7 lin. 
latum, minimum 4 lin. longum, 3 lin. latum. Germen et stig- 
mata plana specierum antecedentium , sed paulo majora. Pecltm- 
adus fructifer pollicem fere longus teres, apice incrassatus. Ca- 
hjx vegetus horizontaliter expansus roseo-viridis ; sepala cujusdara 
seriei inter se subaequalia, exteriora 8 lin. longa et 7 lin. la- 
ta, interiora 5| lin. longa, 4 lin. lata, carnosula. Capsnla bac- 
cacea pulchi-a globosa alba glabra, apice umbilico trigono-conico 



— 168 — 

impressa et extrorsum stigmatura rudimentis notata, diametro 14 — 
1 5 lin. , extus suturis 3 sulcatis et 3 leviter elevatis notata, 3-locu- 
laris, dein dehiscens, ab apie 3-valvis; valvae totae dein deci- 
dnae spongiosae molles albidae 4 lin. crassae, intus septi rndi- 
niento praeditae et membrana chartacea scariosa vestitae. Dlsse- 
pimenta valde tenuia , subevanida; Columna centralis cum dissepi- 
mentoram 3 rudimentis persistens albida, medio faniculum umbili- 
calem persistentem gerens. Semina in loculo qnoqne 2 coUateralia 
conformia semilunaria , dorso convexa nigrescentia, ventre profan- 
de concava, ibique caruncnla lobata carnosa albido-viridi maxima 
repleta, ita ut semen cum hac trigonum appareat, dorso convexo, 
in axi centrali pendnlum , sed caruncnla inversa (e fructu pendulo) 
indeque in ea erectum ; testa crustacea tennis ; albumen tenuissimum 
membranaceum ; embryum totum semen implens, obovato-oblongum, 
ventre leviter incurvum, dorso convexum; radicula versus apicem 
fructus spectans cylindrica 1-linearis longa ; cotyledon altera totura 
fere embryum formans, crassa 5 lin. longa, 3 lin. lata, altera 
minuta oblonga membranacea, 2\ lin. longa, 11 lin. lata. 

Deze heester heeft in zijnen groei zeer veel van S. al- 
bica7is, slechts is hij iets kolossaler en onderscheidt zich 
buitendien door zijne veel grootere witte als uit was ge- 
boetseerde ^TUchten. Ook deze wordt even als de vorige 
soorten voortgeplant, en even zoo genoemd, 

117. Hedycarpus Jck. ? 

Observ. Arbor hucusque flores masculos tantum protulit 
sat copiosos, nee autem flores femineos. Habitvi inflorescentiae 
valde ad Fierardiam macrostachyam Wght & Arn. (Wght. 
Icon. V. 1912 & 1913) accedens, sed fioribus masc. sat dis- 
tincta stirps nostra. DifFerunt: Pierardia Rxb (cf. et Endl. 
Gen. 5878) staminibus 8 — 10, cah'ce 4 — 5-partito; — 
Tricera Sw. (Endl. Gen. 5868) staminibus liberis, haud in 
columnam connatis, sub rudimento germinis insertis, inflo- 
rescentia haud laterali. — Hedycarpvs Jck. (Endl. Gen. 5877) 
maxime accedit e char. gen. valde incompleto. — Dabo hoc 



— IGO — 

loco descriptionem arboris florcntis et forsan soriori tem- 
pore, si flores feminei pariter progredluntur , descriptionem 
hanc persequi et arborem definere possum. 

Descrpt. Arhor mediocris pyramidalls laete viridig; j'ami tere- 
tes virides glabri; stipulae cadncae, soium ad gemmas folüferas 
visibiles, folia novella obtegentes, e basi lata acuminatae carl- 
natae, 3 lin. longae glabrae. Petioli alterni pateutes aut pa- 
tentissimi, 2 — 3 poll. longi, subteretes, supra leviter canallculati, 
basi et apice incrassati ibique intensins colorati, laeves, glaber- 
rlmmi. Folia oblongo-, aut ovali-elliptica , plerumque petiolo 
suo subarticnlatim insidentia, basi acuta, nunc subatteuuata , 
apice acuminata, 4A — 10 poll. longa, 2 — i poll. lata, subcoriacea 
glaberrima, nitidula, supra intense, subtus pallide viridia, obsolete 
repaudo-dentata, nunc subintegerrima coriacea. Flores masc. co in ra- 
cemos plurimos, aggregatim aut subsolitarios e trunco prorumpentes, 
laterales, 8 poll. longos, filiformes dispositi. Bhachis pallide, basi 
albescenti-viridis, deiu albida, teres, subsnlcata glabra nitidula. 
Bracteae ovatae acutae minutae erectae, in axillis suis flores 3 
gei-entes. Pedunculi terni lineam aut lineam et mediam longi, al- 
bescentes, teretes graciles glabri, bracteam snam 5-plo superantes. 
Alabastra tetragono-, et depresse subglobosa, roseo-carnea, imbri- 
cativa. Calyx é-partitus; laciniae cruciatim in alabastro sese te- 
gentes, dein patentissimae, exteriores binae majores subrotundae, 
interiores subrotundo-ovatae, crassiusculae albido-carneae. Sta- 
mina 4; antherae columnae centrali albidae minutae truncatae te- 
tragonae inter angulos adnatae, basi bilobae, biloculares , pallide 
flavescentes; loculi longitudinaliter debiscentes. 

Deze heesterachtige boom wordt in de bossclien welligt 
een volle boom , hoewel hij zeer genegen is , om uit zijnen 
stam , die o" dik is , steeds nieuAve takken uit te schie- 
ten. In 't geheel is hij slechts 12' hoog; de stam niet 
hooger dan 4' , waarna hij zich in vele takken verdeelt , 
die te zamen eene vrij breede, ronde kroon vormen. Hoe- 
wel in deze streken te huis bohoorende en bij de inlanders 
bekend onder den naam van Lisoe lalakki, is het nog niet 
mogen gelukken, om er vrouwelijke exemplaren van te 

X. 12 



— 170 — 

vinden. AYare de plant niet te groot, en daarbij fraaijer 
gevormd , dan zoude zij om liare lieve bloemtrosjes , voor- 
zeker onder de sierplanten kunnen gerangschikt worden. 
Zij laat zich door marcotten zeer goed voorttelen. 

XLIII. COMBEETACEAE. 

118, Lumltzera racemosa Wild. 

{Endl Gen. 6084, DC. Prdr. III. 22). 

Descrpt. -<4r5or hurnills f rutescens- — litoraprope Bataviam creher- 
rime habitans — laete viridis glaberrima, sat elegans. i2«mi teretes 
fusci, juveniles subangnlati virides, summo apice subglaucescenti- 
farinosi , ad apicem foliosi. Folia sparsa obovato-oblonga aut spa- 
tbulata, in petiolum vix discernendum longiter et sensim attenuata , 
apice retnsa, subbiloba, margine obsolete crenulata, carnosa crassa, 
utrinque nitidula, nei'vo medio sub tus prominulo, cnm petiolo 15 — 
27 lin. longa, 6 — 10 lin. lata, nervis secnndariis subtus paulo pro- 
minulis erectis , apice farcatis et intra marginem anastomosantibns. 
i2ace??« axillares, ad apicem ramorum, oliganthi (5 — 7-flori), i poll. 
alti ; üores albi in axilla bractearum solitarii , sparsi nnnc suboppositi 
breviter pednnculati. Bractea cadnca, pro ratione floris et pedan- 
culi brevissima ovata acutiuscnla crassa, extus convexa, iutus sijb- 
concava, peduncnlo arcte adpressa, ^ lin. longa, in flore aperto 
jam evanida. Pedunculi breves crassissimi, rhachi parallele com- 
pressi, indeque subancipites , 2 lin. longi, 2} lin. lati, in calycem 
transeuntes , apice bibracteolati. Bracteolae oppositae ovatae , mar- 
gine raembranaceae, caeterum crassae et imae basi calycis adnatae 
imoque altius adscendentes , persistentes , vegetae et latitudine 
excrescentes , calyci arcte adpressae, vix \ lin. latae. Cahjx tereti- 
subtnrbinatus , dein a latere subcompressus glaberrimus viridis, 
obsolete longitudinaliter decemstriatns ; tuhus intus cnm germiui 
connatas, extus bracteolis adnatns; limbus cupulaeformis , supra 
germen productus, persistens vegetus, apice 5-dentatas; dentes 
lati, sinubus acutiusculis sejuncti, erectl. Petala alba patentissi- 
ma, calycis limbo inserta, ejusque dentibus alterna, oblonga 
acuta, basi paulo attenuata, 2*^ lin. longa, 1 lin. lata, decidaa. 
tStamina cum petalis inserta iisqué subaequilonga, erecta subaequa- 



— 171 — 

lia, petalornm numero dnplo, alterna dentibus calycinis opposita, 
cum petalis decidua; filamenta albida filiforniia, apicera. vei'sus su- 
bulata; antherae ovatae basi bilobae, extrorsae, dorso supra in- 
cisuram baseos insertae, dein inflexae, cum apice fundum floris spec- 
tantes et nunc introrsae, longitadinaliter deliiscentes, apertae formam 
globosam fingen tes ; ^oZZe« flavescens oblongum, utrinque obtusum 
longitudinaliter sulco (aut plica?) notatum, in aqua humefactum 
globosum laeve, corpusculis nonnullis subglobosis albldis muricu- 
latis intermixtis. Germen calycis tubo ai'Cte adnatum, 1-loculare; 
gemmulae tres ex apIce germinis ope faniculi albidi filiformis, 
gemmulam duplicem longi peudulae, oblongae albido-flavescentes 
nitidnlae, ad insertionem funiculi bilobae ; stylus albidus sat cras- 
sus teres , apicem versus attenuatus , ad antberas tangens ; stigma 
punctiforme, terminale. Fructus drupacei, primo extus carnosuli, 
dein coriacei luciduli nigi'escentes, intus lignosi autfibrosi, oblongi, a 
latere subcompressi, supra medium attenuati et costat', 6 lin. longi, 
2 lin. crassi, calycls limbo scypbimorplio coronati et stylo persistent! 
exserto albido armati, indeliiscentes, 1-loculares, 1-spermi. 

Een lieesterachtige boom van 10 a 12' hoogte met vele 
digt door elkander gegroeide takken, welke eene vrije 
groote ronde kroon vormen. Hij groeit Lij uitsluiting aan 
de kusten in liet zlltige zand, soms zelfs in den mod- 
der. Naar den plantentuin te Buitenzorg overgebragt, heeft 
hij zich daar vrij goed ontwikkeld en zelfs bloemen en vruch- 
ten gedragen , doch ook hier moet hij in zandigen vochti- 
gen bodem aangeplant en de bodem soms onder water gezet 
worden. Te Batavia wordt hij Kajoe passier, doch in Oost- 
Java Doedoeh genoemd; onder Doedoeh heeft de heer 
Blume Pemphis acidula verstaan, doch deze wordt in 
Oost-Java met den naam van Kajoe stingie bestempeld. 
Zijne veelvuldige zaden komen op vochtige plaatsen of in 
den modder gemakkelijk op. 

XLiy. LYTHRARIEAE. 

119. Pemphis acidida Frst, p. ovalifolia Hsskl. 
DiAGX. Frutex (gracilis luliosns), ramulis subtetragonis , cano- 



— 172 — 

tomentosls, folüs oppositis ovalibus aut ovali-oblongis, basi acu- 
tiiiscnlis aut leviter in petlolum brevissiuum attenuatis (5 — 10 lin, 
longis, 3 — 5 lin. latis) apice obtnsis, nunc acutiusculis , rotunda- 
tis, utrinque dense cano-tomontosis ; floribus axillaribns solitarüs 
brevi-pedunculatis erectis parvis albidis (plane descriptionem 
Endl. Gen. 6148 qnadrautibus , calycis laciniis exterioribus sub- 
nullis, stigraate vii-idi subtrilobo.) 
Habitat litora prope Bataviam. 

Observ. DifFert a specie (cf. BI. Bijclr. 1130. KuuijdIi, lierb. 
Amb. III. t. 84, descriptlo p. 126 haud suficienter clara) 
toto liabitu et in primis foliis haud oblongo-lanceolatis. 

Een boomaclitige heester, die liefst zoo digt mogelijk 
aan zee irroeit en eene hoogte van 10' en meer voeten be- 
reikt, met eenen stam van eenige duimen dikte. Het zou- 
de een fraaije heester voor de tuinen zijn, doch hij schijnt 
zich niet van het strand te willen verwijderen. Ook in den 
plantentuin te Buitenzorg heeft hij nog weinig vorderingen 
gemaakt. Zijne fijne, digt in elkander staande takjes, met 
kleine blaadjes en witte bloempjes geven hem eenigzins 
het aanzien van een' myrtestruik; zijn vorm is echter on- 
regelmatig, en hij weet zich naar het element, waarin hij 
te huis behoort, te schikken, zoodat hij door de zee geteis- 
terd , zich naar alle rigtingen weder opheft. Zoo hij zich 
evenwel in tuinen liet kweeken, zouden er fraaije vormen 
van kunnen gemaakt worden. Het is te meer te verwon- 
deren , dat deze heester zoo digt aan zee te huis behoort , 
daar hij niet de minste overeenkomst met of de hoedanigheden 
van de Rhizophoren bezit , die enkel geschapen schijnen , om 
land te wincn , waartoe deze weinig of geheel niet kan bij- 
dragen. In West-Java wordt hij niet zoo menigvuldig ge- 
vonden , als in Oost- Java ; vooral schijnt hij eenen koraal- 
bodem te beminnen. Sommige eilanden van den Karimon- 
Java-archipel , zijn er geheel mede omzoomd. Hunne top- 
pen reiken in eene schuinsche rigting over den vloed. Op 
de eilandjes Foeloe Kellor en Poeloe Tenga, bij Japara, 



— 173 — 

komt lilj ook veel voor, even als ajin de kusten van Ban- 
joewaniji bij Gradjakan, en is hier overal bekend onder 
den naam van Kajoe stimjie. De zaden komen goed op , 
doch gaan om liiervoren aangehaalde redenen , ook spoedig 
weder uit. 

XLV. MELASTOMACEAE. 

120. Lasiandra argentea DC. 

[Naudln Annal.d.sc. nat. III ser. XIII. p. 143.37, Wip. 

Ann. IL 559.) 

Observ. A charactere generico (cf. Naud. 1. c. p. 126) 
nostra recedit: Antherarum connectivo basi vix producto; 
fructu dein toto libero, nee calyci adhaerente, etsi ab eo ob- 
tecto , regulariter 5-valvi (aut potius in partes 5 partibili) , 
loculicido , valvis intus septiferis , nee irregulariter ruptili ; 
receptaculo centrali columnaeformi cum placentis adnatis dein 
libero ; seminibus plurimis rectis subcurvatis angulatis , nee 
cochlcatis, vix hinc inde reniformibus. 

A Desckiptioxe Nandinü clbr. 1. c. recedit nostra — e solo brasili- 
ensi sna sponte euata — liisce paucis notis : Folia sunt acnta nee rotan- 
data nee obtnssisima. Petala retnso-emarginata, in sinn breviter 
apiculata, indeque ad i. cordiformem accedens , quae antem dlffert 
praesentia petioli brevis et ramis subteretibns. Calyx in alabastx'o 
bracteis binis concavis totus obtectus, dein medio eas excedens, 
postremo bracteis decidais nndus, ex inde Sectio/d IV. ^ilnvolucrales" 
Naud. 1. e. 144 valde accedit nostra, divisioui 6 bracteis haud 
inter se connatis. Huic divisioni autem desunt species foliis sessilibus ! 

Deze heester, die eene hoogte van 6' bereikt, met losse, 
wijd uit elkander staande takken , is in zijne jeugd om 
zijne zeer fraaije blaauwe bloemen en zilverachtige bladen 
zeer in het oog vallend , hoewel de plant zelve geenen 
fraaijen vorm heeft , daar de takken onregelmatig , en soms 
afhangende , door elkander groeijen , wat er met liaren 
ouderdom niet beter op wordt, tot dat zij na verloop van 
een para' jaren , langzaam gaat afsterven. Evenwel verdient 



— 174. — 

zij als sierplant wel eene plaats in de tuinen om de zeld- 
zaamheid der kleur harer niet onaanzienlijke bloemen. 
Zij is bij toeval uit braziliaansclie aarde opgekomen en 
laat zich door zaden even als door marcotten en stekken 
zeer gemakkelijk vermenigvuldigen. 

131. StapJiidium paucifiorum Naud. 

^. calcaratum Naud. 

(Naudin Annal. d. se. nat. III. ser. XVII. p. 309.) 

Obseev. Nostra a typo (1. c. p. 308) recedit et St. eleganti 
Naud. 1. c. 307 aliquot accedit: foliis exacte crispatulo-cre- 
nulato-dentatis , basi exacte cordatis , rarius subrotundatis , 
petalis juvenilibus laete roseis , mox albididis , germine ima 
basi tantum calyci adnato , apice angustato , lageniformi. 

Descriptio. Frutex humilis 1.00 (1) altus , — sna sponte e solo bra- 
siliensi enatus — liispidissimus e pilis crebris ad calyces usque totam 
plan tam obtegentibus, acntissimis strictis, primo pnrpureis, dein 
decoloratis albidis ; internodia 0.03 — 0.06 longa teretia viridia. Folia 
ejusdem paris nunc subaeqnalia, nunc alternm tertiam partem aut 
dimidium minus, ovata aut ovato-oblonga acnminata, basileviter 
sed plerumque exacte cordata, rarins subrotundata, ntrinque bis- 
pidula, 5-nervia, nervis inter se venis transversalibus conjuuctis, 
venulis venas iterum jnngentibus, rete elegans formantibus , snperne 
maculas ballato-convexas formans, indeque folia ipsa reticulatim 
ruo-osa et margine paulo elevato crispatula, exacte crenulato-den- 
tata, in denticulo quoque setulifera, 0.05 — 0.10 longa, 0.03 — 0.05 
lata, inter setulas paginae snperioris laevissima nitidula. Petioli 
0.003 — 0.015 longi teretes. Cymae nunc axillares, nunc et plerum- 
que terminales, ramo uno axillari excrescenti pseudo-Iaterales , 
rarius binis axillaribus excrescentibus terminales remanent, breves, 
vix 0.02 excedentes, tricbotomae, ramis 3-floris, inferioribus bis 
dichotomis 5-floris, ex inde totae 19 — 25-florae, nunc valde ab- 
brevJatae oügantliae; ramt inflorescentiae patentissimi, inferiores 



(1) Mensura gallica et nederlandica. 



— 175 — 

reclinati. Calycis tuhus campanulatus, apicem versas paulo constric- 
tns, germen arcte cingens , vii'idis, 0.003 altus ; deiites exteriores fi- 
liformi-sabulati virides patentes, 0.002 longi, iuteriores fere obso- 
leti, membranulam tenuem albidam, in fructn dein coloratam 
formantes. Petala in alahasU'O convolntiva, ima basi colorata ro- 
sea et leviter cobaerentia, apicem versus conniventia, connm for- 
mantia; sub anthesi patentia plana alba obovato-oblonga, 0.005 Ion- 
ga, 0.003 lata, apice rotundata et leviter emargiuata. Torus sta- 
minifer exacte ciliatus, ciliis valde approximatis erectis, gerrainis 
apicem attingentibus. Filamenta brevia albida, 0.001 alta, glabra 
erecta, dein extrorsum curvata , apice erectiusculo ; antherae lineari- 
subulatae erectae, O.OOi longae, ima basi calcare minutopraeditae, 
conniventes , apice subrecurvae uniporosae ; loculi connectivo latins- 
3ulo glabro dorsali introrsum adnati, serpentino-flexuosi, inporum 
ninutum confluentes. Germen 0.003 altum, imae basi calycis adna- 
tim, dein liberum glabram, leviter 10-sulcatum, apice subconstric- 
tcni viridi-albidum, 5-loculatum ; stjlus filiformis glaber, 0.006 lon- 
gis ; stiijma paulo incrassatum disciforme papillosum. Baccae ovato- 
giobosae, apice calycis limbo scyphimorplio colorato et laclniis sa- 
bu'.atis vegetis viridibus coronatae , violaceae hispidae , inter setas 
rigidas glabrae lucidulae, valde succosae, diametro vercicali 0.01, 
transversali 0.008, 5-localaris; placentae albidae succosae; dissejn^ 
menta valde obsoleta, tenuia subevanida. Semina plurima minuta 
ovoidea. 

Deze kleine heester heeft een' fraaijeren vorm en sierlijker 
voorkomen, dan de voorgaande. lïij wordt slechts 3 a 4' hoog 
en vormt een^ regelmatigen ronden struik; doch zijne bloe- 
men zijn veel kleiner en wit , terwijl de bladen wel eenig- 
zins naar eene netel gelijken. Hij is even als de voor- 
gaande uit braziliaansche aarde gewonnen en wordt ook 
op dezelfde wijze voortgeteeld. 

XLVL AMYGDALACEAE. 

122. Prunus nitidissma Hsskl. 

(Sectioni „Cerasus''\ divisioni ,.Laurocerasus'''' adscribenda.) 

DiAG}<r. Arbor bumilis, foliis breviter petiolatis subcoriaceis 

glaberrimis nitidis oblongo-lanceolatis, utrinque acuminatis, apice 



— 170 — 

nunc acuminatissimis; racemis in apiee ramornm axlllarlbns brevi- 
bns densiflorls ; floribus parvis, petalis albldis minatis. — Folia- 
tio condnplicatlva. — Ex liort. soc. liortic. nederl. ad liortum bogo- 
riensem missa sub sub nomine Pruni corolinianae Ait., quae autem 
differt a nostra (DC. Prdr. II 510.38): foliis mucronatis (nee acumi- 
natis acumlnatlssimisve), floribus majasculis; e Don (Gen. Syst. Cf. 
Dieblam. II 516.47): foliis minoribus margine subserratis , mucrona- 
tis, floribus inter majores differt. 

Desckpt. Arbor linmllis pjramldalis ramosa. Uami teretcs fus- 
ci, nunc canesceutes lümulosi; raniuli laete virides glaberrimi, e pe- 
tiolis decursive angulati, subancipiti-compressi. Stipulae lineares 
subfalcatae acuniinatissimae erecto-patentes , 2 f lin. longae, basi 
\ lin. latae, deciduae. Petioli stipulis brevlores, supra leviter 
sulcati, subtus convexi. Folia in praefoliatione conduplicativa, dein 
subcoriacea patentia, plana oblongo-lanceolata acuminatissiiua, 
basi longiter attenuata, glaberrima supra nitidissima atroviridia, 
subtus pallidiora nitidula, e venis intra marginem arcuatim cor- 
fluentibus eleganter reticulata, cum petiolo 3 poll. longa, 10 — 
12 lin. lata, aut 4 poll. longa, 15 lin. lata, integerrima. Raceni 
plerumque in apice ramornm axillares aut imo terminales, nuac 
autem in ramo bienni infra folia laterales, erecto-patentes aut 
erecti, 1^ poll. longitudinem vix excedentes, 20 — 30-flori bractea- 
ti et prima juventute bi-acteis plurimis caducis involuti. Bracteae 
caducissimae, vix nisi in racemis baud plane evolutis reperendae, 
albidae ovatae acutae aut acnminatae, nunc subtrilobae , lobis late- 
ralibus brevissimis, concavae alabastrum floris involventes, 1 lin. 
longae et basi latae. Bradeolae binae ad basin pediceli cujusque, 
bracteae collaterales, minatae obovatae, 4-tam bracteae partem 
lon'>-ae, albidae, apicem versus irregulariter 4-dentatae, caducis- 
simae. Pedicelli patentissimi teretes albescenti-virides , apice sub- 
incrassati, 1 — 2 lin. longi. Flores albidi parvi, aciduni hydi-ocya- 
nicum suaviter redolentes. Calijx cyatbimorpbus turbinatus albi- 
dusglaber, intus aurantiacus, liber, ad fauces 5-dentatus; dentes 
semiorbiculares breves, dorso corrugati erecti. Petala 5, faucibus ca- 
lycfe inter dentes inserta eisque alterna et minora, patentissima 
minuta, \. lin. diametro, albida orbiculari-obovata, basi attenuata, 
margine crispula, subdenticulata. Stamina cum petalis inserta 15 
libera ; fdamenta e basi lata subulata erccta , calycis fauces coro- 



— 177 — 

nantia, 1} Uu. longa, calycis deiitibus duplo longiora; antherae 
ovato-oblongae introrsae longltudinaliter rima duplici deliiscentes, 
basi leviter bifidae, dorso supra incisuram insertae albidae. Gei-- 
men in fundo calycis sessile , liberum viride glabrum Incidulum ova- 
to-oblongum, | lin., longura, 1-loculare; g e mmulae 2 coWatevales es. 
apice germinis pendulae; st>/lus erectus albidus teres, 1^ liu. lon- 
gus, apice subcurvatus; stigma bilobum rubcscens, dein explaua- 
tum subreniforme. Fructus desiderantur. 

Deze kleine boom bereikt reeds eene hoogte van 15' met 
eenen stam van eenige duimen dikte. Hij heeft eene fraaije , 
ovale , digte kroon , uit vele dunne takjes , die zich niet 
zeer ver uitspreiden, te zamengesteld. Hoewel te Tjipannas 
dikwijls bloeijende, brengt hij toch geene vruchten voort, 
doch wordt gemakkelijk door marcottcn vermenigvuldigd. 

XLA'II. LEGUMIXOSAE. 

123. Clitoria hcterojyJiijUa Vnt. 

(DC Prdr. II. 233.1.) 

Descrpt. Herba glabra volubills gracilis; caulis et rami filifor- 
mes tenues. Folia plunata 1 — l-(plerumc[ue 2 — 3-) juga cnm im- 
pari, heteromorpba, nunc foliola diversiforraia in eodem folio; fo- 
liorum inferiorum foliola plerumque et hinc inde foliorum rami unius 
alteriusve omnium sunt oblonga aut plerumque lineari-oblonga, iitrin- 
que acuta aut basi rotundata, 6 — 14 lin. longa, 1| — 4 lin. lata; 
reliqua equidem plurima sunt obovata aut subrotundo-obovata , 
4 — 7 lin. longa, 4 — 6 lin. lata, utrinque obtusa mucrouulata, nunc 
imo retusa cum mucronulo, nunc orbicularia, diametro transver- 
sali hinc paulo majore o — 8 lin.; in trifoliolatis terminale semper 
majus evadit; omnia sunt glaberrima, subtus glaucescentia. Stipulae 
lineares acuminatae siibsetaceae persistentes. Pedunculi axillares 
iiniflori, folio suo breviores, patentes apice bibracteati. Bracteae 
sotaceae. Flores pedicellati. Peclicelli breves tortuosi inversi, basi 
bibracteolati. Bracteolae lineari-lanceolatae acuminatae 3-nerviae. 
Calijx basi subgloboso-inflatus ibique intus squamulis nectariferis 
flavescentibus reflexis binis lateralibus, cavitatem liane calycis fere 
obtegentibus, tubuloso-companulatus , G lin. longus, 2 lin. latus, 



— 178 — 

5-dentatus, subbilabiatus ; dentes setoso- acuminati, 2 superiores, 
3 inferiores altius connati, intermedio multo productiore. Corolla 
lilacina cum staminibus supra basin inflatam calycis inserta ; vexil- 
lum subrotundum leviter emarginatum , diametro longitudlnali 12 
lln., transversali 10 lia., basi acurainatum exappeudiculatum; alae 
et carina louge unguiculatae, alae supra pllcatae, plica flexuosa, 
et in cavitate auriculiformi carinae petalis adglutiaatae, obovatae, 
cum ungue o lin. longo 8 lin. longae, 4 lin. latae, lllacinae, 
basia versus albidae; carina biuagulculata dipetala, petalis api- 
cem versus solum ia margine inferiore cohaereatibus, albido-lila- 
cinis, plicato-concavis, auriculiformibus , quam alae multo brevio- 
ribus, cum ungue basin versus valde attenuato, 4 lin. longo, 7 lin. 
longis, 2 lin. latis. Stamina exacte diadelpha; filamentum \Q:^Vi\ax& 
libei-um; antherae bomomorphae. Germen lineare breviter stipita- 
tum sericeum ; styliis supra basin tenuem virldem incrassatus, elon- 
gatus albidus, 5 — 6 lin. longus , leviter curvatus et antice barbatus 
(in latere vexillari, nee subtus). Lecjuinen breviter stipitatum, lineare 
plane compressum acute subulatum glabratum, 2 poll. nunc Ion- 
gum, 2 lin. latum, 5 — 10-spermum, suturis paulo incrassatis. Se- 
mina compressa utrinque truncata subquadrata. — Herba e Madagas- 
car introducta. 

Eene klimmende zaaiplant, die echter voor hare soort 
een vrij lang leven heeft. Het is een lief sierplantje, dat 
niet zoo wild groeit, als hare zusters van Ternate, maar 
Lij betrekkelijk kleine bladen' en dunne ranken , vrij groote 
blaauAve bloemen draagt. De zaden uit bataviasche tuinen 
verkregen , zouden van Madagaskar herkomstig zijn. 

124. Fiemincjia involucrata Bnth. 

(Plant. Jungh. 246.5). 

Desckiptioxi Bentliamü clbrr. addenda habeo sequentia: Rami 
dichotome ramosi erecto-patentes, pilis albidis tenuibus patenti- 
bus, dein fulvis villosi. Stipulae sat magnae, ovato-, s. oblongo-lan- 
ceolatae, 5 — 7 lin. longae, 2 — 3 lin. latae, baud caducissimae, sed 
emarcidae longiter persistentes villosulae. Petioli densius longius- 
quc quam rami villosi, 2 — 3 lin. longi (in ramo 2-pedali). Stipel- 
lae ad foliolorum insertiones binae subulato-faliformes villosae, 2 



— 179 — 

lln. longae. Follola lateralia ovato-oblonga aut oblonga acuta , in- 
aequilatera, latere interno attenuata, 1\ — 2 poll. longa, \ — 1 poll. 
lata; terminalia subrhombea aut elliptico-oblonga acuta, basi at- 
tenuata, 1| — 3 poll. longa, omnia 7 — 15 lin. lata, punctis resi- 
nosis in pagina inferiore supra anastomoses venularum eleganter 
reticulatanim. Bracteae exteriores pariter ac stipulae emarcidae 
persistentes, ad 4 lin. latae, extus iiitusque pilis longis adpres- 
sis villoso-sericeae. Calycis lacinia infima 2 lin. lata. Corolla caly- 
cis laciniis angustioribus paulo, inferiore multo brevior. Vexil- 
lum violaceo-lilacinum, extus cano-sericeum , 2 lin. latum , intus 
longitudinaliter striatulum, alae etcarina conglutinatae aequllon- 
gae lüacinae ; carina a basi ultra medium in petala sua soluta. — 

Eene OA^erblijvencle plant, welker 5 a 6' hooge niet vertakte 
houtachtige stengen jaarlijks afsterven. De peenvormige wor- 
tel of onderaardsche steng brengt eehter in den regentijd 
weder nieuwe spruiten voort. Het is eene niet onaardige 
sierplant, die om haren bijzonder slanken groei en de 
in den top staande ronde bloerahoofdjes , wel eene plaats in 
de tuinen verdient. Zij komt in slechts weinig streken van 
Java ter hoogte van p. m. 1000' voor en bemint eenen 
vasten grasbodem ; in alang alangvelden wordt ze voornamelijk 
aangetroffen op het laag gebergte tusschen Slaöng (Madioen) 
en Patjitan ; ook werd ze in het Zuidergebergte van Djokdja- 
karta, en aan den voet van de Lawoe in het Solosche ge- 
vonden. De inlandsche naam is in de vorstenlanden Tje- 
boengan. In het westen van Java is ze niet bekend. De 
voortteling geschiedt door zaden , die echter soms langen 
tijd in de aarde liggen, alvorens te ontkiemen. 

125. Erijthrina vespertilio Bnth. 

(Wip. Ann. II. 423.4.) 

Dl\.gx. reform. Arbor humilis, ramulis teretlbus glabris viri- 
dibus valde aculeatis, aculeis parvis, foliorum petiolis elongatis 
inermibus et foliolis glabris; foliolis trilobohastatls basi attenua- 
tis , lobo medio longiter acumiuatissimo recto , lateralibus retrorsum 



180 



tdlcato-dlvaiicatls , mnlto latioribus obtusissimis, glauclulis blnls ad 
foliolorum insertlones. 

Descrpt. Rami cinerascentes verruculosi rimosi. Folia ad apicem 
ramulorum 12 — 14 alterna; petloli ei'ecto-patentes , 2 — 5^ poll. 
longl tenues teretes; petioluli teretes 2 lin. longl; foliola 3, al- 
teralia ad ^ petioli, transverse oblonga, basi cuneato-attenuata , 
apice sub ito acuniinatissima, hlnc inde o-loba, 3-nervia, laete virldia, 
glabra, 2 — 4 poll. lata, 2 — 3 poll. longa; lobl nunc breves rotuu- 
dati, nunc elongati, deorsura subfalcati, 6 — 9 lin. lati. Flores liuc- 
usque nondum visi. 

Een boompje van 15' hoogte en 6" dikte met een' ru- 
wen in de lengte gevoorden bast, en ovale kroon uit korte 
takken gevormd. De vorm der bladen, die niet scliijnen 
te zullen afvallen, is zeer interessant en buitengewoon, 
docli bloemen heeft deze boom nog niet voorgebragt. Hij 
is door den heer Maijs te Batavia van Sidney ontvangen, 
en aan den plantentuin geschonken. De inlandsche naam 
voor deze groep van planten is Dadap op Java, Delong- 
dony dadap op Bali. 

126. MiGropterijx crista galLi Wip.? 

(Wip. Ann. bot. II. 425.1?) 

Observ. I. Character genericus ob stylum in nostra per- 
brevem hamatum paulo mutandus erit! 

Observ. II. Perdifficile est, species Imjus gencris definire 
ob diagnoses in systematis enumerationibus nimis breves et 
incompletas et deficientibus mihi libris , qui earum delineationes 
et descriptiones fusiores continent; hanc ob causam haud se- 
curus sum, annon nostra potius ad M. laurifoliam Wip. 1. 
c. 2 sit ducenda , cujus diagnosis apud Don ITlst. DicJd. II. 
370.8 valde nostrae accedit, opponentibus autem ramis po- 
tius aculcatis et calyce truncato unidentato. 

DiAGX. REFORM. Frutex glaber ramis inermibus, petiolis sub- 
aculeatis, foliolis oblongo-, s. ovato-ellipticis , terminali saepa 



— 181 — 

ovall-elllptico , utrlnque acutis aut brevitcr acuminatis, iategris, 
glaberrimis coriaceis subcomplicatis , subtus glaucescentibus ; alis 
paulo exsertis, carlna vexllli obovati tertla parte breviori, sta- 
mlne vexillari infra medium tubo stamiuifero adhaerenti, calycis 
breviter bilabiati labio superiori integro aut obsolete bideutato, 
inferiori acute mncronulato , germine longiter stipitato, dense se- 
riceo, stylo brevi hamato. 

Descrpt. Frutex 10 — 15 ped. altus ramosus; rami tei*etes ci- 
nerascenti-virides glaberrlml inermes, hlnc rimalosi; ramuli juve- 
niles virides nitiduli, teretes, ad folio rum insertionem paulo in- 
crassatl. Stipulae lineares acuminatae erectae , dein patentes , sae- 
pe subrevolutae, 2 — 2\ lln. longae caducae. jPo^ia articulatini in- 
serta alterna patentia aut patentissima 3-lbliolata ; 2'>siioli ima basi 
sat incrassati et intensius colorati, caeterum teretes, vix superne 
levlssime sukati laete virldes, ad insertionem foliolorum latera- 
lium articulati et uti ad apicem biglandulosi , 3 — 6 poll. longi, 
parte superiori 1 — 1| poll. longa, nunc inermes, nune medio aut 
altius imoque ad insertionem foliolorum lateralium aculeo solita- 
rio retrorsum hamato, e lateribus compresso, 1 lin. alto muniti, 
glaberrimi; glandulae stipellares parvae truncatae, vertice leviter 
excavatae, teretes, -i lin. altae et crassae; 2-)etioluli teretes intense 
virides , supra leviter sulcati , 3 — 4: lin. longi ; foliola lateralia ple- 
ruraque oblougo-, nunc ovato-elliptica , basi acuta , apice acute 
aut breviter acuminata, 2\ — 5 poll. longa, 12 — 18, rai'ius 2-1 — 30 
lin. lata, termlnalia rarius ejusdem figura, plerumque ovali-elUpti- 
ca, 4 — 5 poll. longa, 2| — 3 rarius 2 poll. lata, basi acuta, apice 
acuta aut breviter acuminata, ouinia sabcomplicata et obsolete 
repanda, utrinque glabei-rima supra e nervis venisque prominulis 
aspei'ula, subtus hlsce immersis laevia glaucescentia ; nervis sc- 
cundariis inferue oppositis, superne alternis patentibus rectlusculis , 
ultra medium adscendenti-curvatis ramosis , arcuatim cum superio- 
ri suo anastoraosantibus , venis valde ramosis et dein minutlssime 
reticulatis, immersis, utrlnque ope lentis tantum colore suo in- 
tensiori distinguendis. i2rtce??ii erecti terminales , inferne follati 1 * — 
2-pedales; pedunculi stricti glabri virides, apicem versus rubescen- 
tes et atiennati, ad pedicellorum insertiones sat distantes rarius 
densas paulo incrassati. Bracteae ad basin pedicellorum 3 per- 
parvae stipulasformes sed minores, vix 1 lin. longae caducissi- 
mae. Pedicdli terni erecti apics cernui indeque leviter curvati, 



— 182 — 

teretiusculi fascescentes , A — 1^ poll. longi, post antliesin plerum- 
que articalatim decidai. Flores sat magni, pedicellis articnlatira 
inserti, patentes puniceo-coccmei caduci. Calyx basi ebracteola- 
tus campanulatus , a latere utroque leviter compressns, 6 lin. al- 
tus, 5 lin, latus, 4 lin. crassns, coriaceus, fasco-rabens glaber 
nitidalas, apicem versus membranaceus bilabiatus, ibiqne mox 
marcescens; lahium super'ms iutegrum et obsolete 2-denticulatum , 
inferius apiculatum et infra apicem mucrone robusto acuto, 1| 
lin. lono-o erecto munitum; dein totus calyx marcescens, stipi- 
tem fructus cingens. Corolla anisopetala papilionacea ; vexillum in 
alabastro margine inferiori imbricatim cobaerens , totas floris par- 
tes reliquas includens, dein primo incumbens complicatum, pos- 
tremo a medio subpateatim erectnm, marginibus inflexis, basi in 
unguem brevem crassum concavum, viridiusculnm attennatnm, 
caeteram sabrotnndo-obovatum , paniceo-cocciuenm , exttis primo 
cinnabarinam , dein medium versus pariter paniceum, cum ungue 
li poll. longum, IJ poll. latum, crassiusculum , velutino-papillosum , 
flabellatim , sed obscure , nervoso-striatum (complicatum 7 lin. la- 
tum), post authesin quoque parsistens marcescens; alae minimae, 
vix apice exsertae, utrinque carinae adpressae, viridi-albidae, vix 
apicem versus rubentes , ovato-subrhomboideaeacutae, margine su- 
pra basin paulo incurvo indeque concavae, rotuudato-dilatatae, 
4 — 6 lin. longae, basi 2J, caeterum 2 lin. latae, superne planae; 
Caritia gamopetala atropurpurea horizontalis rostrata, apicem ver- 
sus paulo adscendens, vexillo i minor, 15 lin. longa, supra basin 
(complicata) 4|- lin. lata, apice subintegro vix bidenticulato , post 
antbesin uti vexillum persistens marcescens, nee in petala sua 
soluta. Stamina monadelplia, 9 in tubum, basi tenuem, horizon- 
talem albidum, sensim apicem versus virescentem et adscenden- 
tem, medio crassiorem, superne fissum, 16 lin. longum, 2 lin.latura 
connata, vexillare brevius, 13 lin, longum, ad medium tubo su- 
perne in fissura incumbens et adnatum, a medio liberum; fila- 
mentorum apices liberi, perbreves, infimus maximus, 2 lin. lon- 
gus, horizontalis, summo apice inflexus, reliqui adscendenti- 
crecti, infimo breviores, tetradynami, 4 longiores, 4 breviores, 1 — 
1^ lin. longi; antlierac supra basin insertae, primo erectae, mox 
incumbentes lineari-oblongae, subrecurvae, introrsae 2-loculares; 
locuU per totam longitudinem dehiscentes; pollen copiosum grande, 
flavesceuti-viride , globoso-tetraëdrum glabrum. Pidübim ima basi 



— 183 — 

glandulis viridibus carnosis, a filamentorum tubo, basi subforni- 
cato obtectis, arcte sibi adpressis et subcoliaercntibus conniven- 
tlbus, annulum 10-lobatum, | — | lin. altum, margine albescentem 
fingen tibus cinctum, stipite 5 lin. longo, tereti, pallide viridi suf- 
fultum; germen a latere utroque complanatum , lineare rectiuscu- 
lum , -\ poll. longum , | lin. latum , viride , dense albido-sericeo- 
villosum, basi apiceque sterlle vacnnm; gemmulae 14 in medio 
germinis dense sibi adpressae; stybis brevis, 3 — 4 lia. longus, atro- 
pnrpureus, a latere utroqae compressas laevis glaber, hamato- 
incurvus, sammo apice intensins colorattis; stigma terminale 
apiculatum conicam viridiusculum breve. Fructus (maturi desunt) 
nondam evolati 2 — 2* poll. cum stipite semipollicari longi, com- 
préssinsculi lineares subfaleato-incurvati , apice stylo persistent! 
hamati, obscure virides, fusco-tomentosi, apice 4 lin. longo ina^i ; 
gemmulae inferiores minimae superiores 1 lin. longitudinem exce- 
dentes,Jlin. latae oblongae, utriuque truucatae compressiusculae. 

Deze heester of clweigboom bereikt hier reeds eene 
hoogte van 6' met eenen stam van 4" dikte en gaat nog 
steeds voort liooger , te worden , hoewel dit zeer langzaam 
gaat, daar zijne p. m. 1' lange takken, uit het oude en 
jonge hout ontspruitende, !)ijna geheel afsterven en slechts uit 
de achterste of laagste knoppen weder nieuwe takjes voort- 
brengen. Hij is niet fraai, om zijnen onregelmatigen krom- 
men vorm , die uit eenen stam , of soms in 2 a 3 stengen 
vertakt bestaat , en om het afsterven dier takjes ; evenwel 
mag hij om zijne schoone bloemtrossen wel onder de sier- 
planten gerekend worden. Hij werd uit den hortus bota- 
nicus van Amsterdam verkregen en geeft hier vele zaden 
ter voortplanting , wat echter ook door stekken kan ge- 
schieden. De inlanders hebben hem genoemd Dadap katteh 
(drooge dadap). 

127. Stcnotropls (1) Berieroi Ilsshl. 

Sy.vgm. ErytJir'ma poianthes (2) Brot. Linn. Trans. XIV. p. 



(1) Nomen a verbis graecis ITS'JOS, anfjiisius et T^OTTlS, carina derivatum. 

(2) Nomen specificuiii fursan errorc typograpbico ant lapsu calami erroneiim 
pro polycmthcs, nam nostrae specei uullo moJo cos Foae aut gramiuis reprae- 
scntant, nee virides flores evanduut. 



— 184 — 

342. tab. 10 et 11. DC. Prdr. IL 411. 8. Dou Hist. DIclil. II. 
371.75. 

Observ. Genus lioc novum a Micropteri/f)i Wip. (Ann. 
II. 455) vexillo angustiori , alis majoribus , carina clipetala , 
staminibus inaequalibus diadelpliis , stylo brevissimo et stig- 
mate conico diversum; — ab Erythrina carinae petalis lon- 
gis angustis, vexillo angusto etc. distlnguendum. 

Char. gener. Calyx tubuloso-campanulatus, aplce truncatus , sub- 
unilabiatus, labio inferiore producto integro crasso. Corollae pa- 
plllonaceae vexUlum subsessile angustissimum , longissimum , com- 
plicatum ecallosum, sub autbesi incumbens; alae minimae, ca- 
lyce niinores, basi superne appendiculatae ; cariiia dipetala, peta- 
11^ lineari-oblongis obtusis, a vexillo inclusis. Stamina inaeqna- 
lia diadelplia, 9 in tubnm clavatum, superue fissam connata, 
decimum ad basin usque liberam. Gennen basi sqnamulis, in an- 
nulum couniventibns cinctum, stipitatum , gemmulis plarimis, ad 
basin imbricatim coutiguis, apice longiter vacuüm sterile, lineare 
elon"-atnm; stylus brevisslmus ; stigma conicum breve. Legumen? ... 

Descripxion'I fusiori Berteroi clbrr. 1. c. addenda offero sequcn- 
tia. Arhor liumilis — ex borto Sydneyensi in hortum bot. bogor. 
introducta. — Stijndae binae oblongae obtusae falcatae carnosulae, 
intense virides, snbtus fasco-tomentosae , 3* lin. longae, 1| lin. 
latae: Folia alterna trifoliolata. Petioli ad insertionem petiolulo- 
rura biglaudnlosi (in specimine nostro plerumque inermes) pube 
tenui rnfescenti obducti, dein plus minus glabrati; glandulae he- 
mispliaericae, vertice truncatulae, intensius virides. nitidulae dia- 
metro \ — 1 lin. Petioluli ci-assiusculi intense virides , tenuiter fulvo- 
tomentosi, 5 — 7 lin. longi, 1 — 1 1 lin. crassi. jPoKoZa lateralia iuae- 
quilatera, deorsum latiora, deltoidea margine repanda, obtuse acumi- 
nata, basi leviter subcordata, 3 — 6| poll. longa, basi 2 — ï)\ poll. lata, 
terminale rhombeo-ovatum scu ovato-deltoideum, basi rotundatura, 
leviter subcordatum, apice obtuse acuminatum, 2\ — 6 poll. Ion- 
gum , medio 2\ — 6 [ poll. latum , lateribus rotundatis, omnia gla- 
briuscula, subtus minute puberuia, glaucescentla , basi 5-nervia, 
nervis binis iuferioribus foliola ad basn marginantibus , superio- 
ribus 2 uti reliqui secundarii plnnati, oppositi aut suboppositi, 
patenti-adscendeutibus, intra marginem arcuatim anastomosanti- 
bus indeque nervum tcnucm iutramarginalem undulatum simu- 



— 185 — 

lantlbus, venis copiosis trausversis ramosissimis reticulatis , sub- 
tas valde prominulis. Bacemi | — ^1-pedales et ultra; rhachis te- 
res viridis, ferrtrgineo-tomentosa, robusta, dein glabrata angula- 
ta; insertiones pedicellorum spiralem plus minus completam, nuuc 
magis interruptam formantes et saepe pedicelli terni sunt tanto- 
per approximati, ut contigui evadant, teretes pubenili, 2 lin. 
longi, primo persistentes, dein decidui, apice bibracteolati. Brac- 
icolae lineari-subulatae , 1 lin. vix longae, virides caducae. Cahjx 
subcylindricus vix in medio inflatus , apice paulo constrictus, primo 
2-labiatus, dein oblique truncatus, viridis rufo-puberulus ; lahium 
superius vix prominulum, levissime bilobum adscendens, infe- 
rius prominulum mucronuliforme viride , 2 lin. longum." Corolla 
papillonacea ; vexillum complicatum longissimum lineare acutum, 
incumbens, retrorsum subcurvatum, 2 poll. longum,2 lin. latum, ex 
industria explicatum intns albidum, 6 lin. latum, elongato-ob- 
longum; alae minimae oblongae snbfalcatae, basi in unguem bre- 
vem latiuscnlum viridiusculum attenuatae, margine superiori con- 
vexo, ad basin retrorsum appendiculo calcariformi munitae, mar- 
gine inferiori ex ungue recto sub angulo acuto concavo-curvatae , 
viridescenti-albidae, ad apicem paulo roseo-tinctae , cum ungue 4 
lin. longae, vix ultra 1 lin. latae, in tra calycem inclusae; carina 
dipetala, a vexillo tota inclusa eoque multo brevior; ji^tala lineari- 
oblonga, obtusa, breviter unguiculata, margine superiori supra 
basin breviter acuteque producta, cum ungue 1 poll. longa, 2 lin. 
lata, basi viridiuscula, caeterun palllde rosea. Stamina diadelpha 
recta horizontalia , vexillare totum liberum, omnia inaequalia, 8 
per jxaria aequalia, iufimum longissimum, superius (liberun) bre- 
Yisshwum; f lamenta viridia glaberrima, 9 in tubum, ba^i attenua- 
tum, dein sensim clavato-dilatatum , 1 poll. et ultra longum, 
ibique 2 lin. latum viridi-albescentem connata, apice longa libe- 
ra; summum totum liberum rectum, 15 lin., longum, teres; apl- 
ces liberi 5 longiores, 4 breviores; longiorum bini externi (super- 
ni) brevissimi, bini intermedii iis longiores, infimo breviores; bre- 
viorum, intermedii bini in ter breviores longiorum breviores, sed 
libero longiores, bini inter infimum et longiorum intermedios in- 
termediis longiores , ita ut stamina 10 longitudinem sexies diver- 
sam ostendant; infimum cum tubo stamineo 1-^- poll. longum; an- 
therae conforme?, sed longiorum filamentorum longiores, lineari- 
X. ^ 13 



— 186 — 

oblongae, basi acutae, apice acummatae, introrsae, dorso snpra 
basin in concavitate connectivi insertae, 2-loculares, 1'- — 1 liu. 
longae; loculi longitudinallter dehiscentes ; pollen albidum, tetraë- 
dro-subglobosum tessellatum. Glandulae 5 minntae, laete virides, 
crassiuscalae, apice trnncatae conniventes, \ lin. altae, annulum 
stipitem germinis cingentem iingentes, inaequilatae, binae latissi- 
mae. Germen horizontale rectum, stipite 2 lin. longo suffultum et 
ciim eo 1| poll. longnm, Imeare, vix \ lin. latum complanatum ,• 
inferne rjemmulas 14 densas, marginibus sese imbricantes gerens, 
ibique titrinqne bisnlcatum et tenuissime pilosum, supra partem 
fertilem paulo dilatatum sterile sed concavum et vacuüm, sensim 
apicem versus, sed paulo tantum, attenuatum, glaberrimum, to- 
tum laete viride; stylus brevissimus cum stigmate vix 1 lin. lon- 
gus , geniculatim germini insertus , glaberrimus , summo apice in- 
tense viridis; stigma articidatim stylo impositum, conicum, basi 
paulo incrassatum, styli apice crassius, stylo medio brevius al- 
bidum. Fnictus nondum visi. 

Deze kleine boom van 15' hoogte en 3" dikte met 3' 
hoogen stam, ^raarna hij zich reeds in meerdere stammetjes 
verdeelt, is mede niet fraai wegens zijne naakte, weinig ver-' 
takte stengen (die daarenboven nog soms door hunne top- 
zwaarte worden neergebogen) en de meestal bladerlooze tak- 
ken. Zijne in de toppen voorkomende bloemtrossen zijn echter 
zeer fraai en vergoeden eenigzins zijn overigens niet zeer 
behagelijk voorkomen , hetwelk hij trouwens met alle de leden 
van dit geslacht gemeen heeft. Hij werd in 1843 door Dr. 
White vfln Sidneij aangebragt, doch heeft nog geene vruchten 
gedragen, maar laat zich gemakkelijk A'an takken voortplanten. 

128. Arachis hypogaea L. 

(Bnth. Pint. Jungh. p. 210.) 

Observ. I. Species, a clrss. Bnth. (Wip. Ilprt. I. 727) 
propositae, vix jure distinguendae , si nostra in Pint. jav. rar. 
p. 339 descripta censente ipso Bntt- ab A. hypogaea L. haud 
diversa habenda sit. DifFerunt species haec 1. c. enumeratae: 



-- 187 — 

A. hjpogaea Bnth. caule erecto vel adscendente, foliolis sub- 
tus pilosulis nee adpresse villosis; — A. glahrata 'Bxi\h, gla- 
bi'itie, caule adscendente, stipulis folioloruin par infimum 
sub-attingentibus , foliolis oblongo-ellipticis, basi rotundatis ; — 
A. pusilla Bntli. caule pilosulo , stipularum parte libera brq- 
vissima , foliolis ovatis basi rotundatis, margine haud ciliatis ; — 
A. prostraia Bnth. foliolis ovatis basi rotundatis ; — A. villosa 
Bnth. foliolis late ovatis supra pubescentibus subtus pilosis 
nee adpresse villosis. — A. tuherosa Bnth. caule simplici, 
petiolis abbreviatis. — A. marginata Gaitd. caule subsimplici 
sericeo-villoso , foliolis margine valde incrassatis. — JMaxime 
nostra accedit ad A. i^rostratam Btb. et A. villosam Bnth. 
et hanc ob causam et propter habitum valde diversura cau- 
lis ab A. hypogaea L. sejunxi plantam hanc, in Java a littore ad 
4000' altitudinem cultam , uti et Zollinger clss. in Nat., et ge- 
neesk. Arch. III. 55.1 adnotavit. JBenthainawteva clss., autor 
specierum harum novarum, nostram ad A. hjpogaeam reduxit, 
diagnosis hujus speciei turn autem erit reformanda. 

Diagnosis reformata. Perennis, caule e basi dichotoma ramo- 
sissimo, cum petiolis foliolorumque nervo medio villoso; ramis 
primo erectis, sed mox, centrali semper excepto, omaibus prostra- 
tis; stipularum parte libera elongata, dimidium petioium nuncat- 
tingente; foliolis terminalibus obovatis aut obovato-oblongis , basi 
inaequaliter attemxatis inferioribus oblongis aut ovali- oblongis , 
basi rotundatis, omnibus apice rotundatis et mucronulatis , supra 
glabris subtus rainute adpresse villosulis, mai'gine ciliatis rigidis, 
carpopodiis ex axilla quaque 1 — 2, legixminibus 1 — 3-, rarius 4 — 
5-spermis. 

Observ. II. Genus hoc ob embryum rectum vix Hedy- 
sareis adnumerari potest, uti fecerunt Endl. Gen. 6601 et 
Bnth. PI. Jungh. 210; Dalbergieis (aut fovsan Caesaljnnieis , 
uti DeCand. censuit (Prdr. II. 474), potius erit adjungendum. 
De floris descriptione accuratiori et fructus evolutione par- 
ticulari vide Hssk. Tijdschr. Ned. Ind. III. ii. (1840) 
p. 146;— Poit. Ann. Scnc. nat. XIX (1853) p. 268 etc. t. 



— 188 — 

15 (icon figiirativa, nee naturalis) ; — Altheer Nat. Tijclschr. 
Neerl. Ind. VII (1855) p. 127. etc. tab. Iet II, (icon sat 
naturalis, nee ubique clara!) 

Desciiiptio. Radix perpendicularls fusiformis sensim attenuata 
et dein filiformis, 6 — 7 poll. longa; rami subhorizontallter expansi, 
filiformes, 5 — G poll. longi, pariter ac radix primaria verriicis crebris 
liemisphaericis aiit imo siibglobosis , diametro \ — l-Un., solitarüs 
aut densis obsiti; jihriüao plurimae e radice ejusqiie ramis in 
primis autem e caule subterraneo filiformes albidae ramosae, ad 
6 — 7 poll. saepe longae. Caulls perbrevis subterraneus erectus, 
bis terve dicliotomus, dense multiceps. Jiami a basi inde dicliotonie 
ramosi, centrales erecti, sed novo altero progrediente mox prostra- 
ti, 1 — 2 ped. et ultra longi, apice vix adsceudentes, laete virides 
robusti, dense moUiterque villosi, ramosissimi, versus apicem sub - 
trigoni, basin versus teretiuscub' ibiqne glabrati. Folia alterna 
pinnata 2-paria. PetioU 1 — 2^ poll. longi, basi cum stipulis binis 
connati, a parte Kbera stipularum mobili-articulati, nunc erecti, 
nunc patentes, toti dense et in primis ad foliolorum insertionem 
villosis, nunc sublanato-villosi , subtus rotundati, supi'a profunde 
canaliculati ibique glabri; interstitium int er stipulas et foliola in- 
inferiora 7 — 16 lin. longum, inter par infimum et snmum foliolo- 
rum 3 — 6 lin. Stipulae basi 4—5 lin. longae, caulem semiam- 
plectentes, membranaceae diaphanae, longi tudinaliter viridi-stria- 
tae; parte libe7'a ovato-, ant lineari-lanceolata acuminatissima , nunc 
subfalcata, 6 — 9 lin. longa, ad apicem ramorum par infimum fo- 
liorum fere attingenti, basi 2^ — IJ lin. lata; totae laete virides, niinute 
sericeo-puberulae et plus minus longe ciliolatae. Foliola in somno 
cum pagina sua superior! sibi adplicata et pari inferiore superius 
imbricanti, caeterum phis minus patentia, brevissime petiolulata 
articulata et in articulis valde mobilia; paris inferioris oblonga, 
nunc ovall-oblonga , rarius obovato-oblonga, apice rotundata aut 
plus minus acutiuscula et mucronulata, basi rotundata aut vix 
hinc inde leviter attenuata, G — 17 lin. longa, 3J — 9 lin. lata; paris 
supjerioris plerumque' obovata, apice rotundata, basi plus minus 
inaequilateraliter attenuata, latere interiori angustiori, 7 — 17 lin. 
longa, 4| — 11 lin, lata, nunc obovato-oblonga, 16 lin. longa, 10 
liu. lata, aut imo sed rarius oblonga, 21 lin. longa, 9 lin. lata, 



189 



apice acuta et omula apice mimi te mucronulata , crassa, supra in- 
tense virldia glabra, subtus iniuute denseque adpresse villosa, 
margine ciliata et pliis in nervo medio pariter patentibus longis, 
eleganter venoso-reticulata , apicibus venarum multis haud anasto- 
mosantibus liberis. FLores in axillis folioruin e ramis valde ab- 
breviatis inter partem stipulaceam petiolornm toti reconditi, suc- 
cessive 2 — 3 sessiles, bractea et bracteolis binis sutFulti. Bractea 
amplexicaulis, complanata, inaequilatera, cainnata, membranacea , 
diapbana, in acumen viride longnm producta, 5 — 6 lin. longa, basi 
3 lin. lata, in carina et margine villoso-ciliata. Bracteolae a la- 
tere utroque flori inevoluto et dein tubo calycis arcte adpressae, 
lineari-lanceolatae acumiuatissimae membranaceae, cariuatae dia- 
phanae, supra medium tantum viridiusculae, 4 lin. lojigae, vix 1 
lin. latae, in carina et marginibus villoso-ciliatae. Cahjx villosus 
tubulosus; tubus teres filiformis, primo rectus, dein subincurvus, 
apice nutans, 6 lin. longus (1) viridi-flavescens; limbus 3 lin. altus, 2- 
labiatus,. dein saepe lateraliter fissus et ad latus unum dejectus; 
labium inferius carinam sustinens angustissimum lineare cur\'atum 
acuminatum; superius latumS-fidum, quasi e 3 magis minusve al- 
te connatis conflatum ; lacudae subaequilongae ; laterales angustio- 
res, intermedia apice leviter bifida, carinata. Corolla papilionacea; 
vexülum maximum laete cerino-luteum, transverse oblongum , obso- 
lete cordatum, primo carinam et alas obtegens, dein in ungue 
breviusculo erectura, diametro transversali 6, vertiali 4 lin. ungue 
canaliculato ; alae aureae, ungue brevi paulo curvato albido sufful- 
tae, medio carlnato-plicatae, 4 lin. longae, 2^ — 3 lin. latae, apice 
subrotundatae , basin versus auriculatae; carina brevis, ab alis ad- 
pressis tota occulta, curVata falciformis acuminata, albido-flaves- 
cens, diametro curvaturae 3 lin, 1 lin. lata, membranacea basi 
breviter stipitata, nee 2-petala. Stamina 10 monadelpha; tubus 
stamineus albescens basi latus sub auriculatus teretiusculus, a latere 
utroque subcomplauatus , horizontalis , supra medium attenuatus 
et dein verticaliter adscendenti-flexus; filamentorum apices liberi, 
inaequilongi , alterni breviores, antheris lineari-oblongis, alterni 
longiores antheris subglobosis praediti, omnes subulati; antherae 



(1) Descriptiü liaec facta est secundum specimina viva, altitiuline 3500 ped. 
culta; antea in horto Bogoriensi et Bataviae calycis tubum longiorem vidi. 



— 190 — 

oblongae longltudinaliter rima duplici dehlscentes , globosae, trans- 
vers'im sulco confluenti dehiscentes ; pollen luteum oblongum utrin- 
que obtu3um (sub aqua visum globosum) longitudinaliter 1-sulca- 
tum. Germen in fundo tubi calycis sessile oblongum uniloculare, 1 
millim. longum, apice paulo attenuatum in stylum longissimura 
tenuissknum capillarem, intra tubum calycinum receptum, apice es- 
sertum, in carina curratum et paulo incrassatum et papilloso-pilosum. 
sunimo apice attenuatujn stigmatosum ; gemmulae in ioculo 1 — 3 , ra- 
rius plures. Infra germen dein excrescit in carpopodium filiforme cras- 
siusculum flexuosum, primo sanguineum, plus minus molliterhir- 
sutum , ad apicem tantum laeve et nunc viridiusculum aut albidum > 
apice ipso acutissimo sanguineo, germen ferenti, 2 — 5 poll. longum, 
1 lin. fere^crassum, solum intrans et primo calycis tubo cum 
limbo coroUaque emarcidis eperculatim vestitum , dein nudum ; 
germen turn nondum incrassatum et solum sectione verticali e 
praesentia gemmularum recognoscendum ; apex hic aut germen de- 
in albescit, increscit et primo formam oblongo-oviformen acutam 
subcurvatam adipiscitur, et est spongiosum, 1 — 2 lin. longum, \ 
lin. crassum; postremo fructus magis magisque regulariter forma- 
tus conspicitur, 6 — 18 lin. longus et 4 — 5 lin. crassus, longitudi- 
naliter costatus et inter costas transverse reticulatus, 1 — 3-sper- 
mu3, rarius 4 — 7-spermu3. Pericai'pium primo est camoso-spon- 
giosum, dein membranaceo-crustaceum evadit, fragile, in sutura 
facile pressione rumpens. Semina oblonga, nunc in polyspermis in- 
termedia utrinque, in oligospermis et terminalia in polyspermis 
uno latere truncata. Emhryum rectum, exalbuminosum ; cotyledones 
crassissimae semiteretes intus planae; radicula recta et crassa co- 
nica, versus basin fructus spectans prominula ; . (/er/zTnu/a juvenilis 
valde evoluta, folia 2 — 3 cum foHolis suis 4 faclllter recognoscenda 
praebens. Sapor seminum juvenilium et olor fructus nondum plane 
maturi iis Fahae sativae valde accedunt. Semina ad fabricandum 
oleum adhabitur, in uso familiari solum ad incendiendas lampades 
servit. 

var. aecjyjytiaca Hsskl. 

In horto bogoriensi coluntur specimina ex Aegypto 'vatToènciaL, A. 
prostratae Bntb. (Wip. 1. c.) valde accedentia. Tota herba est prostrata 



— 191 — 

pereaiiis, ramoslsslma; ranr.ili 4 — 5-angulati, pilis tenuissiinis pa- 
tentissimis obsessi, nee villosi, dein glabrati; stipulae longlter sub- 
falcato-acuminatissimae, plei'umqne 1 — 1} poll. longae, parte 11- 
bera 10 — 13 lin. longa, glabriusculae ; petioli 2 — 3 poll. longl sub- 
villosi aut villosi; /o/ioZa nnnc oblónga, 1 ^- poll. longa, |poll. lata, 
terminalia obovato-oblonga 20 lin. longa, 12 lin. lata, nunc ova- 
lia 1 — 1 poll. longa, \ — j- poll. lata (in eodem ramo), supra gla- 
bra subtus sericea, in margiue paulo incrassato longiter ciliata. 
Legumina saepe (an cultura tantum?) 1 — 2-(rarius 3-) sperma. 
Omnes reliqnae partes cum iis supra descriptae plantae conveniunt. — ' 
A. marginata Gardn. Hook Icon. 500 , quae evidenter plantam valde 
javenilem repraesentat, (Wip. Eprt. I. 728. 7) forsan huc pertinet? 

Eene eenjarige of zaaiplant, die over den bodem kruipt 
en hare vrucliten tot O" diep in de aarde verbergt, welke 
8 maanden behoeven om tot rijpheid te komen , -waarna ze 
worden uitgegraven , of nitgeploegd , in de zon gedroogd , 
daarna op eene bamboezen horde door vuur geroosterd , van 
de buitenschil ontdaan, fijn gestampt, door ' stoom verhit, 
en zoo uitgeperst , om de welbekende , niet zeer smakelijke, 
doch goede lampolie te leveren , die versch en bij doel- 
matige zuivering ook in de spijs gebruikt kan worden. 
Op Java bestaat daarvan eene uitgebreide kuituur, die 
meestal door Chinezen gedreven wordt en bij welslagen 
nog al winstgevend is, hooAvel die aanplantingen ook wel 
eens mislukken , vooral wanneer de gronden te vet zijn , 
of door andere omstandigheden. Ook tegen de wilde varkens, 
die er groote beminnaars van zijn , dient vooral gewaakt 
te worden. De plant is bekend onder de namen van Ka- 
tjang iana, Katjang mieyijak en Katjang tjina. 

Eene variëteit van deze plant, van den heer Ruw ssena aks 
uit Egijpte verkregen , onderscheidt zich , door meer glan- 
zende bladem en eene welligt smakelijker soort van olie. 



— 192 — 

129. Cijnometra o^ami flora L. 

{DC. Prdr. IL 509.2. Rmph. Ilerh. amh. I. 167. t. G3.) 

Observ. Yakle accedit C*. ? tetraph.yUa Hook. (Wip. Ann. 
II. 449.2), quae autem foliolis obtusis diversa. — Icon. Eumplüi 
liaud optima! — Semina ex iiisula Ntjsa kembangan , Javae 
centrali vecina , attulit liortulanus indefesus , Teijsmann , qui 
fructus laudat lignosos , ad apicem ramorum progressos , paulo 
verrucosos, iis Hymenasae vei^rucosae similes, haud edu- 
les. — In liorto solum plantae juveniles adsunt, recenter e se- 
minibus enatae. Folia liarum sat descriptionem quadrant, 
sed saepe praebent foliola 4 imoque sunt bis bijuga ; foliola 
innma sunt perparva ovata acuta aut subacuraiiiata , 7 — 18 
lin. longa, 4 — 12 lin. lata, basi inaequalia, latere interiori 
angustato; summa sunt oblonga aut oblongo-lanceolata , basi 
in latere interiori valde attenuata, indeque inaequalia, ple- 
rumque in ter -se inaequilonga , alterum nunc quarta parte mi- 
nus, 2|^ — b\ poll. longa, 1 — 2\ poll. lata, coriacea gla- 
berrima integerrima, sulitus juvenilia laete , senilia obscure 
glaucescenti-viridia. 

Een boom van p. m. 30' hoogte met een' stam van 1' 
dikte en eene gevulde ovale kroon. Hij is eerst kortelings 
in den plantentuin overgebragt, en werd gevonden op 
Noesa Kambangan en aan de baaij van Poeger in Bazoeki, 
■waar hij bekend is onder den naam van Wonuth. 

130. Jonesia Asoca Ilxb. 

[Wgld. Icon. t. 200. DC. Prdr. II. 487.) 

Obsery. J. minor Zoll. (Nat. & Gen. Arch. III. 70.2 
& 80, AVlp. Ann. I 258) certissime huc pertinet e specimi- 
nibus autlienticis Zolüngeri. — Semina in Wght. 1. c. male 
delineata. 



— 193 — 

Descript. Arhor liurallls, comam viridem subglobosam elegan- 
ter floribus flavo-aurautiacis oi'natam gerens. Raiiü teretes fusco- 
cinerei veiTuculosi asperuli patentes: rcuiiuü subcomplanati sulcati 
virides glabi'i, summo apice penduli, cum petiolis plnnarum pur- 
purascentes. ^tipulae binae intra axUlani connatae unicam reprae- 
sentantes oblongo-lanceolatain acumiiiatam , glabram, ramulum ju- 
venilem arcte cingeiitem, longiter persistentem et i-amo adpressam, 
marcescentem, dein deciduam , 7 — 8 lin. lon*gam. Folia circumscrip- 
tione semiorbiculari-ovata, diametro 7 — 10 poll., abrupte pinnata. 
Petioli basi subincrassati, articulati, teretes, ad pinnarum inser- 
tiones paulo incrassati ; petioluli teretes semitorti giabri, 1 lin longl. 
Pinnae coriaceae, accrescentes 2 — 4- jugae, inferiores patentes, 
intermediae patenti-erectae , summae erectae, basi attenuatae, cae- 
terum omnes oblongo-lanceolatae, plerumque acuminatae, nunc 
apieem versus attenuatae, obtusae mucronatae, supra nitidae in- 
tense virides, subtus pallidiores et eleganter elevato-reticulatae , 
infimaeS — 5 poll. longae, 12 — 22 lin. latae, sammae5| — 9 poU.longae, 
2| — 2\ poll. latae. Coi^mbi terminales aut in ramis brevibus bi- 
ennibus axillaribus et defectu folioi-um laterales, 21- poll. alti, 3 
poll. lati, ab ima basi dicliotome ramosi, ut plures fasciculati ad- 
pareant. Ba7ni ima basi virides, dein flavescenti-virides graciles 
angulati; bracteae ad basin pedicellorum uti bracteolae binae ad 
apieem eorum ovatae acuminatae glabrae aequales , cerinae, 1 \ lin. 
longae, 1 lin. latae deciduae. PedicelliiQrm&s teretes, 2* lin. longi 
flavi. Flor es flavescentes odorati. Calyx hypoeraterimorpluis; 
tubus gracilis 8 lin. longus filiformis, apice paulo dilatatus ; Umbus 
4-partitus; ladniae subaequales oblongae s. ovato-oblongae obtu- 
sae aut acutiusculae concavae, dein planae patentes, ciliolatae. 
JStamina ima basi in annulum aut coi'onulam faueium- calycis | — ^- 
lin. altam connata, primo colore calycis, dein sensim lilacino 
et postremo violaceo, caeterum plane cum iis speciei sequ- 
entis congrua , nunc superiori deficienti solum 6. Germen stipi- 
te calycis tubo in latere inferiore adnato, conspicuo, a faucibus 
libero , 2 1- lin. longo , tereti erecto , villosulo suffultum , lineari-ob- 
longum viride, 2 lin. longum, ad margines villosulum, apice in 
stylum attenuatum. Stylus tenuis, dein erectus flexuosus , cum ger- 
mine et stipitis parte libera 1 poll longTis. Legumen coriaceum, 
uniloculare, bivalve, oblongum, 7 poll. longum, 1\ poll. latum, 



— 194 — 

compres30-planum, iii marginibus paulo iucrassatum, 5 — G-spermum; 
valvae dein tolo desciscentes coriaceae, mox spiraliter contortae, 
extus glabrae. Semina compresso-plana, sublrregiilariter oblongo- 
orbicularia, diametro 1 — 1^ poll., vix 2 lin. crassa; emhryum to- 
tum semen explens, rectum; cotjledones planae ci'assiusculae nee 
dorso convexae; 7-adicida versus liilum spectans, longiter (2 lin.) 
a margine remota. 

Eene fraaibloeijende boom, xan 20' hoogte', en 9'' dikte 
met eene ronde uitgebreide kroon , die in den bloeitijd met 
honderden oranjegele, kortgesteelde bloemtrosen als geïl- 
lumineerd is. Hij wordt door zaden voortgeplant , terwijl het 
marcotten veel zorg vereischt , en niet gelukt , zoo zij 
niet steeds vochtig wordt gehouden. De inlandsche naam 
is Kisokka en ook wel Kemhang dehdes. Hij wordt op 
Ja\'a in de benedenlanden wild gevonden. 

131. Jonesia confusa Hsskl. 

SynüX. Jonesia Asoca Zoll. Nat. et Gen. Arch. III. 70.1. 
et 80. — Saraca arhorescens Brm, Ind. 85. t. 25. 2. (HsskL 
Cat. p. 288 excl. Syiion., nee Rxb.) ex inflorescentiae delin- 
eatione certe huc pertinere videtur. 

Descrpt. Arbor speciei praecedenti valde consimilis, sed magis 
obscure viridis; rami teretes cinereo-fusci , tuberculati et rimulosi 
indeque asperuli; ramuli teretes virides glabri, summo apice sul- 
cati, angulati, penduli flaccidi et purpiu-ascentes. Stijjidae binae 
Intraaxillares connatae in unam semiamplexicaulem , ramuliim arcte 
cingentcm, ovata-oblongam acutara, nunc leviter bifidam, 8 lin. 
longam , 4 lin. latam glabram. Folia patentia, abrupte pinnata, se- 
miorbiculari-ovata, diametro 10 — 11 poll. Petioli basi articulati 
et incrassati, teretiusculi, ad pinnarum insertiones paulo incrassati. 
PetioMi crassi brevGS teretes, vix 1 lin. longi, laete virides. Pin- 
7iae coriaceae glaberrimae, supra intense et obscure virides subtus 
pallidior.es, juveniles flaccidae pendulae albido-virescentes , nunc 
subroseo-virescentes, petiolo roseo-purpurascenti , 4 — 5-,rarius 6-ju- 
gae, oblongae apicem versus leviter attenuatae, obtusae mucrona- 



— 195 — 

tae aut obtuse acuminatae, Infiniae minores, dein apicem versus 
clecrescentes, infimae 4 — 6 poll. longae, 15 — 24 lin. latae et magi.s 
ovato-oblongae , paris secund? 7| — 10 poll. longae, 1} — 2| poll. 
latae, paris sumrai 4 — 6 poll. longae, 15 — 18 lin. latae et basi 
inaequaliter attenuatae; in ramo florifero pinnae nunc multo mi- 
nores evadunt, 3 poll. longae, 1 poll. latae. Coi'ymbi ramosissimi 
densissimi, 1| poll. alti, 2J poll. lati, erectiusculi ; rarai omnes a 
basi fere corymbi progredientes indeque subfasciculati , inibentes, 
1\ — 1 poll. longi, ad pediceUorum insertionem exsculpti, (nee tan- 
te uti in J. dediaata Jck.) angulati. Bracteae ad pediceUorum ba- 
sin subrotundo-ov'atae, diametro IA lin., acutae, uti tota inflores- 
centia aurantiacae, caducae; i^^dicelli brevissimi, 1 lin. vix longi, 
terêtes, apice bibracteolati ; bvacteolae bracteis conformes et eadem 
magnitudine , juntae floris basin amplectentes , deciduae. Cahjx hy- 
pocraterimorphus; tubus apice paulo dilatatus, 7 lin. longus, car- 
nosulus; limbus patens, 4-partitus; ladniae aequales, primo ovales 
concavae, dein obovatae basi parum attenuatae planae, margine 
ciliolatae, 4 lin. longae 3 lin. latae, aurantiacae, dein medio pur- 
pureo-aurantiacae. Stamina calycis faucibus inserta, ima basi in 
annulum subviolaceum brevissimum caUosum, primo aurantiacum, 
dein violaceum connata, 7 fertilia, 3 arbortiva ante laciniam ca- 
lycis inferiorem ad crenulas vix conspicuas annuli reducta ; filamen- 
ta filiformia , apice capillaria, 8 lin. longa , in alabastro irregulari- 
ter corrugato-convoluta , dein erecta flexuosa ; antherae ILneari-ob- 
longae violaceae, totae iis J. declinatae conformes. Germen stipi- 
tatum, stipite cum tubi calycis facie infera arcte connato , a faucibus 
demum libero, erecto. Ij- lin. longo, puberulo suffultum , puberulum, 
lineari-oblongum, flavescens , 3 — 4 lin. longum , 1 lin. fere latum , 
marginibus villosulum, in stylum attenuatum, gemmidis 6 — 8. 
Legumen coriaceum oblongum aut elongato-oblongum , 2 — 3 poll. 
longum, 12 — 14 lin. latum et crassum, uniloculare, 2-valve, gla- 
brum verruculosum ; valvae demum totae desciscentes et spiraliter 
contortae. Semina plerumque 2 — 1, nunc 3, subteretia, ubi se 
tangunt truncata, ad basin apicemque fiuctus acutiuscula, in uno 
et truncata in altero termino, 7 lin. crassa, 8 — 15 lin. longa, 
glaberrima laevia; testa membi-anacea nigrescenti — fusca fragilis; 
embryum totum semen implens; cotyledones nunc regulariter dimi- 
dium semen sistentes, nunc inaequaliter sese subamplectentes , in 



— 19G — 

primis ad terminos truncatos ; radicula interna versus lillum spec- 
tans, nunc ad unum termium seminis, mine in truncatis seminibus 
in latere sita. — In horto bogoriensi 'et Bataviae e tempore longiquo 
colitur, nee unquam in sylvis vicinis reperta, forsanelocis dlstan- 
tibus introducta videtur. 

Deze boom, van gelijke lioogte als de voorgaande, gelijkt 
veel op liem , is ook zeer rijk aan bloemen die van dezelf- 
de kleur en gedaante zijn ; doch is liij niet zoo fijn vertakt , 
en zijne takjes zijn langer en dikker ; ook de bladen zijn 
meer en langer gevind. In de ^•rucllten is' een nog grooter 
verschil , vermits deze rond en afgestompt , en die van de A^orige 
geheel plat zijn. Ook brengt hij meerdere vruchten voort, 
die mede ter voortteling geschikt zijn. De inlandsche 
naam is als die van de voorgaande soort. Het vaderland 
is onbekend. 

132. Jonesia declinata Jck. 

{Wip. Rprt. II. 844.) 

Obsert. Character genericus, uti Endl. Geu, G7951iunc 
desci'ipsit, haud plane congruit nee cum hac, nee cum an- 
tecedentibus speciebus, nam calyx cum bracteis binis et pe- 
dicello coloratus; antherae oblongae; germinis stipes toto 
tubo calycino adnatus et a faucibus tantum liber quasi iis 
insertus videtur; leguraen nunc rectum, vix falcatum co- 
riaceum, juvenile pulpa viridi semina inter se secedenti et 
septula formanti, dein evanida foetum. 

DESCrjPT. Arbor elegantissima mediocris — sylvas Sumatrae 
proviuciae Benkulen, nee non provinciae Tjiandjur, Javae occi- 
dentalis, habitans , ubi Th. Lobb, vir clr., primus hanc reperit ; — coma 
globosa, densa, viridis et foliis novellis discoloribus pendulis laxis 
egi'egie variegata et floribus flavescenti-aurantiacis ornata; rami 
divaricati teretes rimulosi; ramuli teretes subcompressi glaberrimi, 
sanguineo-virides , robusti, geniculati. Stipulae connatae intra- 



— 197 — 

axillares, ia unam e basi lata acurainatam, a latere compressam , 
cucuUiformein , gemniam axillarera obtegentem , viridem glabram, 
8 lin. longam, 4 lin. basi lalam, niarcescentem et longe persisteii- 
tem postremo deciduam. Folia alterna, abrupte pinnata, 2 — 3 ped. 
longa, 1| — 2 ped. lata, glaberriina , subcoriacea ; /?a'e«z7/a membra- 
nacea laxa pendula pallide rosea. Petioli basi 6 lin. longi, valde 
bulboso- incrassati (4 lin.) teretes, ad pinnarum insertionera paulo 
incrassati, subtus virides, supra purpurascentes, 10 — 18 poll. longi, 
1[ — 2 lin. crassi; petioluli teretes virides, 2| — i lin. longi, 1 lin. 
crassi. Pinnae 6 — 8-jugae accrescentes, inferiores ovatae aut 
ovato-oblongae acutae au t breviter acuminatae, basi rotundatae, 
5 — 9 poll. longae, 2^ — i\ poll. latae, reliquae oblongae aut sum- 
mae elliptico-oblungae , breviter acuminatae, 8J — 14 poll. longae, 
3 2- — ó poll. latae, laete virides, subtus paUidiores et eleganter re- 
ticulatae, nervis lateralibu.s arcuatira adscendentibus, intra margi- 
nem anastomosantibus. Injlorescentia terminalis corymboso-racemo- 
sa, colorata, flavescenti-aurantiaca, basin versus purpureo colore 
tincta, 7 — 8 poll. alta, 10 — 15 poll. lata, glaberrima; rami pa- 
tentes aut sunimi patentim erecti, inferiores ramosi, dein basin 
versus viridescentes, angulati, 5 — 7 poll. longi, ad insertiones 
pedicellorum profunde exsculpti, anguli a media insertione eorura 
longiter decurrentes. Bracteae ad basin pediceUorum flavo-aui'an- 
tiacae oblongae aut ovatae acutae concavae, 4 lin. fere longae, 1 — 
2 lin. latae, glabrae, in prima juventute alabastri hoc totum ob- 
tegentes. Pedkelli flavescenti-aurantiaci , vix 1 lin. excedentes, te- 
retes erecti, apice bibracteolati. Bracteolae oblongae acutae, 2 lin. 
longae, 1 lin. fere latae, erectae, flavescenti-aurantiacae caducae. Calyo: 
longiter tubulosus hypocraterlmorpbus, flavescenti- aurantiacus 
glaberrimus; tubus 8 lin. lougus tenuis gracilis, apicem versus 
paulo incrassatus, carnosulus, intusque glaber; limbus 4-partitus, 
in alabastro imbricativus ; laciniae inaequales, in alabastro tertia 
dein inferior major subrotundo-ovata 3 lin. longa, 2L lin. lata, 
reliquae ovato-oblongae 3 lin. longae 2 lin. latae, omnes concavae; 
fances corona staminea primo aurantiaca dein violacea et postremo 
atropurpurea subnigra praediti, vix l lin. alta, e basibus stami- 
num connatorum orta, quorum 6 abortiva dentiforniia , 4 regulari- 
ter evoluta sunt. Filamenta fertilia cum dentibus 3 majoribus, e 
basi lata acutis alterna, dentes 3 reliqui iu unura latiusculum 



— 198 — 

aplce 3-crenulatum laciniae inferiori raajori oppositura confluentes; 
iertilia filiformia rubescentia, apicem versus attenuata, in ala- 
bastro iregulariter flexuoso-corrugata ; antherae oblongae ver- 
satiles, clorso medio affixae atrosangiiineae, basi leviter bifidae 
apice apiculatae, jam in alabastro longitudinaliter rima duplici 
dehiseentes , polline luteo; dein filamentls erectie, 9 — 10 lin. longis 
fiexuosis, coiTUgatae et deciduae. Germen stipitatum; stipite fere 
toto cum tubi calycini facie inferiore conflato, vix ab eo distin- 
guendo, apice libero, geniculato colorato pilosulo , erectum, lineari- 
oblongura, viride minute puberulum, 2 lin. longum, post anthesin 
mox excrescens. Stylus filiformis, in alabasti'o circinatim inflexus, 
aurantiaco-rubescens, dein erectus strictus subflexuosus, emarci- 
dus persistens; stigma in alabastro subpeltato-capitatum minu- 
tum glaberrimnm viride nitidulum, in anthesijam exsiccatum ob- 
soletum. Leijumen stipite 6 — 7 lin. longo tereti lignoso suffultum ; 
primo laete purpureum complanatum, elongato-oblongum, apice sub- 
falcatum, marginibus incrassatum, utrinque oblique attenuatum , 7 
poll. longum, 14 lin. latum, eleganter reticulatum 1 lin. crassum, 
margine fere 2 lin. crasso, pulpa nondum evoluta, gemmulis 7 — 
9 ; maturum elongato-oblongum, plerumqne subfalcatum , basin ver- 
sus nunc attenuatum aut a basi ad apicem sensim latius, 10 poll. 
lonoum, apice fere 2 poll. latum, aut subaequaliter lato- lineare , 
utrinque leviter subattenuatum et sxibfalcatum , 12 poll. long, 2 
poll. latum, uuilocvilare bivalve; valvae planae, margine baud in- 
crassatae, coriaceae subreticulatae nigrescentes glabrae, vix dehis- 
centes, celerrime spiraliter contortae, in tubum 1 poll. crassum, 10 
poll. longum, basi nunc coliaerentes aut desciscentes deciduae; le- 
gumen nunc in medio valde tumidum evadit , crassum, 8 poll. lon- 
gum, 18 — 20 lin. latum et 8 lin. crassixm, extus tuberculis ri- 
mosis asperum. Semina 7 — 8 plerumque compressa, subregula- 
riter obovata acuta, in basi rotundata inserta, 2 poll. longa, 
15 — IG lin. lata, vix 2 lin. crassitie excedentia; in legiiminibus 
turgidis semina sunt forma valde variabili irregulari, nunc oblon- 
ga (legumini transversa), nunc subquadrata, ad basin leguminis 
saepe subtriangularia, multo minus compressa, 6 lin. crassa, 12 lin. 
lata et 6 — l^lin. longa (in directione leguminis longitudinali) ; om- 
nia glaberrima, arülo nullo praedita. Testa membranaceo-coria- 
cea. Emhryim exalbuminosum , totum semen implens ; cotyledones 



— 199 — 

planae forma seminis , sed dimidiata, in seminibus turgidis crasslo- 
res; radicula 3 lin. longa, 2 lin. (in turgidis 1 — 1^ lin.) a margi- 
ne distans versus liilum spectans, couica, obtusiuscula. 

Een boom met buitengewone bloemenpracht. Hij bereikt 
eene hoogte van 15' bij eene dikte des stams van 6". Zijne tak- 
ken zijn onregelmatig en wijd uit elkander staande, zoodat hij 
niet zulk eene fraai gevormde kroon, als de' vorige ople- 
vert, doch zijne zeer groote , wel een' vierkanten voet be- 
slaande , opstaande bloem trossen met geelachtige fraaije 
bloemen , die zooAvel uit den stam als uit de takken voort- 
komen , en waarmede hij rijk bezet is , leveren reeds in de 
verte een allerprachtigst gezigt op , wat bij eene naauwkeu- 
rige beschouwing niets van zijne waarde verliest. Na den 
bloei volgen zijne ruim 1' lange, breede, afhangende vruchten, 
welke hij in menigte voortbrengt, en die met hare roodachtige 
kleur tevens een vreemd en behagelijk aanzien geven. 
Van zaden wordt hij gemakkelijk voortgeplant. De inland- 
sche naam is almede Kisokka. Hij werd aan den berg 
Sallak gevonden. 

133. Jonesia monopetala Hsskl. 

Observ. I. Species haec nova a Jonesia Rxb. (Endl. 
Gen. 6796) solum praesentia petali unius differt, caeterum 
et toto habitu et inflorescentia et forma structuraque fruc- 
tuum tota cum Jonesia Asoca Rxb. et declinata Jck. 
convenit. Inter confinia solmn Macrolobium Schreb. (Endl. 
Gen. 6803) petali unius praesentia accedit; sed diftert hoc 
genus calycis tubo hemisphaerico urceolato , legumine 1 - 
spermo. Forsan species nostra generis novi inter genus 
utrumque dictum intermedii typum format corolla Macrolobii 
(Vouapae Aubl.) et fructu Jonesiae Rxb. praediti, sed sig- 
na haec distinctionis nimis exigui momenti videntur & ma- 
lim characterem Jonesiae paulo amplificare , ita , ut corollam 
nunc monopetalam concederet. 



— 200 — 

Observ. II. Adsunt in horto bogoriensi specimlna valde 
juvenilia, vix e seminibus enata , quae eidem arbori quara ra- 
mi floriferi dempta dicuntur; hujus plantae folia mirabiliter con- 
veniunt conveniunt cum iis plantarum , sub nomine Macrolobii 
hijugi Colebr. ex horto bot. Calcuttensi missis (1) (vid. ad fin. 
descriptionis) et solum magnitudine discrepant. Folia ra- 
morum florcntium autem nimis diversa ab eis plantae 
juvenilis et forsan phytotomi indici, qui ramos florentes et 
semina (absque leguminibus) attuleruut, unam speciem cum 
altera confuserunt; certe melius erit, nondum' questionem 
decidere et evolutionem arboris exspectare, 

Descript. Arbor? Rami teretes cinero-fusci rimulosi; ramuli 
tcretes glabri. Yolia abrupte piniiata, alterna. Petioli basi arti- 
culatim iiicrassati, 1^ — 2 poll. longi, patentes teretiusculi , supra 
leviter sulcati; loetioluli patentes teretes glabri, 2 — 3 lin. longi. Pin- 
nulae (ramorum flores fructusque immaturos gerentium) 2-jugae, 
paris infimi minores, sed conformes, subrotundo-ovatae , apice vix 
acutae aut orbiculatao nunc subemarginatae , diametro 2| — 4 
poll., vix inaequilatera , basi rotundata, vix acutiiiscula, glaberrima, 
intcgerrima; nervis utrinque prominulis, secundariis pinnatis ho- 
rizontali-patentibus , apice adscendentibus. Corymhi densiflori sub- 
panicixlati, teriuinales et in ramis abbreviatis axillaribus, dicho- 
tomc ramosi; 2 — 3 poll. alti et lati; pedunculi teretes breves, 2 — 
3 lin. longi, apice bibracteolati ; bracteolae caducae — amein speci- 
minibus siccis baud visae — ; pedicelli teretes tenues, 1 lin. longi 
erecti. C'a/yxhypoci'aterimorpbus; ^?<ii{s cylindricus, nunc (siccando?) 
leviter curvatus et longitudinaliter sulcatus , 2 lin. longus ; limbus 
pro ratione tubi grandis, explanatus 4-partitus; laciniae oblongae 
aut obovato-oblongae, 3 lin. longae, li lin. latae, inferior nunc 
paulo major subconcava, utrinque minute iucanb-pubendae ; in ala- 



(1) Foliula 2-juga ovato-oblonga aiit oblonga, inacqualitcr acurainaia , basi ro- 
tundata coriacea niticla , dein opaca, glaberrima, 2'/'. poll. longa, 1 poll. lata aut 4 
poll. longa, l3/(. poll. lata aut 4'/^ poll. longa, 2 poll. lata, pctiolulo IV2 — 3 lin. 
longo, transversc parallele nervosa, nervis secundariis iutra margiucm arcuatim 
anastomosantilus. 



— 201 — 

bastro omnes concavae, binae exteriores majores aequales, binae 
interiores minores. Corolla monopetala; petalum in alabastro sub- 
sessile basi subcordatum , margine vix plicato-unclulato , ungue 
brevissimo villosulo, calycis laciniae exteriori majori opposituin 
et interioribus minus; in anthesi dein explanatuni tenue membra- 
naceum, ungue 2 lin. longo suffultum, subrotundum , margine un- 
dulato-sinuatum , diametro 7 — 8 lin. Stamhia iina basi in coro- 
nam faucium caljeis connata, in alabastro 9, quorum 3 fertilia ca- 
lycis laciniis praeter majorem opposita, 6 reliqua sterilia multo 
teuuiora, 3 — 4 lin. longa, ananthera, inaequilonga , 4 fertilibus alterna 
et 2 postica petaio alterna subopposita majora; omnm ad basin 
canescenti-villosa ; in anthesi — (flores aperti speciminum siccorum 
valde ab insectis destructi, baud bene recognoscendi) — jilamenta 
fertilia fililbrmia, apice capillaria, flexuosa, pollicem f ere lono-a; 
antherae in alabastro oblongae introrsae biloculares. Germen sti- 
pite erecto calycis tubo adnato , a faucibus libero recto, 1 lin. longo , 
liirsutulo suffultum , oblongum subcurvatum , a lateribus compla- 
natum, ad margines villosum, apice in stylum longum filiformem 
(12 lin. long.) attenuatum, 3 lin. longum, | lin. latum. Legumina 
e inflorescentia quaque 1 — 3, complanata, lineari-oblonga subfal- 
cata mucronulata, basi leviter attenuata, 5 — 6 poll. longa, 2 poll. 
lata, glaberrima coriacea, transverse venosa, vix reticulata, l-lo- 
cularia; semma valde immatura orbicularia tenuissima. 

Se?nma, quae phytotomi indici attulerunt, fuerunt orbiculai-Ia , 
ad hilum plus minus sinuata, (et margine nunc in seminibus ter- 
minalibus leguminum forsan baud regulariter evoluto) complanata, 
testa coriacea, nigrescentia , diametro 15 lin., 3 crassa; radicula 
ad raarginem sita , (baud ab eo remota) bilum spectans , sat mao-na , 
1 lin. longa, } lin. crassa. Plantae juveniles, e seminibus hisce 
progre^sae, ostendunt /oZtoZa 2-juga, ovato-oblonga acuminata inae- 
quilatera basi rotundata aut acutiuscula, coriacea glaberrima ni- 
tida, dein opaca, 2 poll. longa, 1 lata, aut 3[ poll. longa, 1}~ poll. lata. 

Deze boom is nog niet lang in den plantentuin aanwezig, 
maar slechts bekend uit de daarvan door den heer Aquasie 
BoACHi uit het Bantamsche toegezondene gedroogde exem- 
plaren , waarbij vruchten, die goed zijn opgekomen, en 
waarvan de planten veel overeenkomst hebben met het uit 

X. • 14 



— 202 — 

den Botanisclien tuin van Calcutta verkregene Macrolo- 
hium hijncjum, hoewel dit laatste ook hier nog niet ge- 
bloeid heeft. Het laat zich echter aanzien , dat ook deze 
boom prachtig bloeijen zal. De inlandsche naam is almede 
KisoJcha en afgeleid van de Pareita's, welke algemeen Kem- 
hancj sohha genoemd worden , en waarmede de bloemtrossen 
oppei'vlakkig veel overeenkomst hebben. 

3.34. Touchiroa? bantamensis Hsskl. 

ObserV. Fructns nunquam protulithaecarbor floribunda, — 
quam anno 1841 e Bantam, provincia meridionali Javaeoc- 
cidentalis ad hortum bogoriensem misi, — indeque hand se- 
curus, ad Toiicldroam Aubl. nostram speciem duxi; genus 
mea opinione restaurandum et a Criuhja (Endl. Gen. 6802) se- 
iuno"endum. Nostra et habitu et iloribus Toucliiroae aromati- 
cae Aubl. Guian. t. 148 (nee copia pessima Poir. Ene. pi. 
339) valde accedit. — Crudya secedit calyce basi subgibbo (nee 
aequabili) ," faucibus obliquis (nee rectis) , laciniis limbi inaequa- 
libus (nee subaequalibus) , filamentis basi dilatatis (nee tere- 
tibus), foliisque plurijugis (nee bifoliolatis). — Betarhim Jss. 
(Endl. Gen. 6816) differt staminibus ima calycis basi inser- 
tis, filamentis basi subcoalitis, germine sessili, stigmate capi- 
tato , foliis pluri-jugis , floribus paniculatis , paniculis dicho- 
tome ramosis. 

DiAGN. Ai'bor, foliis pianatis cum impari, uni-jugis, altero paris 
deficiënte bifoliolatis ; foliolis oblongis aut oblongo-ellipticis obtusis, 
rarius acutiusculis aut retusis, basi acutis inaequilateris , racemis 
axillaribus aut lateralibus spicatis pendulis, foliis multo longioribus. 

Descrpt. Arbor hvimilis, dense foliosa, obscure viridis, racemis 
spicaeformibus albidis longis pendulis eleganter ornata; ramuli 
teretes virides, ad apicem nunc subcomplanati. Folia alterna bre- 
viter petiolata, pinnata 1-juga cum impari, deficiënte foliolo late- 
rali uno nunc bifoliolata. Petioli poUicem vix excedentes ; petioMi vix 
2 lin. longi , 1 lin. fere crassi. Foliola coriacea oblonga aut oblon- 
ge -obovata aut imo oblongo-elliptica , apice plerumque obtusa, 



~ 203 — 

nunc acutiuscula, basi acuta subinaequilatera , b^ — 8 poll. louga, 
1| — 3 poll. lata, integèrrima (foliolorum insertie bene delineata 
in icoue Aubletü supra citata). Inflorescentia axülaris aut plei'um- 
que extra-axillaris, juxta folii insertionem lateralis, spicato-race- 
mosa, multiflora pendula densa, flavescenti-viridis , ad pedem et 
ultra longa, medium pollicem crassitle vix excedens, puberuia; 
rhacMs teres viridis. Flores sparsi , basi biuc inde in spiram con- 
tinuam subverticillatim dispositi, in axillis bractearum solitarli 
br&viter pedunculati; bracteae minutae caducae; ^;e<:?jrac«fo' A lin. 
vix longi, apice bibracteolati ; bracteolae minutissimae caducissimae. 
Cahjx in alabastro pyriformis imbricativus , 2 lin. altus , deiu 4-fi- 
dus ; tuhus obconicus , basi aequabilis haud gibbus ; fauces circulo 
villoso annuliformi staminif ero coronatae ; limbi laciniae subaequales , 
inferiores paulo miuores, ovato-oblongae flavescenti-virides , lougi- 
tudinaliter nervis 5 viridibus percursae, in antbesi patentes, 2 lin. 
longae, imoque apice revolutae, raargine ciliolatae, pei'sistentes (cum 
floribus omnibus in nostris speciminibus semper sterüibus deciduae). 
Petala nulla. StamhialO — 8, annulo fauclum calycis inserta, supra 
annulum e toto libera, caduca; filamenta filiformia tenuia calycis 
laciuiis multo longiora, 3|- — 4 lin. longa, erecto-patentia, in alabastro 
inflexo-convoluta ; aiitherae luteae minutae, dorso supra basin emar- 
glnatam iusertae, versatiles, longitudinaliter bivalves. Germen sti- 
pitatura, stipite toto libero brevi viridi, e calycis tubo exsertum 
oblongum subcomplanatum , sericeo-villosum, 1 lin. longum, apice 
in stylum fiUformem flexuosum, in alabastro pariter ac filamenta 
convoluto-inflexum, viridem glabrum, 3 lin. longiim, apice vix 
incrassatum stigmatosum atteuuatum , unüoculare ; getnmuhie 4, sutu- 
rae superposite insertae. 

Een boompje van pas 12' hoogte en 6" dikte, met ecne 
fraai gevormde in eene schuinsclie rigting opstaande en 
zich uitbreidende , ovale kroon, Eeeds sedert een paar ja- 
ren heeft het eene menigte bloemaren voortgebragt , 
doch nog geene vruchten gedragen. Hoewel de ruim een 
voet lange, hangende bloemaren geene bijzonder fraaije 
bloemen dragen, is de bloeiwijze door de menigte van 
bloemen , die zich te gelijker tijd ontwikkelen , toch niet 
onaardig , hoewel niet schitterend. De soort is door den heer 



— 204- — 

Hasskarl. uit het Bantanische ingevoerd, doch de inlandschc 
naam is niet bekend. Door marcotten laat zij zich ver- 
menigviddigen. 

13y. Acacia arabica Wild. 5. indica Bnth. 

(TF//;. Rprt. I. 911.255.) 

Obseiiv, Hoc sub nomine specimina nostra niissa fuerunt 
ex liorto Calcuttensi ; ostendunt autera nee pedunculos medio 
(sed apice) bracteatos, nee ramulos, petiolos et pedunculos 
glabros, sed tomentoso-puberulos ; variat igitur ope culturae 
pubescentia et inde varietates iz. et ^. sunt unicndae. 

Descrpt. Rami (floriferi) tei'etes subflexuosi , longitudinaliter ri- 
mosi fusci; raniuli laete virides , canescenti-puberuli, e petiolis de- 
currentibus acute angulati; stipulae spinescentes minutae, vix 1 
lin. longae aut baud spinescentes caducae. Folia bipinnata, 2 — 3 
poll. longa, 1| — 2 poll. lata; petioli communes 3-sulcati, sulco in- 
termedio profimdiori, subtus convexi, 1 — 2 poll. longi, muero- 
nulo stipulaeformi terminati, uti ramuli canescenti-ixiberuli ; rjkm- 
dulae sessiles subrotundae inter paria 1 — 2 summa et hinc inde 
(nee semper) infimura; pinnae 3 — 6-jugae, accrescentes ; rhaches 
G — li lin. longae, uti petioli basi articulatae et incrassatae, 
ibirpie hirsutiusculae, subtus planae submarginatae , supra carina- 
tae, utroque latere sulcatae; foliola 10 — 25-juga, breviter articu- 
latim petiolulata, oblongo-linearia , basi Inaequilatera, sursum at- 
tenuata, deorsura rotundata, 2 lin. longa, | lin. lata, apice plerum- 
que rotundato-obtusa, hinc inde acvitiuscula, glabra, nee ciliata. 
Pedancidi axillares 3 — 5-ni, erecti aut patentes, 3 — 5 lin. longi, 
teretes, canescenti-puberuli, summo apice infra flores obtecto- 
bracteati; bracteae subrotundo-ovatae marcescentes persistentes , 
ab alabastris jamjam totae obtectae. Capitula aurea oo -flora, in 
anthesi diametro 5 — 6 lin. Flores supra apicem pedunculi paulo 
incrassatum et exsculptura dense sessiles in axillis bracteolarum ; 
bracteolae obovato-oblongae minutae marcescentes persistentes. Ca- 
lyx campauulatus 5-angulatus, coroUae tertiam partem longus, 
valvatim 5-dentatu3, canescens. Coro//a campanulata , o-angularis, 
albido-virescens , apicem versus flavescens, valvatim 5-dentata, 



— 205 — 

IJ- lin. louga. Stamina daplo corollae longltudine , oo , basi in tu- 
bum baud exsertum , sed coroUam subaequantem connata ; dein ƒ/«- 
menta libera citrina erecta penicilliformi - congesta subiastigiata ; 
antherae terminales minutae cerinae. Pió-tillum staminil)us aequi- 
longum, germen minutum lineari-oblongum, iitriuque attenuatum, J- 
liii. longum viride; stylus filiformis flexuosus albidus glaberrimus ; 
stigma minutum truncatum. Legumen basi valde attenuatum, sti- 
pitatum, monillforme, lineare planum, dense cano-tomentosum, in- 
ter semiua plus minus profunde strangulatum, nuuc margine so- 
lum. sinuato, nunc inter semina ad instai' stipitis legiimiuis con- 
tracto, planum, apice subincui'vum , ad 7 poll. longum, ad se- 
minum insertiones 8 lin. latum, inter semina nunc vix 1 lin. 
latum, intus pulposum (dein epulposum ? et lougitudinaliter bivalve ?) 

Deze tengere boom , die door zaden uit den Botanisclien 
tuin te Calcutta is verkregen , heeft hier reeds eenc hoogte 
van 20' bereikt bij eene dikte van 6", doch blijft daarbij 
eene zwakke houding vertoonen , zoodat de stam bijna niet 
in staat is, om de uitgespreide kroon te dragen en daar- 
door min of meer overhellende is, hoewel hij hier geheel 
in zijn element schijnt te zijn , weelderig opgroeit en zelfs 
vele vruchten voortbrengt. De gom wil echter nog niet 
vloeijen, wat welligt is toe te schrijven aan zijne jeugd en 
weelderigen groei , of aan andere oorzaken , die in zijn va- 
derland aanwezig zijn , maar hier ontbreken. Door zaden 
wordt hij gemakkelijk voortgeplant. 

13G. Acacia tomentosa AVlld. 

{Wild. Sj). 2)1. IV. 1087.91. Wljy.Rprt.l. 912. 259.) 

Descriptioxi Willdenorii et diagnosi Benthamii clbrr. 1.1. cc. 
addenda suut liaecce : 

Arbor mediocris — a sundanensibus Kldmpis dicta ; — truncus 
totus a basi fere ramis brevibus (in horto, an semper brevibus?) 
obtectus , ii-regulariter teres ; rami flexuosi squarrosi patentes intri- 
cati iuermes, arborum juvenilium et ramuli teretes erecto-patentes 
armatl. Stipulae spinescentes binae, in juvenilibus nunc minutae, e 
basi crassiuscula subulatae, aciculares fuscescentes, 1 — 3Lin. longae, 



— 206 — 

nunc validae ebumeae, 8 — 9 lin. longae, 1 — 2 lin. basi latae, a 
latere subcompressae , in ramis senilibus minutae herbaceae deci- 
duae, baud spinescentes. Folia 3 polL longa, 2 poll. lata; petioli 
cum ramulis dense velutino-tomentosi lutescenti-virides , subtus 
plani, a latere utroque sulcati, supra carinati et in carina leviter 
sulcati, 21 poll. longi. Pinnael^W. longae, 8 — 20-(nec 10 — 12-) 
jugae; /öZtofor 15 — iO-juga, linearia (inter minora) obtusiuscula , 1 
lin. longa, subtus adpresse pUosa; glandula lutea ovalis lucida, \ 
lin. longa ad par infimum et 2 rotundae si miles ad paria 2 summa 
pinnarum. Pedunculi teretes, 9 — 16 lin. longi, erecti, solitarii aut 
gemini ternive; in medio aut paulo altius, aut minus alte 4-brac- 
teolati; hracteolae subverticillatae aut biuae oppositae altius in- 
sertae cruciatim alternae, minutae, in axillis saepa capitula ine- 
voluta gerentes; — nunc in axillis foliorum paniculae breves pro- 
gediuntui- foliatae, 1 — 1| poll. altae, ramis (pedunculis) patentibus. 
Capitula diametro 5 — 6 lin. albi-, et x -flora. CalyxQtcorolla slWA, 
apicibus laciniaiaim viridibus; corolla calyce triplo longiore, 1 lin. 
alta,, infundibuliformis. Stamina albida 2 lin. longa, vix ima basi 
connata. Legumen lineare complanatum falcatum, nunc semiorbicula- 
ri-falcatum, 2-valve, 2 — 4 poll. longum, 3J lin. latum, acuminatum ; 
valvae coriaceae, Semina oyalia compressiuscula, 4 lin. longa, 2^ 
lin. lata, 2 lin. crassa. 

Een boom vau oO en meer voeten hoogte , 1' dikte en 
soms dikker. De stam is niet regt, maar door de zich 
daarop onwikkelende stammen en takken meestal krom in 
meerdere rigtingen en met doornen bezet, die echter met 
der tijd verdwijnen , hoewel de takken en takjes daarmede 
sterk bezet zijn. Zijne kroon heeft eenen eigenaardigen 
platten vorm, die ontstaat door de bijna in zigzag op- 
staande takken.. De kroon is inwendig bijna kaal, daar 
de fijnere takjes enkel aan de oppervlakte geplaatst zijn. 
De bloemen zijn wit en niet schitterend. Yruchten brengt 
hij overA-loedig voort, om ter voortteling te dienen. Hij 
wordt enkel in de benedenlanden van geheel Oost-Java 
gevonden, en groeit tot aan de stranden, liefst in alluviale 
gronden, waar hij door zijne vele doornen, soms een on- 
doordringbaar bosch vormt en bij duizenden opkomt ter 



— 207 — 

plaatse , waar boscli gekapt is of' in verlatene bel)on^Ytle 
gronden. De javaansche naam is Klampies. 

137. Acacia leuaopJiloea Wild. 

Bnth. Wlj). Rprt. I. 912, 21)13. Wild. 82). pi. IV. 10S3. 81. 

Syxox. Acacia alba de Vriese PI. Jiingb. 2G9, an DC. Prdr. II. 
462. 140?— A melanochaetes Zoll. Wip. Ann. 1. 2G4. 8. — Pi/a«j. 
Sundensium. 

Descept. Arhor alta ; truncus glaber albiis elegaus, 40 — 10 peda- 
lis; rami albido-cinerei teretes , horizontaliter patentes pauci, um- 
braculam plerumque unilateralem formantes; ramuli et petioli gla- 
berrimi (nee rufo-tomentosi) laete vb-ides, iu plantavalde juveuili 
2 ped. alta sangubaei, flexuoso-geniculati. Aculei stipulares validi 
1 — 2 poU. longi, primo virides glabri triquetri, dein sanguineo- 
fusci patentissimi; in planta juvenili 4 Ibi. longi aciculares. Folia 
bipinnata; petiolus communis ad 4 poll. longus, supra submargi- 
natus et canalicubttus ; glandula minuta infra par infimum et pa- 
ria summa pinnarura. Pinnae in nostris speciminibus 3 — G-jugae; 
foliola 10 — ^20-juga linearia obtusiuscula mucronulata, basi inae- 
.quilatera, latere interiore attenuata, exteriore rqtundata, 3 — 4^ 
lin. longa, 1| lin. lata. Leguminai—5 poll. longa, 5 lin. lata, de- 
in glabra, Unearia subarcuata plana bivalvia; valvae subcoriaceae. 
JSemina complanata subrotundo-ovalia diametro 1| — 2A lin., fusca 
nitidula. — Nomen specificum Willdenovianura derivatum a vocibus 
/Csv kos, albus & <p /^oios cortex. 

Een hooge boom , die in eenen gunstigen bodem wel 100' 
bereikt , alsdan een' loodregten witachtigen stam heeft en eene 
scliermvormig uitgebreide kroon draagt. Hij groeit echter 
veelal in dorre rotsachtige streken in de lage landen en in 
gezelschap van de voorgaande, ^4. tornentosa, waar hij niet 
zoo kolossaal wordt, maar reeds van beneden met vele 
sterk gedoomde , stijve takken bezet is. Het hout is zeer 
bruikbaar voor den huisbouw. In het westen van Java 
wordt hij niet gevonden , doch reeds in de residentie Che- 
ribon treft men hem aan , en hij 



— 208 — 

door geheel Oost- Ja va tot op Bali. Zijne bloemen zijn 
mede niet bijzonder fraai , doch zijn witachtig voorkomen 
en hoogte doen hem van uit de verte reeds herkennen. Door 
zaden wordt hij gemakkelijk voortgeplant. Hij is bekend 
onder den naam van Pilan<j of elders PehUuig. 

138. AlUzzia Lehhek Bnth. 

{IFlp. Rprt. Y. 596.6.) 

Specimen hujus ex horto Calcuttensi missum varietati sequenti 
magis accedit; folia autem sunt densiora et brevius petiolata; pe- 
tiolus comunis l\ — 3 poll. longus, pinnae 1 — 3-jugae, foliola 4 — 
7-juga. 

a,. hourhonica Hsskl. 

{JiKja bonrbonica Ilsskl. Catal. 291, Wip. Ept. II. 906.2.) 
Descrpt. Folia sunt magis expansa; pinnae 2 — i-jugae, petio- 
his comunis 7 — 8 poll. longus, foliola 2 — 9-juga ovali — , termi- 
nalia obovato-oblonga, 12 — 16 Iln. longa, 5 — 7 lin. (terminali 8 liu.) 
lata. Legumina 8 poll. longa, 14 lin. lata, albida lucidula. — E 
Bourbonia insula introducta. 

(o. Leucoxylon Hsskl. 

[Jyiga Leucoxijlon Hsskl. Catal. 291, Wip. Eprt. II. 906. 1.) 

Descrpt. Pinnae 2 — 3-jugae ; petiolus communis 3 — 6 poll. lon- 
gus; /oZtoZa 4 — 6-juga subcoriacea, | — 2 poll. longa, \ — 1 poll. 
lata, infima cujusve pinnae minora et saepe imparia, subtus sub- 
glaucescentia glaberrima ; pt^duncuü 3 poll. longi. Legumina pendu- 
la, matura flavescentia , dein emarcida flavescenti-fusca nitidula, 
alternatim supra semina alternatim in vmo aut altero latere protu- 
berantia, basi angustata, linearia, summo apice acutiuscula et co- 
chleato-torta , 10 poll. longa, IA poll. lata, longiter indehiscentia; 
valvae rectae, cliartaceae. Semina 6 — 10, primo in funiculo capillari 
tenui pendula , dein decidua, intra legumen nondum apertum cróta- 
lantia, plana subrotiindo-ovalla, diametro 3| — 1 lin., vix 1 lin. 
crassa, fusea. 



— 209 — 

Een boom van 30 tot 40' hoogte en rnim 1' dikte met 
eene naar omstandigheden ronde of ovale kroon , nit grove 
opstaande of horizontale takken, die aan de uiteinden vele 
kleinere takjes dragen , te zamengesteld- In den bloeitijd 
is hij met duizenden geelachtig-witte bloemlioofdjes als be- 
dekt, zoodat hij dan eene fraaije vertooning maakt en eene 
aangename geur verspreidt. De daaropvolgende lange, 
breede en geelachtige vruchten blijven ook na de rijpwor- 
ding hangen , daarbij eene -witachtig grijze kleur aanne- 
mende, zelfs nadat de boom alle bladen verloren heeft, 
die hij geregeld tweemaal 'sjaars afwerpt. Zij geven een 
geheel eigenaardig aanzien aan dezen boom , terwijl ze 
door den wind geslingerd en tegen elkander geslagen , 
door hun gekletter reeds in de verte hun aanzijn ver- 
raden. De boom wordt op Java in de benedenlanden 
zelfs tot aan het strand, hoewel niet menigvuldig, wild ge- 
vonden, terwijl een paar variëteiten, die zich oppervlakkig 
weinig onderscheiden , van het eiland Bourbon en Calcutta 
zijn ingevoerd. Op Bourbon is hij bekend onder den naam 
van „ Bois noir'^ omdat het hart van oude stammen eene soort 
van ebbenhout oplevert. In het westen van Java noemt men 
hem Kitohkeh en meer oostelijk Tokee. Yan zijne vele zaden 
wordt hij even als van dikke takken gemakkelijk voorto-e- 
plant. Men heeft hem wel eens aanbevolen voor schaduw- 
boomen in de koffij tuinen , waartoe hij echter minder ge- 
schikt is, omdat hij soms alle zijne bladen verliest, en 
daarbij in de hoogere streken, waar de meeste koffij ge- 
plant wordt, niet weelderig genoeg tiert. 

139. Alhizzia odoratissima Bnth. 

{Wip. Rprt. V. 59G. 10.) 

Synox. Acacia sp, Tarriesie Hsskl. Catal. 291, Acacia 

simllis Zoll. Xat. et Gen. Arch. II. 72. 12 et 81, ex 

citato Hsskl. catal. 

Desckpt. Arhor obllqua; rami subscandentes flexuosi, aliis 



— 210 — 

arboribus incumbentes. Pinnae 4 — 5-jugae; petioli communes 2^ — 
6*- poll. longi; /o/ioZa oblonga (nee late-), 8 — 10 lin. longa, 3i-lin. 
lata; paniculae axillares aut in ramo axillari terminales; capitula 
albida parva, 12 — 15-fiora, diametro 5 lin.; calyx \ lin. longus; 
corrolla'2 lin. longa ; ƒ to«e/ito albida. Ijegamhia tQnuia,^ basi breviter 
angustata, stipitata, oblonga aut lineari-oblonga , margine paulo 
incrassato, recto aut utrinque iuter semina leviter siuuato, obtu- 
siuscula aut acuta, cliartacea fusca glabra, transverse venosa et 
reticulata, venis paulo prominulls, 3} — i\ poll. longa, 1 — l^ 
poll. lata, supra semina paulo tumida, intensius colorata, 4- — 7- 
sperma , indeliiscentia , fragilia , opere cültri facile in valvas binas 
sibi adhaerentes separabilia; valvae intus albescenti-stramineae 
glabrae opacae. Semina (uti in PithecoloUo Clypearia) peudula ex 
funiculis capillaribus , caeterum bisce valde conformia, sed tenuiora 
et figura elevata ad latus utrumque latiori; cotyledones conformes ; 
radicula minor et pro ratione seminis crassior; gemmula minor. 

Een boom van 40' hoogte en 2' dikte, waarvan niet al- 
leen de takken, maar ook de geheele stam zeer geneigd is 
om krom te groeijen, zoodat hij steeds in eene scheve rig- 
ting staat, en zijne geheele kroon uit niets anders dan 
eenige zware bijna horizontale takken bestaat, die door de 
zwaarte der menigvuldige zijtakken en takjes nog meer 
worden neergebogen, zoodat men haast geneigd zoude zijn, 
om hem voor klimmend te houden, ware het niet, dat de 
zware en hooge stam zulks wedersprak; buitendien vertoo- 
nen de takken ook geene sporen, om zich ergens aan vast te 
hechten, wat ze dan ook niet doen, maar zich vrij in de 
lucht bewegen, en verre uitspreiden, waardoor de kroon 
een zeer onregelmatig en gedrogtelijk aanzien krijgt. De 
stam is niet rond, maar in de lengte sterk geribd of uit- 
puilende. Deze boom behoort in deze streken te huis, 
hocAvel hij niet veelvuldig wordt gevonden en wordt even 
als de volgende, en als meest alle Leguminosae door zaden 
vermenio-vuldigd. De inlandsche naam is Tarissi. 



— 211 — 

140. Alhizzia proceo^a Bntli. 

{Wip. Rprt. V. 596.12.) 

[Acacia odoraüssima Hsskl. Cat. 294, nee Wild.) 

Descrpt. Arhor alta truiico albo; rami ei'ecto-patentes , comam 
ovali-oblongam liaud nimis densam formantes. Folia 15 poll. Ion- 
ga, 12 poll. lata; petiolus comunis G — 12 poll. longus; glandula 
basalis oblonga sanguinea, 3 lin. longa, 1 lin. lata, nitidula, in 
medio sulcata; pinnae 3— G-jugae, G poll. loagae, 1*- poll. latae; 
foliola 9 — 15 liu. longa, 4 — 7 lin. lata, subcoriacea ; ^amcttte laxae 
axillares, 3 — 4 poll. altae, nunc ad apicem ramulorum axillariuni 
terminales, 5 poll. altae; rrt??w' patentissimi refi-actique 2 — 3-ni; ca- 
pitula parva albiflora. Legumina membranaceo-coriacea rufo-fusea 
linearia, basi attenuata, apice acuta, 4*- poll. longa, 11 lin. lata, 
dein bivalvia, 1-locularia, 10 — 12 -sperma. Semina in funiculis 
umbilicalibus capillaribus, 5. lin. lougis pendula, badio-fiisca opa- 
ca, subrotundo-ovalia , 3 lin. longa, 2^- lin. lata, 1 lin. crassa. 

Een regtstammige liooge boom, die soms wel eene hoogte 
van 100' bereikt, bij eene dikte p. m. 3'. Naar gelang liij 
hooger wordt, sterven zijne benedenste takken af, zoodat hij 
steeds een' gaven loodregten stam van eene witachtige kleur 
bezit, waarop eene fraai gevormde groote ovale kroon met 
opstaande takken rust. De oude stammen leveren een zeer 
goed hout voor den huisbouw, dat om zijne breedte zeer 
gezocht is; ook wordt het door den ouderdom zwart, 
gelijk als ebbenhout. Deze boom is over geheel Java 
verspreid, doch groeit noch aan de stranden, noch in het 
hoog gebergte; men vindt hem meest tusschen 1000 — 3000' 
hoogte. De inlandsche naam is in het westen van Java 
KiJiiang en in het oosten Weroe. 

141. Albizzia riifa Enth, 

[Wip. Annal. I. 266.1) 

{Acacia rufa Hsskl. Wip. Rprt. V. 593.38.) 

Descrpt. Fi-utex alte scaudens; rami crassi rimosi. Folia 11 



OJO 

poll. longa, 5 poll. lata; petloll communes G poll. longl, supra vlx 
sulcati, primo puberuli, dein glabrati; glandula basalis subrotiin- 
da, medio intrusa, viridis sat magna et mimitae supra medium 
i'.iter paria 2 pinnarum conformes. Rhaches 'ba.'èi incrassato-articu- 
latae et minute bistipulatae, stipuUs patentlbus persistentibus 
subulatis, 2 — 3^- poll. longae, glaucescenti-pruinosae ; foliola 2 
lin. lata, summa obovata, 4 lin. lata. Lerjumina elliptico-oblonga , 
utrinque attenuata, basi acuminata , margine altero êubsinuato , te- 
nuia cliartaceo-membranacea, 2-sperma, iiidehiscentia, 2 poll. lon- 
ga, 1 poll. lata, fusco-purpurea , glabra, supra semiua tumida. 
Semiiia compressa ovalia aut subrotuudo-ovata, diametro 3 — 4 liu. , 
vix 1 lin. crassa , brunnea nitida ; testa coriacea ; radicida marginem 
attingens , subprominula. 

Hoewel deze in zijne jeugd zeer veel op A. odora- 
ilssima gelijkt, blijft hij tocli slechts een grove klim- 
mende heester, die wel eene hoogte van 25' bereikt, ter- 
wijl de stam beneden slechts 3" dik is , en bezet met 
vergroeide doornen, die nu half ovaal zijn en aan den voet 
wel 1" dik zijn bij gelijke lengte. Hij verdeelt zich spoe- 
dig in eenige grove takken , die bij gemis van haken en 
doornen zich in alle rigtingen door het opstaand geboomte 
heenslingeren , om eindelijk, meer vertakkende, bloemen en 
vruchten voort te brengen. Hij wordt in deze streken ge- 
vonden en genaamd Tarissi aroi'jj. 

142. Arthrosprion stipulatum Hsskl. 

{Albizzia stipulata Bnth. Wip. Rep. V. 598. 19. (1) 

Observ. I. Leguminum structura et dehiscentia, in hoc 
subordine Leguminosarum praecipue , summo momento sunt ad 
distinctionem generum; hanc ob causam haud licitum erit, 
species fructibus in articulos secedentibus cum aliis, cujus 



(1) In hoc et aliis locis -'Plautas meas rariores'' liarfiT^ritavi, quia liunc 
librum cum inultis aliis nuper in uaufrag;io lierdiderim. 



— 213 — 

fi'uctus bivalves dehiscunt in unum genus confaiTclci'e, Ad 
hoc iisque tempus fructus permultarum Acaciearum iionduiu 
aut haud rite sunt cogniti , ita ut in tempore haud longe prae- 
terito in perpauca tandem genera fuerint confusae tantae 
species, liabitu externo foliorum et florum sibi consimiles. 
Eam ob causam omncs Albizzias, quarum fructus in arti- 
culos secedunt ad genus novum Arthrosprion (1) Hsskl. 
uniendas esse censeo. 

Observ. II. Inija purpurascens lirt. bog. (reperi hanc 
arborem in liorto hoc nomine praeditam) nee Hsskl. in Catal. 
p. 291. Wip. Eprt. V. 044,143 huc pertinet, etsi pinnae 
in hac usque 18-jugae foliolaque ad 45-juga laudentur. 

Desgupt. FoUa 11 poll. longa, G poll. lata; lietioli comunes su- 
pra leviter sulcati; glandula ovalis supra basiu et rotundatae 3 — 
4 inter pinnas siiraraas nigrescentes subsessiles; j^^'^nae accrescen- 
tes, 1 — 3A poll. longae, patentes, nunc patentissimae , plerunique 
12 — 15-jugae; /o/io^rt 11 — 3G-juga, 3^- lin. longa, 1 lin. lata, li- 
nearia acutiuscula, unilateralia , subfulcata. Legumvia raembrana- 
ceo-coriacea sanguinea glabra sublucida, lliiearia, basi attenuata, 
apice acuta aut attenuata, 4^ poll. longa, \ poll. lata, plurilocula- 
rla, 10-sperma, indeliiscentia et dein transversim in articulos se- 
cedentia, nee valvatini deliiscentia ; ariic?<Zi semiquadrati, 2 quadra- 
tuin formantes, utrinque clausi; semina oblonga compressa brun- 
nea glabra opaca, 3 lin. longa, 2 lin. lata, -| lin. crassa. — Legu- 
mina et semina primo adspectu iis Albizziae jj^ocerae Bnth. valde 
similia, sed prioribus liaud bivalvibus in articulos secedentibus et 
seminibus magis oblongis et compressioribus facile di.stingaienda. 

Een zeer hooge boom , die veel in gezelschap gevonden 
wordt van Alhizzia procera en eene gelijke hoogte bereikt, 
terwijl hij die in dikte nog overtreft; zijne kroon is echter 
ijler, meer scherm vormig, en uit dikkere hoofdtakken te 
zamengesteld ; ook heeft deze niet zulk een' hoogen kalen 
stam , d^ïiï" de hoofdtakken meer beneden reeds eenen aan- 
vang nemen. Het is een van de snelst groeijende boomen 



(1) Nomen dcrivatura a vociljus Ci ', pQ pos, articulus, üOCTTt' lO'^, Ic-^umcu. 



— 214 — 

en bijzonder goed voor schaduwboom geschikt, vermits de bla- 
den fijn zijn, en geen' z waren drup veroorzaken , terwijl ze 
zich des nachts sluitende (even als de meeste dezer familie) 
de vrije toestrooming der nachtlucht niet beletten. Ook zijn 
zijne wortels niet nadeelig, omdat zij niet te veel yoedsel 
aan de daaronder groeijende planten ontnemen. Hij heeft 
echter ook het gebrek dat hij soms zijne bladen ver- 
liest. In den tijd van 15 jaren bereikt hij eene dikte 
van 3' en eene hoogte van 50'; het hout is echter slecht 
en slechts tot brandhout geschikt, hoewel men in zeer dikke 
stammen eene zwarte kern vindt, die naar ebbenhout gelijkt 
en welke ook duurzaam is; doch naar verhouding van zijne 
dikte is deze kern slechts zeer dun, terwijl het overige hout 
(spint) wit is. De inlandsche naam is in West-Java Djung- 
djing en in Oost-Java Sengon. 

143. Calliandra Santl- PauU Hsskl. 

Observ. Sectioni „3. Pedicellatae''' adscribenda esset spe- 
cies, ni folia parva haud nitida opponerent; pari modo flores 
pedicellati, foliaque opaca haud permittunt eam sectioni 
„4. -Nitidae" adjungere, ubi C. foliosa Bnth. (Wip. Rprt. 
V. 607. 53) aliquot nostrae accederet. — C. Purdiaei Bnth. 
(Wip. Ann. I. 267. 8.) difFert: foliolis oblongo-linearibus ob- 
tuslusculis glabris, saepe ciliolatis , pinnis ad 12-jugis , pedun- 
culis fasciculatis , floribus sessilibus glabris. 

DiA-GX. Frntex, ramulis petiolisqtte dense sericeo-hirtis; stipulis 
oblongo-lanceolatis acuminatis; pinnis 5 — 10-jngis, foliolis multi- 
jugis linearibus snbfalcatis acutis , basi valde inaequilateris sub- 
cordatis; peduneulis axillarlbus et terminalibus , foliis multo bre- 
vioribus, floribus pulcherrimis capitatis magnis, excepto centralr 
pedicellatis ; pedicellis calyce brevioribus; calyce turbinato, corol- 
la dimidio breviori, seraiquinqueiido et corolla subcampanulata 
villoso-liirtis ; legmmue dense villoso-Ianuginoso, valvulis 'coriaceis , 
in margine incrassato cupreo-villosis. ^ 

Habit. St. Paul, Americae meridionalis — uescio , an sit provin- 



— 215 — 

cia Brasiliae aut insula Occani atlantlci! — , uude semiua ad hor- 
tuin bot. Rli.-Trajectinum mis.sa et plantae jiiveuiles duiiuo in 
patriam suam tropicam adoptivain. remissae fuerunt. 

Descript. Frutex \0 ped. altus gracilis, haud imilto Ibliosus. 
Bami albldo-cinerei , teretes glabri; ramuli teretes virides pilis 
t'usco-albidis antrorsum adpressis, summo apice tantum patentius- 
culis dense obsiti. Stipidae oblongo-lanceolatae, acuminatae, 4 — 5 
lin. longae, 1 — 2 lin. latae, ramulis adpressae erectae, marcescen- 
tes persistente?. FoUa alterna bipinnata, 1* — 5 poll. longa, 3 — 4 
poll. lata; petioli basi incrassata articulatim inserti ibique (in som- 
no) mobiles, densissime hirsuto-villosi tetragoni; supraleviter sul- 
cati; rjlandulae inter pinnas nullae. Pinnae 1 — 3 poll. longae, ex- 
pansae 5, in somnol|lin. latae, lineari-lanceolatae, pinnatae, 5 — 
10-jugae. RhacMs petiolo communi conformis, sed multo tenuior; 
pinnulae 20 — GO-jugae parvae lineares , acutae , apiccm versus sub- 
falcatae, basi val de inaequales, subcordatae, sursum breviores, 
deoi'sum longius productae subauriculatae, latere superiori duplo 
angustiori, 2 — 4 lin. longae, -| lin. latae, eleganter venoso-reti- 
culatae, venis trausversalibus inferioribus et lateris inferioris ad- 
scendentibus , superioribus et lateris superioris descendentibus ar- 
cuatim intra marginem anastomosantibus et maculas irregulares 
nunc venulis divisas formantibus; venis venulisque utrinque pro- 
miuulis, margine longissime ciliatae, pilis antrorsum dii-ectis, dein 
deciduis. Pedunculi axillares aut terminales solitarii erecti teretes , 
uti ramuli dense albido-hirsutuli , juveniles subvillosi, 8 — 13 lin. 
longi. Flores capitati, capitulum diametro 1^- — 2 poll. formautes, 
bracteati , excepto terminali difformi sessili , pedicellati , apici sub- 
incrassato exsculpto pedunculi inserti. Bracteae lineares acumina- 
tae, 1 — 1| lin. longae, marcescentes persistentes. Pedicelli 1 lin. 
longi teretes, apicem verus subincrassati. Calyx turbinatus cam- 
panulatus 5-costatus, 1 \ lin. longus, ad fauces 1 lin. latus, extus pilis 
albidis longis adpressis canescens et pilis fuscis adpressiusculis 
aut patentibus intermixtis liirtus, semi-5-fidus; laciniae oblon- 
gae acuminatae erectae, costis ab apice laciniarum ad basin 
caljcis longitudinaliter percurrentibus. Corolla subcampanulata pa- 
ri ter ac calyx pilosa, 3| lin longa, ad fauce'fe 2 lin. lata, albida. Flos 
centralis capituli cujusque sessilis, multo rubustior; cali/x campa- 
nulatus 7-fidus; corolla campanulata 7-fi.da, 5 lin. longa 2i — 3 



_ 216 — 

lin. lata. Stamina j)lurima ratliatim expansa; Jilamenta ima basi 
tantum in tubiim connata, tubo stamineo incluso (nee exserto, nee 
corouulato, uti in speeie sequenti) 2 poll. longa, in flore centrali 
multo copiosiora, capillaria flexuosa, dein stricta glaberrima , ad 
medium albida, supra medium purpurea; antherae terminales mi- 
nutae subglobosae biloculares; loculi longitudinaliter dehiscentes; 
pollen siLiltureum. Germen lineari-oblongum, 1 lin. longum apice 
dense sericeo-villosum, ima basi annulo glanduloso, rubescenti, cu- 
pullformi cinctum. Legumina floris partibus emarcidis basi cincta , e 
basi attenuata apicem versus dilatata, lineari-oblonga acuta, den- 
sissime albido-cana lanato-villosa, in marginibus incrassatis auri- 
chalceo-villosa, bivalvia, ab apice basin versus elastiee dehis- 
centia, jjulpa nullafoeta, 1-locularia, 4-sperma, 3i poll. longa, apiee 
5 1 n. lata; valvae coriaeeae crassae, totae desciscentes , paulo re- 
curvatae. Semina oblonga lagenaeformia utrinque compressa gla- 
bra maculata nitidula, irregulariter sulcata, 4- lin. longa, 2 lin. lata, 
1 lin. crassa; testa coriacea; embryum exalbuminosum ; cotyledones 
oblon^ae plano- eonvexae utrinque rotundatae peltatae; radicula 
tereti-subclavata , apice obtusa prominula, hilum versus spectans , in 
sulco profundo cotyledonum recepta, 1 lin. excedens; cauliculus cum 
gemmula valde evolutus, | In. excedens, supra medium cotyledo- 
num tangens. 

Een heester van 12' hoogte aan den voet slechts weinig 
vertakt, doch bekervormig regelmatig opgroeijende, vertakt 
hij zich meer en meer, totdat hij ter hoogte van 12'- 
omtrent G' in doorsnede heeft. Het is niet alleen een 
fraaije heester in vorm, maar vooral trekken zijne kwast- 
vormige bloemen bijzonder de aandacht tot zich, welker meel- 
draden ter halver lengte wit zijn en rood eindigen. Deze 
plant werd verkregen uit den Akademietuin te Utrecht, 
toegezonden door den hoogleeraar Bergsma. Al spoedig 
heeft hij hier gebloeid en vruchten voortgebragt , wier zaden 
spoedig opkomen. 

144. CaUmndra haematocephala Hsskl. 

Observ. Inter „1 macrophjllae''' et „4 nitidae''' (Wip. 
Rprt. V. 559.603) collocanda species, quae ex horto bot. 



_ 217 — 

Calcuttensi sub nomine Ingae haematoxyli fuit missa; acce- 
ditad C. surinamensem Bnth. (Wip, 1. c. 604. 36.), quae dif- 
fert ramis petiolisque pubescentibus , foliolis obtusiusculis 
minoribus. 

DiAG-V. Frutex elegans, stipulis e basi lata acuminatis, nnnc 
subfalcaltis adpressis persistentibus ; pinnis unijugls, foliolis 7 — 
10-jugis oblongo-Ianceolatis acuminatis, basi inaequilateris sub- 
cordatis binerviis, accrescentibus , (ultimis l|-poll. longis); pedun- 
culis petiolo coramuni longioribus , folio multo brevioribus; fiori- 
bus dense capitatis sangiiineis (l|-pollicaribus) ; calyce corollae 
quartam partem longo, legumine subfalcato recto, e basi angus- 
tissima sensim apicem. versus dilatato glaberrimo nitidissimo , 
margine valde incrassato , valvis subcoriaceis ; seminibus 4' — 5. 

Descrpt. Frutex elegans; rami patentes flexuosi nutantes tere- 
tes cinerascentes verruculoso- et rimuloso-asperuli ; ramuli teretes , 
obscure virides aut sumrao apice subangulati, pilis minutis crebris 
patentibus rufulis plus minus dense puberuli, dein glabrati. Sti~ 
pulae e basi (2 lin.) lata acuminatae, 31in. longae erectae adpres- 
sae , nunc subfalcatae margine ciliolatae vii-ides , dein marcescentes 
et füliis delapsis louge pex'sistentes. Folia alterna bipinnata; pe- 
tioli communes articulatim inserti et basi uti apice incrassati, 
breves 6 lin. longi, primo uti ramuli puberuli, dein glabrati pa- 
tentes aut erecti in diverso statu somui, apice mucrone stipulae- 
formi, sed minori terminati. PiVwae unijugae, 4 — 5 poll. longae, 
2 poll. latae, in somno sibi approximatae pinnatae; rhachis an- 
gusta, subtus convexa a latere utrinque leviter et supra profun- 
dius sulcata, 3 poll. longa, glabriuscula vix pube persistente, 
apice breviter subulata; glandulae inter foliola nullae. Foliola 7 — • 
10-juga, in somno utriusque lateris cum pagina superiore sibi 
applicata , antrorsum directa , accrescentia , inferiora et in pri- 
mis lateris interioris nunc multo minora, ultima maxima, sed 
forma conformia, oblongo-lanceolata , basi obliqua, sursum subcor- 
data, deorsum rotundata, apicem versus obtuse aut acute attenua- 
ta et in apice ipso mucronulata, nunc ultima subfalcata, binervia, 
accedente nervo tertio minuto in latere folioli inferiori, coriacea, 
-glaberrima integerrima, margine subciliolata , infima interiora 8 
lin. longa, 2 lin. lata, exteriora 1 poll. longa et 5 lin. lata, ter- 

X. 15 



— 218 — 

minalia 1^ poll. longa et 7 lin. lata. Pedunculi axillares erecto- 
patentes, \ — ^1 poll. longi, i-amulo parallele complanati, puberuli 
virides. Capitula densissima pulclierrima sanguinea, diametro 2 
poll., e distantia spicam Calllstemonls cujusdam repraesentantia. 
Bractea ad basin floris cujnsque ovato-lanceolatae acuminatae 
concavae pateutissimae , flores siios sustinentes, ciliolatae, vix 1 
lin. longae persistentes marcescentes. Flores sessiles, loco pedi- 
cellorum basi ca,llo lucidulo albescenti, tertiam lineae par tem alto 
sufiulti. Calyx campanulatus erectus, ima basi tennis rubescens, 
longitudinaliter viridi-striatus , 5-dentatus, 1 lin. loDgus; dentes 
acuti viridiusculi. Corolla sanguinea campanulato-infundibuliformis , 
erecta glabra longitudinaliter striata, 4 lin. longa, 5-fida; laciniae 
ovatae acutae, apice subreflexae. Stamina plurima sanguinea ra- 
diatim disposita; filamenta tubo stamineo extiis adnata , a corolla 
tota et super tubum stamineum longiter libera tenuissima capilla- 
ria flexuosa, ultra pollicem longa, in praefloratione corrugato- 
(nec circinatim) convoluta. Tubus stamineus 5 — 6 lin. altus tenuis- 
simus membranaceus rubescens, interne albidns , apice , ubi filamen- 
ta jam sunt libera, crenulato-laciniatus (quasi coronulam formans); 
laciniae inflexae; antherae minutae terminales biloculares. Germen 
annulo glandulifero cupuliformi cinctum, lineari-oblongum glabrum 
1 lin. longum , in stylum attenuatum longissimum capillarem ; sticj- 
ma capitulatum. Legumina in capitulo quoque 3—? coriacea ex- 
tus brunnea glaberrima lucidula elongato-lineari-obovata , 4 poll. 
longa, apice 6 lin. lata, margine intensius colorato crassiusculo 
(1 lin.) cincta, caeterum tenuia " subcoriacea unilocularia , pulpa 
nuUafoeta, dein ab apice basin versus elastice dehiscentia, 5 — 6- 
sperma, semine uno alterove abortivo ; valvae quam illae anteceden- 
tis speicei minus crassae, intus flavescenti- virides, ima basi longiter 
cohaerentes dein desciscentes subrecurvatae. Semina primo rore vix 
conspicuo opaca, hoc demto nitidissima, laevia ovata aut ovalia, 
apice paulo attenuata, utrinque complanata 14 lin. longa, 3 lin? 
lata, 1 lin. crassa, fusco-badia, minutius quam in antecedent! 
maculata; testa coriacea; embryi exalbuminosi cotyledones flavae 
confio-uratione seminis l^iter plano-convexae , i*adicula uti in an- 
tecedenti, caulicidus autem minus evolAtus, vix »- lin. longus. 

Een heester van 10' hoogte, die zich reeds onder de 
aarde in vele takken verdeelt; zijn groei is onregelmatig, 



— 219 — 

scliletende hij stengen naar alle zijden en door elkander, die 
een' breeden platten struik vormen. Hoewel deze heester niet 
zoo fraai gevormd is, als de voorgaande, overtreffen zijne 
bloedroode, op dezelfde wijze gevormde bloemen hem zoo 
mogelijk nog in schitterende pracht, en verdienen deze 
beide heesters vooral eene eerste plaats in ieder bloemenperk. 
Deze laatste soort is uit den botanischen tuin van Calcutta 
verkregen, en brengt ook reeds sedert eenigen tijd vruch- 
ten voort. Hij laat zich ligt door zaden vermenigvul- 
digen. 

145. Plthecolohium dulce Bnth. 
(r/p. Rprt. V. 610. 5.) 

Desccpt. Arlor mediocris, 30 ped. alta. Rami cinerascentes 
teretes debiles, longitudinaliter rimosi, subsulcati; ramuli e stipu- 
laruni et foliorum insertione decurrenti-costulati Indeque suban- 
gulati, geniculati, virides glabri, lenticulis plurimis albidis promi- 
nulis, longitudinaliter seriatis et dein rimuloso-dehiscentibus no- 
tati. Stipidae parvae erectae acutissimae subulatae, primo virides, 
dein spinescentes , basi cinerascentes , apice fuscescentes , nee pa- 
ten tes, vix conspicuae. Folia alterna bipinnata, pinnis foliollsque 
unijugis. Petioli communes teretiusculi , supra anguste, sed profun- 
de sulcati, tenues, tenaces, erecti aut erecto-patentes, 4 — 30 lin. 
longi, apice mucronulo stipulaeformi lineari-lanceolato acuminato 
muniti, basi articulatim inserti et incrassati; glaudula orandis 
supra basin petioli oblonga concava promiuula, altera minor 
infra par superius pinnarum et foliolorum; glandulae parvae cy- 
lindricae impressae inter petiolos secundarios et petiolulos; petioli 
secundarii patentissimi , communi conformes , sed miuores et ad 
sulcum nunc pilosuli, 2 — 4 lin. longi; petiolidi brevissimi nunc 
subnulli, articulatim inserti et incrassati , semiteretes, supra plani. 
Foliola 4 (bis conjugata), oblonga aut obovato-oblonga inaequila- 
tera, interne ma^is angustata, apice rotundata, obtusa imoque 
acutiuscula et retusa, 7 lin. louga et 6 lin. lata aut 16 — 18 lin. 
longa, 12 lin. lata aut 18 — 21 lin. longa, 8 — 10 lin. lata, summa nunc 
3 — 5 poll. longa, membranacea rigida (nee coriacea), glaberrima, su- 
pra obscure , subtus pallide viridia , siccando utriuque subaequaliter 



— 220 — 

glaucescentla , integerrima aut plus minns evidenter apicem versus sl- 
naata ; nervo medio utrinqiie aequaliter prominulo, secundariis pinna- 
tis alternis aut suboppositis erecto-patentibns , longe intra marginem 
arcuatoanastomosantibus et ramos recnrrentes emittentibus , ramis 
liisce et venis valde ramosis rete elegans sistentibas , utrinque pariter 
promiuulum. Paniculae terminales aut in ramis axillaribus plus 
minus abbreviatis terminales, elongatae , raceraiformes , curvatae et 
reflexae, basi nnnc ramum unum alterumve elongatum emittentes, 
hinc inde pedunculi versus apicem ramorum solitarii axillares. 
Rhachis inflorescentlae 3 — 10 poll, longa, angulata et sulcata, vi- 
ridis, minute sed dense puberuia (uti et apex ramulorum florife- 
rorum), sub fructu dein subglabra, ad insertiones pedunculo- 
rum infcrne liinc inde bistipulata et bracteata; bractea minuta pn- 
berula ovata, acuta, vix \ lin. longa, decidua; jpedunculi solitarii 
aut 2 — 3 aut imo plures reperiuntur, reiiqui minores, patentissi- 
mi, virides, ineano-tomentosi 3 — 7 lin. longi teretes tenues; ca- 
pitula flavescenti-viridia globosa multiflora, bracteolata, inevolu- 
ta diametro 2 lin., sub anthesi 8 Hu.; bracteolae calyce minores, 
lineari-lanceolatae acutae, basi cuneato-attenuatae , hirsutae per- 
sistentes. Flores densi in axillis bracteolarum subsessiles solitarii; 
cahjx erectus campanulatus quinquedentatiis, 5-costatus, costis 
in apices dentium percurrentibus, virldis extus minute canescen- 
ti-tomentosus, \ lin. longus, dentes breves acuti. Corolla tubulo- 
sa erecta vr.'dis, extus uti calyx tomentella, 5-fida, lylin. lon- 
ga, 1 lin. lata; lacudao erectae oblongo-lanceolatae acutae, vix 
dimidium tubum loiigae. Stamina co erecta , 4 lin. longa ; filamenta 
caplllaria, basi In tubum membranaceum, corolla inclusum conna- 
ta, erecta, fiexuosa glabra albido-flavescentia , apice subulata; 
antherae virides subrotundae, minutae glabrae, dorso affixae in- 
cumlaentes, biloculares; locidi contigu!, longitudinaliter dehiscen- 
tes , albidi ; pollen globosum viride muriculatum. Pistülum rubrum 
stlpltatum, staminibus aequilongum •; stipes tennis glaber dimdio 
germine paulo longlus; rjermen lineare obtusum, pilis albidis pu- 
berulum , compressum , cum stiplte 1 lin. longum ; gemmulae 4 — 
G; Stylus filiformis erectus, summo apice tantum flavescenti-viridis 
et paulo dilatatus stigmatosus. Legumina juvenilia stipitata plana 
compressa linearl-ob longa acuta, basi paulo attenuata, ad semina 
8 — 10 paulo dilatata viridia, glaberrima lucidula tenuissima 



00]^ 

niembranacea , margine angusto crassiusculo, prominulo, integro 
clncta, eleganter transverse reticulata, supra semina paulo tur- 
gida, vix minute puberuia; matura dein ad semïua vakle incrassata 
et dilatata, sed iuter semina latitudinem priorem retiueutla indeque 
valde constrcta, torulosa, coriacea reticulata, recta aut plerum- 
que falcata et varie torta, utriiique attenuata aut apice tantum 
acuta, tota bivalvia rubenti-viridia , dein sicca rubeuti-fulva, gla- 
bra, 1*- — 4 poll. longa, 1 et 5 lin, lata, 6 lin. ad semina crassa. 
Funicidus umbilicalis latus crassus roseus, in arillum expansus 
candidura carnosum dulcem paulo adstringentem, semen fere to- 
tum involventera, ad seminis insertionem cavura et ad marginem 
5-lobum, lobis aequalibus crenulato-lobulatis , extrerao margine 
tenu'oribus. Semina compressa ovalia nigra nitidula glaberrinia, 
ad latus utrumque linea ovali, leviter elevata notata, 4 — 5 lin. 
longa, 3 — 3t lin. lata, \\ — 1^- lin crassa; testa coi-iacea crassa 
dura; cotyledones obovatae flavescentes , semen plane implentes; 
radicula marginalis hilum versus spectans attenuata; caidiculus 
radiculae aequilongus, -*- lin. longus, teres; in latere utroque e 
foliolis gemmulae decurrentibus marginatus ; gemmulae foUola pln- 
nata cum impari 1-juga. — In germinatione cotyledones subterra- 
neae remanent et tblia jam a pi'Ima aetate sunt bis conjugata, 
primo rubentia, dein glaucescentia. 

Een boom van p. m. 30' hoogte en 1' dikte met opstaande 
takken en nederhangende slappe takjes, aan -welker uiteinden 
de bloemen en vruchten nederhangen, vormende eene ronde 
kroon, uit vele dunne takjes te zamengesteld. Hij schijnt 
op Java niet inheemsch, maar werd in bataviasche tuinen 
gevonden en ook uit den botanischen tuin van Calcutta ver- 
kregen. In de benedenlanden schijnt hij het weelderigst te 
tieren en brengt bloemen en vruchten voort. De vermeer- 
dering is gemakkelijk door zaden. (De versch geplante za- 
den komen op eene hoogte van 3500' goed op waar de 
plantjes wel schijnen te willen groeijen. J. K. H.) 
146. Pithecolohium umbellatum JBntli. 
(Wip. Rprt. V. 611.) 

Specimina, ex horto botanico Calcuttensi missa, valde juvenilia 



— 222 — 

foliola praebent et summa subobovata obliqua, oblonga acutius- 
cula (nee obovata) quibus sïgnis a diagnosi 1. c. recedit. Habitu 
valde accedit ad Cathormion moniliferum HssJcL, quod iüfra ac- 
curatius describam. Au forsan erroneë sub nomine Ingae um- 
bellatae missa species? 

Deze soort, mede door zaden uit den botanischen tuin te 
Calcutta verkregen, is nog te jong, om iets bijzonders over 
hare groeiwijze te kunnen mededeelen. 

147. Pithecolohium lobatum Bntli. 

(Wip. Rprt. y. 614.30.) 

Synon. Inga higemina BI. Cat. 88. Hsskl. Cat. 291, nee Wild. 

Descrpt. Ramuli augulati, mox cum petiolis glabrati et cum folüs 
juvenilibus laete purpurei aut dein purpureo-virescentes glaberrimi 
nitidi; rami arbon's juvenilis folia omm'a gerunt pinnis unijugis, 
foliolis 3 — 4-jugis. Foliola saepe oblongo-lanceolata , infima ple- 
rumque inaequalia IA — | poll. longa, 12 — 21'" lata, summa maxima 
4 — 7" longa, 1| — 2\" lata. Petioli cornxmmes 1\ — 3|-", partiales 
2 — 5*" longi, glandula obsoleta supra basin petioli. Panicula sat 
densa, subcorymbosa foliosa ; rami e quaque foliorum (nunc at)or- 
tivorum) axilla 2 — i superpositi, patentissimi, 2 — 5|- poll. longi; 
ramuli ultimi tenues glabri, plerumque solitarii, rarius super- 
positi, braeteola lineari-lanceolata acuminata pai'va patenti suf- 
fulti glaberrimi. Flores parvi 3 — 4-ni in capitulo quoque, di- 
ameti'o 3-lineari. Calyx minute fusco-sericeus , corollae tertiam par- 
tem longus; corollae laciniae oblongo-lanceolatae acutae patentes, 
dein revolutae. Legumina cocMeata coriacea 9 poll. longa, mar- 
glne interiore valde incrassato sublignoso 2 — 3'" crasso, exterio- 
re plus minus profunde sinuato, nvfnc ad medium, nunc ad mar- 
ginem interiorem, nunc, sed rarius, leviter sinuato , maturitate dein 
inter semina subarticulatim et imo a margine interiori seceden- 
tia, in articulos 7 — 9 clausos suborbiculares, margine tenuiores, 
medio tumidos, 1{ — 2 poll. diametro, 10 — 12 lin. crassos, ex in- 
dustria facile in sutura bivalviter aperiendos. Semina lenticula- 
ria castanea glabra, vix lucidula, pulpa in fructu maturo evanida , 
basi leviter emarginata, diametro 15'", T" crassa; testa tenuis 



— 223 — 

membrauacea subcoriacea; cotyledones viridi-flavescentes foetidae 
carnosae, radicula peltatim insertae eamque totam includentes , basi 
bilobae, lobis applicatis. Radicula brevis 4-angularis obverse py- 
ramidalis, versus hilum spectans, ad nodum vitalem 1'" crassa, 
2'" longa; gemmida parva, vix evoluta. 

Deze soort wordt door de Javanen onder de vruclitboomen 
gerekend en in liet westen van Java in alle kampongs aange- 
troffen. Het is een boom van p. m. 30' hoogte met opstaan- 
de en nederliangende takken en takjes, die wegens de 
breedere bladen eene digte ronde kroon vormen. De vruch- 
ten worden door de Javanen gegeten , doch zijn wegens 
hunnen onaangenamen reuk voor de Europeanen ondragelijk ; 
zelfs de personen, die ze gegeten hebben, kan men door 
hunne transpiratie op eenigen afstand gewaar worden. Bij- 
zonder sterk is deze lucht ook aan de urien van personen 
te bemerken, welke deze vrucht hebben gegeten, en wor- 
den plaatsen, Avaar dezelve is uitgegoten, eenige dagen als 
verpest. Over het algemeen is deze vrucht schadelijk, doch 
er zijn boomen, welker vruchten zoo sterk op de nieren wer- 
ken, dat de gebruikers daarvan van pijn wegkrirapen, en 
toch weerhouden ze zich niet, om later meermalen daarvan 
te nuttigen. De inlandsche naam is in West-Java Dje?ig- 
kol, en in het oosten, waar de soort wild gevonden doch niet 
gekultiveerd wordt, Tjering. Hare vleezige zaden moeten da- 
delijk na de rijpwording geplant worden, vermits ze, ge- 
droogd wordende, hare kiemkracht verliezen. 

148. Plthecolohium bigemuium Mrt. 
(Wljy. Rprt. V. 613.28.) 

Observ. t)iffert nostra, sub Ingae higeminae nomine ex 
horto bot. Calcuttensi missa, hisce paucis notis : ramulis pe- 
tiolisque glabris, foliolis 1 — 2- (rarius o-) jugis glaberrimis, 
vix acuminatis, calyce quam corrölla plus 3-plo breviore. 
P. lucidum Bnth. 1. c. (il4.29 diff"ert ramulis petiolisque 



— 224 — 

ferrugineo-tomentosis , foliolis acuminatls, calyce trimcato 
breviori. 

Descrpt. Arhor alta; 7'ami teretes fuscescentes, punctulls albidïs 
suberosis asperuli; ramuli novelll intense virides geniculati teretes, 
punctulis albidis notati, summo apice angvilati. Stipulae nullae, ad 
punctum paulo elevatura ad basin petioli reductae. Folia bipinnata 
circumscriptione subrotunda, diametro 6 poll., patentia; petioli 
glabri patentes teretiusculi, supra profunde angusteque canaliculati , 
ad aut infra medium inter basin incrassatam et pinnarum jugum 
primum glandula magna lineari-oblonga, 1 — 2 lin. longa, ^ lin, la- 
ta concava et medio longltudinaliter sulcata, rubescenti notati; 
glandula altera binc inde, sed rarius, infra pinnarum jugiim supe- 
rius, plerumque 1 — 3, rarius i poll. longi, summo apice mucronu- 
lo subuliformi, 1 lin. longo terminati. Phinae 1 — 2-jugae accres- 
centes patentissimae, inferiores multo minores, nunc deficientes; 
petioli secundarii primario conformes, sed minores, pinnarum infe- 
riorum nunc valde abbreviati eglandulosi, pinnarum superiorum 
majores, 1 — 1| poll. longi , infra aut ad par summum glandula con- 
simili uti in petiolis notati. Foliola valde juvenilia sanguineo-ru- 
bentia, sed mox viridescunt, pinnarum inferiorum adulta plerum- 
que 1-juga et minora, superioinim plerumque bi-(rarius 3-) juga, 
quorum inferiora parva et terminalia maxima, omnia membrana- 
cea glaberrima, petiolulo brevi crassiusculo suffulta, supra nitida, 
intense viiüdia, subtus pallidiora, pinnarvim inferiorum et inferio- 
ra pinnarum superiorum plerumque ovata aut ovato-oblonga, acu- 
ta aut obtuse breviterque acuminata, rarius oblonga acuminata, 
1-1 — 2 poll. longa, | — 1\ poll. lata, terminalia oblonga aut ob- 
longo-elliptica , breviter acuminata, 2^ — 3| poll. longa, 14 — 20 
lin. lata, nervis secundariis oppositis aut alternis, lutescentibus, 
• erecto-patentibus , ad marginem fere percurrentibus eique apice 
parallelis, vix nisi ope venarum transversalium reticulatarum ana- 
stomosantibus, supra cum iis prominulis, valde conspicuis. Panicula 
terminalis polycepliala, cum pedunculo 1 poll. longo 3 poll. alta, 2 poll. 
lata, sXbiSLOva,; pedicelli capituliferi teretes virides patenlissimi, solita- 
rü aut 2 — 3-nive, minutissime puberuli, 4 — 12 lin. longi. Capitula 
plerumque 10 — 12-flora. Bracteae et bracteolae nullae. Flores albi- 
di in alabastro clavati, minute sed dense puberuli, pedicello brevi, 



— 225 — 

umbellatim ( 

obsolete 5-gonus', vix J Hn. longus, ei'ectus apice breviter, sed 
acute 5-cleiitatus, mox marcescens fuscescens extus puberulus. 
Corolla calyce 5-cluplo major, 2^- lin. longa, viridi-albida iufundi- 
buliformis, subcainpanulata , extus dense puberuia 5-fida; laciuiae 
erectae oblongo-lanceolatae, J- lin. longae. Stamina albida monadel- 
pha, basi in tubum membranaceura, germine incluso vix longiorem 
connata, longe exserta. Filamenta mox crispato-undulata , 1 poll. 
fere longa, albida nuda, teauissima capiUaria; antherae minutae viridi- 
flavescentes, didymae subglobosae incumbentes biloculares eglandulo- 
sae; ZoctóZi juxtapositihorizontales, per totam longitudinem dehiscentes; 
pollen minutissimum flavescens, globosum. Germen minutum sti- 
pitatum lineare, 1 lin. longum fuscescens glabrura; gemniulae 6 — 
8 contiguae; stylus capillaris, 1 poll. longus, uti filamenta cris- 
pato-tortus, glaber albus ; stigma viridiusculum, vix inci'assatum. 
Flos mtermecUus capltulorum multo robustior sessilis. Calyx bre- 
vis campanulatus, dein lateraliter et irregulariter fissus; corolla 
a basi campanulata; tubus stamineus corollam excedens, starainum 
numerum majorem sistens.^ — Fructus a me nondum visi. 

Een jonge boom van nog slechts 30' hoogte en 6" dikte 
met regten stam, doch met ver uit elkander staande lange 
takken , die met den stam en de schuinsche hoofdtakken bijna 
eenen regten hoek vormen; de loten zijn soms 10' lang, 
en in jongen staat aan de einden neerhangende, doch 
zich later bij meerdere vastheid weder oprigtende, en 
eene regte lijn met de geheele loot vormende. De takken 
staan naar alle rigtingen verspreid, zoodat ze eene onre- 
gelmatige opene kroon daarstellen. Hij heeft hier nog niet 
gebloeid en is uit den botanischen tuin van Calcutta ver- 
kregen. 

149. Pithecolobium ellipticum Hsskl. 

Synon. Inga elliptica BI. Cat. 88, Wip. Rprt. I. 930.30. 

Observ. Pithecolobium fasciculatum Bnth. AVlp. Rprt. V. 
614.31 , Pint. Jungh. 268.2 \^x a nostro diversum , ni pin- 
nis unijugis legumineque latissirao \\ poll. lato. 



— 226 — 

Desckipt. A)'bor 20 ped. alta, etsi celerrime enata, tarnen pa- 
ri modo moritur ; ramuli robusti virides cuni foliis glabi'ati , sum- 
mo apice cum iis dein furfaraceo-rnfo-puberali, Folia gi-andia 21 
poll. longa, 2 ped. lata, laete viridia lucida, prima javentute su- 
pra sangninea opaca, subtns viridia; pinnae b'jngae, inferiores 
ad basin fere petioli communis minores snperiores terminales 
maximae; petioli communes 5| poll, longi, basi valde incrassati, 
artculati, dein teretes, a latere utroque subcompressi ; ima basi 
intra insertionem pinnarum glandula maxima oblonga, 3 lin. longa, 
2 lin. lata, viridi lucidula et inter par terminale glandula subro- 
tunda, diametro 2 lin., caeterum simili notati. Pinnae inferiores 
nunc unijugae, nunc 2-jngae in eodem petiolo; foliola in bijngis 
minora, quam in l-jugis; hinc imde in 1-jngis foliolnm alterum 
deficit, omnia ovali - oblonga obtusa s. acutiuscula; interne basi 
angustata inaequilatera, 4 — 6 poll. longa, 3 — 3J- poll. lata; pinnae 
superiores 2 — 3-jugae ; rhachis 6 — 7 poll. longa, petiolo communi con- 
formis, basi et inter par Infimum eglandulosa; inter reliqna pa- 
ria glandula grandi subrotunda diametro 1.^ lin. munita; foliola 
ovalia aut ovali-oblonga , basi rotnndata, rarius et in primis in 
pari intermedio] subinaequllatera, latere exteriori angustato, apice 
obtuse acuta ant obtusa , infima 6 — 7 poll. longa , 3 — 4 poll. lata ; in- 
termedia 7\ — 8 poll. longa, Z\ — 4 poll. lata, summa obovato-ob- 
longa aut elliptica, basi aequaliter et leviter attenuata, apice ro- 
tundata, obtusa acuta, 9 — 10| poll. longa, 4 — 5 poll. lata. Pe- 
tioluli in omnibus teretes, 2 lin. longi, 1 lin. crassi. Gemmae 
axillares ramo longiter connatae aut potius linea supraaxillaris 
1 poll. et ultra longa singulari modo ramulos floriferos proferens, 
quorum i'amulus summus maximus et terui supei-iores reliquis majores 
sunt. Legumen coriaceo-lignosum coclileato-coutoi'tum, lipoll. altum, 
in toto 4|- poll. longum. ^e»ii«a oWouga coerulea ^yaneo-pruinosa , 
10 lin. longa, 5 lin. lata; testa coriacea; coty ledones carnosae. 

Een lieesteraclitige boom , die spoedig eeiie hoogte van 
20 a 25' bereikt, met een' stam van 6" dikte en weinige 
opstaande grove takken; later formeert hij eene kroon van 
korte horizontale takken en met groote bladen. Hij be- 
reikt echter geenen hoogen ouderdom, maar sterft na ver- 
loop van eenige jaren geheel af, als of het eene zaaji- 



— 227 — 

plant ware. De inlandsche naam is Kitjaang. De boom 
behoort in deze streken te huis. De zaden mogen voor de 
voortteling ook niet gedroogd worden, maar moeten versch 
gezaaid worden. 

150. Pithecolohium ancjtdahun Bnth. 

{Wip. Rprt. V. 614.32.) 

Descript. Eamuü valde angulati; |;m«rte in nostris specimini- 
bus 2 — 3-jngae, nunc par infimnm impar; ^eiio^t communes 4.J — 
9* poll. longi; rjlaiidula snprabasalis oblonga grandis, 3 lin. Ion- 
ga; foUola pinuarnm inferlora 1^ — 3-jaga, snperiora 3 — 4-jnga 
foliola pinnarum inferiorum et infer ora pinnarum superioriim ova- 
to-seu oblongo-rliombea, breviter acnminata, 2 — 3 poll. louga, 1 — 
1| poll. lata, terminalia superiorum Z\ — 6 poll. longa, 1}, — 3J- 
poll. lata, ovali-aut obovato-oblonga , omnia breviter abrupteque 
acnminata. Inflorescentia axiilaris in axillis foliornm recenter (ïe- 
lapsoriim, fasciculato-paniculata (nee snperposite-fasciculata) 1*- 
poll. alta, sparsa bracteolata. Flor es breviter pedicellati in brac- 
teai"um axillis in ramis inflorescentiae spai'sis, solum ad api- 
cem 3 — 4-nive umbellatim congesti, albi tomentelli. Ca^_ya; quar- 
tam coroUae partem longus, breviter denticnlatns. Corolla 3 lin. 
longa, infandibnliformis albido-flavescens ; stamina 7 — 8 lin. lon- 
ga ; filamenta alba, in tubum inclnsnm connata. Legumina pulclier- 
rima lutea glaberrima Inclda, 1 — 11 veces tantum torta, coriacea, 
sutura interiorilj — 3| — , exteriori 5| — 6|- poll. longa, liaud sinu- 
ata, tota dehiscentia bivMvia. Valvae intus pulchre aurantia- 
cae, primo patentes expansae, 9 lin. latae, postremo revolutae 
corrugatae, facie interiori solum visibili. Semlna 10 — 12 ni- 
gro-atropurpurea nitidissima, in funiculo umbilicali 2 lin. longo 
e valvarum margine pendula compressiuscula , subgloboso-ovata, 
diametris 5, 4 et 2 lin, Testa membranacea; cotyledones virides 
carnosae; radicula marginalis; catdiculus radiculae aequilongus. 

Een boompje van omtrent 12' hoogte met een"' tengeren 
stam van ± 3" dikte , en kleine, weinig vertakte kroon. De 
vele bloemtrossen, die uit den stam en de dikkere takken 
voortkomen, geven hem een liefelijk voorkomen door de wit- 



— 22S — 

te bloemen en gele vruchten , welke laatste , na het open- 
springen, van bmnen eene roode kleur vertoonen. Dit boom- 
pje zoude wel verdienen onder de sierplanten te worden 
opgenomen, Avare het niet, dat het de bergwouden te zeer 
beminde , en niet in de benedenlanden tieren wil, anders dan 
in humusrijken bodem en in de lommer van andere boo- 
men. Het behoort in deze streken in het lage gebergte te 
huis en wordt door de inlanders genoemd Kipooïk ketjiel. 
De zaden moeten mede versch geplant worden. 

151. Pitliecolohium Clypearia Bnth. 

{Wip. Rprt. V. 614.33.) 

Descript. Ramuli etpetioli mhiutissime puberulo-pruinosi; folia 
1 ped. longa, 8 poll. lata; petioli comunes 3 — 8 poll. longi, glan- 
dida linari-oblonga sulcata, 3 lin. longa, 1 Ha. lata, ad basin 
petioli; glandulae minutae rotundae inter foliolorum paria supre- 
ma; plnnae 2 — 4-jugae accrescentes ; foliola 3 — 5-juga utrinque 
minutissime adpresse pllosa, subrhombeo-oblonga, nunc ovali-ob- 
lono-a, basi acuta aut oblique attenuata, apice acuta, accresceu- 
tia, 1 — 2 poll. longa, 7 — 14 lin. lata, terminalla obovato-oblonga 
aut elliptica acuta, basI subaequaliter attenuata, 1\ — 2| poll. 
lono'a, 1 — 1| poll. lata, subtus glaucescentia. Legumina breviter 
stipltata glabra, lineai'i-oblonga utrinque acutiuscula recta mem- 
branacea crotalantia fuscescentia , dein badia, supra semina al- 
ternatim in uno aut altero latere tumida, indeque in opposito 
latere impressa, concava, venis transversis valde prominulis 
ramosis et eleganter reticulatis copiosis percursa, 5*- — 6 poll. 
longa, li poll. lata, margine utrinque promlnulo tenui , sed 
firrao cincta, 12-3perma, bivalia. Valvae interne stramlneae gla- 
brae, cli'ca .semina intensius coloratae et pulpae exsiccatae re- 
siduo asperulae. Semina in medio leguminum collocata (a mar- 
gine utroque aequaliter distantia) in funiculis umbilicalibus ca- 
pillaribus strictis, apice e increscentia seminum flexuosis, 6 lin. 
longis pendula, legumini transverse compresso-oblonga , 5 lin. 
longa, 2 lin. lata, aut ovalia, 3 lin. longa, 2^. lin. lata, nunc 
subrotuuda diametro 3 lin., complanata, olivaceo-fusca, glaberri- 



— 229 — 

ma, subprulnosa opaca, tactu mox nitida et utrinque figiira ova- 
li-oblonga, paulo elevata, a margine ubique J- — | lin. remota 
notata. Testa corlacea firma. Cotyledones citrinae, peltatim cau- 
liculo insertae; radicula oblonga crassiuscula vix basi prominula, 
in cotyledonibus iimuersa ; gemmulae foliolis binis pinnatis. 

Een boom van 40' hoogte en 2' dikte met schuins opstaan- 
de takken en groote ronde kroon ; hij gelijkt het meest 
naar Albizzia Lehbek, doch maakt eene grootere kroon en 
zoude zeer goed voor schaduwboom geschikt zijn, ware het 
niet, dat hij ook soms zijne bladen verloor. Hij behoort in 
deze streken te huis, en is bekend onder den naam van 
Kijjooïk. 

152. Pithecolohmm vioyitanum Bnth. 

{Wip. Rprt. V. 615.34.) 

Stkon. Iiiga (PithecoloMum) faldfolia Hsskl. Cat. p. 291. Flor. 
(Bot. Zeit.) 1847. p. 706.—/.? faldformis Wip. Rprt. U. 996.— /. 
subfalcata ZolL Flora (B. Z.) 1. c. Wip. Ann. I. 269.6 forsan 
haud diversa glandulis petiolaribus sessilibus, foliolis subfalcato- 
linearibus. 

Desckipt. Arbor mediocris 25 ped. alta; truncus tenuis 6 poll. 
crassus; coma subglobosa rara; rami teretiusculi; ramuli e petlolo- 
rum insertione decurrenti-angulati , lineis protuberantibus e qua- 
que cicatrice petioloram tribus apice conniventibus, juveniles sul- 
cato-5-angulati subalati, virides, primo minute fusco-paberuU , 
dein plus minus glabrati. Folia bipinnata 1 — 1 \ ped. longa, \ — | 
ped. lata, circumscriptione ovato-oblonga ; petioli communes 9 — 12 
poll. longi, basi 4-, snpra medium 3-angulares, supra acute ca- 
rinati, inferne et subtus leviter carinati, dense fasco-puberuli , 
basin versus subglabrati, ima basi articulatim incrassati et saepe 
geniculati, colore saepe pallidiori, supra basin glandula grandi 
lineari-oblonga , medio profunde sulcata et saepe subbilabiata , 
1 — 2 lin. longa muniti, glandulis stipitatis scutellaeformibus par- 
vis erectis infra insertionem paris cujusque pinnarum , ibique 
carina est applanata et planum parvum rliomboideun format. 
Pinnae 9 — 14-jugae, oblongae, 2 — i\- poll. longae, 1 — 1\- poll. 



— 230 — 

latae, patentes aut erecto-patentes ; petioli secundarii triangu- 
lares, tenues, superne carinati et infra foliolorum paria 4 — 
6 glandulis scntelliformibus pedicellatis minutis obsitl, fasco-pu- 
beruli, ima basi incrassati et articulati, ad basin usqne foliolis 
obsiti. Foliola 10 — 20-juga difformia, sed omnia plus minus con- 
spicue falcata, petiolulata, nunc subrectangularia , angulis omni- 
bus, excepto ad insertionem petioluli, obtusis, 9 — 7 lin. longa, 
5 — 3^ lin. lata, nunc rhomboidea, angulis binis sibi oppositis 
obtusis, basali et apicali acutiusculis aut acutis, 10 L — 6 lin. lon- 
ga, A- — 2L lin. lata, nunc ad apicem pinnarum rbombeo-oblonga, 
acuta aut acuminata, 10 — 8 lin. longa, 4^ — ^\ lin. lata, pin- 
narum infimarum saepe multo minora, omnia subcoriacea, supra 
primo minute puberuia, mos glabrata, intense viridia, nitidula, 
subtus e pilis copiosis adpressis fiavescenti- viridia ; nervo medio 
diametrali, supra paulo prominulo, sed adpresse puberulo, sub- 
tus magis prominulo et cum secundariis venisque colore intensio- 
ri conspicuo, nervis secundariis pinnatis, plerumque oppositis pa- 
tentibus, ad marginem usque percurentibus ibique farcatis et cum 
venis anastomosantibus, venulis varie directis, saepe iis parallelis 
inter se reticulatim junctis, supra prominulis. Inflorescentia ter- 
minalis paniculata aut potius axillaris ad apicem ramorum, sed 
foliis plerumque (nee semper) abortivis terminalis. Pedunculi su- 
pra-axillares solitarii aut plerumque bini quaternive conferti, in- 
termedio saepe minori, 5 — \ lin. longi, patentes aut patentissimi, 
uti ramuli sulcati et acute angulati minuteque fusco-puberuli ple- 
rumque paniculati, minores tantum ramos majorum aequantes. 
Bracteae ad divisiones parvae, patentes, rufo-tomentosae , nil nisi 
folia in statu inevoluto persistentia-repraesentantes, pectinato-in- 
cisae (pinnatae, pinnis inevolutis) et supra basin glandula prae- 
ditae, saepe autem hac deficiënte. Eamuli inflorescentiae patentis- 
simi solitarii aut valde aggregati, longitudine diversa , apice capi- 
tulum subglobosum 8 — lO-florum gerentes; flores pedicellati suc- 
cedanei viridi-flavescentes , in alabastro cum pedicellis teretibus 
patentibus subflexuosis tenuibus, viridibus, 1 — l^ lin. longis, sub 
fructu paulo excrescentibus et rigidioribus minute rufo-puberali. 
Calyx viridis minutus campanulatus 5-angularis, inter angulos 
subsulcatus erectus 5-dentatus, post antliesin persistens marces- 
cens carpopodium cingens. Corolla 2 lin. longa, calycem 4-plum 



— 231 — 

longa, infundibuliformis viridi-flavescens , sub-5-fida; ladniae ob- 
longo-lanceolatae acutae, primo erectae, in alabastro valvatae, 
dein patentes et postremo subreflexae, intus glabrae. Stamina cc; 
jilamenta capillaria flexuosa, 7 — 8 lin. longa, albida, in alabastro 
corrugato-plicata , ima basi in tubnra brevem connata; antherae 
minutae fusco-badiae bemispliaericae versatiles, apici subulato fi- 
lamentornm insertae, deciduae, 2-localare3; locidi appositi paral- 
leli superne longitudinaliter debiscentes; pollinis massae flavescen- 
tes, dein paulo fuscescentes , complanatae orbicalares polyëdrae; 
pollinis granula subglobosa, in peripberia 8, et in utroque plani- 
tie horum 4 superposita. Germen minutnm, lineari-oblongam, ba- 
si paulo attenuatum, vix \ lin. longitudinem excedens, apice acu- 
tum adpresse villosum 1-lociüare; gemmulae8 — 10; stylus tenuissimus 
capillaris flexuosus, 8 — 9 lin. longus, glaber, apice paulo incrassa- 
tus ; stigma truncatum subinfundibuliforme minutum. Legumeii fus- 
cura 3 — 1-ve cocbleatum, margine exteriori carinato, apertum 
3*- — 4 poll. longum, 2 — 7 lin. latum, bivalve; valvae coriaceae 
glabrae intus rufae, Semina in faniculo umbilicali filiformi ni- 
grescenti, 2 — 3 lin. longo pendula, ovoideo-subglobosa nigra gla- 
berrima, (herbacea) tactu elastice mollia; testa membranacea, em- 
bryum viride; cotyledones carnosae, totum semen impleutes; radi- 
cula prope liilum marginalis. 

Een tengere boom, van 25' lioogte en 6" dikte , met eene 
doorzigtige ronde kroon, die In de bossclien echter spilliger 
opschiet. Hij groeit aan het Gedeh- en Sallak-gebergte ter 
hoogte van 4 a 5000', doch komt ook goed in den planten- 
tuin voort, waar hij bloemen en vruchten voortbrengt, welker 
zaden mede versch moeten geplant worden. De inlaudsche 
naam is Kiharoeman. 

153. Catliormion monilifei'um Hsskl. 

Synon, Pithecolohium moniliferum Bth. Wip. Eprt. V. 
615.37. Inga monilifera Decaisn. Flor. Timor. 131. Mimosa 
montana Hsskl. Catal. nee Kth. 

Observ. Ob legumina, moniliformia in articulos seceden= 



— 232 — 

tia, Pithecolobii divisio quinta Benthamii clss. Catho7'mion 
a genere hoc removenda erit et generis novi typum re- 
praesentat. — Cathormion JunghuJmianum Hsskl. (Pithecolo- 
bium Bnth. PI. Jungh. 269.6) a nostra ramulis, petiolis 
pedunculisque ferrugineo-villosis , foliis pubescentibus et 
minore numero foliolorum differt, 

A DESCRIPTIONE optima Decaisnei 1. c. difTerunt specimina nos- 
tra hisce: Bami uberiores aut plantae juvenilis e ramis rarius ternis 
axillaribus abortivis robuste spinosi. Sphiae ad latus utrumque 
patentes pollicares et lütra, intermedia, ubi adest, vix tertiam 
partem longitudinis adipiscitur; stipulae nunquara sunt spinescen- 
tes; rami superiores et in primis floriferi et fructiferi plerumque 
sunt inermes, ramo uno alterove axillari abortivo, \ poll. vix lon- 
go persistente, haud spinescente, mox deciduo. Pinnae ex ipsa 
descrpt. Decaisnei bi-jugae, in diagnosi dicit autor «pinnae 2" 
[vQxho jugae omisso); sunt aatem revera 1 — 2-]uga,Q\ petioli com- 
munes 1 — 11- poll. longi, supra leviter conaliculati , virides et in- 
ter pinnas glandula sessili scutelliformi rubenti praediti; foliola 
5 — 7- (rarius 4 — 8-)juga, infima minora etinteriora infima nunc 
valde diminuta, vix 2 lin. longa, reliqua 6 — 11 lin. longa, 3 — 5 
lin. lata, snperiora sensim majora, summa obovata aut obovato- 
oblonga, 13 — 20 lin. longa, 7 — 12 lin. lata; rhachis pinnarum 
11 — 3J- poll. longa; inter foliolorun paria omnia glandulae minu- 
tae rubentes scutelliformes. Mores liaud vidi. Legumina 3 — 4 poll. 
longa, 1 poll. lata, compressa, lineari-oblonga , recta, dein sub- 
cochleata, margine utrinque sinuato, 3 — 4-locularia, supra semina 
turgida et inter semina dein valde constricta, et demum in ar- 
ticulos subrotundos diametro pollicari sua sponte decedentia, gla- 
berrlma coriacea, basi abruptim in stipitem attenuata, intus car- 
tilaginea nitidula. Semina subrotunda, diametro 7 — 6 lin., valde 
compressa nunc ovato-oblonga, 7 lin. longa, 4i lin. lata, badia 
nitida; testa coriacea crassa. Radicula liilum spectans marginalis. 

Een sterk gedoomde boom van 40' hoogte en 15" dikte, 
die niet gaarne regtop groeit maar zich spoedig in meer- 
dere dikke takken verdeelt, welke zich onregelmatig naar 



— 233 — 

alle rigtingen uitbreiden , van grove doornen voorzien zijn 
en nu eens her-, dan weder derwaarts groeijende, eenen 
zigzagvorm aannemen. Hij groeit op Java overal , doch 
niet veelvuldig , in de benedenlanden tot aan zee , en wordt 
in West-Java genoemd Lamarcmg, en in Oost-Java Lom. 



X. 16 



ADDENDA ET E M ENDAND A. 



Ad No. 1. pag. 1. Synox D. Veitcheanum De Vkiese Illustr. 
d' ürcli. Ind. Or. Neêrl. I , (icon secundum specimina nestra viva 
dempta) nee Lndl. 1. c. Pili mtiricati (villi De Vkies, ) in vivo 
haud nigri, sed (uti in icone) viridi-flavescentes ; (caet. vid. descript. 
meam.). De Vriese, vir. celbrr., florum colores in hac specie ni- 
mis variabiles putat et inde descriptionem Lindleyi suam speciem 
quadrantem censet, qui ^jm^omï /o^ioZa interiora candida et uber- 
rime coccineo-venata dicit ; hanc assertionem haud sustinere pos- 
sum; sunt enim, uti in descriptione mea dixi, viridi-flavescentia et 
vix iu juventute aut senili statu 'diverso colore reperiuntur; va- 
riatie coloris labelli in descriptione mea est indicata. Pollinia baud 
sunt, uti De Vriese ea laudat et in tubula analytica delineavit, 
4 subaequalia, sed uti in Observ. I. ad finem sunt descripta. 
pag. 6 N°. 4 add.: (Nat. Tijdsch. Ned. Ind. IX. p. 355.) 

j) 80 lin. 3 ab inf. loco: interse lege: inter se. 

,) 1) )) 11 )> )) » lanceo latae lege: lanceolatae. 

» )) » 12 » )) » nervosoanastoino-\Q^e.nex\oso-2in3iSioïVLO- 

)) 97 ') 1 » " " cty^a- lege avé 0(7 

» 98 i)10&ll loco; ■pauci loculares oligospermile^o.: i-loculares 
monospermi. 

» 99 lin. infima loco: clesiderantur\ lege sequentia: drupacei 
oarnosi ovato-oblongi subconici, acuti glabri fuscescentes , 1| — If 
poll. longi, versus basin fere 1 poll. crassi, uniloculares 1-sper- 
mi; per'icarpium carnosum albidum \ — i poll. crassum. Semen e 
funicnlo longo albido rhaphi albidae oblongo-lanceolatae, 2 lin. 
et ultra medio latae adpresso, ima basi seminis inserto pendulum 
inversum , oblongum acutum basi truncatum subcomplanatum laevis- 
simum nitidum badium , | poll. longnm, \ poll. latum, 2| lin. cras- 
sum. Testa coriaceo-crustacea fragilis, , intus nervoso-reticulata ; 
7iucleus albus semini conformis, membrana tenuissima hyalina 
cinctus albumiuaceus ; albumen embryum involvens carnoso-mem- 



— 235 — 

branaceum, basia seminis versus tenuius, bipartibile. Emhryum 
di- (rarius lusu naturae 3-) cotyledoneuin, albidum. carnosum, 
8 lin. longum, B\ lin. la turn 2 lin. crassum; radicula in se- 
minis apice sita, prominula teretiuscula, 1 lin. fere longa; cotj- 
ledones crassiusculae plano-convexae applicativae oblongae, obtu- 
sae; gemmula vix conspicua, 

pag. 116 loco: U varia? legas: Mitrephora et addas: Diagnos. 
Foliis grandibus ovato-oblongis aut oblongls, breviter acuminatis, 
basi cordatis , dein coriaceis glabris , pedunculis terminalibus , oppo- 
sltifoliis brevibus paucifloris, carpellis oblongis pedicellatis poly- 
spermis, floribus grandibus. — Quod ad genus cf. Hook. et Thoms. 
Flor. Ind. I. 112.8. 

pag. 120 loco: rubra Exb. lege: Lotus L: y. pubesceiis Hook. 
et Thoms. Fl. Ind. I. 241. 2. 

pag. 123 loco: coerulea Savigu.? lege: stellata Wild. Q. parvi- 
Jlora Hook. et ïhoms. 1. c. 213.3? 

Ibid. loco: sp. Jl. liladno lege: stellata Wild. y. versicolor Hook. 
et Thoms. 1. c. 243.3? 

pag. 126 lin. penult. loco: ^loövf.rco- lege: ^[opofcTO(r. 

)» 127 lin. inlima loco: TxQxliTOcr lege: rxpaliTOa-. 

)> 133 lin. 1. loco: Handehenug lege: Handeheung. 
,. 147 No. 101 adde: 

Fructus indehiscentes coriacei ovales flavescenti-fusciglabri, 9" 
longi 6" crassi indehiscentes, basi calyce persistenti ovato adpres- 
so suffulti abortu 1-loculares 1-spermi. Epicarpium coriaceum 
tenue , intus albido-roseum et rudimeutis septorum notatum ; semen 
inversum, arillo succoso dulci, rhaphi avcte adhaerenti involutum, 
obovato-oblongum subcomplanatum , altero latere rhaphi valde 
prominula, angustissime sulcata notatum, laeve rubescens 7 lin. 
longum, 4 Hu. latum, testa membranaceo-crustacea , crassius- 
cula, basin versus crassior. Embryum viridiusculum, semini con- 
foi*me exalbuminosLim, fere totum a cotyledonibus binis aequalibus 
appHcatis carnosis , rubescentibus conformatum ; radicula in extre- 
mitate superiori seminis vix prominula, truucata, umbonem ova- 
lem, diametro 1 lin., in vertice seminis praebens brevissima, cum 
gemmula e basi lata mox conica vix 1 lin. alta. 



>, 195 


No. 


131 


adde 


>. 197 


1) 


133 


n 


>, 129 


)) 


133 


I) 



— 236 — ^ 

pag. 183 lin 4 ab iiif. loco: tÓottkj legas: rpoTTiT 
:, 188 lin. loco: VII legas: VIII. 
'. 193 No. 129 adde: Miquel Flora N. Iiid. I. 78.2. 
)) 194 ') 130 " Saraca f/icKca L. Mlq. 1. c. 83. 1. excepf. 
Synon. Hsskl. et S. minor Miq. 1. c. 84. 2. 

Saraca Zollingeriana Miq. 1. c. 84.3. 
Saraca declinata Miq. 1. c. 84. 4. 
An huc pertineat Saraca ohtuslfólia 
Miq. 1. c. 85,5 liaud decidere audeo; nostra autem ad 
genus novum Pahudia Miq. 1. c. 85 pertinere videtur. 
203 No. 135 adde: Miq. 1. e. 7.5. 
8. 7. 
A. lat'tfolia Boiv. Miq. 1. c. 22.7. 
A. rw/a Bnth. /3. simllislsl\c^A.c.2Q>.l2. 
INIiq. 1. c. 21. 6 et Leucaena odoratisshna 

Ilsskl. Miq. 1. c. 24. 8. aanm. 
Miq. 1. c. 26.12 excl. var. 
Albizzia stipidata Boiv. Miq. l.c. 28.16. 
Miq. l.c.40. 11. 
» 37. 8. 

)) 33. 2 et Syn. Hsskl. cum uo- 
mine vernaculo ad P. bigeminum Mrt. Miq.l.c. 32.1. 
222 .. 148 adde: Miq. 1. e. 32. 1. except. Syn. Hsskl. et 
nom. vernaculo. 
)) 6'. fasckidatwn Bntk. Miq. 1. c. 33.3. 
Miq. 1. e. 34.4. 
35. 6. 
n .. 36. 7. 

» P. umbellatum Bnth. /3. monillfermi Miq. 
1. c. 38. 8. iS. 



FINIS. 



206 


» 


137 


207 


„ 


138 


209 


„ 


139 


210 


)) 


140 


221 


„ 


141 


,) 


!) 


142 


218 


» 


145 


220 


» 


146 


)) 


)) 


147 



» 224 .. 


149 


» 225 » 


150 


» 226 .) 


151 


,> 227 » 


152 


') 229 » 


153 



INDEX- SYSTEMATICUS. 



I. Orchideae. 

1. Dendrobium ferox Hsskl. 1 et 234. 

2. Polystylus cornu-cervi v. Ilsslt 3. 

II. Palmae. 

3. Sabal Adansonü Guerns. 5. 

III. Nijctcujineae. 

4. Pisonia sylvestris T. & B 6. 

IV. Laurineae. 

5. Deliaasla sqiiarrosa ZoU. . 8. 

V. Campanulaceae. 

C. Codonopsis cordata Hsskl 9. 

VI. Lobeliaceae. 

7. Centropogon fastuosus Sclidw 13. 

VII. Mubiaceae. 

8. Scyphipliora liydropliyllacoa Grtii 16. 

y. Psychotria expansa BI 17. 

10. V robusta BI 19. 

11. ') montana BI 19. 

12. Rbodostoma gardenioides Sclidw 20. 

13. Pavetta Wyckii Hsskl 21. 

14. » arborescens Hsskl 22. 

15. » macropbylla BI 24. 



— 238 — 

PAG. 

16. Coelospermum scandens BI 26. 

17. Stylocoryne fragrans BI 27. 

18. » racemosa Cav 29. 

19. Bertiera chrysantha Hssld 30. 

/3. macrocalyx Hsskl 33. 

20. Bertiera fasciciilata BI 34. 

21. » javanica BI 35. 

22. Mussaenda Afzelii Don. . , 37. 

VIII. Lonicereae. 

23. Viburnum Sandankwa Hsskl , .... 37. 

IX. Apocyneae. 

Bleekeria Hasskl : 38. 

24. }) kalokarpa Hsskl 40. 

25. » salubris Hsskl 41. 

26. Kopsia arborea BI. ... 43. 

27. » flavida BI 44. 

28. Calpicarpum Roxburgbii Don 45. 

29. Pottsia ovata A. DC 46. 

X. Spigeliaceae. 

30. Spigelia anthelmia L 47. 

XI. Labiatae. 

31. Ortbosiphon tomentosiis Bnth. ^. parvlflorus Bntli. . 49. 

32. Salvia stacbyoidcs Kntb. ^. allodapa Hsskl 51. 

33. Roylea elegans Wil. . . . ' ; 54. 

XII. Verbenaceae. 

34. Priva ecbinata Jss : . . ; 56. 

35. Clerodendrum disparifolium Bi. . 57, 

36. " eriosiplion Schauer 58. 

37. " calamitosum L. x- glabriusculum Hsskl. 58. 

B. molle Hsskl. ... 58. 

38. » fallax Lndl 59. 

39. » infortiinatnm L. : 59. 



239 



PAG. 

40. Clei-odendrum vlllosum BI GO. 

41. )» foetidum Bnge. j3. iutegrifoliuni Hsslcl. . 60. 

42. » squamatum Vhl. '^. japonicum Hsskl. . 61. 

(3. indicum Hsskl. . . 62. 

XIII. Borrcujineae. 

43. Ileliotropinm c,uras?avicnin L 63. 

XIV. Cardiopteridear. 

44. Cardioptei'is qnluqueloba Hsskl 64. 

XV. Convolvulaceae. 

45. Batatas? glaberrima Hsskl 65. 

46. Argyreia tiliaefolla Wglit 67. 

47. » speciosa Sweet 68. 

48. Ipomoea tiiberosa L. y. oligantha Ilsskl 69. 

49. !) dasysperma Jcq 70. 

XVI. Solanaceae. 

50. Solaniim glaucum Dan 70. 

51. )) cuneifolium Dun 71. 

52. » grandiflorura R. & P. /3. leiocarpum Dun. . 7]. 

53. II Comitis Dun 73. 

XVII. Scroftdarineae. 

54. Paederota bracteata Sbld. & Zcc 74. 

55. Beyrichia ocymoides Clim. & Scblclit 76. 

XVIII. Acanthaceae. 

56. Ebermayera subpaniculata Hsskl 77. 

57. Barleria lupulina Lndl 79. 

58. )i pnbiflora Bnth 82. 

59. Aplielandra tetragona Nees 85. 

60. Cyrtanthera Poliliana Nees (3. velutina Nees. . . . 87. 

61. Andrograpbis ecbioides Nees 88. 



240 



XIX. Lentibulariae. 

62. CJtricularia diantha li. N 89. 

C3. » conferta Hsskl 90. 

64. .) reclinata Hsskl 92. 

XX. Sapotaceae. 

65. Chiysopliyllum rliodoueunini Hsskl 95. 

Kakosmanthus Hsskl 99. 

66. )! makrophylliTS Hsskl 99. 

Keratephorus Hsskl 100. 

67. » Wiglitii Hsskl 101. 

68. ). Leerü Hsskl 101. 

XXI. Ehenaceae. 

Rhipidostigma Hsskl 104. 

69. » Zollingeri Hsskl 105. 

70. " Teysmanul Hsskl 106. 

71. Maba Ebenus Sprng 108. 

XXII. Siphonandraceae. 

72. Gaultheria trichopliylla Eoyle 109. 

XXin. Umhelliferae. 

73. Apium fractophylliim Hornm 111. 

74. Cryptotaenia japonica Hsskl .113. 

XXIV. Saxifra(jaceae. 

75. Adamia .sylvatica Msn 114. 

XXV. Anonaceae. 

76. Mitrephora macraiitha Hsskl 116. et 235. 

77. Guatteria litoralis Hsskl 117. 

XXVI. C'ajjpcmdeae. 

78. Gynandropsis speciosa DC 118. 

79. Cleome aculeata DC 119. 



241 — 

PAG. 



XXVII. Nymiiliaeaceae. 

80. N3'mphaea Lotus L. y. pubescens Hook. Thms. . . 235. 

(X.. purpurea 120. 235. 

j3. rosea 121. 



7- 



albiflora. . . . . . .121. 



81. " stelkita Wild. ^. parviflora Hook. Thoms. 123. 235. 

y2. >i " y- versicolor Hook. Thoms. 123. 235. 

XXVIII. Alsodevneae. 

DioryUandra Hsskl 126. 

83. » Ptoxburgliü Ilsskl 125. 

XXIX. Paiujieae. 

Taraktogenos Hsskl. . . . : 127. 

84. n Blumei Hsskl 127. 

XXX. Fhytolaccaceae. 

85. Microtea maypurensis G. Uon 129. 

XXXI. Malvaceae. 

86. Abutilon sundaicum G. Dod. . ' . 130. 

XXXII. Sterculiaceae. 

87. Helicteres oblonga WU 133. 

88. Oudemausla liirsuta Miq 134. 

• 89._ !) javensis Hsskl 134. 

90. " virgata Hsskl 134. 

XXXIII. Büttnerlaceae. 

91. Schoutenia ovata Krthls.? 135. 

XXXIV. Tiliaceae. 

92. Eriuocai-pus Knimoni lirt. Bomb 137. 

93. Corchorus capsularis L 139. 

94. Triumfetta humifiisa L 139. 

XXXV. Dipterocarpeae. 

95. Auisoptera bantamensis Hsskl 141. 



— 242 — 

PAG. 

XXXVI. Ternstroemiaceae. 

96. Sauraiija jiendula BI 142. 

XXXVII. Meliaceae. 

97. Melia japonica Don, Hsskl 144. 

98. Sandoricum glaberrimum Hsskl 145. 

99. » indicum BI 146. 

100. » nervosum BI 146. 

101. Walsura? piunata Hsskl 147. et 235. 

XXXVIII. Polygalaceae. 

102. Polygala javana DC. ...:........ 148. 

103. '» variabilis H. B. K. /3. albiflora DC. . . . 149. 

XXXIX. Celastrineae. 

104. Celastrus repanda BI • 150. 

105. Siphonodon celastrinus Grff. 150. 

XL. Ilicineae. 

106. Villaresia scandens Hsskl 152. 

XLI. Aquilarineae. 

107. Drimyspermum Blumei Dcsn. .;..:.::. 134. 

108. " laurifolium Dcsn 155. 

XLII. Etiphorbiaceae. 

109. Alchornea ZoUingeri Hsskl 156. 

110. Excoecaria bicolor Zoll 158. 

111. » oppositifolia Jcq 160. 

112. Saplum indicum AVlId 161. 

113. ') aucuparium Jcq 162. 

114. Saui-opus albicans BI 162. 

115. )> indicus Wght 164. 

116. )) macranthus Hsskl 166. 

117. Hedycarpus Jck.? 168. 

XLin. Comhretaceae. 

118. Lumnitzera racemosa "VVlld 170. 



- — 243 — 

XXIV. Lythrarieae. 

119. Pempliis acidula Frst. (^. ovalitblia Hsskl ; 171. 

XLV. Melastomaceae. 

120. Lasiandra argentea DC : . . . 173. 

121. Stapliidium pauciflorum Naud. J. calcaratum Naud. . 174. 

XL VI. Amygdalaceae. 

122. Prunus nitidissima Hsskl. . . . . 175. 

XL VII. Legiimhiosae. 

123. Clitorla heteropliylla Vnt. . .,..-.... 177. 

124. Flemingia involucrata Bntli ' . . . .178. 

125. Erythrina vespertilio Bntli 179. 

126. ]\Iicropteiyx crista galli Wip.? 180. 

Stenotropis Hsskl 184. 

127. » Berteroi Hsskl 183. 

128. Arachis hypogaea L 186. 

/S. aegyptiaca Hsskl 190. 

129. Cynometra ramiflora L. . ' 192. 

130. Jonesia Asoca Rxb 192. 

131. .) confusa Hsskl 194. 

132. » decHnata Jck 196. 

133. " monopetala Hsskl 199. 

134. Toucliiroa bantamensis Hsskl 202. 

135. Acacia arabica L. /3. indi ca Bnth 204. 

136. » tomentosa Wild ; 205. 

137. >. leucoplüoea Wild .^ 207.^ 

138. Albizzia Lebbek Bnth 208. 

Q . leiTCoxylon Hsskl. ; — 

<y. burbonica Hsskl — 

139. » odoratissima Bnth ; 209. 

140. )) procera Bnth. . . . ; 211. 

141. » rufa Bnth 211. 

141. Arthrosprion stipulatum Hsskl. .:...'... 212. 



— 244 — 

1-13. Ciilliaudni Santi-Pauli lisski 211. 

144. !) haeraatocephala Hsskl 21G. 

145. Pitlieeolobium dulce Bntli 219. 

146. ^) umbellatum Bntli 221. 

147. >. lobatum Mrt 221. 

148. » bigeminnm Bntb 223. 

149. !) ellipticum Hsskl 225. 

150. » aogulatum Bnth 227. 

151. » clypearia Bnth 228. 

152. " montaniin Bntb 229. 

153. Catbormiou mojiillierum Hsskl • 231. 



INDEX ALPHABETICUS 

Famülarum, Generuin et Specierum ac Varietatum, de 

quibus tractatur in Pugillo I Retziae. 

(Typi cursivi plantas ac familias indicant descriptas.) 





PAG. 




PAG. 


Abatilon polygamuiii W. A. 


130. 


sUpulata Bntli. 


212. 


sundaiciun G. Don. 


130. 


Boiv. 


•236. 


tubulosum Hook. 


130. 


Albizziac. 


213. 


Acacia alba. 


207. 


Alchoriiea Zülliinjeri Hsskl. 


156. 


arabica L. ^. indica Bntli. 


201. 


Alsodeia. 


125. 


leucopliloea AVlld. 


207. 


lloxburgliii WH. 


125. 


melanoeliaetes ZoU. 


207. 


Alsodeineae. 


12.5. 


odoratissima Ilsskl. 


211. 


Amyrjdalaceae. 


17.5. 


rufa Hsskl. 


211. 


Andror/rajyhis echioides Nees 




similis Zoll. 


209. 


/S. dichotoma Hsskl. 


88. 


Sp. Tarriessie Hsskl. 


209. 


Anisoptera bantamensis Hsskl. 


140. 


tomentosa Wild. 


204. 


Anoxaceae. 


116. 


Acacieae. 


213. 


Antidesma bicolor Hsskl. 


158. 


Acanthaceae. 


77. 


Aphela7id7-a tetragona Nees. 


85. 


Adamia cyanea Wil. 


114. 


Apiimi fractophyllum Hornm. 


111. 


sylvatica Msn. 


114. 


Apoctxeae. 


38. 


Aegiceras obovatum BI. 


17. 


Aquilarixeae, 


154. 


Albizzia latifolia Boiv. 


236. 


Arachis. 


187. 


Lehbeh Bntk 208. 


229. 


glabrata Bntli. 


187. 


x. bourbonica, Hsskl. 


208. 


hypogaea L. Bnth. 


186. 


/3. Leucoxylonllsskl. 


208. 


ƒ3. aegyptiaca Hsskl. 


191. 


odoratissima Bntli. 


209. 


marginata Gaud. 187, 


. 191. 


procera Bnth. 211. 


213. 


prostrata Bnth. 


187. 


rufa Bnth, 


211. 


pusilla Bnth. 


187. 


|S. similis Miq. 


236. 


tuberosa Bnth. 


187. 



246 



villosa Bnth. 


187. 


Argyrela Wght. 


67. 


argeutea Chois. 


68. 


spedosa Sweet. 


68. 


tiliaefolia Wght. 


67. 


Arthrospiion Hsskl. 


213. 


stiptdatum Hsskl. 


212. 


Avicennia alba BI. 


17. 


Azaola Blanco. 


100. 


Leerii T. B. 


101. 


Barleria Hystrix L. 


82. 


hipullna Lndl. 


79. 


Prionitis L. 


82. 85. 


puhijlora Bnth. 


82. 


iJassia Koen. 


98. 


Batatas edulis Chois. 


65. 



<y. platanifolia Ch. 65. 

glqberrima Hsskl. 65. 

paniculata Chois. 65. 

Bertiera chi^ysantha Hsskl. 30. 

/3. macrocxdyx Hssk. 33. 

fasciculata BI. 30. 34. 

javanica BI.? 30.31:. 

lateriflora BI. 30. 

» Hsskl. 31. 

Beyr'ichia oajinoidesQ\\. Schl. 76. 

scutellarioides Bnth. 76. 

villosa Bnth. 76. 

Bleekei-ia Hsskl. 38. 

kalokarpa Hsskl. 40. 

saluhris Hsskl. 41. 

Bocagea. 116. 

Bolbophyllum Thouars. 1. 

BORRAGIXEAE. 63. 

BUETTNERIACEAE. 135. 

Caesalplnieae. 187. 

Calliandra foliosa Bnth. 214. 



PAG. 

haematocephala Hsskl. 216. 

Purdiaei Bnth. 214. 

Santi-Pauli Hsskl. 214. 

surinamensis Bnth. ' 217. 

Calorhabdos Bnth. 74. 

Caljyicarjnim Don. 44. 

Boxbnrghii Don. 45. 

salubre Don. 42. 

Campanulaceae.. 9. 

Campanumoea BI. 9; 

javanica BL 9. 

Cafparideae. 118. 

Cardiopterideae. 64. 

Cardiopteris javanica BI. 64. 

qidnqueloba Hsskl. 64. 

Cargilia RBr. 104. 

Cathormlo7i Hsskl. 231. 

Junghuhniamuu Hsskl. 232. 

monWferum Hsskl. 222. 231. 

Celastrineae. 150. 

Celastrus repanda BI. 150. 
Cg«f ropo<jro?ï Andropogon A.DC. 13. 

ftistuosus hrt. big. 13. 

fastuosus Schdw. 13. 

laevigatus ADC. 13. 

surinamensis Prsl. 14. 

Ceranthera Palis. 125. 

Cerbera. 38. 

oppositifolia Lam. 41. 
Cluvjsophyllum bumelioides 

A.DC. 95. 

granatense Sprg. 95. 

grandifolium Std. 95. 

lanceolatura A. DC. 95, 

rhodonenrum Hsskl. 95. 

Cinchona. 63. 

Cleome aculeata DC. 119. 



'Al — 



speciüsa H. B. K. 118. 

Clerodendron. 71. 

acuminatum Wil. 57. 

Blumeanum Schauer. 62. 

Buchananii Wip. 60. 

calamitosum L. 58. 

disparifoUum BI. 57. 

eriosiphou Scliauer. 57. 58. 

fallax Lndl. 59. 

foetidum Bng. 60. 

foetidum'Bng. (S . integrifol. 60. 

infortunatum L. 59. 

intermedium Cham. 62. 

ixoraeflorum Hsskl. 60. 

philippinum Scliauer. 60. 

squamidatum Vhl. 61. 

urticifolium WIL 62. 

villosum BI. 60. 

Clit07-ia ]ieterop)hylla Vnt. 177. 

Codonopsis. 8. 

cordata Hsskl. 9. 

ovata Royle. 10. 

viridiflora Wil. 9. 

Coelospermum scandens BI. 26. 

COMBKETACEAE. 170. 

Conohoria DC. 125. 

CONVOLVÜLACEAE. 65. 

CorcJiorus capstdaris L. 139. 

Coussarea Aubl. 20. 

Crudya. 202. 

Crijptotaenia japonica Hsskl. 113. 

Cyanitis sylvatica Euwdt. 114. 

Cynoinetra irimijïora L. 192. 

? tetraphylla Hook. 192. 
Cijrtantliera PoJiliana Nees. 

y. velutina Nees. 87. 

Dalberoieae. 187. 



PAG. 

Daplmoideae. 155, 

Dehaasia microcarpa BI. 8. 

squarrosa ZoU. 8. 

DeiidroUum Sw. 1.234. 

? fe7-ox Hsskl. 1. 

Veitcheamim Lndl. 2.234. 

de Vriese. 234. 

Detarium Jss. 202. 

Dioryhtaiidra Hsskl. 126. 

Roxburghii Hsskl. 126. 

Diospyros mai'itima. 109. 

DiPTEROCARPEAE. 140. 

Dipterocarpus Grtn. 140. 

Dombeyaceae. 135. 

Drimyspermum BlnmeiDcf^n. 154. 

laurifolium Dcsu. 154. 

Dryobalanops Grtn. 141. 

Ebenaceae. 104. 

Ebermayera argentea Nees. 78. 

glauca Nees. 77. 

Wght. 78. 

Staurogyne Nees. 78. 

subpaniculata Hsskl. 77. 

Eria Lndl. 1. 
ErinocarpusKnimoni hrt.Bomb. 137. 

Erythri)ia poiantbes Bert. 183. 

vespertilio Bnth. 179. 

Eüphorbiaceae. 156. 

Excoecaria bicolor Zoll. 158. 

crenulata Wght. 160. 

oppositifolia Jcq. 160. 

Exitelia. 135. 

Flemingia involucrcda Bnth. 178. 

Gaidtheria nummularia DC. 109. 

repens BI. 109. 

trichophylla Royl. 109. 

Gendarussa vulgaris Nees. 80. 



— 248 — 





PAG. 




PAG. 


Graptophyllum. 


87. 


minor Zoll. 


236. 


Guatteria litoralis BI. 


117. 


monopetala Hsskl. 199. 


236. 


Gyranocimum. 


50. 


Ipomoea L. 


65. 


Gynandropsis speciosa DC. 


118. 


dasysperma Jcq. 


70. 


TIedycarpus Jck. ? 


168. 


dicbotoma Chois. 


65. 


Hedysareae. 


187. 


fastigiata DC. 


65. 


Helkteres angustiiblla L. 


134. 


tuherosa L. y. oligantha. 


69. 


javensis BI. 


134. 


Isonandra Wgbt. 


101. 


oblonga Wil. 


133. 


polyandra Wght. 


101. 


spicata Colebr. 


134. 


Ixora L. 


21. 


virgata Wil. 


134. 


arborea Rxb. 


22. 


Heliocarpus L. 


137. 


barbata Rxb. 


21. 


Heliotropium mrassavicMm L 


,. 63. 


Gardneriana Bntli. 


22. 


Hetero trichum Rclib. 


3. 


longifolia Don. 


22. 


Hopea Rxb. 


141. 


oxyphylla Wil. 


22. 


Hydnocarpus Grtn. 


127. 


Sandankwa hrt. Bog. 


37. 


heteropliyllus BI. 


127. 


Schomburgkiana Bnth. 


22. 


Hymenaea verrucosa L. 


192. 


spectabilis Wil. 


22. 


Ilicixeae. 150 


.152. 


timoriensis Dcsn. 


22. 


Inga bigemina BI. 


222. 


undulata Rxb. 


21. 


)) hrt. Calo. 


223. 


Kakosmanthu$ Hsskl. 


98. 


bourbonica llsskl. 


208. 


mah'ophyllus Hsskl. 98. 


, 231. 


clliptica BI. 


225. 


Kevatephoinis Hsskl. 


100. 


falcifolia Hsskl. 


229. 


Leerii Hsskl. 


101. 


? falciformis Hsskl. 


229. 


Wirjhtii Hsskl. 


101. 


haematoxylon brt. Calc 


.217. 


Kopsia arhorea BI. 


43. 


Leucoxylon Hsskl. 


208. 


jiavlda BI. 


44. 


monilifera Dcsu. 


231. 


fruticosa ADC. 


45. 


purpuracens lirt. bog. 


213. 


vincaeflora BI. 


45. 


subfalcata Zoll. 


229. 


Labiatae. 


49. 


umbellata hrt. Calc. 


222. 


Lactaria Rmph. 


38. 


Jonesia. 


199. 


salubris Rniph. 


41. 


Asoca Rxb. 192. 


. 199. 


Lasiandi'a ar gent ea DC. 


173. 


Zoll. 


194. 


cordiformis. 


173. 


confusa Hsskl. 194 


. 236. 


Laükikeae. 


8. 


declinata Jck. 192. 19^ 


). 196. 


Leguminosae. 


177. 




236. 


Lextibulariae. 


89. 



249 — 



PAG. 

Lettsomia Wglit. 67. 

Leucaena odoratissima Hsskl. 236, 

LoBELIACEAE. 13. 

LOXICEREAE. 37. 

Lumnitzeraracemosa Wild. 17. 170, 
Lythkarieae. 171. 

Maba Frst. 71. 

Maha Ebenns Sprng. 108. 

IMacriglitia ADC. 104. 

Macrolobium Sclirb. 199. 

bijugum Colebr. 200. 

JMalesberbia glauca. 49. 

Malvaceae. 130. 

Manetia Mutis. 30. 

Melastomaceae. 173. 

Melia japonica Don. 144. 

Meliaceae. 144. 

Menestoria DC. 30. 

Metlioriitni Sclitt. 133. 

Micropteryx 180. 184. 

crista rjalli AVlp. 180. 

laurifolia Wip. 180. 

Microtea maypurensis Don. 129. 
Mimosa montaua Hsskl. 231. 
Mitrepliora macrantliaHsskl. 116. 
235. 
Moscliosma. 49. 

Mussaenda Afzclü Don. 37. 

NrCTAGIXEAE. 6. 

Nymphaea coerulea Savgn.? 123. 

Lotus L. y. pmhescens H. Th. 

120. 235. 

rubra Rxb. cLpurpurea. 120. 

/3. rosea. 121. 

p/. alhifiora. 121. 

sp. fl. lilacmo. 123. 

stellata Wild. 123. 235. 

X. 



/S.parviflora H.Th. 123.235. 
j-.versicolor H. Th. 123.235. 



thermalis Lehm. 


121. 


Nym:phaeaceae. 


128. 


Ochrosia Jss. 


38. 


salubris BI. 


42. 


Ocymiim. 


50. 51. 


stamineum. 


50. 


Odontoglossum H. K. 


3. 


Olus album Emph. 


G. 


insulare Emph. 


. 6. 



Omphocarpus Krthls. 137. 

Orchideae. 1. 

Orthosiphon mollis Hsskl. 50. 

tomentosus^nih.. (3. jjaj'i-v/. 49. 
Orthothecium. 133. 

hirsutum Hsskl. 134. 

javense Hsskl. 134. 

Oudemansia Miq. 133. 

hirsuta Miq. 134; 

javensis Hsskl. 134. 

integerrima Miq. 134, 

virgata Hsskl. 134. 

Paederota hracteata Sbld. Zcc. 74. 
Pahudia Miq. 236. 

Palmae. 5. 

Pangieae. 127. 

Pangium Grtn. 127. 

Pavetta arborescens Hsskl. 22. 24. 

macrophylla BI. 21. 24. 

WycUi Hsskl. 21. 

Payena A.DC. 98. 101. 

PempUs acidula Frst. /3. 171. 
Pentaloba Leur. 125. 

Eoxburghü Wil. 125. 

Peiïpterygium quinquelobum 

Hsskl. &Z. 
16* 



— 250 — 





PAG. 




PAG. 


Petroselinum llffm. 


111. 


Priva echiiiata. Jss. 


56. 


Physiphora Sol. 


125. 


Prostliesia BI. 


125. 


PlirTOLAOCACEAE. 


129. 


Prumis carollniana Ait. 


176. 


Pierardia Rxb. 


168. 


nitidisshna Hs^kl. 


175. 


macrostacliya W. A. 


168. 


Psjchotria. 


17. 20. 


Pisonia alba Spanogh. 


6. 


exjKinsa BI. 


18. 


morindaefolia RBr. 


6. 


montana BI. 


19. 


sylvestris T. & B. 


6. 


rohnsta BI. 


19- 


Pithecolob'mm angulatum Butli. 227. 


Pferospermum. 


135. 


blgeminum Butli. 223 


. 236. 


lletinodendron Ivrtli. 


141. 


Chjpearia Bntli. 210. 


228. 


Bldpidostigma Hsskl. 


104. 


dtdce Bntli. 


219. 


Teysmanni Hsskl. 


106. 


ellipticum Hsskl. 


225. 


Zollingeri Hsskl. 


105. 


falcifoliuin Hsskl. 


228. 


Rliizoplioreae. 


17. 


fasciculatum Bntli. 225, 


.236. 


Rhodostoma gardcnioides 




Junghuhniannm Buth. 


232. 


Scluhv. 


20. 


lobatum Bntli. 


222. 


Rinorea Aubl. 


125. 


liTcidum Bntli. 


223. 


Elvea Wglit. 


67. 


moniliferum Bntli. 


231. 


ornata Cliois. 


67. 


montauum Bntli. 


229. 


tillaefolia Chois. 


67. 


innhellatum Bnth. 


221. 


Rospldios DC. 


104. 


moniliferum Miq. /3. 


236. 


Roylea elegans Wil. 


54. 


Pohjgala crotallarioidesHmlt. 148 


. Royena L. 


104. 


densiflora BI. 


148. 


RUBIACEAE. 


16. 


Immilis Spanogli. 


148. 


Ruizia. 


135. 


javana DC. 


148. 


Sahal Adaasoidi Guerns. 


5. 


paludosa Hil. 


149. 


Scdvia elongata Kntli. 


51. 


rufa Spanogli. 


148. 


stachyoides Kntli. ^. 


'^i. 


scoparia H. B. K. 


149. 


S(mdoricum glaherrïmnm Hsi 


5kl. 145. 


variaUlis H. B. K. (^. 


149. 


indicum BI. 


146. 


Wightiana Wip. 


148. 


nervosuin BI. 


146. 


PoLYGALACEAE. 


148. 


Sapium aucupariuin Jcq. 


1 62. 


Polystachya Hook. 


1. 


Wild. 


162. 


Polystylus V. Hsslt. 


3. 


Hippomane Mey. 


162. 


cornii-cervi v. Hsslt. 


3. 


indicum Wild. 


161. 


Poltsia Hookeriana Wglit, 


, 46. 


Saraca arboresens Brm. 


194. 


Qvata A.DC. 


46. 


declinata Miq. 


236. 



251 — 



PAG. 

indica L. 236. 

minor Miq. 236. 

obtusiiblia Miq. 236. 

Zollingeriaua Miq. 236. 

S AXIFRAGACEAE. 114. 

Baurauja jpetidula BI. 142. 

SaiirojMs alUcans BI. 162, 166. 

Gardnerianus. 163. 

indicns Wg-lit. 163. 164. 

macranthus Hsskl. 116. 

rliamnoides BI. 162. 166. 

zeylanicus. 163. 

Sclioutenia ovata Krtli. 135. 

SCROFULARI>^EAE. 74. 

Scijpldpliora hydropliyllacea 

Grtn. 16. 
Sida sundaiea BI. 130. 

SiPHOXAXDRACEAE. 109. 

Siphonodon celastrvms Gi'ff. 150. 

SOI.ANACEAE. 70. 

Solanum coinltls Dm. 73. 

cuneifoliiim Dm. 71. 

(jlaucum Don. 70. 

grandiflomm Jl. V. o. 71. 

macranthum. 73. 

Sonneratia acida L. 17. 

Spigelia anlhelmia L. 47. 57. 

Spigeliaceae. 47. 

Staphidium paucifloram Naud. ^. 
174. 
Stenotropis Hsskl. 184. 

Berteroi Hsskl. 183. 

Stercüliaceae. 133. 

Stjilocorijne conferta Knth. 29. 

coriacea Knth. 29. 

fragrans BI. 27. 

racemosa Cav. 29. 



PAG. 

rigida AYght. 29. 

setigera Kntli. 29. 

Tangliinia Thouars. 38. 

Tarahtogenos Hsskl. 127. 

Blumei Hsskl. 127. 

Terxstroe:\ilageae. 142. 

Tiliaceae. 137. 

Touchtroa Aubl. ' 202. 

aromatica Aubl. 202. 

? hantamensis Hsskl. 202. 

Tournefortia argeutea \j. 17. 

Tricera Sw. 168. 

Trlumfetta divers iloba Prsl. 140. 

Imiiiifusa Hsskl. 139, 

procumbens Frst. 140. 

radicans Boj. 140. 

trilocniaris DC. 140. 

Umbelliferae. 111. 

UtTicularia aurea Loiir. 92. 

blflora BI. 90. 

. conferta Hsskl. 90. 

diantha R. S. 89. 90. 

fasciculata Rxb. 92. 

flexuosa BI. 92. 

Vlü. 92. 

geminiscapa Benj. 90. 

bumilis Vbl. 90. 

macrolepis Wglit. 90. 

redinata Hsskl. 92. 

vulgaris L. 92. 

Uvarla. 116. 

? macrantlia Hsskl. 116.235. 

polypyrena BI. 116. 
Vanda lissoschiloides Lndl. 4. 

Vateria L. 141. 

Verbexaceae. 56. 

Veronica L. 74. 



PAG. PAG. 

Vihvrmnn Samlankica H?skl. 37. Koylei DC. 10. 

Villnresia scandens llsskl. 152. Walswa ? pinnataWü^Vl. 147. 235. 
Vinca rosea. 46. Wulfenia L. 74. 

Vouapa Alibi. 199.' Xylocarpus obovatus Jss. 17. 

Wablenbei-o-ia DC. 10. 



SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 

VAN EEN 

MINERAAL WATER 

AFKOMSTIG VAN 

T eJ I P A M I N G I E S 

IN BUITENZORG. 

DOOK 
O. ^V. ROST TAIV TOlVKMaEIV. 



Uitgenoodigd om bovengenoemd mineraalwater scheikun- 
dig te onderzoeken , begaf ik mij den 12° Januarij 1855 
met den adsistent resident van Buitenzorg , den lieer Bekking, 
naar het landgoed Tjipamingies , in de residentie Buitenzorg 
gelegen. 

Den grooten weg naar Batavia een weinig verder dan 
den post Tjibinong volgende, sloegen wij oostwaarts den 
weg naar Tjitrap in , lieten het landhuis regts liggen en 
reden door tot aan de rivier Tjilingsi , van waar wij , na al- 
hier overgezet te zijn , den togt vervolgden tot de kampong 
Dongkol, alwaar wij des voormiddags aankwamen en dien 
nacht verbleven. Den volgenden dag in zuidelijke rigting 
voortgaande, kwamen wij drie palen verder op het landhuis 
Tjipamingies, aan den oever der rivier van dien naam ge- 
legen, aan. Wanneer men deze rivier, welke hier eene 
sterke westelijke bogt begint te maken, ter plaatse waar 

X. 17 



— 254 — 

zij door de vorming van een eilandje , voor een korten tijd 
in twee armen gesplitst is, doorwaadt, dan komt men aan 
den voet van het gebergte Selassi , waar een vrij goede weg 
toeliet, dat wij dien steeds in eene regte lijn zuidwaarts 
te paarci vervolgen konden. Deze weg voert door de kam- 
pong Tjitaien, gelegen op den top des bergs, welke hier 
eene groote, vruchtbare vlakte vormt. Verder voortrijdende , 
kwamen wij steeds dalende digt voorbij den Goenoeng Ba- 
toe, gemakkelijk herkenbaar aan zijne, naar den oostelij- 
ken kant. als met een mes afgesnedene helling. Na onge- 
veer acht palen afstands, op het laatst door allang allang 
en glagavelden, en op een zeer oneffen terrein gereden te 
hebben, kwamen wij weder aan den oever van de Tjipa- 
mingies, welke hier van hare westelijke kromming terug- 
komt, en juist op de plaats waar de bron gelegen is. De 
ligging dezer bron is eene zeer schoone. De rivier welke 
alhier midden door vruchtbare rijstvelden stroomt en met 
groote rolsteenen als opgevuld is, heeft aan beide hare 
oevers eenen steeds rijzenden bodem , welke haar als eene 
kom insluiten, terwijl deze rijzing van den grond, steeds 
vermeerderende, zich in de verschillende rondom gelegene 
heuveltoppen als verliest, achter welke het hoogere Ken- 
dang-gebergte zich in zuidelijke en zuidwestelijke rigting 
treffend schoon verheft , en dat alles afgewisseld door schil- 
derachtig gelegene kampongs (westelijk de kampong Tjok- 
jokan , oostelijk de kampong Kebongnanas enz.) 

Bij de rivier aangekomen, vonden wij midden in deze 
twee kleine door steenen en aarde voor den stroom van 
het rivierwater beveiligde kommen, waarin uit talrijke 
spleten het bewuste water opborrelde. Eenige passen verder 
toonde men ons eene door het rivierwater overstroomde plek , 
waaruit evenzoo eene duidelijke opborreling plaats greep. 
Afzetsels van gekristalliseerde of verharde produkten wer- 
den niet waargenomen , maar wel in de onmiddellijke nabij- 
heid aan de helling der oevers, groote hoeveelheden zwa- 



— 255 — 

velijzer , verspreid in eene zeer vette blaauwe kleiaarde. 
Volgens eenige Chinezen , aldaar tegenwoordig, was uit ge- 
noemde metaalverbinding, door lien goud gesmolten, en 
zelfs een stukje hiervan naar Buitenzorg gezonden, hetgeen 
evenwel aan mij bij nader onderzoek bleek geen goud, 
maar wel een alliage van zilver en koper, hoogstwaar- 
schijnlijk een atgesleten muntstukje te wezen, waarop het 
ook door 'den vorm volkomen geleek. In de aan de bron 
verzamelde stukken zwavelijzer , werd mede geen spoor 
van goud, zilver of koper ontdekt. 

Het water, in de twee kommen bevat, was een weinig 
troebel , zonder reuk , van eenen uiterst scherp zouten 
smaak en reageerde zuur, welke zure reaktie evenwel 
spoedig op het reageerpapier , waanneer dit aan de lucht 
blootgesteld werd, verdween. Des morgens ten zes uur, 
bij eene temperatuur der lucht van 211" C, wees het ri- 
vierwater 21° en het bronwater 24^ aan. 

Na eenige flesschen met het minerale water gevuld en 
naauwkeurig gesloten te hebben , werden beide kommen ledig 
geschept en verliep er ruim een uur, voor dat deze weder 
gevuld waren. De opbrengst gedurende dat tijdsverloop 
werd door meting bevonden ruim 250 ned. kan te zijn , 
eene opbrengst evenwel, welke noodwendig vermeerderen 
moet, als ook de digt bij deze kommen gelegene spleten, 
waaruit overvloedige gasontwikkeling plaats greep, doch 
thans door het rivierwater overstroomd werden, met deze 
zullen vereenigd geworden zijn. 

De «vegetatie rondom de bron was in alle opzigten gelijk 
aan die der gewoonlijk op dergelijke hoogten heerschende. De 
ontdekking had plaats gegrepen , doordien men opgemerkt 
had , dat de karbouwen bij voorkeur deze rigting der ri^der 
opzochten om hunnen dorst te lesschen en hunne hoeders 
dien tengevolge het water hadden geproefd en door ver- 
damping hieruit keukenzout verkregen. 



— 256 — 

Arbeid in het lahoratoriiim. 

Het water , dat , zooals reeds is aangeduid , zuur rea- 
geerde en van eenen zeer scherp zouten smaak was , werd, 
aan de lucht blootgesteld , spoedig met een wit huidje be- 
dekt ; kalkwater veroorzaakte eene witte troebelheid , welke 
door toevoeging van meerder mineraalwater weder ver- 
dween ; een weinig hiervan in eenig zuur gegoten , ver- 
oorzaakte ruime ontwikkeling van koolzuur; gekookt werd 
het water sterk troebel door de zouten , welke door het 
koolzuur opgelost gehouden thans nederploften , terwijl na 
eenige oogenblikken kokens zich reeds kristallen van keu- 
kenzout afzetten; het had verder bij 26° C. een spec. 
gew. van 1,0861. 

De door koking afgescheidene en op een filtrum verza- 
melde deelen waren bruinrood gekleurd , losten in zuren 
onder ontwikkeling van koolzuur snel op en bestonden uit 
ijzeroxijde, kalk en magnesia. 

Het water, dat door het koken van genoemde zouten be- 
vrijd was, reageerde naauwelijks merkbaar alkalisch en bruis- 
te niet met zuren op : een weinig uitgedampt , daarna wat 
amijlumpap bijgevoegd en hier een stroom chloorgas door- 
geleid zijnde , deed de schoone blaauwe kleur aan de jodium- 
reaktie eigen helder uitkomen; zwavelzuur was ook dan, 
wanneer betrekkelijk groote hoeveelheden van het gekook- 
te en zuur gemaakte w^ater met chlor. barii vermengd 
werden, zelfs na lang staan , niet merkbaar ; verder werden 
op genoegzaam bekende wijze silica, chloor , kalk, magnesia, 
potasch en soda ontdekt. 

Kxoantitatief gedeelte. 
1. Bepaling der vaste deelen. 
559,98 gr. water werden uitgedampt en iu eenen platina- 



— 257 — 

kroes op 150/° C. gedroogd. Men verkreeg aan vaste dee- 
len 66,242 gr. 

^ 11,8297, 

2. Bepaling der na zachte gloeijing terughlijvende vaste deelen. 

142,68 gr, water werden uitgedampt en liierna voorzigtig 
gegloeid, waarbij merkbare chloorontwikkeling plaats had: 
men woog aan vaste deelen 15,934 gr. 
- 11,167% 

o. Bepaling van de in het gekookte ic at er onoplosbare deelen. 

373,32 gr. water verhit en het verdampende water tel- 
kens door gedestilleerd water vervangen zijnde, gaf na 
filtrering en zachte gloeijing van de door deze bewerking 
afgezonderde deelen, 0,258 gr. 

^ 0,0697, 
zoodat op 100 deelen mineraalwater aanwezig zijn. 
11,760o/q in water oplosbare deelen 
en 0,06 97, „ „ onoplosbare „ 

4. Bepaling van het kieselzuur. 

142,68 gr. water uitgedampt en gegloeid zijnde, werd 
het residu in water en eenig acid. nitricum opgelost; de 
teruggeblevene silica woog na filtrering en gloeijing 0,003 gr. 
^ 0,00217, 

Bepaling van het koolzuur. 

375 gr. water werden met eene oplossing van chlor. 
calcii en ammonia vermengd; het hierdoor gevormde ne- 
derslag, afgezonderd zijnde , werd in eenen kleinen woulfschen 
toestel gebragt en door voorzigtige bijvoeging vau zoutzuur 



— 258 — 

het ontwijkende koolzuur in kaliloog opgevangen en ge- 
wogen;, men verkreeg aan koolzuur 0,3115 gr. 

^ 0,0830. 

6. Bepaling van het chloor. 

74,555 gr. water werden met een weinig acid. nitric. 
zuur gemaakt en zacht verwarmd , waarna dooor toevoeging 
van nitras argenti aan chlorur. arg. verkregen werd 20,553 
gr. ^ 27,567» en aan 

chloor 6,8140. 

7. Bepaling van het j odium. 

a. 140,98 gr. water werden uitgedampt en het gekris- 
talliseerde chloorsodium afgescheiden; dit laatste zout met 
gedestilleerd water uitgespoeld en in de doorgeloopene vloei- 
stof eenige druppels zoutzuur en chlorur. palladii gevoegd 
zijnde, gaf aan op 70 " C. gedroogd jodur. palladii 0,007 gr. 
=i 0,004960 en a*an jodium 0,00349». 

h. 285,37 gr. water werden met eene genoegzame hoe- 
veelheid carbonas sodae tot bijna droogwordens uitgedampt 
en het residu zoolang met alkohol uitgetroldcen , totdat in 
de teruggeblevene zoutmassa geen spoor van jodium meer te 
herkennen was; daarna dampte men tle alkoholische oplos- 
sing uit , loste de terugblijvende zoutmassa in water weder op 
en bepaalde vervolgens het jodium zooals boven vermeld 
is; men verkreeg aan jodur. pallad. 0,0135 gr. mj 0,00473» 
en aan jodium 0,00333» 

gemiddeld dus 0,00341». 

8. Bepaling van het koolzuur ijzeroxijdule. 

De bij 3 genoemde hoeveelheid in gekookt water onop- 
losbare deelen werd in zoutzuur opgelost, ammonia toe- 
gevoegd , gefiltreerd en het op het filtrum terugblevene 



— 259 — 

ijzeroxijde gegloeid; dit Avoog 0,0-24 gr. nn 0,0108^ dat 
aan koolzuur ijzeroxijdule voorstelt O^OlöGG^'. 

9. Bepaling vati den koolzuren kalk. 

In de boven bij 8 aangeduide van ijzeroxijde bevrijde 
vloeistof voegde men oxalas ammoniae, filtreerde den zich 
afgescheiden hebbenden oxalas calcis af, droogde deze en 
verkreeg hiervan 0,298 gr. :=! 0,0795°, welk getal geëkwiva- 
leerd wordt door 0,054"^ koolzuren kalk. 

10. Bepaling van de koolzure magnesia. 

Dezelfde vloeistof in 8 en 9 genoemd, bedeelde men met 
phosphas ammoniae, scheidde de ontstane phosphas magn. 
et amm. af, gloeide deze en verkreeg aan pijrophosphorzu- 
re magnesia 0,0055 gr. ;z:; 0,0015°, dat voorstelt aan kool- 
zure magnesia 0,00111°. 

11. Bepaling van het chlornrehtm calcii. 

In de van de in gekookt water onoplosbare deelen be- 
vrijde vloeistof, onder no. 3 bedoeld, voegde men chloor- 
amm. en ammonia bij, waardoor zij geheel helder bleef; 
men bepaalde den kalk als boven met oxalas ammoniae en 
verkreeg aan oxalas calcis 9,976 gr. :r^ 2,672°, voorstel- 
lende aan chloruret. calcii 2,03°. 

12. Bepaling va7i het joduretum magnesii. 

De vloeistof, bij 11 aangeduid, werd met phosphas ammoniae. 
vermenffd en door deze behandeline:, zooals boven is be- 
schreven, verkregen aan pijrophosphorzure magnesia 2,114 
gr. ^ 0,5796° en ^ 0,13° magnesium. 

0,00341 gr. jodiuni verbinden zich met 0,00034 gr. mag- 
nesium tot 0,003 75°Q jodur. magnesii. 



— 260 — 

13. Bepaling van het chloormagnesmm. 

Het overblijvende 0,129GG gr. magnesium vereeiiigt zich 
met 0,oG404 gr. chloor tot 0,4937° chloormagnesium. 

14. Bepaling van het chloorpotassium. 

186,66 gr. water werdei^ met barijta caustica gekookt, 
daarna gefiltreerd en in de doorgeloopene vloeistof de over- 
vloedige barijta door carbonas amm. verwijderd; het gefil- 
treerde vocht uitgedampt , gegloeid en met chloridum platinae 
en wijngeest a 80° behandeld zijnde , gaf aan chloridum pla- 
tinae et potassii 1,348 gr. ^ 0,722'^, dus aan chloorpotas- 
sium 0,2205°. 

15. Bepaling van het chloorsodium. 

De geheele hoeveelheid chloor op 100 deeleu water is 
6,814°. 

hiervan is verbonden tot chloruretum calcii 1,29800 

„ magnesii 0,36370 

„ potassii 0,10484 

terwijl door 0,00341° jodium gesubstitueerd wordt 0,00096 



Zamen 1,76750, 
er rest dus 5,0465° chloor ;=:; 8,359° chloorsodium. 

16. Verdeeling van liet koolzuur. 

Tot 0,00111° carb. magn. zijn verbonden 0,00057 gr. koolzuur. 
„ 0,054° „ calcis „ „ 0,02374 „ 

„ 0,01566° „ oxijduli ferri „ 0,00593 „ „ , 

zamen 0,03024 „ „ 
Bij de bepaling gevonden 0,083°, 
af te trekken bovengenoemde hoeveelheid a 0,030, 



rest 0,025276° 
vrij koolzuur of in volumen 26,648 k.c. bij 0° temperatuur 
en 760 m. m. barometerstand. 



— 261 — 

Verzameling. ■ '. 

100 deelen van liet mineraal water bevatten 
aan silica 0,00210 

„ chloorsodium 8,35900 ;■ 

„ chloorpotassium 0,22050 ' 

„ cliloormagnium 0,03000 

„ chloorcalcium 2,49370 

„ joodmagnium 0,00375 

„ carbonas magnesiao 0,00111 
„ „ calcis 0,05400^ in overvloed 

„ „ ferri oxijdul. 0,01566>van koolzuur 

Totaal 11,17982) opgelost. 
Na het plan , dat bij deze analijse gevolgd is , in zijn ge- 
heel beschreven te hebben , acht ik het slechts noodig , om 
nog de volgende aanmerkingen te laten volgen. 

Bij de bepaling van het jodium heb ik twee verschillende 
methoden gevolgd , welke beiden nagenoeg gelijke resulta- 
ten gegeven hebben. Dat de aanwezigheid van vele chlo- 
rureta de precipitering van het joduretum palladii belet , heb 
ik bij deze analijse duidelijk bewaarheid gevonden , dewijl 
in het, met eenig zuur vermengde en tot op de helft ver- 
dampte water, chlorur. palladii geen spoor van een preci- 
pitaat deed ontstaan. Het joduretum palladii heb ik gedroogd 
op 70° C. , tot dat het niet meer aan gewigt verloor ; 
dat hierbij geen jodium werd uitgedreven, hiervan over- 
tuigde ik mij , door dat een trechter voorzien van een reep- 
je met stijfselpap bevochtigd papier op de te droogene fil- 
tra gelegd, terwijl zij aan bovengenoemden warmtegraad 
blootgesteld waren , geen spoor van jodiumreaktie aantoon- 
de. Tusschen de som der vaste deelen, welke door uitdam- 
ping en drooging op 150° C. en die welke door uitdam- 
ping en gloeijing verkregen is , bestaat een verschil, dat ver- 
oorzaakt wordt door de ontleding van van een deel der 
chlorureta en het jodur, magnes. en daarop gevolgde 
vervlugtiging van chloor en jood, wanneer gegloeid, en 



_ 2G2 — • 

het terugblijven van eenig water, wanneer op 150° C. ge- 
droogd wordt. De waarheid der cijfers regtstreeks door de 
analijse verkregen , moet tusschen beide verschillen in ge- 
legen zijn. 

De resultaten uit het gedane onderzoek te trekken, ben 
ik zoo vrij in de volgende stellingen aan te toonen. 

Ie. Wanneer het water, zooals het aan de bron voorkomt, 
in welke hoeveelheden dan ook gekookt, daarna eenigen tijd 
aan zich zelven overgelaten en dan voorzigtig afgetapt of 
misschien nog beter op eene aan de bron te bepalene prak- 
tische wijze gefiltreerd wordt , dan worden drie bestanddee- 
len verwijderd (oxijdum ferri , carbonas calcis en carbonas mag- 
nes.) , welke in vasten toestand het keukenzout kunnen 
kleuren of verontreinigen. 

2c. Bij voortgezette uitdamping, zal een groot gedeelte 
van het keukenzout worden afgezet , dat , telkens verwijderd 
wordende , eene loog zal teruglaten , waaruit weinig of niets 
meer kristalliseert , en als bestanddeelen bevatten zal , be- 
halve nog eenig keukenzout, de ligt vervloeibaar of moei- 
jelijk kristalliseerbare zouten, zooals jodur. magnesii, chlor. 
calcii, en chlor. potassii. 

3e. Deze loog genoegzaam uitgedampt en dus tot een 
kleiner volumen te zamen gedrongen , kan bewaard en aan - 
gewend worden tot bereiding van j odium , hetzij aan de bron , 
hetzij elders, waarbij ik de vrijheid neem te verwijzen 
naar de meer volledige beschrijving hiervan, door den heer 
P. J. Maiee in het Natuurk. Tijdschrift voor Ned. Ind. , 
deel I pag. 55 en 5G gegeven. 

4e, De aanwezigheid van 2°/o chloruretum calcii zal oorzaak 
zijn , dat , wil men tot de bereiding van het keukenzout over- 
gaan, men het verkregene zout hiervan zal moeten bevrijden 
voor dat men het vervoert, en wel door uitwassching (het 
beste met door keukenzout verzadigd water) , dewijl anders de 
zoutkristallen gedeeltelijk omhuld met een laagje van het 
de vochtigheid der lucht sterk aantrekkende chlor. calcii , 



— 263 — 

spoedig vochtig worden en in smelting overgnan zonden. 

5e. De beproeving eener exploitatie dezer bron , is , wan- 
neer liet specifiek gewigt van haar water niet vermindert , 
waarvoor alsnog geene redenen bestaan om dit te vermoe- 
den , uit een tweeledig oogpunt, 1°. als ruim 8°/^ zuiver 
en watervrij keukenzout opleverende en 2° door een neven- 
produkt van zooveel waarde , als het j odium vergezeld , zeer 
aan te bevelen. Het zal in dat geval raadzaam wezen , al- 
le plaatsen , gelegen naast aan de twee , bij de beschrij\'ing 
der bron aangeduide kommen , waaruit zich mede veel mi- 
neraalwater ontwikkelt, tot eene grootere kom te vereeni- 
gen en deze de noodige diepte te geven. 

6e. De hoeveelheid zout, welke de bron per dag zoude 
kunnen opleveren , verondersteld dat de inrigting van den 
vergaderbak groot genoeg is , om geen water te laten ver- 
loren gaan, deze laatste eiken dag geledigd wordt, en te- 
vens de oj)brengst aan water dezelfde blijft, als aan de bron 
door eene enkele proef is gevonden , bedraagt ongeveer acht 
pikols (500 kilogr.) terwijl de hoeveelheid jodium vier a vijf 
kilogr. per maand zoude kunnen bedragen. 



Aldus waren de gevolgtrekkingen, welke ik op grond 
van mijnen arbeid in het laboratorium, aangaande dit mine- 
raalwater , had vermeend te moeten maken. 

Voordat men evenwel de exploitatie, als eene niet te 
mislukken onderneming , mogt aanbevelen , was het noodig , 
dat aan de bron eenige proeven in het groot genomen wer- 
den , zooals zulks in de stelling no 5 door mij was bedoeld 
geworden. Hiertoe werd ik weder in de gelegenheid ge- 
steld, door de welwillendheid van den adsistent-resident van 
Buitcnzorg , den heer Bekking , die , mij tot aan de bron ver- 
gezellende , daar de noodige maatregelen nam , dat mijn ar- 
beid zonder stoornis konde voortgezet worden. Ik zal hier 
in geene beschrijving vallen, van den weg, thans in eene 



— 264 — 

andere rigting naar de bron gevolgd , maar onmiddellijk over- 
gaan om het praktisch resultaat dezer tweede reis, mede te 
deelen. 

Het specifiek gewigt van het water (er waren vier maan- 
den na mijn eerste bezoek verloopen) was onveranderd ge- 
bleven ; het gehalte aan zout evenzoo; 15 ned. kan water 
gaven mij 1! kilogr. keukenzout, van gelijk waterhoudend 
vermogen als dat der 'gouvernements-pakhuizen (van 5 tot 7°/o). 

Hierdoor was dus de uitkomst der analijse , wat het keu- 
kenzout betreft , voldoende getoetst. De terugblijvende loog 
in eene retort, met zwavelzuur koperoxijde vermengd en 
gekookt , gaf zeer duidelijke ontwikkeling van jodiurn , dat 
zich in een' koel gehouden ontvanger , gemakkelijk in vas- 
ten toestand afzette. 

Tevens werd de hoeveelheid water, welke de bron per 
dag zoude kunnen opleveren , bij nader onderzoek bevon- 
den, meerder te wezen, dan in mijn onderzoek was aange- 
geven. Het eefiige, maar gewigtige bezwaar evenwel, dat 
zich bij eene exploitatie zoude voordoen , is gelegen in de 
wijze der zoutbereiding. 

Uitgaande van een theoretisch standpunt, zoude men ver- 
Avachten, dat het water na eenige oogenblikken gekookt te 
hebben , reeds van alle dubbelkoolzure zouten en onder deze 
vooral van het ijzerzout, door filtrering bevrijd moest kun- 
nen worden en men dan bij verdere uitdamping zuiver zout 
verkrijgen zoude: de ondervinding leerde mij spoedig, dat 
dit doel noch door langdurig koken, noch door filtrering 
te bereiken was. De vloeistof was , na gefiltreerd te zijn ja 
helder, maar reeds zeer korten tijd daarna werd zij op 
nieuw^ met een bruin huidje van uitgescheiden ijzeroxijde 
bedekt ; zelfs werd het verkregen zout , dat eerst zuiver wit 
was , na verloop van eenigen tijd nog bruin. De sterk ge- 
koncentreerde oplossingen van chloorsodium en chloorcalcium , 
schijnen de ontleding van het koolzuur ijzeroxijdulezout of ten 
minste het onoplosbaar worden van het ijzeroxijde te beletten , 



— 265 — 

tenzij de verdamping tot droogwordens toe woi'dt voortgezet ; 
ook is het niet te verwachten dat deze oplossing zonder werking 
op de ijzeren ketels, welke ik gebruikte, zal gebleven zijn. 

Een tweede bezwaar bevond ik daarin te bestaan, dat 
de gekoncentreerde . zoutoplossing gedurende hare filtrering , 
eenen zeer ontledenden invloed op de weefsels uitoefende , 
waardoor deze bewerking geschiedt. Reeds na een paar 
malen hiertoe gediend te hebben , waren zij onbruikbaar ge- 
worden ; dit ongerief, dat aan het chloorcalciura van het wa- 
ter te wijten is , kan evenwel geen onoverkomelijk bezwaar 
worden genoemd. 

Eene andere proeve, om het water in bamboezen, door 
zonnewarmte te laten verdampen , en vervolgens de vervloei- 
bare zouten te doen uitdruipen , gaf zooals trouwens te voor- 
zien was, een zeer bruin gekleurd zout, dat evenwel goed 
droog bleef. 

Nu is het keukenzout, op de eene of andere wijze ver- 
kregen , zeer wel wit en bruikbaar te maken , mits het 
na eene eerste kristallisering, in water opgelost, gefiltreerd 
en daarna gerekristalliseerd worde, eene bewerking in Eu- 
ropa meestal gevolgd, doch naar mijn inzien, om de meer- 
dere onkosten , te Tjipamingies niet toepasselijk. Zoo zou- 
de men in genoemd werelddeel, bij de exploitatie eener 
bron als deze, alle zwarigheden daaraan verbonden in eens 
kunnen opheffen, door b. v. bij elke 100 ned. kan water 
eene gemakkelijk te bepalen hoeveelheid carbonas sodae te 
voegen , welke het chloorcalcium zoude omzetten in onop- 
losbaren carbonas calcis (krijt) en na de bezinking of fil- 
trering van het vocht, nagenoeg zuiver keukenzout zoude 
teruglaten. Maar de prijs van dit artikel, in Holland voor 
5 a 6 centen het kilogram verkrijgbaar , is in Indië zoo 
hoog, dat hare aanwending, volstrekt in geene aanmerking 
komen kan. 

De hoofdzaak komt dus hierop neder ; dat in aanmerking 
genomen de zeer lage prijs, op welken de aanmaak van 



— 266 — 

liet keukenzout aan het Indisch gouvernement te staan komt, 
de bereiding van het zout te Tjipamingies , volgens mijn 
oordeel , te vele kosten na zich zoude slepen , dan dat deze 
ook door eene ruime produktie zonde kunnen worden ver- 
o-oed. Zooals hekend is , wordt verrewe^g het meeste alhier 
verbruikte zout verkregen, door het zeewater in de zooge- 
naamde zoutpannen bij zonnewarmte te laten verdampen , en 
het terugblijvende zout, zonder eenige verdere bewerking 
te vervoeren en te verkoopen. Deze wijze van zoutaan- 
maak is zoo weinig kostbaar en gemakkelijk, dat men niet 
ligt eene betere er voor in de plaats zal kunnen stellen. 

Ondertusschen behoort de bron te Tjipamingies tot eene 
der merkwaardigste van de op Java bekende , zoo door haar 
groot gehalte aan vaste deelen en de onafgebrokene , rui- 
me opbrengst aan water, als door de hoeveelheid jodium 
in haar bevat. De bekendmaking hiervan zij dus van uit 
een wetenschappelijk oogpunt ten zeerste aanbevolen; tech- 
nisch beschouwd kan men in de aangehaalde feiten een ver- 
nieuwd bewijs zien , hoe noodig het is , dat zaken gelijk deze, 
theoretisch en praktisch beide onderzocht worden , voor en aleer 
men ondernemingen aanbeveelt, welke ligt tot schade van 
den ondernemer zouden kunnen uitloopen. 

Buitenzorg , 8 Julij 1855. 



BESCHRIJVING 



VAN EENEX 



ZELFIIEGISÏRERENDEN IIEGENMETER. 



T. ARRIëlVS. 



De meteorologische waarnemingen hebben in de laatste 
jaren bijzonder de aandacht gevestigd , van de natuurkundi- 
ge genootschappen niet alleen , maar ook van ieder beoefe- 
naar dezer wetenschap. Dientengevolge werd dan ook 
reeds in 1846 door het Koninklijk Nederlandsch Instituut 
eene korte handleiding uitgegeven voor hen, die belast wor- 
den met het doen van meteorologische waarnemingen. 

De heer Maurij heeft aan de beoefening van dezen tak van 
wetenschap weder eene vlugt gegeven, waardoor vooral de 
zeevarenden binnen kort een' schat van waarnemingen zullen 
bezitten, die ongetwijfeld op industrie en handel gunstig zul- 
len terugwerken. Intusschen hebben deze waarnemingen op 
den vasten wal ook hare waarde , en worden in Nederland 
gretig en dankbaar onvangen , hetwelk uit de boven aan- 
gehaalde handleiding dan ook blijkt. 

Toen ik mij gedurende 1849 — 51, na 13 jarige afwezig- 
heid, in het vaderland terug bevond, was het niet bevreem- 
dend, dat ook diiar in verscheidene steden meteorologische 



— 268 — 

observatoriën waren opgeri^t. Ik zal in geene beschrijving 
treden der plaatsen , die ik gedurende dien tijd heb mogen 
bezoeken; doch wil alleenlijk bij deze gelegenheid dan toch 
de namen vermelden der heeren F. J. Stamkart te 
Amsterdam, F. W. C. Keecke te Utrecht en C. Van 
DER Steav aan het Nieuwe Diep, die met de meeste be- 
reidwilligheid den bezoekers hunner observatoriën aUe inlich- 
tingen geven. Evenmin kan ik onvermeld laten het wereld- 
beroemde Greenwich , alwaar de hoogleraar G. B. Airij aan 
het hoofd staat , die mij alles liet zien en uitlegde , en zelfs de 
goedheid had mij eene beschrijving te schenken van de toen 
nog niet lang in gebruik zijnde toestellen om de instrumen- 
ten door photographie hunne standen te doen aanteekenen. 
Thermometer, barometer, psijchrometer , magneet alles toe- 
kent daar zich zelf aan door het licht, hetwelk op zooge- 
naamd sensitief papier valt. Doch ter zake. 

Bij mijne terugkomst alhier wilde ik dan ook beproeven 
zoo mogelijk eenige observatiën te doen op dezelfde wijze 
als zulks op gemelde plaatsen geschiedt , namelijk door zelf- 
registerende werktuigen. 

Deze toch teekenen onophoudelijk den stand der instru- 
menten aan en maken het observeren door personen onnoo- 
noodig. Juist dit laatste maakt , dat hier zoo weinige waar- 
nemengen gedaan worden. Niemand ziet er tegen op om daags 
eenige minuten hieraan te besteden, doch de meesten zijn 
niet in de mogelijkheid, hetzij door ambtsbezigheden of an- 
derzins om bijv. zes maal daags een instrument te ob- 
serveren , al duurt de observatie dan ook slechts één enkele 
minuut. 

De waarnemingen voor de hoeveelheid regen behooren on- 
der de meest belangrijke, die men vooral hier te lande doen 
kan. Zij staan direkt in verband met de waterverdeeling 
voor den rijstbouw. 

Mijn plan bestond dan ook voornamelijk om de wind- 
rigting, windkracht en regen te meten, dewijl van der- 



— 269 — 

gelijke observatiën nog het minste is medegedeeld. De toe- 
stellen voor de twee eerste hoop ik weldra voltooid te heb- 
ben en zal derzelver beschrijving alsdan der Xatuurkun- 
dige Vereeniging aanbieden. 

De derde, namelijk de zelfregisterende regenmeter, is thans 
in werking en laat ik hiervan de beschrijving volgen. 

Om hier in praktijk gebragt te kunnen worden moet de- 
zelve overal door een' javaanschen timmerman kunnen ver- 
vaardigd worden , zonder groote onkosten , en moet het in- 
strument zich zelf aanteekenen , zoodat me» er niet dage- 
lijks naar om behoeft te zien ; het zal dus wel eenigzins 
g- 



rof en ruw er uitzien, doch in allen gevalle aan het ooo; 



merk voldoen. 

Het meten van den regen is eene eenvoudige observatie; 
men vange hem slechts op in een' blikken of houten bak 
en mete de hoogte van het daarin verzamelde Avatcr. 

De bak dient in dit geval overal gelijke horizontale door- 
snede te hebben , zooals bijv. vierkante trommels , blikken , etc. 

Men plaatse nu een' bak (opvanger) op eene plek, alwaar 
geen geboomte of gebouwen den vallenden regen onderschep- 
pen kan en verzaraele dit water door geleibuizen in een' 
verzamelbak. De hoogte in den verzamelbak is dan gelijk 
aan de hoeveelheid gevallen regen. 

Is de verzamelbak van mindere doorsnede dan de opvan- 
ger, dan zal er het water des te hooger in staan en dan moet 
men de hoogte nog deelen door het getal, hetwelk de \-er- 
houding tusschen de doorsneden der beide bakken aanduidt. 
Bijv. de opvanger heeft eene doorsnede van 48 □ palmen 
en de verzamelbak van 12 id. ; — is nu de hoogte van het 
regenwater twee palmen in dien laatsten bak , dan is de ge- 
vallen regen i| van 2 palmen of ' palm. 

Door dit middel kan men den regen dan ook veel naauw- 
keuriger meten dan voor de strengste observatiën noodza- 
kelijk is. Heeft men bijv. een' opvanger van een vierkante 
el doorsnede en die van den verzamelbak is tien vierkante pal- 

X. 18 



— 270 — 

men , dan zal elke streep regen door een duim water in 
dien verzamelbak worden aangetoond, en kan men in dat 
geval den regen dus duidelijk tot j'^ streep meten. 

Laat men nu in den verzamelbak een blokje hout drijven 
Avaarop een goed glad geschuurd stijltje is bevestigd en 
steekt men dwars door dit stijltje een potlood in eene ho- 
rizontale rigting , dan zal dit potlood , indien men buiten 
den bak een vel papier spant , de hoogte aanteekenen , heb- 
bende men alleen te zorgen, dat het stijltje op dezelfde plaats 
op en neer beweegt en niet in den verzamelbak heen en 
weder schommelt of aillrijft. 

Dit bereikt men eenvoudig door over den verzamelbak 
een plankje te bevestigen, waarin eene opening is , waar het 
stijltje door heen bewegen kan. Verbeeldt men jjich nu dat 
het papier in eene horizontale rigting voortgetrokken wordt, 
dan zal het potlood eene horizontale en bijaldien het re- 
gent eene schuinsche lijn beschrijven , zoodat men dan , als 
de gang van het papier bekend is (dat is hoeveel duimen 
of strepen het per uur voortbcAveegt) op elk oogenblik vau 
den dag zal kunnen zien hoeveel regen er gevallen is, zoo- 
wel als hoe laat de regen begonnen. of geëindigd is. Eene 
zoodanige lijn is hierbij afgebeeld (zie fig. 1) ; om twaalf uur 
is het begonnen te regenen tot bij lu; toen is de regen 
iets verminderd tot bij 2", als wanneer hij tot even over 
5u onophoudelijk vermeerderd is. Van 5u tot 7u toont de 
horizontale streep dat het niet geregend heeft , doch van 7 
tot 11 is hij weder zonder tusschenpoozen gevallen. 

De nederdalende lijn even voor 10 toont, dat men alstoen 
den verzamelbak geledigd heeft, omdat de ruimte op het pa- 
pier niet toeliet het potlood hooger te brengen. 

Men heeft dus de hoogte in strepen door de loodregte 
afstanden (ordinaten) tusschen de schuinsche lijn en basis te 
meten. Volgens de figuur heeft het dus in 12 uren 160 
strepen geregend, en van 12 v. m. tot 2 ure n. m. juist 20 
strepen. 



— 271 — 

Het eenigste ongerief is nu het telkenreizo ledigen 
van den verzamelbak. Kan men dit door den oenen of an- 
deren toestel bewerkstelligen en dan wijst deze inrigting den re- 
gen aan dan behoeft men alleen het papier te verwisselen , 
hetwelk men zoo lang mogelijk neme. Tevens dient men 
het papier op een plankje te spannen en tusschen lei-hout- 
jes, door een uurwerk te laten voorttrekken. De door mij 
vervaardigde toestel werkt zonder A-erzamelbak, doch brengt 
desniettemin van zelf het potlood terug op de onderste 
lijn. Eene bijgaande figuur diene tevens tot opheldering 

(%• 3}. 

Deze toestel bestaat uit een raamwerk (s) , hetwelk door 
eene klok wordt voortgetrokken , niet in de figuur afgebeeld; 
het beweegt langs lei-houtjes (2), die zoo glad moge- 
lijk zijn geschuurd , zoodat het niet heen en weder maar al- 
leen voor-en achteruit kan bewegen. In dit raamwerk be- 
vestigt men een dun plankje, waarop het papier is geplakt , 
zoodat, als het raam tot aan het einde is voortbewogen men het 
weder terug brenge en er een ander plankje in legt , dat 
Aveder met nieuw papier is beplakt. Twee a drie plankjes 
in voorraad te hebben is voldoende. Op de teekening is 
het plankje niet afgebeeld , ten einde het leihoutje (2) beter 
te kunnen voorstellen. Men maakt het raam voldoende lang 
door 130 ned. duimen te nemen, zijnde voor het aanteeke- 
nen van den regen voldoende, dat per etmaal 12 ned. dui- 
men door de klok worden voortbewogen. In dit geval be- 
hoeft men slechts ëéns in de tien dagen een nieuw papier 
op het raam te plakken. ]Men kan het raam op velerlei 
wijzen met de klok verbinden. De eenvoudigste wijze is dat 
men op de stelling waarop de klok rust een cilindrische 
as (o) bevestigt en het touw hierover en aan het gewigt 
vastmaakt. Alleen dient men dit niet te ver buiten de 
loodlijn van het gewigt te plaatsen , dewijl anders de 
ruimten, door het raam in gelijke tijden doorloopon , niet ge- 
lijk zouden zijn. Men neme esne klok, die met een zwaar 



— 272 — 

gewigt gaat , omdat zulke klokken langer dan tien dagen 
gaan, of liever, omdat klokken met betrekkelijk zwaarder 
gewigt langer zullen gaan , dewijl liet gewigt minder zakt 
en dus tien dagen zullen gaan zonder opgewonden te moe- 
ten worden. Is nu de daling van liet gewigt meer of min- 
der dan 12 duim per etmaal, dan maakt men de eene helft 
van den cilinder zooveel grooter of kleiner van omtrek dan 
de andere helft (3) dat die tot elkander staan in dezelfde 
reden als de daling van het gewigt per etmaal tot 12 duim. 
Daalt bijv. het gewigt 18 duim, dan moet het touw, dat aan 
het gewigt vastgemaakt is, over een' omtrek loopen van -]-%, 
of 1| maal zoo groot als de omtrek Avaarom het touw is 
dat het raam voorttrekt. Men doe er minstens zooveel sla- 
gen om heen als de geheele daling van het gewigt bedraagt 
en om de andere helft zoo veel als de lengte bedraagt die 
het raam doorloopt, namelijk minstens 125 duim. Dit kan 
nu zeer goed geschieden met klokken , die door gewigten 
getrokken worden; omdat de gewigten in gelijke tijden even- 
veel zakken. Wil men echter het raam bevestigen aan eene 
klok die door veren bewogen wordt, dan kan men zulks 
doen aan de wijzerpijp. 

De afmetingen van het raamwerk bij mij zijn: lengte 130 
duim, breedte 150 streep; de latten zijn 1^- duim dik en 3 
breed. De slepende wrijving is bij goed geschuurde latten , 
vooral van hard hout, zooals sawoe of sonokling, zoo ge- 
ring , dat men leivolletjes geheel ontberen kan, die op som- 
mige plaatsen voor het bewegen van het raam gebruikt 
worden. 

Dwars over dit raam zijn twee ook zeer gladde houtjes 
(4) bevestigd, en wel zoo hoog boven het raam, dat het 
met papier beplakt, er vrij onder door bewegen kan. 

Deze houtjes zijn 4 duim van elkander en hiertusschen 
beweegt een houtje (5), waardoor het potlood (6) gestoken 
is. Aan den eenen kant is een touwtje bevestigd, dat het pot- 
lood vooruitstrekt en aan den anderen kant een dergelijk touw- 



— 273 — 

tje met een gewigtje (7), dat het potlood terugtrekt en dus 
weder tot de nullijn brengt als het 100 strepen gegaan 
heeft. Men zorge dat de streep door het potlood beschreven 
goed loodregt sta op de lijn, die het beschrijft als het stil 
staat, dat is: dat de houtjes loodregt staan op de baan van 
het raam. 

Indien men nu vooraf het papier over de breedte van 
lijnen voorziet van 1 duim tusscheuruimte, dan zal hierdoor 
een tijdsverloop van twee uren afgebeeld zijn. Een milli- 
meter stelt dus 12 minuten voor, hetwelk voor regen waarne- 
mingen voldoende is. De lijn van de nul beschrijft men door 
het raam eens heen en weder te trekken ; deze lijn wordt 
als het niet Jfegent van zelf door het potlood beschreven. 

Bijaldien het nu regent, wijst de afstand van het potlood 
tot de ovengenoemde lijn in strepen juist de gevallene hoe- 
veelheid aan, kunnende men gemakkelijkshalve evenwijdig aan 
die lijn, van 10 tot 10 strepen andere trekken, waardoor men 
een beter overzigt heeft van de figuur die het potlood be- 
schrijft (figuur 1). 

De toestel die het potlood vooruittrekt , bestaat uit het 
volgende. 

Op eene as is stevig bevestigd eene schijf van koperblik. 
(8), waarin uitgevijld zijn 100 tanden (9) in de gedaante als die 
den schaakraderen ; dit rad zij bijv: 2 palmen 2 duimen en 
2 strepen in diameter, dan is de omtrek 700 strepen, bijgevolg 
7 strepen voor lederen tand. Op dezelfde as beweegt een ci- 
linder (10), waarin eene gleuf is gemaakt van juist 100 strepen 
omtrek en waarin het touw is bevestigd, dat het potlood 
voorttrekt. Naast deze gleuf is op den cilinder een uitstekend 
stukje hout of ijzer (11) over een gedeelte der breedte ge- 
legd van 2 strepen hoogte. Op de blikken schijf is voorts 
een hefboom bevestigd van dun ijzer of koper , waarvan het 
eene einde tegen dit uitstekende stukje aandrukt (12). In- 
dien dus het tandrad rond beweegt, zal de hefboom ook het 
cilindertje (10) mede rond voeren en zal bijgevolg bij eene 



— 274 — 

omwenteling van liet rad het potlood juist 100 strepen voort- 
gegajin zijn. 'De hefboom wordt door een kleine veer te- 
gen het cilindertje gedrukt, om voor te komen dat hij 
zoude omkantelen , bijaldien hij door het omwentelen van 
het rad onderste boven komt te staan. Yfordt nu de eene 
hefboomsarm (15) even gedrukt, dan rijst de andere arm 
(12); hierdoor komt het cilindertje (10) vrij en wordt door 
het gewigtje (7) rondgetrokken, totdat het potlood weder 
op de nullijn komt. Om dus dien hefboom te drukken juist 
als het potlood 100 strepen heeft afgelegd, behoeft men niets 
anders te doen dan op de stelling, waarop de geheele toe- 
stel staat, ergens een pennetje (14) te plaatsen, juist in 
de rigting, die de eene hetboomsarm doorloopt. tDit pennetje 
wordt zoo gesteld, dat de hefboom slechts één oogenhlik er 
tegen aan kome, zoodat deze geheele beweging afgeloopen 
is gedurende het verspringen van één tand. 

Het tandrad wordt op de volgende wijze beAvogen. Bij 
het rad staat een stijltje (16), waarop een plat reepje van 
ijzer of koperblik (17) is bevestigd, hetwelk eene op en 
neer gaande bew^eging heeft (een hefboom van de tweede 
soort). Aan dit reepje hangt een ijzerdraad met eene haak 
juist boven de eene zijde van het tandrad. Door nu dit 
reepje op en neer te bewegen zal telkens een tand door 
het haakje verschoven worden. Ten einde het rad niet 
terug kunne gaan is er nog een pal aan bevestigd (18). 
Door eene afwisselend cirkelvormige beweging van dezen 
laatsten hefboom zal dus de geheele toestel bewegen , en 
moet dus nog deze hefboom met den regen in aanraking- 
worden gebragt. Men vervaardige tot dat einde twee 
blikken balcjes (19), in gedaante gelijkende op een' cilinder 
met elliptische basis (fig 2), die schuins doorgesneden is 
van het boveneinde tot op het midden van het grondvlak, 
zoodat het profiel een regthoekige driehoek is, met eene hoogte 
gelijk aan circa tweemalen de halve as van het grondvlak. Men 
soldere nu deze bakjes met een' tusschenreep (20) aan elkan- 



— 275 — 

lier, züodat hetgeen bij den cilinder de hoogte was nu de 
basis worde. Aan dien tusschenreep (20) maakt men eene as 
en zorge dat het zwaartepunt niet onder de as kome, het- 
welk men steeds voorkomt door de as juist op de lijn te 
plaatsen, die de basis vereenigt. 

Op die bakjes plaatse men verder een blikken gootje (21) 
ten einde het regenwater door de buis (22) in het eene bak- 
je te voeren. Is nu het eene bakje vol, dan zal het om- 
kantelen, de arm (23) trekt het touw neder, daardoor rijst de 
hetboomsarm (17) en het rad verspringt een tand; tevens 
is het andere bakje opwaarts gekomen en loopt op zijne 
beurt voL 

De afstand tusschen de bakjes is een palm. Deze bak- 
jes zijn opzettelijk niet tegen elkander bevestigd om daar- 
door ten opzigte van de os (20) een' grooteren hefbooms- 
arm te hebben en daardoor meer kracht uit te oefenen. 

Twee bakjes water bevatten een streep regen. Indien 
dus de bakjes gereed zijn en men de hoeveelheid water weegt, 
die in de twee bakjes gevallen is, zal de regenop-\-anger 
voor ieder lood een vierkante palm groot moeten zijn. 
Een inhoud van 30 lood per bakje is ruim voldoende 
om het tandrad te doen bewegen. Men doet wel om het 
gemiddelde gewigt te nemen van verscheidene bakjes, want 
daar de toestel min of meer ruw is, zoude het kunnen 
gebeuren, dat het bakje nu en dan met een paar wigtjes meer 
of minder omkantelde. A'^oor assen neme men dikke naal- 
den of fransche ijzerdraad-spijkers, want, zooals reeds bo- 
ven gezegd is, wordt het er voor gehouden, dat men dezen toe- 
stel wil doen vervaardigen door inlandsche werklieden en dus 
zonder behulp van draaibank, enz. Om aan eenen blikslager 
een goed model te geven van de bakjes , knipt men het be- 
loop daarvan in papier uit en dan zijn de afmetingen als volgt. 
Afstand van A tot B 110 streep en van B tot C. 76; men 
buigt nu C en D om , tot dat de afstand halve as van B 
tot de lijn C D 67 streep worde. 



— 276 — 

De as (20) kan ook van blik gemaakt worden en 
aan beide einden steke men dan een houtje, waarin 
het ijzerdraad komt om welken die as beweegt. De goot 
(21) moet een' stompen hoek maken, iets grooter dan de 
hoek die door het verlengde van de lijnen A B en A' 
B' gemaakt Avordt. Dit dient om haar genoeg helling 
te geven om het regenwater in de bakjes te leiden. 
Het uiteinde der buis (22) moet juist loodregt boven den 
as (20) zijn. Door de armen (23 en 13) kan men 
ten naauwkeurigste den opgang van het ijzerdraadje aan de 
hetboom (17) regelen, om de schijf juist een tand, zonder 
meer, te doen ronddraaijen. 

Deze regenmeter voldoet zeer goed en de onkosten zijn 
niet noemenswaardig, uitgezonderd de klok, die ƒ 15 k /20 
kost. De bakjes plaatse men eindelijk in een' bak of zoo- 
danig, dat het water, door de blikken bakjes ontlast, behoor- 
lijk weg kan vloeijen. Dit is niet in de teekening afgebeeld, 
omdat zulks wel door lederen lezer zal begrepen worden. 
Het zal eindelijk wel overbodig zijn om op te merken, 
dat men bij droog weder, indien er volstrekt geen regen 
te wachten is , de klok stil doet staan , om niet noodeloos 
papier te verbruiken. 

Mogt men het een en ander niet begrepen hebben en een' 
Vergelijken toestel willen vervaardigen, dan zal het mij aangen- 
aam zijn de vereischte inlichtingen te geven aan ieder , die het 
mogt verlangen. 

Sumanap, 20 Mei 1855. 



B IJ DRAGEN 

TOT DE 

GEOLOGISCHE E\ IIII\ERALOGI$CIIE KE,\.\IS 

VAN 

NEDERLANDSen INDIE 

DOOR 

de Ingenieurs van het Mijnwezen in Nederlandsch Indië. 
XIII. 

ONDERZOEK NAAR KOLEN AAN DE RIVIER ASSAM- 
ASSAM, INDE TANAH LAUT, RESIDENTIE ZUID- 
EN OOSTERAEDEELING VAN BORNEO. 

DOOE 
H. F. E. RAMT. 



Bij apostillaire dispositie van den gouverneur generaal 
van Nedcrlandsch Indië, dd. 26 Maart 1853 No. VI, werd 
aan mij opgedragen een onderzoek naar kolen , in de nabij- 
heid A^an Tabanio en Martapoera. Dat onderzoek is slechts 
ten deele door mij uitgevoerd en voor zoo verre laat ik 
daarvan mijne bevinding hier volgen. 

Den 9en april 1853 vertrok ik aan boord van Zr. Ms. 
stoomschip Etna van Bata^-ia en arriveerde te Bandjermasin 
den 17n daaraan volgende. 
X. ' ^^* 



— 27S — 

Xa -werk^'olk en gereedschappen te liebLen afgehaald van 
de kolenmijn OranjeKassau , te Pengaron, ben ik afge- 
reisd naar Tabanio , en kwam aldaar aan den SOn April. 

De berigten , welke mij omtrent de kolen in de Tanah- 
laut , welwillend verstrekt werden , door den over dit land- 
schap gestelden ambtenaar , den heer Van Erp , post- 
houder te Tabanio, deden mij besluiten om het eerst naar 
de rivier Assam-assam te gaan, zijnde dit de meest nabij 
gelegene der , aan hem bekende , vindplaatsen van kolen , 
in zijn distrikt. 

De heer Vax Enp bood zich aan om mij op die eer- 
ste reize te vergezellen , ten einde , door zijne bekendheid 
met land en taal, en met de zeden en gewoonten der be- 
volking , te gemoet te komen in de vele bezwaren , die ik 
anders welligt zoude ontmoeten. 

Gaarne nam ik dat aanbod aan , en den Gn Mei daaraanvol- 
gende gingen wij geZamentlijk op reis , vergezeld door den 
opziener der mijnen Floquet , die mij tot het doen van het 
hier bedoelde onderzoek was toegevoegd. 

"tVij reisden gedeeltelijk over land , gedeeltelijk in praau- 
wen over Plearie door de kampongs Fitiantares en Sa- 
warangan damit , totdat wij eindelijk den lO"^ Mei, aan 
de monding der rivier Assam-assam kwamen, en den 
volgenden dag de plaats bereikten , waar de kolen moesten 
voorkomen. 

Bij onze aankomst op het terrein is het eerst gevonden 
één laag kolen A-an circa 1.50 ned. el zwaarte, waaruit 
vroeger eenige stukken los geslagen schenen te zijn. Later 
het onderzoek op de gewone wijze voortzettende , werd 
achter^olgens gevonden, eene geheele reeks van twaalf ver- 
schillende kolenlageu , waaronder een zwaar p. m. tien ned. 
el. . c-r^n andere p. m. drie ned. el , eu ^-ier anderen ruim 
een ned. el.: de overigen zijn circa 62 ned, duim zwaar, 
uitgezonderd de diepst gelegene laag, die slechts 20 ned. 
duim bij het aan den dag komen tot dikte heeft. 



— 279 — 

De kolen , die dit, rijke leger zamenstellen zijn echter 
geene zwartkolen , het zijn bruinkolen ; de houtstruktuur 
is in sommige stukken zigtbaar, terwijl de streek kennelijk 
roodachtig bruin is. Zij zijn zeer hard ; hun uiterlijk voorkomen 
is dofzwart , weinig glanzend ; de breuk is schelpachtig. Op 
een gewoon vuur, in de open lucht, branden zij met eene 
lieldere lange vlam, geven weinig rook en laten eene zeer 
geringe hoeveelheid witte asch over , geheel vrij van steen- 
achtige bijmengsels. 

De volgorde der lagen , te beginnen met de diepst gele- 
gene, is als volgt: 

N°. 1. Diepst gelegene laag, ruim 0.20 ned. el zwaar. Dak 
of dekkende : licht grijze klei met zand gemengd. 
Afstand tusschen de lagen No. 1 en 2, in een water- 
pas vlak gemeten , circa () ned. el. 
K" 2. Zwaarte 1,40 ned. el. Dak: grijsachtige , harde 
zandsteen , soms bruingestreept en glimmerhoudend. 
Muur of dragende: bruinaciitig grijze klei, zeer vast 
en zamenhangend. De laag is geheel gaaf; de ko- 
len zijn vast. Het fijne poeder kleurt eene oplossing 
van bijtende potasch , beneden het kookpunt verhit , 
bruin. 

Afstand tusschen N^. 2 en 3 circa 4 ned. el. 
X". o. Dikte: 1.50 ned. el. Dak: vaste lichtblaauwe klei, 
met aardhars. Muur : harde zandsteen , afwisselend 
tusschen wit en grijs Het fijne poeder dezer kolen- 
laag is bruin en eenigzins dof, en kleurt eene oplossing 
van bijtende potasch sterk bruin. 
Afstand tusschen No. 3 en 4 circa 4 ned. el. 
N°. 4. Zwaar: 31 ned. duim. Dak: gele zandsteen. Muur: 
harde grijze zandsteen. Slechte kolen , schieferig. 
Veel overeenkomende met de zoogenaamde rottencoal. 
Afstand tot N°. 5: 190 ned. el. 
N°. 5. Dikte: 3 ned. el. Dak: 0,15 ned, el blaauwe klei- 
schiefer, met dunne laagjes kolen, daarboven gele 



— 280 — 

zandsteen. Muur : grijze zandsteen. In de kolenlaag 
zelve komen vier afscheidingen voor van schiefer, 
evenwijdig aan de rigting der laag. Afstand tot laag 
No. 6: 84 ned. el. 

Het fijne poeder dezer kolen kleurt de potasch op- 
lossing bruin. 
N°. 6. Dikte: tien ned. el. Dak: blaauwe klei met zand ge- 
mengd. Muur: licht grijze, glimmerhoudende zand- 
steen. Deze laag is zonder afscheidingen en geheel gaaf,- 
ik heb haar over een afstand van 500 ned. el. steeds van 
dezelfde zwaarte, van p. m. 10 ned. el, gevonden. 
Het fijne poeder dezer kolen is zwart , weinig glinste- 
rend en kleurt de bijtende potaschoplossing sterk 
bruin. Afstand tot laag N°. 7 : 2 ned. el. 
N°*-7. Zwaar: 1 ned el. Dak: gele, losse zandsteen. Muur, 

blaauwe klei met zand gemengd. 
No. 8. en 9 zijn elk van circa 0,5 ned. el. dikte. 
N". 10. Deze laag heeft'-^eene zwaarte van 1 ned. el , terwijl 
de lagen N°. 11 en 12 elk circa 0,5 ned. el. dik 
zijn. 

Het dekkende en dragende dier lagen zijn afwis- 
selend blaauwe klei met zand gemengd en glimmer- 
houdende zandsteen ; de respektive afstanden zijn : 
laag N°. '7 van No. 8 p. m. 20 ned el. 
„ „ 8 „ „9 „ „ 20 ,, ,, 
„ „ 9 „ ,v 10 ,: „ 24 „ „ 
„ . 10 ,,. „ 11 „ „ 40 „ „ 
„ „ 11 „ . 12 „ „ 13 „ „ 
Degeheele afstand, van de laag JS[o. 1 tot de laag N°. 12, 
is dus circa 420 ned. el; tusschen de beide grenzen vindt 
men 12 verschillende lagen bruinkolen, tot eene gezamen- 
lijke zwaarte van ruim 20 ned. el. 

De rigting van al die lagen is nagenoeg 'oost en- wes- 
telijk; de helling of dieping, die circa 45° bedraagt, is 
naar het zuiden. 



— 281 — 

Nu rijzen natuurlijk de vragen op: 
1°. Hebben de gevonden kolen de eigenschappen , die baar 

voor de industrie van eenig nut kunnen doen zijn ? 
2°. Liggen die kolen in de nabijheid der zee en kunnen ze bij 
het eventuele ontginnen gemakkelijk vervoerd. Avorden ? 

Tot de beantwoording der Ie vraag dienen proeven in het 
groot gedaan te worden. 

Wat de 2e vraag betreft , daarop diene het volgende: 

Het hier bedoelde bruinkolenleger ligt , ongeveer , op 
een' afstand van zeven uren gaans van zee verwijderd, de 
rivier van Assam-asam volgende. Deze rivier, ofschoon 
genoegzaam breed en diep , is evenwel , zoo als ze thans 
bestaat, onbevaarbaar voor geladene praauwen van eenige 
grootte , vooreerst omdat er zoo vele boomstammen in ge- 
vonden worden , en ten andere door de vele en plotselinge 
bogten , die men er in aantreft. Wijders is de ligging der 
kust zoodanig , dat er gedurende de oostmoesson , geene 
schepen kunnen geladen worden'; alleen in den regentijd kan 
zulks geschieden, en zouden de schepen soms zelfs de ri- 
vier kunnen binnenvaren. 

De zuidkust, van tandjong Salatan tot Pagattan heeft 
liet nadeel, dat het op de meeste punten moeijelijk is voor 
de schepen, om gedurende de oostmoessoni, nabij de kust 
te ankeren , en dat de mondingen der riteren , in die moes- 
son, door verzanding genoegzaam verstopt worden. 

Bij eene ontginning der hier bedoelde kolen , zou dus de 
afvoer nog al aan bezwaren verbonden zijn, echter moet ik 
hier aanvoeren, dat de rivier Assam-assam zeer goed be- 
vaarbaar is te maken, en dat het bruinkolen-terrein, in 
regte lijn , slechts circa drie uren van zee is verwijderd. 

Het terrein nabij de ^-indplaats der kolen is heuvelachtig 
en zeer boschrijk. De hoofdformatie is glimmerhoudende 
zandsteen , die in kleur afwisselt tusschen wit en grijs, ver- 
der licht- en donkerblaauwe kleisteen , kolenschiefer en met 
zand gemengde klei. Hier en daar vindt men lagen van 
klei-ijzersteen. 

Goenoeng Djahoh, den 15i September 1855. 



XIV. 



IJZERERTS IN DE TANAII LAUT, JiESIDENTlE 
ZXJID- EN OOSTERAEDEELING VAN BORNEO. 



H. F. K. KAWT. 



Bij gouvernements apostillaire dispositie van 5 Janu- 
arij 1854 No. II, werd mij opgedragen, het winnen van 
15000 ned. pond ijzererts, in de Tanah-laut; terwijl mij 
door den ingenieur, belast met de leiding der dienst van 
het mijnwezen, bij missive van 9 Jannarij daaraanvolgen- 
de No 8 , daartoe twee vindplaatsen werden opgegeven : 
1°. Boekit Damar , bij kampong Tambaga ; 2*^ de nabijheid 
der goudmijnen van Pontijn. 

Eerst in de maand Junij heb ik aan dien last kunnen vol- 
doen; den 5™ dier maand ben ik van Bandjermasin naar 
Tabanio vertrokken. 

Bij mijne aankomst aldaar heb ik de noodige berigten 
ingewonnen , omtrent de mij aangewezene vindplaatsen en 
verkreeg daaruit de overtuiging, dat Boekit Damar de ge- 
schiktst gelegene moest zijn voor het transport; zoodat ik mij 
het eerst derwaarts begaf. 

Om die plaats te bereiken volgt men de ri\'ier van Taba- 
nio tot aan Plearie of Poeloeharie en van daar den land- 
weg tot aan kampong Tambaga. 



— 2S3 — 

In de nabijheid van kampong Tambaga ligt de lieuvel- 
rei Pamatang damar. Zoodra men deze is genaderd, A-alt 
het ertsleger terstond in het oog. Aan beide zijden A-an 
den landweg vindt men groote blokken van den erts en 
ook op den weg vertoonen zich verspreide stukken , Avaar- 
door men dadelijk bespeurt, dat eene enorme hoeveelheid 
ijzererts in de nabijheid moet zijn. 

Ka het terrein in oogenschouAV te hebben genomen , is 
met het werk, tot het leveren der gCATaagde 15000 ned. 
ponden erts een aauA^ang gemaakt en Avel ter regtcrzijde 
A^an den w-eg, gaande A-an Plearie in eene z. o. rigting 
en op de z. z. av. helling van de heuA-elreeks. 

De erts A'ertoont zich daar, CA-en als op tAvee punten ter 
linkerzijde , circa ^ ned. el hoog boven den Aveg uitsteken- 
de en geeft gelegenheid om door een open Averk geAvonnen te 
Avorden. 

Het uitbreken is geschied a gradins en ik ben er in ge- 
slaagd om , in betrekkelijk korten tijd , zelfs meer dan de 
gevraagde hoeveelheid te verkrijgen en naar Bandjermasin 
te zenden, ahvaar zij naar Soerabaja zijn geladen. 

De erts ligt tusschen eene groensteensoort die hier en 
daar, in uiterlijk voorkomen, op graniet gelijkt, met 
groenachtige veldspaathkristallen , en op andere plaatsen 
zich porfierachtig voordoet. 

Het gebergte Pematang Damar loopt n. n. n. en z. 
z. AV. Het ertsleger heeft dezelfde rigting , Avaarin ik 
het heb kunnen volgen OA'er eene lengte A-an circa 1000 
ned: el; het heeft eene breedte A-an p. m. 200 ned. el. 

De erts behoort tot de haematieten en is op A-erschillen- 
de punten A-rij stei*k magnetisch. 

Hij doet zich hoofdzakelijk A-oor , massief en in groote 
blokken, zonder bepaalden vorm. Men kan alleen som- 
tijds klievingsvlakken Avaarnemen, eveuAvijdig aan de rig- 
ting, Avaarin het ertsleger kennelijk voortloopt. De grootste 
massa vertoont zich op de z. z. aa% helling A-an goenoeng 



— 284 — 

Pematong cU'imar,' terwijl ik de sterkst magnetische stuk- 
ken , eveneens in gi'oote blokken lieL aangetroffen op de 
n. w. helling van een' der heuvels van dat gebergte en 
ook op den top. . 

De erts is kristallijn op de breuk, voornamelijk staal- 
grijs van kleur , heeft eenen metaalglans en is rood op de 
streek. 

Zooals reeds gezegd is , ziet men het ertsleger hoofd- 
zakelijk in den goenoeng Pematang damar; echter heb ik 
het ook kunnen volgen in de ten z. z. w. in de nabij- 
heid gelegene heuvelrei Soengie sangar, ofschoon het daar 
niét zoo in massa aan den dag komt. 

Hoezeer het ijzererts depot eene bepaalde rigting heeft, 
heb ik er niet den gewonen vorm eener ader in kunnen 
ontdekken; het heeft ook geene bepaalde helling, zooals 
reeds gezegd is : het doet zich meer voor als eene ophooping 
(amas). 

Door • den invloed des dampkrings worden sommige der 
stukken aan de oppervlakte poreus en blaasachtig, en zijn 
soms bont aanglooj)en. 

De hoeveelheid erts is zeer aanzienlijk en zou, bij even- 
tueel te ondernemen ontginning, eenen schier onuitputte- 
1 ij ken voorraad opleveren. 

De wijze van voorkomen is voor ontginning eveneens 
voordeelig , omdat door een open Averk kan ontgonnen 
worden. 

Voor het transport nogtans is de gelegenheid minder 
gunstig. Dit zou gedeeltelijk over land en gedeeltelijk langs 
de rivier van Tabanio moeten plaats hebben. Wil men de 
geheele lengte der rivier te baat nemen, dan zou een land- 
weg tot aan Plearie minstens 7500 ned. el lang moeten 
zijn. 

Het terrein , ofschoon eenigzins heuvelachtig , is overi- 
gens, tot het aanleggen van zulk een weg niet ongeschikt: 
voor een o^root sedeelte toch zou men dien over tafelland kun- 



— 285 — 

nen leiden. De doorsnijdingen die men hier en daar zou 
te maken hebben, zijn van weinig beteekenis. De enkele 
ravijnen , welke men er aantreft , kunnen gemakkelijk door 
gedeeltelijke opvulling en het aanbrengen van eenvoudige 
bruggen , voor een geregelden transtportweg geschikt gemaakt 
worden. 

De rivier van Tabanio levert voor het vervoer meerde- 
re bezwaren op. In de oostmoesson is de rivier , nabij Ple- 
arie, genoegzaam geheel droog en tot nabij kampong Men- 
tiwa onbevaarbaar voor groote praauwen. 

In den regentijd is de rivier beter bevaarbaar, doch zoude 
ook om hare geringe breedte nabij Plearie en de omstan- 
digheid, dat het terrein nabij die plaats, alsdan voor een 
«•root gedeelte overstroomd is, vooraf verbeterd dienen 
te worden 

Het transport zal de kosten van den erts , althans aan- 
vankelijk, nog al hoog maken, hetgeen mij doet betwijfelen, 
of men met de europesche prijzen van het ijzer zal kun- 
nen wedijveren. 

Het uitsmelten ter plaatse, anders zoo voordeehg, zal 
hier het groote nadeel hebben , dat de brandstoffen en an- 
dere benoodigdheden voor het smelten , met moeite van el- 
ders zullen aangevoerd moeten worden. Kolen toch , of 
eenig terrein , dat mij het aanwezen daarvan slechts eenig- 
zins zoude kunnen doen vermoeden , heb ik niet in de na- 
bijheid van den goenoeng Pematang damar aangetroffen. 

De landweg, welke thans bestaat van Plearie naar de 
kampong Tambaga en verder afgelegene plaatsen , dient 
tot transport met karbouwen. Bij het aanleggen van een 
weg voor geregeld transport, bij ontginning, zou de rig- 
ting genoegzaam dezelfde kunnen blijven. 

Na de noodige hoeveelheid erts te hebben doen uitbreken 
en verzenden , ben ik over Plearie naar de tweede opgege- 
vene vindplaats gegaan, gelegen in de nabijheid der goud- 
mijnen van Pontijn , alwaar ik den 20n Junij , na een' 
hoogst vermoeijenden togt, aankwam. 

X. 19 



— 28G — 

Aanvallen van koorts hebben mij belet, het terrem aldaar 
genoegzaam te onderzoeken en noopten mij , reeds den 
volgenden dag terug te keeren. Ik heb echter het ertsle- 
o-er bezocht, zooals mij dit door de lieden daar ter plaatse 
werd aangewezen , aan den voet en op de helling van den 
heuvel Djidjekan. 

De erts is hier sterk magnetisch en eveneens in groote 
hoeveelheid voorhanden , echter heb ik er niet die groote 
massa aan den dag zigtbaar gevonden welke men nabij 
goenoeng Pematang damar kan waarnemen. 
Ook hier ligt de erts tusschen groensteen. 
Voor zoo verre ik heb kunnen nagaan , is de rigting van 
het leger n. n. o. en z. z. w. 

Het vertoont zich, behalve in den heuvel Djidjekan , ook 
nog in den heuvel Pontijn belombang en in goenoeng Ba- 
toe betonkat. Op deze laatste plaatsen ziet men het voor- 
namelijk aan den voet der bergen, in losse blokken. 

De grond is daar omgewerkt tot het winnen van goud. 
Mijn tekort verblijf in dat oord, maakt het mij onmoge- 
lijk, iets met zekerheid omtrent de uitgestrektheid van 
dit ijzerertsleger te zeggen; echter heb ik reden om te 
vooronderstellen , dat ook daar de hoeveelheid van den erts 
aanzienlijk zal zijn. Ook wegens goede hoedanigheid zou 
deze allezins voor ontginning vatbaar zijn , wanneer men 
hem mogt aantreffen in oorden , welke meer geschikt zijn 
voor den afvoer. 

Ter plaatse evenwel waar zich thans de ijzererts vertoont 
valt voor alsnog aan het voordeelig ontginnen niet te denken. 
De eenige en kortste weg toch, die thans van Plearie 
derwaarts bestaat, heeft ongeveer eene lengte van 3 ti 4 
uren gaans , loopt voor een groot gedeelte over tafelland en 
eindelijk over een' berg van p. m. 700 voet hoogte , waarvoor 
mij de verschillende namen : goenoeng Pontijn en goenoeng 
Batoe belaran zijn opgegeven. Deze berg is vrij steil, en 
de weg, indien het een weg mag geheeten worden, uiterst 
vermoeijend en bezwarend. 



— 287 — 

Aan den voet des heuvels Djidjekan bevindt zich eene 
kleine onbevaarbare soengei, welke zich uitstort in soengei 
Assam-assam. Men heeft mij verzekerd dat de plaats, aan 
de soengei Assam-assam, waar kolen worden aangetroffen, 
meer dan eene halve dagreis van daar is verwijderd. 

Van Pontijn ben ik naar Plearie teruggekeerd en heb 
verder nog bezocht het oord Tekisson , gelegen aan zee , 
bezuiden Tabanio, waar men mij had verzekerd, dat even- 
eens ijzererts werd aangetroffen. 

Ik heb dien daar werkelijk gevonden echter niet in die 
hoeveelheid en van die goede hoedanigheid als in goenoeng 
Pematong damar en nabij Pontijn het geval was. 

Hetgeen zich te Tekisson van den erts aan de opper- 
vlakte vertoont, heeft meer geleden van den invloed der 
dampkringslucht , is zeer celachtig en verweerd. Soms doet 
de erts zich voor als moeras- ijzererts , andere stukken kan 
men weder rangschikken onder de haematieten. Nabij kam- 
pong Talok doet de erts zich meer in massa voor en 
vormt eene kleine verhevenheid. De hoedanigheid van den 
erts is hier iets beter, vooral op punten, welke door de 
werking der dampkringslucht minder hebben geleden. 

Voor het vervoer is deze vindplaats uitmuntend geschikt, 
zoowel over zee, als langs het strand, bedraagt de afstand 
naar Tabanio slechts 8 a 9 java-palen. 

De gelegenheid tot ontginning is echter minder gunstig: 
de aanwezige hoeveelheid van den erts is niet zoo groot en 
zijne hoedanigheid is minder goed dan op de beide andere 
vindplaatsen. 

De aanzienlijke uitgaven , welke het oprigten van een 
ijzerwerk na zich sleept, gevoegd bij de omstandigheid, dat 
de brandstof en andere bij het uitsmelten benoodigde za- 
ken , van elders moeten aangevoerd worden , terwijl dan 
nog de afvoer, naar de naastbijgelegene zeeplaats, met 
zoo vele bezwaren vergezeld gaat, doen mij overhellen tot 
het denkbeeld: dat de ontginning van den ijzezerts, op de 



— 288 — 

boven vermelde plaatsen , in de Tanah laut , voor alsnog 
moeijelijk met voordeel zal kunnen gedreven worden , voor- 
al met het oog cp den geringen prijs van het europesche ijzer. 

Bij het eventueel ontginnen van den ijzererts in dit ge- 
deelte van de Tanah laut, komt Tabanio, wegens zijne 
ligging aan zee , mij voor als de gunstigste plaats , tot op- 
rigting van een ijzerwerk. 

Goenoeng Djabok , 10 September 1855. 



Aanhangsel tot liet voorgaande. 

Tn de nieuwe serie, deel II, van het Natuurkundig 
Tijdschrift voor Nederlandsch Indië , is op bladzijde 225 
tot 232 , door den heer H. Von Gaffron eene mededeeling 
gedaan , aangaande den ijzererts van Pematang damar en 
P.ontijn , Avaarover in deze bijdrage door den aspirant in- 
genieur der mijnen Rant is gehandeld. 

Xa het jaar 1844, de tijd waarvan de heer Von Gaf- 
fron spreekt, hebben nog andere onderzoekingen omtrent 
den bedoelden ijzererts plaats gehad. Uit de daarover ge- 
diende rapporten , acht ik het belangrijk hier mede te deelen, 
de uitspraak door den hoogleeraar G. J. Mulder te Ut- 
recht, omtrent de hoedanigheid van den erts gedaan. 

Tn eenen brief gedagteekend 30 April 1847 , gerigt aan 
de direktie der Nederlandsche Handelmaatschappij , zegt 
die scheikundige: 

„Het is een der zuiverste ijzerertsen , die door de natuur 
„ worden opgeleverd , en behoort niet tot den magneet-ijzer- 
„ steen, maar tot het roodijzererts , met een onbeduidend in- 
,, mengsel van magnetisch ijzer. 

„ Het erts laat zich tot een zuiver rood poeder wrijven en le- 
„ vert , na in zeezoutzuur opgelost en onder den invloed 
„van salpeterzuur verwarmd te zijn, bij praecipitatie met 
„ammonia ongeveer dezelfde hoeveelheid tweede ijzeroxij- 
,^de, die men oorspronkelijk ter oplossing had gebezigd. Name- 



— 289 — 

„lijk 1000 d. van liet erts geven, op die "wijze, aan twee- 
„de ijzeroxijde (rood ijzeroxijde Fe-0^), in twee proeven, 
„met verschillende stukken genomen, 996. 98G. 

„ Dientengevolge moet dit erts gehouden worden voor 
„ zeer zuiver rood ijzeroxijde , hetwelk bij volkomene her- 
„ leiding, in 1000 d. van het erts, ongeveer 700 zuiver 
„ ijzermetaal zou opleveren. 

„ Een spoor van magneetijzersteen , die ingemengd is , 
„ maakt het meer of min magnetisch , dat is , het wordt 
„ meer of min door den magneet aangetrokken. IMaar al 
„ ware de hoeveelheid daarvan veel grooter , het erts zou 
„ toch uitmuntend moeten genoemd worden en voldoet on- 
„ getwijfeld aan alles , wat er va,n in de bijlage is opgegeven. 
„ Goed herleid , kon men er het zuiverste ijzer uit bereiden, 
,. kan men er uitmuntend staal van vervaardigen , enz : "' 

In het schrijven van dien geleerde in dato 23 Julij 1848 
aan den minister van koloniën , komt voor : 

,,De ongunstigste uitkomst van A'erschillende analijsen heeft 
.,nog 98°/q ijzeroxijde in hetzelve opgeleverd, zoodat 08, 6°/^ 
„ ijzermetaal , bij behoorlijke herleiding door kool , te w^achten 
„ zijn. De vreemde inmengselen , die er in voorkomen , als 
„ maximum tot 2°/^ , zijn : kiezelzuur , kalk , magnesia , po- 
„tasch; van phosphorus en zwavel, ter afscheiding van fijn 
„ ijzer schadelijke stoffen , is geen spoor in dit erts aanwe- 
„ zig." en verder : „ Het zal van den graad van zuiverheid 
„ der tot de herleiding gebruikt wordende kool afliangen , 
„ welke de hoedanigheid van dit ijzer zal zijn. Het erts zelf 
„bevat niets, waarom het hieruit verkregen metaal niet tot 
„ de zuiverste soorten zou behooren. 

„ Ter reductie van het erts worden geene andere toevoeg- 
„selen vereischt, dan die bij de herleiding van den mag- 
„ neetij zersteen in gebruik zijn. De weg tot verkrijging 
„ van een zuiver metaal uit het bedoelde erts , is dus ge- 
„noegzaam bekend," 

Het zij mij vergund hier mede te deelen , dat bij eene bij- 



— 390 — 

drage. tot de geologisclie en mineralogisehe kennis van Ne- 
derlandsch Indie , aan welker zamenstelling ik eerstdaags hoop 
te beginnen , door mij zal gevoegd worden eene kaart van 
Borneo, zoo veel als noodig is tot opheldering van den 
tekst en welke tevens zal kunnen dienen voor de bijdragen 
XIII en XIV van den aspirant ingenieur. H. F. E. Raist. 
BïiUenzorg , 3 Nocemher 1855. 

CoRiv's, De Groot. 



V E 11 S L A G 

VAN DE 

VEERIGTINGEN 

DKli. 

GEOGRAFISCHE INGENIEURS 

IN DE RESIDENTIE 

C H E R I B O N. 

DOOR 
fS. A. 1> K Ij A TH G E. 



Bij gouvernements besluit van den SS'i December 185 3, No 10, 
werd bepaald, dat van wegc het militair departement de resi- 
dentie Cheribon zoude worden opgenomen, en om aan zulk 
een belangrijk werk de vereisclite naauwkeurigheid te verschaf- 
fen, werd den geografischen ingenieurs opgedragen, eene geo- 
desische meting in die residentie uit te voeren. 

Terwijl met de topografische werkzaamheden al dadelijk een 
aanvang werd gemaakt, wachtten de geografische ingenieurs 
een gunstiger jaargetijde voor hunnen arbeid af. 

Toen de heer S. H. De Lange vernam , dat de kapitein der genie 
de heer J. Van Staveren, belast met de leiding der topografische 
metingen, in de maand Maart 1854 eene reis naar Cheribon 
zoude ondernemen, stelde hij voor en werd hem toegestaan 
om dien officier te vergezellen , ten einde met dezen de pun- 
ten te beramen, over welke het driehoeksnet zoude loopen. 
De groote terreinkennis van den heer Van Staveren en 



L 292 

zijne praktische eigenschappen kwamen den heer S. H. De 
La>'ge zeer te stade, want in één. maand waren de punten 
uitgekozen en aangewezen, welke, wat de aaneenschakeling der 
driehoeken betreft, niets te wenschen overlieten. Deze punten 
zijn vrij regelmatig over de residentie Cheribon verdeeld. Al- 
leen in de afdeeliiig Indramaijoe .zijn ze spaarzaam gekozen. 
In de vlakte echter is het verbinden van punten zeer moeije- 
lijk en daar, zoo als de heer Van Staveren opmerkte, in het 
vlakke terrein de topografische metingen veel minder dan in 
het gebergte aan afwijkingen bloot staan, zou door de bepaling- 
van meerdere punten eene behoorlijke evenredigheid tusschen 
het nut en de moeite en kosten verbroken zijn. 

Gedurende die reis door de residentie Cheribon was het ge- 
bleken, dafc de berg Slamat, gelegen in de residentie Tegal, 
gemakkelijk in de opname kon begrepen worden, en daarom 
werd de resident van Tagal verzocht, op dezen berg een signaal 
te doen oprigten. Dat signaal is slechts eenmaal gezien en wel 
uit het standpunt Pangerangan ; daarna heeft een hevige wind het 
van den bergtop geworpen. Het voorstel van den resident van 
Tegal , om een nieuw signaal te laten oprigten , kon niet worden 
aangenomen, omdat voor de herstelling welligt de meting in de 
residentie Cheribon te ver gevorderd zou zijn , om van dat sig- 
naal nog partij te kunnen trekken. Op de plaatsen, waar de 
Tagalsche berg gezien Averd, zijn de uiteinden van den krater- 
rand ingesteld, zoodat de berg uit een hijdrografisch oogpunt 
toch volkomen in ligging bepaald is. 

Het meest westelijk gekozen punt lag reeds buiten de residentie 
Cheribon, namelijk op den top van den berg Tampoemaas. 
Kon van dien bergtop een punt in het Krawangsche gezien 
worden en was tevens uit het laatste de Tjermai zigtbaar, dan 
kon de meting op die wijze westwaarts worden voortgezet, en 
was de bepaling van een nog meer westelijk gelegen punt 
mogelijk. Ongelukkig was voor dit laatste de berg Tangkoe- 
ban prahoe gekozen , waar de metingen verder westwaarts door 
terreinhindernis onmogelijk werden, en waardoor het groote 



— 293 — 

doel, dat met de voortzetting der metingen in west\vaar(sche 
rigting beoogd was, namelijk het verbinden van Clieribon met 
Batavia, mislukt is. 

Den 11^ Julij lS5h vertrokken wij per stoomboot Makassar 
naar Cheribou, alwaar wij den volgenden morgen aankwamen. 

De kommandant van het leger had een onderofficier ge- 
detacheerd, om ons behulpzaam te zijn in die duizende 
kleinigheden, welke een' arbeid, als de door ons verrigte, 
onvermijdelijk vergezellen. Bij het naderen der reede van 
Cheribon bleek het, dat die onderofficier niet meer aan 
boord Avas; zijne verdwijning moet worden toegeschreven 
aan het ongeluk, dat hij, zonder dat iemand zulks liceft 
bespeurd, in zee gevallen en aldus verdronken is. — Spoedig 
werd door het militair departement een' ander onderofficier, 
den sergeantmajoor R. P. At.bekts, ter vervanging van den ver- 
misten, naar Cheribon gezonden. Deze is van veel dienst ge- 
weest; hij hield het oog over de kleinere instrumenten, zorgde 
voor den goeden opbouv*^ der voetstukken, bewerkstelligde uit- 
knppingen op de plaatsen Avaar de signalen achter het geboom- 
te in de rigting der vizierlijneu verborgen Avaren, of maakte kwar- 
tier op de afgelegene bergtoppen , Avaar Avij moesten overnach- 
ten, of liet de heliotroop schitteren van plaatsen, welke uit geen 
signaal zigtbaar kon Avorden. Hij moest altijd met den mees- 
ten spoed vooruit reizen, en was voor de vele bezigheden , 
hierboven genoemd, zelden bij ons, zoodat veel aan zijn eigen 
oordeel moest AVorden overgelaten, maar AA'elk voordeel hij zoo goed 
gebruikte, dat hij allezins de tevredenheid van den geograli- 
schen ingenieur verdiende. 

De medegenomene instrumenten bestonden uit : 

1. Het uniA'ersaal instrument van Repsold. 

2. Het universaal instrument van Pistor en Martins. 
a. Een klein universaal instrument van dezelfde. 

4. TAvee tijdmeters van Dent, No. 2230 en 2231. 

5. De pendule No. 45* van A. Kaisek. 

6. Twee astronomische kijkers; een behoorende tot de uit- 
rusting van den geografischen ingenieur, de andere ter leen 

X. 19* 



— -r.d^ — 

afgestaan door iiet Bataviaascli geuoptschap van kunsten en 
wetenschappen en afkomstig van Avijlen den predikant J. 
M. MoHii, die in de laatste helft der vorige eeuw zich 
met waarnemingen onledig hield. 

7. Twee hevel-barometers. 

8. Een reis-baroraeter. 

9. Eenige thermometers. 

10. ïwee heliotropen en 

11. Eenige reparatie-instrumenten. 

Het universaal-iiistrument van Eepsot-d is alleen gebruikt 
in de gevallen, dat wij niet bij elkandei> waren. Dat instru- 
ment is bijna onbruikbaar bevonden. Bij de nog on volkomene 
signalen , die hier gebezigd werden , was het verplaatsen der 
inikroskopcn bij het instrument van Pistor en Mahtins over- 
bodig, niet bij dat van IIepsoi,ü. Bij die verplaatsing verliest 
men de aflezing op de signalen, hetwelk aanleiding geeft, dat 
deze niet zoo spoedig zijn in te stellen en Avaardoor de meting 
v/ordt vertraagd, hetgeen bij de gewoonlijk kortstondige zigt- 
baarheid der signalen een dikwerf verscheidene dagen langer 
verblijf op een standpunt noodzakelijk maakt. De hoeken met 
dat instrument gemeten, zijn door den heer S. H. De Lange 
met voldoende naauwkeurigheid bewerkstelligd, maa» de ligte 
bouw van het instrument doet zoo dikwerf de rektifikatie ver- 
loren gaan, dat de meeste zenith-afstanden , hiermede gemeten, 
geene bevredigende uitkomsten hebben opgeleverd. Dit instru- 
ment is thans door den geografischen ingenieur naar Neder- 
land medegenomen, ten einde er zulke veranderingeii aan te 
doen bewerkstelligen , dat het een bruikbaar instrument worde. 

Het instrument van Pistor en Maetins heeft weder even- 
zeer voldaan, als op de reis in Manado. Het zoude echter 
nog beter voldoen , indien het m.ogelijk gemaakt werd , het 
prisma uit te ligten , zonder het instrument geheel uit een te 
nemen , omdat het niet zelden geschiedt , dat het prisma be- 
slaat, waardoor de metingen onmogelijTc worden gemaakt. 

De aardsche hoekmetingen zijn door mij , de waarneming 
voor de bepaling van het azimuth door deii heer S. H. De 



— 295 — 

Lange genomen; de zenitliafstandeu voor de breedte, iu eeri' 
gelijk getal door ons beide. 

Over de wijze van waarnemen behoeft niets gezegd te wor- 
den, zijnde hieromtrent dezelfde methode gevolgd, welke bij 
de metingen te Manado in acht werd genomen. 

Een der hevel-barometers werd op eene strandplaats in de 
stad Cheribon door den officier van gezondheid der 2e klasse, 
den heer B. Eeist, op dezelfde tijdstippen waargenomen, als de 
beide andere barometers , welke op de reis door die residentie 
werden medegenomen. 

De signalen waren alle van bamboe gebouwd , naar een 
door den geografischen ingenieur aangegeven model. Met eeni- 
ge meerdere of mindere afwijking hiervan waren in de residentie 
Cheribon de signalen op de volgende wijze zamengesteld: 

In den omtrek eens cirkels, van nagenoeg 6 ned. ellen dia- 
meter, op den gelijk gemaakten bodem getrokken, werden zes 
zware, ongeveer 30 rijnlandsche voeten hooge bamboezen op 
gelijke afstanden, 2 tot 3 voet diep in den grond gejjlaatst, 
en op eene hoogte van omstreeks 25 voeten ste\'ig met elkan- 
der verbonden, terwijl beneden deze verbinding, de krop, op 
2 Tl 3 punten deze zes bamboezen onderling nog met dwars 
liggende bamboezen door middel van rotan of gedraaid bam- 
boe bevestigd waren. Op de uiteinden dezer bamboezen palen 
boven den krop, was eene hechte cilindervormige mand ge- 
plaatst van ongeveer IJ- el hoogte en 1 el diameter; wijders 
waren de palen 1 tot 2 el boven en beneden den krop omvloch- 
ten met zoogenaamde sassak (matten van bamboes). 

Ter beschutting voor regen en wind werden de vakken, ge- 
vormd door de 6 bamboezen palen van het signaal, tot op 
eene hoogte van nagenoeg 9 voet gevuld met paggers van alang- 
alang, welke bij de metingen weggenomen konden worden. 
Het voetstuk voor het instrument werd in de loodlijn van den 
krop (de verbinding der zes bamboezen palen) geplaatst. In 
het regentschap Galoe had men met behoud van den uiterl ijken 
vorm, aan de signalen eene andere en meer stevige konstruktie 



— 290 — 

•gegeven, "svaartoe de aauweziglieid van het vele geboomte op 
de plaatsen, alwaar signalen gebouwd waren , het hare had bijge- 
dragen. Hier waren namelijk de bamboezen signalen van binnen 
door boomstammen en takken op veelvuldige wijze zoo stevig ver- 
bonden, dat wind en weder jaren zullen noodig hebben , ze uit het 
lood te brengen. Deze Avijze van bouwen , die ook bij de twee signa- 
len in dePreanger-regeutschappeu gevolgd is, welke signalen echter 
in afwijking van het gegeven model van eenen cilindrischen vorm 
waren, is zeer aan prijzenswaardig, echter kan men alsdan het 
voetstuk niet in de as van het signaal plaatsen, maar wordt 
verpligt , eene andere omheining voor de observatieplaats 
te laten 'bouwen, welke anders het signaal zelf aanbiedt. 
De goede of slechte bouw der signalen was geëvenredigd 
aan de belangstelling in den arbeid, door de plaatselijke auto- 
riteiten bewezen, binnen welker gezag de signalen waren op- 
gerigt. De signalen in het regentschap Galoe waren vol- 
komen, in de afdeeling Madjalengka, en wel op den berg 
Tjermai lieten zij niets te weuscheu over, terwijl, zonderling 
genoeg, de op lagere bergtoppen in die afdeeling gebouwde, 
minder goed waren. Ook in het regentschap Koeningan vol- 
deden de signalen gedeeltelijk. In de' afdeeling Cheribou wa- 
ren zij slecht zamengesteld ; met elke Avindvlaag werd de mand 
overgewaaid, Avaardoor het zelfs onmogelijk werd , de signalen te 
centreren. Het signaal op den Tampoemas, naar de bevelen van den 
adsistent resident van Soemcdaug gebouwd, was — den hoogen 
bergtop, zijne moeijelijke beklimming en de voortdurend aldaar 
heerschende winden in aanmerking gCHomen — zeer goed zamen- 
gesteld. 

Bij de berekening zijn de op den Tampoemas en den Sawal 
waargenomene hoeken herleid tot de assen der signalen, ter- 
wijl voor de overige standplaatsen de waarnemingen overgebragt 
zijn op de middelpunten der voetstukkeu. 

Het algemeene voorschrift was, dat bij elk waarnemiugspunt 
eene hut tot nachtverblijf moest ingerigt zijn. Hiervan werd 



— 297 — 

zoo zelden mogelijk afgeweken, omdat de waarnemingen in 
den vroegen morgen en tegen het ondergaan der zon plaats 
vinden, en een togt in de duisternis door het woud, op afge- 
legen^ plaatsen, van wege de tijgers enz. onveilig is. 

Voor het vervoer der instrumenten werden altoos koelies ge- 
bezigd. Ten einde het instrument van P. en M. gemakkelijker 
te kunnen dragen , was het onderstuk en bovenstuk ieder in 
een afzonderlijk kistje geplaatst, waarin nu alle voorvrerpen 
werden geborgen , die bij de behandeling van het instrument noodig 
konden zijn. Deze inrigting is voortrefielijk, en ook hierop 
moet me]i indachtig zijn bij het bestellen van een nieuw 
instrument. 

De basis, waarop de meting zou berusten, had de lieer S. 
H. De Lange gekozen over het uitgestrekte sawah-veld, dat 
zich langs het zeestrand van Clieribon noordwaarts uitstrekt. 
Eerst bestond het plan, om de basis te meten door middel van 
houten meetstaven, voorzien van ijzeren scheen en, om het buigen 
of krimpen te voorkomen, en eindigende in scherpe bijtels: 
de verbinding van twee naast elkander gelegene staven zou 
])laats vinden door middel van eene verdeelde koperen wigge. 
Deze toestellen , naar de voorschriften van den geografisclieu 
ingenieur vervaardigd, kwamen eerst den 20^ September te 
Clieribon aan. De op deze wijze te bewerkstelligen meting over 
de 7500 meters lange basis zoude eene volle maand tijds ver- 
eischen, en het jaargetijde was zoo ver gevorderd, dat een 
lang oponthoud de sluiting der triangulatie in gevaar kon bren- 
gen , hetwelk den heer S.H. De Lange deed besluiten, die meting- 
met de ketting te doen bewerkstelligen. Deze meting werd twee- 
maal door mij volbragt. Het verschil der beide metingen bedroeg 
2 ned. ellen. Door bepaling van poolshoogte van tAvee ver uit 
elkander hggende punten kon de naauwkeurigheid der basis-meting 
worden beoordeeld, en, zooals blijkt uit de breedte-bepaling A^an 
Lidramajoe, vergeleken met die van Cheribon, is de geweusch- 
te naauwkeurigheid bereikt. 

De eerste hoekmetingen werden te j\Ladjalengka uitgevoerd. 



— 298 — 

Voor dat deze geëindigd waren, werd de berg Tjermni beklnin- 
men. De luitenant, thans kapitein der infanterie, belast met 
de topografische opmeting, de heer W. Beijei;inck, verge- 
zelde ons op dien togt. De top van den Tjermai st^at uit 
een smalleu kraterrand , die een'' afgrond omgeeft van een paar 
palen in omtrek, en waarop aan oost,- noord- en west- 
zijde signalen waren geplaatst, die de genaamd werden 
Signaal ïjermai I, II & III. Een dezer was bijna altoos uit 
de vlakte zigtbaar; uit een punt, te Djatibarang zijn alle 
drie signalen gezien. Te ludramajoe was alleen Signaal II 
zigtbaar. Op den Kronion, te Gegessieklor , Lossarang, Passir- 
koelon en op den Tampoemas zijn de signalen II en 111. 
gezien. Op de standpunten Madjaleugka, Segara, Tjendana , 
Tjarennang was alleen zigtbaar Tjermai lil, op den Sawal sig- 
naal III en I, en uit de punten in het Galoesche alleen sig- 
naal I, uitgezonderd te Iviarabandong , alwaar geen der drie 
Signalen is waargenomen. Op den Gegerbejias , Salam en 
Sitoegedeli was ook sleclits Tjermai I zigtbaar; uit al de ove- 
rige standpunten signaal I en II. 

Belangrijk en den arbeid zeer bevorderend zou het geweest 
zijn, indien de ligging en grootte van den driehoek, door de 
signalen op den Tjermai gevormd, konden bepaald worden. Er 
bestond echter geene mogelijkheid, op den smallen kraterrand 
slechts eene kleine basis te meten , om dat doel te bereiken. 

Gedurende het verblijf van vier en twintig uren op den 
Tjermai, bleef de top van dien berg bijna geheel wolkenloos^ 
maar de lager staande signalen waren door de ver beneden ons 
drijvende wolken aan het gezigt onttrokken. Buiten de barome- 
ter-waarnemingen leverde die togt niets op; ronder noodzake- 
lijkheid moeten dehooge bergtoppen vermeden worden. Men heeft 
aldaar in de w-estmoesson wel vergezigten, die metingen zouden 
toelaten , maar de instrumenten worden dikwijls door eene 
voorbijtrekkende wolk voor een' halven dag onbruikbaar ge- 
maakt, hetgeen o. a. bleek, toen wij, te Madjaleugka terugge- 
keerd, de aldaar begonnen waarnemingeu wilden voortzetten. 



— 290 — 

Het werd toen noodzakelijk bevonden , het bovenstuk van het 
universaal-instrument vaii Pistor & Martins geheel uit elkander te 
uemen, teu einde het beslagen prisma schoon te maken- Op die 
plaats namen wij een azimuth en eene breedte- bepaling, Avelke laat- 
ste alleronverklaarbaarst 9,"o4'5 boogs met de geodesische meting 
verscliilt. Dit verschil kan te minder verklaard worden , omdat eene 
ster aan den- zuider- en eene aan den noorder- hemel is waar- 
genomen en beide uitkomsten zoo zeer met elkander sluiten. 
Op den avond dat de waarneming plaats had , woei een hevi- 
ge wind; dit was ook het geval, toen wij op zekeren nacht, in 
de residentie Maiiado zijnde, tot nog zonderlinger uikomsteu 
geraakten. 

Op de verschillende standpunten hielden wij ons niet langer 
op, dan de Avaarnemingen vereischten. Den 15ii Augustus 
lavamen wij op den heuvel Ekkek bij Tjilimoes gereed, na 
aclitereen volgens op den heuvel Segara te Koeningan, op den berg 
Salam , te Tiawi, op den berg Panendjoan nabij de dessa Si- 
toegedeh de hoekmeting te hebben volbragt. 

De reden, Avelke ons had genoopt, om twee zoo nabij elkan- 
der gelegen punten te bepalen, als met Koeningan en den 
Salam het geval is, was: dat de hevige wind op den berg 
Salam het doen van sterrekuiuiige waarnemingen zeer bemoeije- 
lijkte, en wij toch op deze hoogte gaarne een azimutli. be- 
paalden, hetvrelk te Koeningan gemakkelijk kon geschieden en 
dan naar den Salam worden overgebragt. 

In minder dan een maand waren zeven punten bepaald ; van 
dien tijd af ging het trager vooruit. 

Gedurende de reis van den geograiischen ingenieur in Maart 
1854 door de residentie Cheribon, ter opzoeking van de ge- 
scliiktste punten, was het hem natuurlijk niet m.ogelijk ge- 
weest, door het plaatsen yan een stok in den grond het juiste 
punt aan te wijzen, waar de signalen moesten worden gebouwd. 
Die aanwijzing kon slechts ten naasten bij geschieden, en het 
moest verder aan de inlandsche hoofden worden overgelaten, na 
hun de zaak zoo duidelijk mogelijk te hebben voorgesteld, 



— 300 — 

om de signalen zoodanig te plaatsen, dat zij onderling zigt- 
baar en niet door kleine hindernissen voor elkander -bedekt 
waren. Daarom Avas ook verzocht, op bepaalde avonden op 
de aangewezene plaatsen vuren te branden , ten efnde ge- 
makkelijk over de zigtbaarheid te kunnen oordeelen. Deze 
aanbeveling was voor de regenten van Galoe , Koening&n en 
Madjalengka genoeg geweest, om met oordeel de huri opge- 
tlragene taak te doen uitvoeren. In het regentschap Cheribon 
daarentegen Avas er niets "van begrepen, althans alle signalen 
stonden daar verkeerd, terAvijl de goede punten op slechts Avei- 
nige ellen daarvan \paren verwijderd. In deze afdeeling hadden 
Avij daardoor veel oponthoud , en hetgeen elders door de in- 
landsche besturen verrigt Avas, moesten Avij hier zelve uitroe- 
ren. 

Den Zi^ Augustus Avaren AA-ij te Walled en Losari gereed- 
Van Pangarangan reisde de geografische ingenieur door naar 
Palimanang, terAVMJl hij mij op die plaats achterliet, om den 
hoek tusschen den berg Kromon en een ander zigtbaar signaal 
te meten. Deze taak was niet ligt uit te voeren, omdat de 
heijige lucht het gezigt belemmerde. De heer S. H. De Lan- 
ge had echter gezorgd, dat op den Kromon (bij Palimanang) 
een nachtsignaal Averd ontstoken, zoodat ik op den 27^ Au- 
gustus naar Cheribon kon vertrekken. 

Te Palimanang werd de geografische ingenieur ongesteld en 
na dien tijd heeft hij zijne vorige gezondheid niet meer te- 
rug bekomen. Hij ontbood bij zich de instrumenten, welke 
op de reis veel van stof hadden geleden , maakte deze schoon , en 
voorzag de mikroskopen van nieuAve draden, dcAvijl de oude 
waren uitgerafeld. 

In dien tijd Averd door mij de basis getraceerd en tot twee- 
maal toe gemeten. Toen de heer S. H. De Lange zich een 
Aveinig beter gevoelde, kwam hij te Cheribon, ora de astrono- 
mische waarnemingen te verrigten, en ik vertrok den 13» Sep- 
tember naar den Kromon, een' kalen naakten bergtop, waarop 
ik na een verblijf van vijf etmalen gereed kAvam. In dien 



— oOl — 

tijd was mij de lieliotroop vertoond uit de beide einden dei- 
basis en van den heuvel Ekkek, waarheen de geograjBsche in- 
genieur zelf voor dat doel was gereisd. 

Den 27 September kouden wij Cheribou verlaten. Er wa- 
ren thans eenige punten, waar slechts aardsche hoekmetingen 
en geene astronomische waarnemingen behoefden verrigt te 
worden. Het gevorderde jaargetijde deed den geografischen 
ingenieur besluiten, om van elkander te gaan, ten einde het 
werk te bespoedigen. Hierdoor werd de taak voor ons beiden 
echter veel onaangenamer en moeijelijker; want op een' woes- 
ten berg of heuveltop eenige dagen in de eenzaamheid en in 
cene doorluchtige hut te zitten, dikwerf in de regenwolken, 
zonder met de gewensclite waarnemingen te kunnen klaar ko- 
men, zijn zeer geschikte omstandigheden om ontmoedigd te 
worden. 

Terwijl de heer S. H". De L.vxge de metingen op den lieu- 
vel Soeka-tinggal nabij de dessa Boeniseri volbragt, wer- 
den ze door mij op den Gegerbelias en den Tjendana vol- 
voerd. De gesteldheid van den dampkring was den arbeid 
zelden gunstig. De Tjendana was bijna den geheelen dag in 
wolken gehuld. Door aaidioudend wachthouden bij het instru- 
ment, om bij elke verbetering der gelegenheid voor de waar- 
neming gereed te zijn, gelukte het, in den morgen van den 
lOu Oktober op den Tjendana te eindigen. Terstond verliet ik 
die plaats voor Soekatinggal , om met den geografischen inge- 
gcnieur de verdere werkzaamheden te bespreken, terwijl de bij 
ons gedetacheerde onderofScier den Sawal beklom, om op dien 
bergtop alles voor de waarneming in gereedheid te brengen. 

Den volgenden dag verliet de geografische ingenieur Soeka- 
tinggal voor het op 23 palen verwijderde Kiara bandong, ter- 
wijl ik naar Penjaloe vertrok, en van daar onmiddellijk den 
Sawal besteeg. De metingen welke bij goede gelegenheid op 
den Sawal konden geschieden , waren niet alle even noodza- 
kelijk ; uit de meeste zou later enkel de naauwkeurigheid van 
onzen arbeid worden aangetoond , en ten gevolge dezer over- 

X. 20 



— 302 — 

weging was mij opgedragen, na de noodzakelijke metingen den Sa- 
wal te verlaten. Te Kiarabandong gelukten de metingen geheel, 
op den Sawal gedeeltelijk. Bij het aanbreken van den dag toch, ligt 
het wolkenmeer, z^ich uit de hoogte voordoende, als een onafzienbaar 
met sneeuw bedekt veld diep in de valleijen , en eerbiedwekkend 
verheflen zich daarboven de kruinen der hooge bergtoppen. Maar 
uaauwelijks is de zon boven de kim , of het wolkenmeer \vordt 
in beweging gebragt, en hooger stijgende omhult het eerst de 
lagere, vervolgens de hooger gelegene bergtoppen, terwijl het 
dieper liggende land tusschen het wolkenheer zich aan het oog 
vertoond. Dit spelen der wolken kan den waarnemer gele- 
genheid aanbieden, zijne metingen te volbrengen, maar dikwerf, 
en dit was op den Sawal spoedig het geval, bedekken ligte ne- 
velen het eerst de hooger gelegene waarnemingsplaats. Het ge- 
zigt op den Tjermai en den Slamat bleef echter lang genoeg- 
onbelemmerd, om niet te betreuren, dat het signaal op den 
laatsten berg was omgevallen. 

Den lo" Oktober verliet ik den Sawal, de geografische in- 
genieur Kiarabandong en wij ontmoetten elkander te Tjiamies. 
Op deze plaats, de zuidelijkste, welke Avij in de residentie 
Cheribon bezochten, wenschten Avij eene naauwkeurige breedte- 
bepaling te nemen, ten einde met die van Cheribon en Indra- 
maijoe (het noordelijkste punt onzer meting) in verband ge- 
bragt, de proef voor de naauwkeurigheid van den arbeid te 
verschaflen. Ofschoon er nog geene hevige regens vielen, was 
de dampkring gestadig bewolkt, hetwelk van uit het laag ge- 
legen standpunt te Tjiamies voor de metingen op aardsche 
voorwerpen wel geen beletsel opleverde, maar het astronomise- 
ren onmogelijk maakte. De plaats, waar te Tjiamies ons instru- 
ment was opgesteld, was te ver afgelegen van de woning, 
waar wij ons verblijf hielden, om te kunnen rekenen, dat wij 
bij elke gunstige verandering in den dampkring gereed tot de 
waarneming zouden zijn, en dewijl Soekatinggal slechts wei- 
nig in breedte met Tjiamies verschilt en aldaar de hut voor 
ons verblijf opgerigt, in de nabijheid der waarnemingsplaats 



— 303 — 

stond, besloten wij die plaats op nieuw te bezoeken. Den 16" 
Oktober kwamen wij daar en ofschoon wij er tot den 22" ver- 
toefden en geheele nachten op de wacht bleven, om bij liet 
minste opklaren der lucht observaties te doen, konden wij de 
gewenschte waarnemingen voor de breedtebepaling niet ver- 
krijgen. Eene azimuth-bepaling geschiedde nog op de zon, 
maar deze bleek na de berekening wel 20" boogs met de geo- 
desische te verschillen, en is daarom in de opgave achterwege 
gelaten. 

Nu begaven wij ons naar Penjaloe van waar wij in den morgen 
van den 23'^ Oktober langs een smal bergpad naar het thee- 
etablissement Tjarennang reden en ons reeds ten V2I2 uur 
aldaar in de woning van den heer Van Bulderen bevonden. 

Dadelijk werden wij van versche paarden voorzien, en be- 
stegen daarmede den nabij gelegen bergrug, op welken de ser- 
geantmajoor At,beiits reeds alles voor onze werkzaamheden in 
gereedheid had gebragt, zoodat wij onmiddellijk van de heldere 
weersgesteldheid konden gebruik maken. De meting liep dan 
ook spoedig af, op een signaal na, dat van den heuvel Segara , 
hetwelk tegen den Tjermai geprojekteerd werd. De geografi- 
sche ingenieur had deze meting aan mij overgelaten, dewijl 
hij door ziekte gedwongen werd, in de gastvrije woning van 
den heer Van Bulderen herstel te zoeken. 

Den 20'^ Oktober had ik nog geen zigt van het begeerde 
punt en bijna begon ik te wanhopen, het te verkrijgen, toen om 
3 uur in den achtermiddag eensklaps een gejuich onder het mij 
vergezellende inlandsche personeel opging, veroorzaakt door een 
sterk lichtenden heliotroop op den Segara, waarop ik de metin- 
gen dadelijk volbrengen kon. De wedana van Telaga, die 
ons op andere punten met den heliotroop had zien werken, had uit 
eigene beweging vroegtijdig des morgens een' inlander met eenen 
spiegel naar den Segara gezonden en aan dezen opgedragen , 
met dien spiegel het zonlicht naar Tjarennang te doen schitteren. 

Dit bewijs van even groote hulpvaardigheid als van scherp- 
zinnigheid bij den inlander bragt den geografischen ingenieur 



— 304 — 

tot de overweging, of bij latere voortzetting van gcodesisclic 
metingen op Java liet gebruik van heliotropen welligt de signa- 
len niet geheel zou kunnen vervangen, door b. V. bij den aan- 
vang eener nieuwe taak eenige inlanders uit elk distrikt met 
het gebruik van den heliotroop bekend te maken. 

Den volgenden dag verlieten wij Tjarennang en gingen over 
Telaga en Madja naar Madjalengka, om bij den adsistent re- 
sident der laatste plaats een dag te verblijven, ten einde 
berigteu in te winnen omtrent een punt op het Tjiwalakkong- 
gebergte, gelegen op de grenzen van de afdeelingeu Indrama- 
joe en Soemedang. Daarna vervolgden wij de reisnaar Cheribon, 
waar wij langer vertoefden, dan noodzakelijk zou geweest zijn, 
indien wij niet opgehouden waren met het herstellen van eenen 
reisbarometer, hetwelk ons volkomen gelukte. 

Den 2*^ en 3"^ November bepaalden wij een punt nabij de 
de dessa Gegessieklor , den 5° en 6" te Djatibarang, en den 
S'i en 9" te Indramaijoc, op welke laatste plaats wij ook een e 
uaauwkeurige breedtebepaling deden. Deze drie in de vlakte 
gelegene standplaatsen werden enkel bepaald door zoogenaamde 
ware peilingen op reeds bekende punten in het gebergte. 

Tc Indramajoe volbragten wij op het 63,493 ellen verwij- 
derde signaal II van den ïjermai nog eene meting , maar waren 
!)ij de onvolkomene helderheid des dampkrings thans ook op 
de grenzen der zigtbaarheid. Thans trokken wij het partiku- 
iiere landgoed Kandanghauer in, en den 12" November kwamen 
wij met onze metingen achter de Avoning van den administrateur 
van Kandanghauer, den heer Senn van BASF.r., in de nabijheid 
der dessa Lossarang gereed. 

Ofschoon de thans minder zeldzame regenbuijen de gelegen- 
heid voor onzen arbeid verbeterden , werden wij toch ten op- 
zigte van den Tangkocbanprahoe teleur gesteld. Hierdoor werd 
de voorgenomene verbinding met Batavia in gevaar gebragt 
en zou geheel opgegeven zijn , indien de heer Senn van Baset. 
niet op zich had genomen , uit Lossarang naar den Tangkoe- 
bangprahoc en den Tampoemaas den heliotroop te laten schit- 



— 305 - 

teren. Wij lieten dus een dier werktuigen bij dien heer acli- 
ter; eu den 13 November vertrok ik alleen, te paard, langs 
een' 35 palen langen boscinveg naar het Tjiwalakkoug-gebergte, 
waar ik den volgenden dag den heliotroop van Lossaraug zag, 
hetwelk goed vertrouwen inboezemde omtrent het vervullen van 
de voorgenoniene metingen op den Tampoemaas en den Taug- 
koebangprahoe. 

De geografische iugenieur vertrok uit Lossarang naar Che- 
ribon, om met den resident aldaar betrekkelijk het oprigteu 
van blijvende kenteekenen van onze waaruemingsplaatsen te 
spreken, en hem, die, hoe kortelings ook in de residentie gearriveerd 
ons met onschatbare bereidwilligheid en voorkomenheid in de 
vervulling onzer dienstpligten was ter hulpe gekomen, voor 
zijne medewerking te bedanken. 

De waarnemingsplaats op het Tjiwalakkong - gebergte was 
door den sergeantmajoor Alberïs met veel overleg gekozen en 
door hem in gereedheid gebragt. 

lleeds den 15"^ November kou ik het gebergte aan de an- 
dere zijde afdalen, waardoor ik mij in de Preanger be- 
vond. De adsistent-resident van Soemedang had mij paarden 
CU gidsen te gemoet gezonden, en daarmede geraakte ik 
na slechts een paar uren rijdens op den grooten weg, van 
waar de reis naar Soemedang spoedig en gemakkelijk volbragt 
werd. Den volgenden dag besteeg de sergeantraajoor Alberïs 
den Tampoemaas, om de waarnemingsplaats in gereedheid te 
breugefi. 

Den 17'! November arriveerde de heer S. H. De Lange te 
Soemedang en bleef aldaar tot den 20^, om het rapport van den 
sergeantmajoor omtrent de zigtbaarheid der signalen van uit 
den Tampoemaas af te wachten, ten einde daarna het plan te 
beramen ter verdere voortzetting van den arbeid. Hiertoe was 
ook reeds den lOn Oktober ter verkrijging van noodzakelijke 



— 306 — 

inlichtingen aan den adsistent resident van Krawaug geschre- 
ven , en ofschoon daarop nog geen antwoord was ingekomen , 
bleef de geografische ingenieur, toen hij Soemedang verliet, in 
zijn plan volharden, om de verbinding met Batavia te volbren- 
gen, en droeg mij op den Tampoemaas te bezoeken, terwijl 
hij den Tangkoebanprahoe zou bestijgen. 

Op den Tampoemaas kreeg ik zigt van den heliotroop te 
Lossarang en van den heliotroop op den Tangkoebanprahoe, 
zoodat het laatste punt door eene meting op den berg zelven, 
tusschen Lossarang en den Tampoemaas ook in ligging be- 
paald kon worden, en de mogelijkheid om de verbinding voort 
ti zetten, van die zijde geopend bleef. Maar de heer S. H. 
De Lange den Tangkoebanprahoe bezoekende, zag dat van 
daar het gezigt voor meer westelijk gelegene punten belemmerd 
was door hoog en zich ver uitstrekkend geboomte en welligt 
door nabij gelegene bergruggen , en hierdoor verviel het geheele 
plan der gewenschte verbinding. Hiervan op den Tampoe- 
maas tijding ontvangende en op dien bergtop gereed zijnde- 
daalde ik naar Soemedang af, en kwam den 28° te Bandong aan. 
Op den zelfden dag was de geografische ingenieur van den 
Tangkoebanprahoe teruggekeerd. Hij had, de gelegenheid ongun- 
stig zijnde, den heliotroop van Lossarang niet gezien, maar 
wel het op meer dan 80,000 ellen verwijderde signaal Hl van 
den Tjermai, waardoor ook de Tangkoebanprahoe in ligging be- 
paald werd, ofschoon eene meting tusschen Lossarang en den 
Tampoemaas verkieslijker geweest ware. 

De invallende regens gaven aan den dampkring die helder- 
heid, welke wij in het drooge jaargetijde zoo dikwerf hadden 
verlangd. Terwijl destijds uit Cheribon de signalen op den Tjermai, 
eenen afstand van 26000 ellen, met moeite te zien waren, ein- 
digden wij, met die signalen op 80,000 ellen afstands waar 
te nemen. 

Yan die zijde beschouwd, zou het regensaizoen de beste 
tijd voor geodesische metingen opleveren: maar het beklimmen 
van bergen en het begaan van afgelegene bosch wegen wordt 
zeer moeijelijk, misschien nog wel uitvoerbaar voor de geo- 



— 307 — 

grafische ingenieurs, maar voor het transport der instrumenten 
ondoenlijk. 

Thans werd tot de terugreis besloten, en opdat wij de in- 
strumenten niet uit het oog zouden verliezen, hielden wij ons 
te Tjiandjoer en te Buitenzorg een dag op, zoodat wij op 
den 3n December te Batavia aankwamen. 

De medewerking welke wij van de verschillende hoofden 
der gewestelijke besturen ondervonden, en waardoor de bereid- 
willigheid in het verleenen van hulp van wege de inlandsche 
ambtenaren ons ruimschoots verschaft is, zullen wij ons immer 
met dankbaarheid herinneren. 

Door het militair departement is ons in zoo vele opzigten 
ondersteuning verleend, dat het wel gelukken der onderne- 
ming grootendeels daaraan moet worden gedankt. 

Te Batavia teruggekeerd, werd de geografische ingenieur, 
S. H. De Lange ernstig ziek, en hij werd later genoodzaakt, 
tot zijn herstel naar IN'ederland te vertrekken. 

De berekeningen, welke uit de metingen voortvloeiden en 
waarvan de geografische ingenieur zich zooveel genoegen had 
voorgesteld, om die gezamenlijk met mij uit te werken, moest ik 
onder de treurigste omstandigheden alleen verrigten. Een ge- 
liefde broeder, vroeger altoos met den grootsten ijver voor zijne 
taak bezield en "werkzaam , en nu maanden achtereenvolgend 
door eene wreede ziekte tot werkeloosheid veroordeeld, thans 
beroofd van alle veerkracht, die hij anders in zoo liooge mate 
bezat; zijn verstand, zoo sterk en onvermoeid, nu voor de 
zamenvatting van de eenvoudigste denkbeelden te zwak: dit 
alles leverde voor mij een' kommer en onrustbarend gezigt op 
en was voor gezetten arbeid zeer ongunstig. 

Het is mij toch gelukt, slechts één maand later de bereke- 
ningen geëindigd te hebben, dan de heer S.H. De Lange had 
noodig geschat, indien wij dezen arbeid gezamenlijk hadden 
kunnen verrigten. De berekeningen van het driehoeksnet zou 
zeer spoedig zijn afgeloopen, indien de signalen overal even 
goed, als in het Graloesche waren gebouwd geweest. De me- 



— 30S — 

tingen en danidoor de gegevens waren lalrijker, dan voor de 
oplossing van het diieJioeksnct noodzakelijk was; maar deze 
meerdere gegevens leverden de proef van de juistheid der an- 
dere. Uit de basis waren de punten Kromon, Tjermai J en 
11 op hunne plaatsen gebragt, en nu verder oostwaarts door 
het Galoesche heen omwerkende, verkreeg ik eindelijk den af- 
stand tusschen Sawal en Tjcrmni. 

Op den Sawal was de hoek gemeten met den Tampoemaas 
ei Tjermai I en III, en op den Tampoemaas de hoeken tus- 
schen den Sawal, Tjermai II en III en den Kromon. De me- 
tingen dier hoeken steraden niet met elkander overeen; eerst 
dan, wanneer de afstand tusschen den Sawal en Tjermai 1 
negen meters korter werd genomen, dan uit de berekening 
was afgeleid. Om mij te overtuigen, dat de fout niet lag in 
metingen bewcsten den Tjermai, moest ik het wiskundig vraag- 
stuk oplossen, van een punt te bepalen, in hetwelk twee ge- 
gevenc punten onder een' gegeven' hoek worden gezien, terwijl 
de hoek bekend is, gevormd in een derde bekende punt tus- 
schen het gezochte met een der twee andere gegevene pun- 
ten. ^])e 3 gegevene punten Avaren Madjalengka, de Kromon en 
Tjermai III, terwijl in het gezochte op den Tampoemaas de 
hoek tusschen Kromon en Tjermai III bekend was, en te Ma- 
djalengka de hoek tusschen het gezochte punt en den Kromon. 
Nadat ik dat had opgelost, kon ik alle overige punten bc- 
westen den Tjermai bepalen. De verschillende gegevens kwamen 
nu in overeenstemming, en de afstand van Sawal tot Tjermai I 
werd werkelijk te groot bevonden. De oorzaak dier afwijking 
lag waarschijnlijk in eene verkeerde meting op een der signa- 
len in de afdeeling Cheribon , en werkelijk verkreeg ik na her- 
haalde proeven het resultaat , dat met het wijzigen van de me- 
ting in Sitoegedeh op het signaal te Walled, de overige ge- 
gevens met elkander sloten. Bij de berekening heb ik al de 
gegevens gebruikt. Zoo is b. v. Djatibarang bepaald door eene 
ware peiling op den Tjermai en den Tampoemaas, en de juistheid 
dier bepaling werd door mij onderzocht, door te berekenen, 



— 809 ~ 

on(!<;r welke liocken nu de sigiiolcu op tlcii heuvel Ekkek , cleu 
8e<'-ara en op den berg Sawal moesten gezien Avorden. Toen be- 
rckcniiigen on waarueün'ngen met elkander sloten, kon ik mij 
van de goede bepaling overtuigd honden. 

In de tabel A zijn de namen der signalen, welke niet uit 
het standpunt gezien zijn, kursief g^edrukt Bij voorbeeld: uit 
de]i Sawal en Scgara is Djatibarang niet gezien, weshalve 
achter de beide eerstgenoemde standplaatsen , Djatibaranj; kur- 
sief gedrukt voorkomt. 

Deze opmerking in acht nemende, liebben de eerste XVJ 
driehoeken geene verklaring noodig. In den driehoek N°. XVII 
komt het signaal Tjermai II voor, terwijl dat signaal niet te 
Sitoegedeh gezien is. De ligging van het signaal II ten op- 
zigte van liet signaal I op den Tjermai is echter uit de vo- 
rige driehoeken genoeg bepaald, om wanneer het eene signaal 
zigtbaar is, den hoek te kennen, welken dit met het andere sig- 
naal maakt. 

liet azimuth , op den Kromon genomen , voor liet bes- 
te houdende, leidde ik uit die waarneming de rigting af van 
Tjermai I naar Sitoegedeh. Hetzelfde deed ik , westwaarts 
omgaande, om de rigting te kennen van Tjermai I naar den 
Sawal, en ik verkreeg, zoo voortgaande, voor driehoek XVLII 
twee zijden met den ingesloten hoek bekend. 

Uit de oplossing van dien driehoek vond ik den hoek tus- 
scheii Tjermai I en Sawal in Sitoegedeh. Deze hoek is ook 
waargenomen en toen berekening en waarneming volkomen over- 
eenstemden , kon ik mij overtuigd houden , dat het driehoeksnet 
goed sloot en ik van de gegevens het beste gebruik had gemaakt. 

De metingen'' verrigt op de signalen in de afdeeliug Cheri- 
bon waren op geen 15" boogs na zeker. Gelukkig was het, dat 
uit de beide einden der basis met heliotropen was gewerkt. 
In de afdeeling Koeningan moesten sommige metingen een 
tiental sekonden boogs worden gewijzigd, om onderling te 
sluiten. In het Galoesche sloten alle metingen, en aan de west- 
zijde van den Tjermai bedroegen de afwijkingen tusschen me- 



— 310 — 

tingen en berekeningen somtijds 8" boogs. Toen de geheele 
berekening van het drielioeksnet was afgeloopeu , heb ik de 
hoeken in Tjerinai opgeteld. 

Deze som bedroeg 6" 21 meer dan '060°. Deze 6", 21 
heb ik verdeeld over de 27 hoeken, welke in Tjermai I za- 
mensloten en het azimuth uit Tjermai I naar den Kroraon be- 
kend zijnde, verkreeg ik alstoen het azimuth naar alle overige 
standpunten , waardoor de berekening van het breedte- en lengte- 
verschil naar alle standpunten betrekkelijk Tjermai I gemak- 
kelijk kon geschieden. Het azimuth, waargenomen in ver- 
schillende standpunten, verschilt weinig met het azimuth, af- 
geleid langs den geodesischen weg uit de waarneming, op den 
Ivromon verrigt. 

De breedte-bepaling te Indramajoe sluit tot een' genoegza- 
men graad van naauwkeurigheid met de bepaling , afgeleid uit de 
waarneming van Cheribon. Althans is het verschil hier minder, dan 
aangetroffen wordt bij geodesische operatiën, waar de hulpmid- 
delen volkomener waren, dan ons ten dienste stonden, en zelfs 
het verschil tusschen de waargenomene en afgeleide breedte van 
Madjalengka is slechts 0"375 grooter dan aangetroffen wordt 
in een der standplaatsen, behoorende tot de geodesische opna- 
me van frankrijk (1). 

Voor de afplatting der aarde heb ik bij de berekening de 

1 

waarde genomen, welke Bessel heeft gevonden, zijnde 

299,1528 

Om de geodesische afstanden in meters uit te drukken in sekon- 

den boogs, heb ik bij de logarithmen der meters opgesteld 

8,509760, welke koëfficient verkregen wordt uit de formule: 

1/ (1— e^sin^ B) 



a Sin. 1" 
waarin e- het vierkant is van de betrekking tusschen de uit- 



(1) Zie Natuurkundig tijdschrift voor Ned. Indië Deel VII, aflevering I-II, 
bladzijde 146. 



— 311 — 

middelpuntigheid en de halve groote as, B het gemiddelde der 
breedten van het noordelijkste en zuidelijkste standpunt , terwijl 
a voorstelt de halve groote as der aarde. De geodesische afstan- 
den nu uitgedrukt hebbende in de logarithmen der sekonden 
boogs van een' cirkel , welks straal is de normaal van het punt 
der gemiddelde breedte, vond ik het verschil in breedte door 
de formule: 

-; ^ cos z + 4- (ji^ Sin 1" tancr B Sin^ z' (1+e- cos^ B) 

en het verschil in lengte : 

X Sin. z Si)i. B 



COS. B cos^ B. 

en voor het overbrengen van het azimuth van de eene stand- 
plaats naar de andere: 

[180" -vi — x Sin z tang B + | x' Sin 1" Sin 2 z (1 + 2 tg 2 B)] 
in welke formulen x is de geodesische afstand, uitgedrukt in 
sekonden boogs, Z het azimuth, geteld van het noorden door 
het oosten, van de gezochte standplaats op den horizon der 
bekende, terwijl B beteekent de breedte van de laatste plaats. 

Dit verslag eindigende, dat weldra zal gevolgd worden door 
de mededeeling der uitkomsten, verkregen uit de waarnemingen 
ter bepaling van het niveau der opgegevene punten, moet ik 
opmerken, dat even als de ondervinding, te Manado opgedaan, 
gunstigen invloed op dezen arbeid heeft gehad, bij latere me- 
tingen partij kan worden getrokken, van hetgeen deze nu ge- 
leerd heeft. 

In de eerste plaats móet men nimmer er op rekenen , uit de hoog- 
te een signaal in de vlakte te kunnen onderscheiden, en alleen 
signalen plaatsen op zoodanige punten, waar ze tegen den 
hemel projekteren, terwijl overigens en in de vlakte altoos met 
heliotropen moet gewerkt worden. Het laatste vordert perso- 
neel, hetwelk niet gemakkelijk kan worden gevonden. Bij- 
aldien echter besloten werd tot de geheele opname van Java 
op den voet, zoo als thans met de residentie Cheribon geschiedt, 



— 312 — 

dan kon in elke wcslraocsson een pluii voor cciic gcodesischc 
opname worden beraamd en bij het ingaan der oostmoesson 
voor een paar maanden een gedeelte van het personeel der 
topografische opnemers aan hunnen arbeid worden onttrokken, 
om heliotropen te rigten. In twee maanden tijds zouden er 
dan metingen genoeg gedaan worden, om met de geodesisclie 
metingen de topografische ver vooruit te zijn, hetwelk natuur- 
lijk zeer wenschelijk is. 

Door de signalen te doen bouwen onder europeescli toezigt, 
zou ook van dien kant verbetering in de zaak worden gebragt. 
Een geschikte onderofficier kon hiermede worden belast, die te- 
gelijk zooveel terreinkennis zou opdoen, dat daarna gemakke- 
lijk een goed plan zou te beramen zijn. 

Wijders is uit de berekening gebleken, dat het nemen van 
vele azimuthen van groot nut is voor het uitvinden van ver- 
keerde metingen , veroorzaakt door den gebrekkigen toestand 
der signalen, en dat men zich bij verdere metingen tot regel 
moet stellen, overal waar zulks mogelijk is, dat is in de vlak- 
te, op bergen zelden eene azimuth-bepaling geschieden moet. 
Dat mij op den Kromon nog eene azimuth-bepaling gelukt is , 
kwam door de omstandigheid, dat öj Yirginis reeds waarneem- 
baar was, toen het zonnelicht nog toeliet, om de mikroskopen 
af te lezen, en een der signalen van den Tjermai in te stellen. 
Ware dit het geval niet geweest, dan had ik de waarneming 
niet kunnen uitvoeren, daar de val- en rukwinden op de bergen 
het gebruik van lampjes bijna onmogelijk maken. Bovendien 
liet de steile top van den Kromon niet toe, om een nacht- 
sif-aiaal uit te brengen , ten zij men zulks op een' groeten afstand 
in een der in de vlakte liggende dessa's had geplaatst. Hier- 
door wordt men echter weder afhankelijk van anderen, het- 
n;een ter wille der gewen schte juistheid zooveel mogelijk 
moet vermeden worden. Indien toch het nachtsignaal slechts 
een paar palmen anders geplaatst wordt dan aangewezen is, dan 
worden daardoor bij de overbrenging van het azimuth gedu- 
rende het daglicht fouten veroorzaakt, die de geheele azimuth- 
' bepaling doen verloren gaan. ' 



— 313 — 

De hierbij gevoegde tabellen hebben geene verklaring noo- 
dig. Met den Tanglcoebanprahoe, als liggende buiten de resi- 
dentie Cheribon , heb ik cenigermate afgeweken in de orde van 
den arbeid, namelijk: het azirauth uit Tjermai I naar dat punt 
is niet opgegeven. Dat punt is bepaald uit den laat sten driehoek 
en ligt volgens die bepaling: 

Op zuiderbrccdte: G» 4.5' 48" 965 
Lengte west van Tjermai I: O" 47' 48" 129. 

Balavia, den 18 Jidij 1855. 



314 



Az'vnuthen uit de verschillende standpunten naar de zigtlare signalen, 
en hunne afstanden in meters. 





Namen 




Afstanden 


Standpunten. 


_ dei- 


Azimutheu. 


in 




signalen. 




meters. 




(1) 








Ekkek. 


163° 29' 46" '51 


29619, 6 


Geo^es-sieklor. 


Tjermai I. 


182. 30. 15. 01 


32800, 9 




Tjerraai 11. 


182. 53. 14. 16 


32407, 4 




Tjermai 111. 


183. 54. 2.5. 76 


32827, 6 




Kromon. 


197.38. 6.96 


15773, 2 




Vlaggestok Cheribon. 


153° 18' 43" 29 


8188, 3 




Cheribon. 


155. 22. 47. 47 


7505, 4 


Tjilantjang. 


P.^ Ekkek. 


190.22. 9.36 


23272, 7 


Tjermai 1. 


207.14. 16.36 


30665, 6 




Tjermai 11. 


207.55.11.40 


30400, 4 




liromon. 


241.16.24.69 


19824, 9 




Tjermai I. 


220° 0'40''92 


26691, 2 


Cheribon. 


Tjermai II. 


220.54. 5.82 


26513, 6 


Kromon. 


262. 28. 59. 12 


20689, 3 




Tjilantjang. 


335. 22. 35. 40 


7505, 4 


Vlaggestok Cheribon. 


Tjermai I. 


221° 35' 51" 23 


26678, l 




Tjilantjang. 


10° 22' 24" 75 


23272, 7 




Vlaggestok Cheribon. 


26. 47. 56. 38 


17450, 3 




Pangerangan. 


68. 5.16.04 


18182, 1 


Ekkek. 


Sitoegedeh. 


170. 30. 48. 89 


28529, 8 


Salam. 


187.19. 1.69 


17131, 8 




Tjermai I. 


246. 3.31.82 


10773, 6 




Tjermai 11. 


248. 26. 37. 02 


10801, 5 




Kromon. 


315.22. 1.48 


18781, 3 




^Yalled. 


162° 36' 20" 42 


15659, 7 




Salam. 


218.41. 0.13 


30467, 9 




Tjermai I. 


247. 18. 52. 79 


28951, 6 


Pangerangan. 


Ekkek. ^ 


248. 4.10.42 


18182, 1 




Tjermai 11. 


248. 12. 7. 85 


28983, 4 




Kromon, 


282. 19. 38. 06 


30775, 2 




Sitoegedeh. 


224° 47' 32" 09 


41564, 4 


Losarie. 


Walled. 


232. 38. 42. 32 


15667, 


Tjermai 1. 


262.32.38.72 


44221, 9 




Tjermai IL 


263. 5.37.73 


44369, 3 



(1) De signalen, waarvan de naraen kursief gednikt, zijn niet rit het standpunt waargenomen. 
♦ P. beteekend Passier (heuvel). 



— 315 — 





Namen 




Afstanden 


Standpunten. 


der 


Azimuthen. 


in 




signalen. 




meters. 


• 


Losari , 


52° 39' 30" 65 


15667, 




Sitoegedeh. 


220. 6.26.22 


26132, 3 


Walled. 


Tjermai 1. 


276. 51. 23. 35 


31619, 6 




Tjermai IL 


277.32. 0.75 


31867, 9 




Pangerangan. 


3i2.36. 1.72 


15659, 7 


TjaAvie. 


Salam. 
Tjermai I. 


251° 28' 18" 6 
294.19.15. 4 


12265, 3 
21176, 1 


Koeningau. 


Salam. 


184° 18' 47" 95 


3748, 1 




Tjermai I. 


318. 11. 9. 57 


11918, 5 




AValled. 


40° 7' 31" 94 


26132, 3 




Losari. 


44. 49. 27. 01 


41564, 4 




Kiarabandong. 


188. 0.25.26 


17921, 2 




Tjiamies. 


222. 46. 49. 47 


31974, 4 




Soeka tinggal. 


238. 7.23.47 


24366, 6 


Sitoegedeh. 


Sawal. 


253.55. 3.18 


31161, 2 




Geger behas. 


299.29.21.40 


15145, 9 , 




Salam. 


328. 17. 50. 12 


13101, 7 




Tjermai I. 


328.31.21.70 


27867, 




Tjermai II. 


328.36.16.67 


28315, 1 




Ekkek. 


350. 30. 28. 87 


28529, 1 




Koeningan. 


4° 18' 48" 62 


3748, 1 




Ekkek. 


7.19. 8.72 


17131, 8 


O ct lei lil* 


Tjawi. 


71.29. 4.07 


12265, 3 




Sitoegedeh. 


148.18.17.44 


13101, 7 




Gegerbehas. 


239. 38. 15. 15 


7300, 4 




Tjermai I. 


328. 43. 48. 59 


14765, 5 




Sitoegedeh. 


8° 0'33"13 


17921, 2 




Tjiamies. 


253. 25. 28. 78 


20054, 


Kiarabandong. 


Soekatingal. 
Sawal. 


285. 0.41.05 
288. 22. 23. 13 


18838, 1 
28919, 3 




Tjendana. 


313.49.11.93 


33468, 9 




Tjermai I. 


343. 48. 35. 02 


43227, 7 




Salam. 


59° 38' 37" 90 


7300, 4 




Sitoegedeh. 


119.30.13.58 


15145, 9 


Gegerbehas. 


Tjiamies. 


195. 26. 25. 24 


32079, 5 




Soekatinggal. 


200. 17. 24. 36 


21666, 1 




Sawal. 


226. 10. 59. 06 


23230, 5 , 



— .31G 





Namcu 




Afitandcn 


Standpuiïtcn. 


der 


Azimutheu. 


in 




SJgmtlcn. 




meters. 


Ccgerbclias. 


Tjarennau'j. 
Tjermai 1. 


273^' 28' 32" G7 
355. 13. 20. Gl 


' 28352, 8 
1G3G7, 8 




Soekatinggal. 


5° 32' 51" 21 


10649, 7 




Tjermai I. 


8.39. 0. 'J8 


47774, 8 




Gegerbelias. 


15.27. 1.12 


32079, 5 


Tjiamies. 


Sitoegedeh. 


42. 48. 16. 65 


31974, 4 




Kiarabandong. 


73. 26. 48. 88 


20053, 




SaAval. 


331. 1.13.14 


16964, 4 




Tjermai I. 


9° 32' 17" 97 


37145, 2 




Gegerbelias. 


20. 17. 53. 81 


21666, 6 




Sitoegedeli. 


58. 8.46.21 


24366, 6 


Soekulinpgal. 


Kiarabandong. 


105. 1.56.69 


18838, 1 




Tjiam-es. 


185. 32. 47. 26 


10649; 7 




Saival. 


294. 37. 32. 45 


10173, 5 




Tjendana. 


341. 59. 43. 16 


19238, 7 




Djatiharang. 


2° 43' 14" 06 


78980, 3 




Tjendana. 


13.13.41.48 


14439, 9 




Tjermai III. 


24. 14. 32. 63 


35547, 8 




Tjermai 11. 


24. 52. 58. 75 


36148, 6 


ikiw'id. 


Tjermai I. 


25. 26. 33. 64 


35868, 2 


Gegerbelia'5, 


46.12. 6.72 


23230, 5 




Sitoerjedeh. 


73.57. 3.82 


31161, 2 




Kiaralandong. 


108. 24. 14. 93 


28919, 3 




Soekatiuggcd. 


114.38.11.16 


10173, 5 




Tjiamies. 


151. 1.45.81 


16963, 4 




Tampoemaas. 


323.47.51.66 


58104, 2 




Tjarennang. 


327. 4.11.06 


21214, 9 




Segara. 


3° 54' 25" 06 


15018, 3 




Tjermai III. 


31. 37. 14. 19 


21552, 5 




Tjermai I. 


33. 25. 56. 98 


21968, 7 


Ijfiidana, 


Kiarahandong. 


133. 50. 51. 77 


33468, 9 


Soekatinggal. 


162. 0. 8.13 


19238, 7 




Sawal. 


193. 13. 28. 42 


14439, 9 




Tjarennang. 


284. 10. 45. 41 


15303, 5 




Tampoemaa."?. 


311. 6.15.42 


49932, 4 




.Segara. 


54° 42' 17" 49 


14936, 5 


J'jarcnnan;,'. 


Tjermai III. 


60. 49. 19. 52 


29940, 4 




Tjermai I. 


61.35.12.60 


30635, 6 



— 317 — 



Namen 
der 

siofnalen. 



Azimuthen. 



X 



Saliim. 

Gegerbelias. 

Tjendana. 

Sawal. 

Tampoemas. 

P. koeion 

(Tjiwalakkong. 

Kromou. 
Tjermai III. 
Tjcrmcd 1. 
Tjeudana. 
Tjarennang. 
Tampoemas. 
Madjalengka. 
Djatibarang, 

P. Koelon. 

Lossarang. 

Indramajoe. 

Djatibarang. 

Kromon. 

Madjalengka. 

Tjermai II. 

Tjeimai I. 

Tjermai III. 

Segara. 

Tjendana. 

Tjarennang. 

Sawal. 

Kromon. 
Tjermai I. 
Tjermai III. 
Segara. 
Tampoemas. 

Lossarang. 
Kromon. 
Tjermai IT 
Tjermai I. 
Tjermai III. 
Tjarennang, 



86 


M6 


'Ig 


"92 


93 


30 


25.59 


lOi 


11 


44 


78 


147 


4 


57 


90 


321 


55 


56 


58 


33G 


36 


1 


02 


20° 9 


' 8 


"43 


71. 


50.48 


59 


73 


10 


33 


90 


183. 


54 


21 


05 


234. 


41 


14 


71 


294. 


46 


58 


12 


320. 


12 


53.89 


359. 35. 


36 


32 


24° 34' 34 


"69 


27. 57. 


6 


81 


39. 


7.45.42 


50. 


9. 


37 


06 


86. 


o 


19.70 


103. 44. 


17.76 


105. 


55. 


14. 40 


106. 


17. 


22. 


52 


106. 


31. 


17. 


70 


114. 


49. 


24. 


32 


131. 


8. 


32. 


96 


141. 


57. 


24. 


63 


143. 


50. 


6. 


21 


57° 


33 


8 


'82 


109. 


54. 


51. 


46 


110.41. 


4. 


89 


140. 


13. 


24. 


46 


283. 


42. 


22.45 


29° 


14' 


4 


'08 


101. 


19. 


20. 


69 


120. 


0. 35. 86 


120. 


17.16. 


10 


120. 43. 


31. 


16 


156. 


37. 


7. 


61 



— 318 — 





Namen 




Afstanden 


.Standpunten. 


dei- 


Azimuthen. 


in 




signalen. 




meters. 


P. Koeion 
Tjivvalakkong- gebergte. 


Tampoemas. 


204° 34' 14" 28 


12597, 5 




Kromon. 


145° 54' 35" 28 


44669, 3 




Tjermai II. 


152. 35. 52. 28 


61228, 1 


Lossarang. 


Tjermai I. 


152. 35. 52. 17 


61679, 8 


Tjermai III. 


153. 15. 24. 15 


61296, 




Tampoemas. 


207. 55. 46. 44 


45555, 9 




P. Koelon. 


209.13. 4.21 


32988, 8 




Ekkek. 


153° 11' 36" 04 


47193, 




Kromon. 


164.16.39.86 


29868, 3 




Tjermai I. 


166. 10. 53. 86 


47875, 


Djatibarang. 


Tjermai II. 
Tjermai III. 


166. 10. 53. 86 

167. 6.51.16 


47435, 8 
47670, 9 




Segara. 


179.35.32.96 


49841, 3 




Sawal. 


182. 52. 56. 63 


78980, 3 




Tampoemas. 


230. 7.12.36 


49901, 7 


' 


Gegessieh lor. 


17° 37' 25" 52 


15773, 2 




Tjilantjang. 


61.16.31.32 


19824, 9 




Cheribon. 


82. 29. 18. 20 


20689, 3 




Vlaggestok Cheribon. 


84. 0.19.74 


21178, 4 


T\ vrïTYi mi 


Pangej'angan. 


102. 20. 35. 07 


30775, 2 


jivi \jiii.yjLit 


Ekkek. 


135. 21. 53. 65 


18781, 3 




Tjermai I. 


169.18.27.43 


18050, 4 




Tjermai II. 


169.43. 4.62 


17617, 5 




Tjermai Hl. 


171.50.30.62 


17900, 2 




vSegara. 


200. 8.33.79 


22464, 1 




Madjalengka. 


237. 13. 4. 29 


19602, 4 




Tampoemas. 


265. 58. 20. 97 


46500, 8 




P. Koelon. 


281. 15. 43. 66 


41967, 9 




Lossaixmg. 


325. 52. 14. 91 


44698, 3 




Djatibarang. 


314.15. 9.33 


29868, 3 




Tjermai I. 


170° 46' 35" 12 


63923, 7 


Indramajoe. 


Tjermai II. 


170. 53. 44. 12 


63493, 6 




Tampoemas. 


219. 5. 17. 43 


62620, 7 




GegessieTclor. 


2° 53' 20" 47 


32407, 4 


Tjermai II, 


Tjilantjang. 
Cheribon. 


27.56. 5.95 
40. 55. 12. 49 


30400, 4 
26513, 6 




Pangerangan. 


68. 13. 52. 10 


28983, 4 



319 





Namen 




Afstanden 


Standpunten. 


der 


Azimuthen. 


in 




signalen. 




meters. 




Ekkek. 


68° 27' 15" 53 


10801, 5 




Losari. 


83. 8.27.77 


44369, 3 




Walled. 


97.34. 2.31 


31867, 9 




Sitoecjedeh. 


148. 37. 14. 52 


28315, 1 




Scuoal. 


204. 51. 58. 00 


36148, 6 


Tjermai II. 


Tamj)oemas. 


285.52.3. 49 


51494, 4 




P. Koelon. 


299.57.46.56 


51138, 1 




Lossaraug. 


332. 33. 36. 74 


61229, 1 




Djatiharang. 


34G. 17.13.48 


47435, 8 




KromoJi. 


349. 42. 52. 85 


17617, 5 




Indramajoe. 


350.63. 6.69 


63493, Q 




Gegessieldor. 


3° 54' 35" 75 


32827, 1 




Saioal. 


204. 14. 32. 90 


35547, 8 




Tjendana. 


211.36.28.32 


21552, 5 




Tjarennang. 


240. 47. 35. 10 


29940, 4 




Segara. 


251.50. 4.56 


10814, 8 


Tjermai lU. 


Tampoemas. 


286.28. 8.00 


51020, 8 




Madjalengka. 


290. 39. 50. 62 


20391, 1 




P. Koelon. 


300.80.46.45 


50810, 3 




Lossarang. 


333.13.40.56 


61269, 




Djatiharang. 


347. 6.11.48 


47670, 9 




Kromon. 


351. 50. 21. 75 


17900, 2 



— 320 — 
B. 
D II I E H O E K S - N E T. 



Nummers 

der 
drielioeken. 


►Standpunten. 


Waargenomene 

en tot het 

middelpunt 

herleide hoeken. 


Afstanden 

in 

meters. 


I. 


Chcribon. 

Tjilantjang. 

Kromon. 


72° 53' 36" 28 
85. 53. 37. 22 
21. 12. 46. 88 


19824, 9 
•i0689, 3 
7505, 4 * 


II. 


Tjilantjang. 
Cheribon. 
Tjermai II. 


52° 32' 23" 94 
114. 28. 29.58 
12.59. 6.94 


26513, G 

30400, 4 

7505, 4 


III. 


Tjilantjang. 
Cheribon. 
Tjermai I. 


51° 51' 28" 91 

115. 2p. 54. 48 

12. 46. 37. 08 


26691, 2 

30665, 6 

7505, 4 


IV. 


Tjermai I. 

Tjilantjang. 

Kromon. 


37° 33' 56" 45 

34. 2. 8.31 

108. 1.56.10 


19824, 9 
180.50, 4 
30665, 6 


V. 


Tjermai II. 
Tjilantjang. 
Kromon. 


38° 13' 14" 28 

33. 21. 13. '28 

108. 25. 33. 28 


19824, 9 
17617, 5 
30400, 4 


VL 


Tjermai I. 

Cheribon. 

Kromon. 


50° 42' 33" 53 
42. 28. 18. 20 
86.49. 9.22 


20689, 3 
18050, 4 
26691, 2 


VIL 


Tjermai II. 

Cheribon. 

Kromon. 


15° 12' 21" 22 

41. 34' 53. 30 
87. 12. 46. 40 


20689, 3 
17617, 5 
26513, 


VUL 


Tjermai I. 

Ekkek. 

Kromon. 


76^ 44' 57" 05 
69. 18. 29. 66 
33. 56. 33. 77 


18781, 3 
18050, 4 
10773, 6 


IX. 


Tjermai II. 

Ekkek. 

Kromon. 


78° 44' 25" 06 
66. 5ó. 24. 46 
34. 20. 10. 96 


18781, 3 
17617, 5 
10801, 6 



Basis 



— 321 — 



Standpunten. 



Waargenomene 
en tot het 
middelpunt 

herleide hoeken. 



Tjermai I. 

Ekkek. 

Sitoegedeh. 

Tjermai II. 

Ekkek. 

Sitoegedeh. 

Tjermai I. 

Kromon. 

Pangerangan. 

Tjermai II. 

Kromon. 

Pangerangan. 

Tjermai I. 

Panserangan. 

Walled. 

Tjermai II. 

Pangerangan. 

Walled. 

Tjermai I. 

Walled. 

Sitoegedeh. 

Tjermai IT. 

Walled. 

Sitoegedeh. 

Tjermai I. 
Sitoegedeh. 
Sawal. 

Tjermai II. 

Sitoegedeh. 
Sawal. 

Tjermai II. 

Sawal. 

Tampoemas. 



82° 28' 10" 58 
75. 32. 3>. 93 
'21.59. 7.23 

80° 10' O" 99 
77. 55. 49. 31 
21. 54. 12. 23 



78° 1'23"55 
G6. 57. 52. 29 
85. 0.45.27 

78° 31' 1"23 
G7. 21. 29.47 
34. 7.30.21 

;^9°32'50''37 

84. 42. 42. 37 
05. 44. 38. 37 

29° 20' 12" 71 

85. 35. 47. 43 
G.5. 4. 0.97 

51° 38' 53" 71 

56. 44. 57. 13 
71. 3G. 10. 33 

51° 3' 13" 25 

57. 25. 34. 53 
71.31.13.39 

56° 53' 13" 75 
74.36.18.16 

48. 30. 30. 22 

56° 14' 43" 88 
74. 41. 13. 16 

49. 4. 5.12 

81° O' 5" 89 
61. 5. 6.96 

37° 54' 51" 80 



322 



Nummers 

der 
driehoeken. 


Standpunten. 


Waargenomene 
en tot het 
middelpunt 

herleide hoeken. 


Afstanden 

in 

meters. 


XXI. 


Tjermai I. 

SaAval. 

Tarapoemas. 


80° 48' 39" 09 
61.38.41.86 
37. 32. 43. 69 


58104, 3 
51797, 5 
35868, 2 


XXII. 


Tjermai III. 

Sawal. 

Tampoemas. 


82° 13' 35"14 
60. 27. 40. 83 
37. 18. 48. 50 


58101, 3 
51020, 8 
35547, 8 


XXIII. 


Tjermai II. 

Tampoemaas. 

Kromon. 


63° 50' 50" 59 
19. 52. 54. 68 
96.16.16.42 


46500, 8 
17617, 5 
51494, 4 


XXIV. 


Tjermai I. 

Tampoemas. 

Kromon. 


63° 5' 5" 71 
20.15. 2,80 
96.39.53.61 


46050, 8 
1H050, 4 
51797, 5 


XXV. 


Tjermai III. 
Tampoemas. 
Kromon. 


65° 22' 13" 70 
20. 28. 57. 98 
94. 8.50.42 


56500, 8 
17900, 2 
51020, 8 


XXVI. 


Kromon. 

Tjilantjang. 

Ekkek. 


74° 5' 22" 32 
50. 54. 1!}. 31 
55. 0.23.27 


23272, 7 
18781, 3 
19824, 9 


XXVII. 


Ekkek. 

Kromon. 

Vlaggestok Clieribon. 


71° 25' 54" 90 
51.21.33.90 
57. 12. 31. 98 


21178, 4 
17450, 3 
18781, 3 


xxvin. 


Kromon. 
Tjilantjang. 
A^aggestok Clieribon. 


22° -13' 48" 42 
87.57.41.40 
69. 18. 30. 58 


8188, 3 
21178, 4 
19824, 9 


XXIX. 


Tjermai I. 

Kromon. 

Vlaggestok Cheribon. 


52° 17' 46" 21 
85. 18. 7.68 
42.24. 7.07 


21178, 3 
26678, 1 
18050, 1 


XXX. 


Kromon. 

Ekkek. 

Pangerangan. 


33° 1'18"58 

112.43.14.56 

34.15.27.64 


18182, 4 
30775, 2 
18781, 4 



328 — 



Nummers 

_ der 
driehoeken. 


Staudpuüteii. 


Waargeuomene 

en tot het 

middelpunt 

herleide hoeken. 


- • 

Afstiiuden 

in 

meters. 


xxxr. 


Tjermai I. 
Eklrek. 
8a lam. 


1 

82° 40' 10" 13 
58.44.30.13 
38. 35. 20. 13 


17131, 8 
14765, 5 
10773, 6 


XXXII. 


Ekkek. 

Sitoegedeh. 

Salam. 


16° 48' 12" 80 
22. 12. 38. 84 
140.59. 8.72 


13101, 7 
17131, 8 
28529, 8 


XXXIII. 


Tjermai I. 

Pangerangan. 

Salam. 


81° 23' 43" 63 
28. 37. 5-\ 66 
69. 58. 24. 76 


30167, 9 
14765, 5 
28995, 6 


XXXIV. 


Tjermai I. 

Walled. 

Losari. 


14° 17' 57" 07 

i:i5.48. 7.30 

29. 53. 56. 40 


15667, 
44221, 9 
31619, C 


XXXV. 


Tjermai II. 

Wallecl. 

Losari. 


14° 25' 35" 59 
13.5. 7.29.90 
30. 26. 55. 41 


15667, 
44369, 3 
31867, 9 


XXXVI. 


Tjermai I. 

Losari. 

Sitoegedeh. 


65° 56' 50" 78 
37.45. 6.63 

76.18. 5.43 


41564, 4 
27867, 
44221, 9 


XXXVII. 


Tjermai I. 

Salam. 

Koeningan. 


10° 32' 38" 43 

35. 35. 0. 03 

13:5.52.21.62 


3748, 1 
11918, 5 
14765, 5 


XXXVIII. 


Tjermai I. 

Salam. 
Tjawi. 


34° 23' 48" 17 

102. 4.5. 15. 48 

42. 50. 56. 80 


12265, 3 
21176, 1 
14765, 5 


XXXIX. 


Gegerbehas. 

Sitoegedeh. 

Salam. 


59° 51' 35" 68 
28. 48. 28. 75 
91.19.55.71 


13101, 7 

7300, 4 

15145, 9 


XL. 


Tjermai I. 

Gegerbehas. 

Sitoegedeh. 


26° 41' 7" 18 
124. 16. 52. 97 
29. 2. 0.36 


15145, 9 
27867, 
13367, 8 


XLI. 


Sawal. 

Gegerbehas. 

Sitoegedeh. 


27° 44' 57" 12 

106. 40. 45. 48 

45 34 18 25 


15145, 9 
31161, 2 
23230, 5 





- 324 — 




• 


ê 

Nummers 

der 
driehojkeu. 


►Standpunten. 


Waargenomene 
en tot het 
middelpunt 

herleide hoeken. 


Afstanden 

in 

meters. 


XLII. 


Sitoegedeh. 
Gegerbehas. 
Soekatinggal. 


61° 21 '.57" 64 
80. 47. 10. 78 
37.50.52.40 


2.1666, 1 
24366, 6 
15145, 9 


XLIII. 


Sa wal. 

Sitoegedeh. 

Kiarabandoug. 


34° 27' 11" 13 
65.54.40. 
79.38.10. 


17921, 2 
28919, 3 
31161, 2 


XLIV. 


Sitoegedeh. 

Kjarabandong. 

Tjiamies. 


34° 46' 24" 25 
IH.35. 4.35 
30. 38. 32. gj; 


20054, 
31974, 4 
17921, 2 


XLV. 


Sitoegedeh. 

Soekatinggal. 

Kiarabandoug. 


50° 6' 58" 28 
46.53.10.48 
82. 59. 52. 08 


18838, I 
17921. 2 
24366, 6 


XLVI. 


Soekatinggal. 

Kiarabandoug. 

Tjiamies. 


80° 30' 50" 57 
31. 3.5. 12. 27 

67. 53. 57. 67 


20054, 
10649. 7 
18838, 1 


XLVir. 


Tjermai I. 
Sitoegedeh. 
Soekatinggal. 


40° 59' 34" 94 

. 90. 23. 58. 

48. 36. 28. 24 


24366, 6 
3714.5, 2 
27867, 


XLVIIT. 


SaAval. 

Sitoegedeh. 

Tjiamies. 


77° 4' 42" 05 
31. 8.15.75 
71.47. 3.51 


31974, 4 
16963, 4 
31161, 2 


XLIX. 


Gegerbehas. 

Sawal. 

Tjiamies. 


30° 44' 33" 82 

104.49.39. 17 

44. 25. 47. 98 


16963, 4 
32079, 5 
23230, 5 


L. 


Sawal. 

Gegerbehas. 

Soekatinggal. 


68° 26' 4" 50 
25. 53. 34. 70 
85. 40. 21. 36 


21666, 1 
10173, 5 
23-230, 5 


LI. 


Tjermai III. 

Tjareunang. 

Sawal. 


36° 33' 1"53 
86. 1. '5. 38 43. 
.'57.11.21.63. 


21214, 9 
35647, 8 
29940, 4 



— 325 — 



Nummers 

der 
driehoeken. 


Standpunten. 


Waargenomene 

en tot liet 

middelpunt 

herleide hoeken. 


Afstanden 

in 

meters. 


Lil. 


Tjermai III. 
Tampoemas. 
Tjarenuang. 


45° 40' 32" 92 
35. 26. 6. 92 
98. 53. 22. 92 


• 36943, 7 
29940, 4 
51020, 8 


LUI. 


Tampoemas. 

Kromon. 

Segara. 


28° 47' 4" 60 
65. 50. 57. 51 
85. 22. 10. 31 


22464, 1 

42568, 7 
46500, 8 


LIV. 


Tjermai IIL 

Kromon. 

Segara. 


100° 0'17"15 
28. 18. 3. 17 
51. 41. 40. 16 


22464, 1 
10814, 8 
17900, 2 


LV. 


Tampoemas. 

Kromon. 

Madjalengka. 


17° 41' 58" 05 

28. 27. 16. 68 

133. 50.46. 37 


19602, 4 
30720, 6 
46500, 8 


LVI. 


Tjermai III. 

Kromon. 

Madjalengka. 


61° 10' 31" 07 
65 41 33 67 
53. 7. 56. 07 


19602, 4 
20391, 1 
17900, 2 


LVII. 


Kromon. 

Madjalengka. 

Segara. 


37° 23' 30" 50 
82. 40. 15. 64 
59. 56. 14. 54 


13754, 
22464, 1 
19602, 4 


LVIII. 


Tjermai III. 
Tjarennang. 
Tjendana. 


29° 11' 6" 79 

43. 22. 25. 24 

107. 26. 28. 77 


15303, 5 
21552, 5 
29940, 4 


LIX. 


Tjarennang. 

Tjendana. 

Sawal. 


42° 53' 13" 11 
90. 57. 16. 99 
46. 9. 30. 46 


14439, 9 
21214, 9 
15303, 5 


LX. 


Tjermai III. 

Segara. 

Tjendana. 


40° 13' 36" 26 
112. 3. 34. 99 

27. 42. 49. 13 


15018, 3 
21552, 5 
10814, 8 


LXI. 


Tjarennang. 

Segara. 

Tjendana. 


49° 29' 27" 27 
50. 46. 53. 66 
79. 43. 39. 64 


15018, 3 
15303, 5 
19436, 5 


LXII. 


Tjermai III. 
Tampoemas. 
Tjendana. 


74° 51' 39" 71 
24. 37. 25. 25 
80. 30. 57. 73 


49932, 5 
21552, 5 
51020, 8 



— 326 



Nvimniors 

der 
ilrielioeken. 


Standpunten. 


Waargenomene 

en tot het 

middelpunt 

herleide hoeken. 


Af'^tanden 

in 

meters. 


LXIII. 


Tjendana. 

Sawal. 

Soekatinggal. 


31° 13' 20" 29 

101. 24. 29. 36 

47. 2i. 10. 71 


1017.3, F, 

192:.8, 7 
144 .J9, 9 


LXIV. 


Gegerbehas. 

Tjarennag. 

Sawal. 


47° 17' 33" 61 
53. 44.-32. 30 
79. 7. 55. 32 


21214, 9 

232 '0, .5 
28352, 8 


LXV. 


Kiarabandong. 

Soekatinggal. 

Tjendana. 


28° 48' 30" 88 
123. 2. 13. 53 

28. 9. 16. 36 


19238, 7 
:i3468, 9 
18838, 1 


LXVI. 


Tjermai I. 

Sawal. 
Kiarabandong. 


41° 36' 9" 37 
82. 57. 41. 35 
55. 26. 11. 89 


28919, 3 
43227, 7. 
35868, 2 


LXVII. 


Tjermai I. 
Sitoegedeh. 
Tjamies. 


40° 6' 13" 42 

105. 44. 33. 07 

34. 9. 15. 67 


31974, 4 

47771, 8 
17867, 


LXVIII. 


Tjermai. I. 

Tampoemas. 

Tjarennang. 


44° 40' 45" 03 
35. 40. 1. 81 
99. 39. 15. 99 


36913, 7 
a0635, 6 
51797, 5 


LXTX. 


Tjermai I. 

Sawal. 

Tjarennang. 


36° 7 ' 54" 06 
58. 22. 22. 22 
85. 29. 45. 46 


21214, 9 
306 3.Ó, 6 
3Ó868, 2 


LXX. 


Tjermai I. 

Tampoemas. 

Tjendana. 


72° 49' 0"76 
24. 51. 20. 44 
82. 19. 41. 56 


499:^2, .5 
21968, 7 
51797, 5 


LXXI. 


Tjermai I. 

Kromon. 

Madjalengka. 


59° 22' 41" 32 
68. 12. 36. 86 
52. 24. 42. 64 


19602, 4 
•211.51, 4 
180.50, 4 


LXXII. 


Tjermai I. 

Kromon. 

Segara. 


96° 9' 28" 69 
30. 49. 6. 36 
53. 1.25.47 


2216», 1 
11575, 6 
18050, 4 



327 



Standpunten. 



Waargenomene 
en tot het 
middelpunt 

herleide hoeken. 



Tjermai I. 
Tjarennang. 

Salam. 

ïjermai I. 

Tjarennang. 

Tjendana. 

Tjermai I. 

Tjendana. 

Segara. 

Djatibarang. 
Tampoemas. 
Sawal. 

Djatibarang. 
Tampoemas. 
Sesara. 



Tjermai I. 

Djatibarang. 

Ekkek. 

Tjermai II. 
Tampoemas. 
Djatibarang. 

Tjermai I. 

Tampoemas. 
Djatibarang. 

Tjermai III. 
Tampoemas. 
Djatibarang. 

Tjermai IT. 
Tampoemas. 
Lossarang. 

Tjermai I. 

Tampoemas. 

Lossarang. 



92049/ s"9g 

25. 11. 6. 32 
01° 59' 4G" 56 

28° 8' 17" 11 
42. 36. 32. 17 

109. 15. 11. 57 

39° W U" 35 
29. 31. 31. 92 

110. 43.47. 15 

47° 14' 15" 73 
93. 40. 29. 15 
39. 5. 22. 44 

50° 31' 39" 40 
64. 39. 47. 26 
64. 48. 38. 20 

79° 54' 1"29 
12. 59. 17. 82 

87. 6.42. 18 

60° 25' 11" 19 

55. 45. 37. 37 
63° 49. 16. 83 

59° 56' 1"47 

56. 7. 45. 47 
63. 56. 18. 50 

60° 38' 3" 52 
56. 21. 40. 66 
63. 0. 21. 20 

46° 41' 34" 05 

77. 58. 7- 61 
55. 20. 24- 16 

46° 19' 55" 86 

78. 20. 15. 72 
55 19. 54. 27 



328 



Nummers 

der 
drielipeken. 


Standpunten. 


Waargenomene 

en tot liet 

middelpunt 

herleide hoeken. 


Afstanden 
in 

meters. 


LXXXIV. 


Tjermai III. 
Tampoemas. 
Lossarang. 


46° 45' 23" 59 
78. 34. 10. 90 
54. 50. 22. 29 


45555, 9 
61296, 
51020, 8 


LXXXV. 


Kromon. 

Tampoemas. 

Djatibaraug. 


78° 16' 48" 36 
35. 52. 42. 64 
65. 50. 32. 50 


49901, 7 
29868, 3 
46500, 8 


l:qs:xvi. 


Tampoemas. 

Kromon. 

Lossarang. 


58° 5' 12" 90 
59. 53. 53. 94 
62. 0. 57. 70 


44698, 3 
45665, 9 
46600, 8 


LXXXVII. 


Lossarang. 
Kromon. 
P. koeion 

(Tjhvalakong-gebergte). 


03° 18' 15" 47 
44. 36. 31. 25 
72. 5. 16. 61 


41967, 9 
32988, 8 
44698, 3 


LXXXVIII. 


Tjermai I. 
Lossarang. 
P. koelon. 


32° 19' 40" 26 
56. 37. 12. 04 
91. 3.12.02 


32988, 8 
51512, 7 
61678, 8 


Lxxxrx. 


Tjei-mai U. 
Lossarang. 
P. koelon. 


32° 32' 60" 58 
56. 37. 41. 93 
90. 46. 31. 78 


32988, 8 
5113 8,1 
61219, 1 


xc. 


Tjermai III. 
Lossarang. 
P. koelon. 


32° 32' 54"" 12 
55. 57. 40. 06 
91. 29. 30. 08 


32988, 8 
50810, 3 
61296, 


XCI. 


Tjermai HL 
P. koelon. 
Tjarennang. 


/i9° 53' 11" 39 
35. 53. 33. 45 
84. 13. 18. 49 


44177, 
29940, 4 
50810, 3 


xcir. 


Tjermai IIL 
P. koelon. 
Tampoemas. 


14° 12' 38" 47 
83 50. 40. 12 

81. 50. 43. 02 


12597, 5 
51020, 5 
50810, 3 


XCTII. 


Tjermai II. 
Tampoemas. 
Indramajoe. 


65° 1' 5" 18 
66. 47. 29. 01 
48. 11. 33. 31 


62620, 7 
63493, 6 
51491, 4 



329 



Nummers 

der 
drielioekeu. 


Standpunten. 


Waargenomcne 
en tot het 
middelpunt 

herleide hoeken. 


Afstanden 

in 

meters. 


XCIV. 


Tjermai* I. 

Tampoemas. 

Indramajoe. 


64° 31' 48" 12 
67. 9.37. 11 
48. 18. 42. 31 


62G20, 7 
63923, 7 
51797, 5 


xcv. 


Tjermai II. 

Kromon. 

Gegessieklor. 


13° 10' 28" 40 

152. 4. 39. 10 

14. 44. 52. 80 


1577.^ 2 
:V2407, -1 
17617, 5 


XCVI. 


Tjermai III. 

&omon. 

Gegessieklor. 


12° 4' 14" 

154. 12. 5. 10 

13. 43. 41. 20 


15773, 2 

• 32827, 1 

17900, 2 


XCVII. 


Tjermai I. 

Kromon. 

Gegessieklor. 


13° 11' 6" 45 

151. 41. 1. 90 

15. 7. 51. 95 


15773, 2 
3-2800, 9 
180Ó0, 4 


XCVIII. 


Tjermai I. 

Ekkek._ 

Gegessieklor. 


63° 33' 50" 71 
97. 55. 41. GO 
19. 0. 28. 50 


29619, 6 
32800, 9 
10773, 6 


XCIX. 


Tjermai I. 
Tjermai II. 
Tjermai HL 


62- 20' 55' 00 
83. 61. 51. 80 
33. 47. 13. 20 


716, 4 
804, 1 
449, 8 


, c. 


Tampoemas. 
Tjermai III. 
Taugkoebanpralioe. 


163° 31' 58" 57 
7. 3. 24. 24 

9. 24. 38. 60 


88452, 1 
38333, 7 
51020, 8 



330 



WAARGENOMENE AZIMUTHEN. 



Standpimten. 



Namen, 
der Signalen. 



Door waarne- 
ming verkregene 
azirauthen. , 



Afgeleid uit de 

waarneming op den 

Kronion , of ge- 

odesisch azimuth. 



Madjalengka. 

Koeningan. 

Tjawi. 

Ekkelc. 

Pangerangan. 

Losari. 

Cheribon.' 

Kromon. 

Gegessieklor. 

Djatitarang. 

Indramajoe. 

Lossarang. 



Kromon. 

Salam. 

Salam. 

Kromon. 

Kromon. 

Walled. 

Tjermai II. 

Tjermai II. 

Kromon. 

Tampoemaas. 

Tjermai II. 

Kromon. 



57° 33' 5" 3 
184.18.56.0 
251.2S. 25.G 
315.22. 0.0 
282.19.33.7 
232. 38. 42. 3 
220.54. 4.7 



57° 33' 8" 83 
184.18.47.95 
251.28.18. 60 
315.22. 1.48 
282.19.38.06 
232.38.42.33 
220.54. 5.82 



Zie tabel A; deze zijn in de bereke- 
ning zelve gebezigd. 



D. 



S31 



BREEDTE-BEPALING DOOR NABIJ DEN MERIDIAAN 
WAARGENO^ilENE ZENITH - AFSTANDEN. 





Namen 


Deklinatie 




Aantal 
waarne- 
mingen. 




Datums. 






Verkregene 

breedte. 


Gemiddelde 








uitkomsten. 




der waariTcnoitieii sterren. 








1854. 




MADJALENGKA. 




Z 


21 Julij 


-Antares 


Z 26° 6' 22" 4 6° 49' 39" 6 


12 


6° 49' 38" 5 




^ Hercules 


N31. 8.47. 7 6.49.37.0 


14 






KOENINGAN. 






29 Julij 


S ' Scorpii 


Z 42° 6' 37" 47 


6° 58' 35" 9 


21 




" 


ui Hercules 


N 14.33.39. 3 


6.58.33.1 


14 


6° 58' 34" 93 


" 


Z Scorpii 


Z 38.57. 7.44 


6.58.32.8 


15 








CHERIBON. 






10 September 


/S Pavonis 


Z 66° 43' 27" 4 


6° 42' 34" 9 


28 




11 id. 


Ci Telescopii 


Z 46. 2. 50. 5 


6.42.41.2 


20 




" 


/3 Lyrae 


N 33.11.57. 1 


6.42.38.2 


]5 




// 


Cygni 


N 39. 58. 53. 6 


6.42.34.5 


8 




/, 


CC Pavonis 


Z 57. 11. 57. 9 


6. 42. 34. 7 


18 




» 


a. Cygni 


N 44. 45. 53. 


6.42.36. 7 


10 




12 iJ. 


Ci Telescopii 


Z 46. 2. 50. 6 


6. 42. 39. 2 


18 




V 


(3 Lyrae 


N 33.11.57. 2 


6. 42. 40. 9 


19 


6° 43' 37" 4 


25 id. 


^ Pavonis 


Z 66.32.58. 


6.42.30.4 


13 * 




" 


2 Cygni 


N 46, 18. 20. 6 


6.42.37.0 


12 






iZ Cygni 


N 44. 45. 55. 9 


6. 42. 36. S 


15 




26 irl. 


^ Pavonis 


Z 66.32.58. 


6. 42. 30. 3 


15 * 




" 


- Cygni 


N 46. 18. 20. 6 


6. 42. 36. 3 


16 




" 


f Cygni 


N 44. 45. 56. 1 


6.42.36.3 






" 


? Cygni 


N 29. 38. 50. 


6. 42. 38. 


20 








INDRAMAJOE. 






9 November 


(3 Pegasi 


N 27° 17' 53" 9 


6° 19' 29' 6 


21 




" 


^. Andromedae 


N 28.17.26. 6 


6.19.28.6 


13 




" 


CC Cassiopeae 


N 55.44.35. 4 


6.19.32.0 


18 


6° 19' 30" 378 


" 


(X Sculptoris 


Z 30. 8. 40. 3 


6. 19.29.8 


10 






Ci Eridani 


Z 57. 58. 38. 3 


6.19.31.9 


16 





O g Favonis 2 keeren bij het middelen wejrgelaten, omdat de 
i^aarnemingen , hetivelk •nraarscliijnlyk toeseschreven moet ■nordeu a 



Ukomst een te groot verschil opleverde met de overige 
u eene foutieve opgave van de deklinatie der ster. 



332 



E 



OPGAVE dp:r geografische ligging van 

DE STANDPUNTEN, BEPAALD IN DE RESIDENTIE 
CHERIBON. 



Staiulpuntcu. 



Azimuth 

uit 

Tjcrmai I. 



Afstanden 
ia meters. 



Geografische 
breedte. 



Lengte- 
verschil. 



Gegpssieklür. 

Tjilaiitjaug. 

(Jhcribun. 

Vlaijgestük Chcr. 

Ekkek. 

Pangerangan. 

Losari. 

Walled. 

Tjawi. 

Koeningan. 

Sitoegedeh. 

Salam. 

Iviarabandong. 

Gcgerbchas. 

Tjiamies. 

Soekatinggal. 

Sawal. 

I^'endana. 

Tjarcnnang. 

Segara. 

Tanipoemas. 

Madjalengka. 

Passicrkoelon. 

(Tjiwalakkong). 
Lossarang. 
Ujatibarang. 
Kromon. 
Indrainajoe. 
Tjermai II. 
Tjermai III. 
Tjermai I. 



2' 


30 


20 


'50 


27. 


15. 


10. 


28 


40. 


1. 


47. 


14 


41. 


36. 


59. 


60 


G6. 


4. 


10. 


22 


G7. 


20. 


36. 


50 


S2. 


35. 


29. 


58 


9G. 


53. 


26. 


43 


114 


20 


31. 


30 


138 


11 


40. 


82 


148 


32 


19 


48 


148. 


44. 


18. 


81 


163 


49. 


23 


43 


175 


13 


26 


00 


188 


38 


32 


02 


189 


31 


53 


32 


205 


25 


32 


11 


213 


25 


9 


08 


241 


33 


26 


21 


253 


9 


50.47 


286 


14 


9 


90 


289 


56 


34 


07 


300. 14 


25 


06 



332.34. 5.10 
346.10.10.49 
349.19.14.51 
350.45.56.69 
333.41.25.40 
271.20.30.40 



32800, 9 

30665, 6 

20691, 2 

26678, 1 

10773, 6 

28951, 6 

41221, 9 

31619, 6 

21176, 1 

11918, 5 

27867, O 

14765, 5 

43227, 7 

16367, 8 

47774, 8 

37145, 2 

35868, 2 

21968, 7 

30635, 6 

11575, 6 

51797, 5 

21151, 4 

51512, 7 

61678, 8 

47875, O 

18050, 4 

63923, 7 

449, 7 

804, 1 



6° 35' 
6.38. 
6.42. 
6.42. 
6.51. 
6.47. 
6. 50. 
6. 55. 

6. 58. 
6.58. 

7. 6. 
7. 0. 



7.16. 
7. 2. 
7. 19. 
7.13. 
7.11. 
7. 3. 
7. 1. 
6.55. 
G.45. 
6.49. 
6.39. 



56" 035 
55. 283 
37. 400 
53. 443 
20. 530 
39. 550 
36. 605 
46. 018 
26.857 
32. 026 
36. 589 
33. 697 
14. 308 
33.817 
20. 425 
35. 356 
17. 331 
39.711 
37. 604 
31.931 
50. 599 
47.845 
37.651 



6.24. 0.439 
6. 28. 29. 436 
6.44. 5.383 
6.19.28.771 
6. 53. 29. 700 
6.53.42.212 
6. 53. 42. 825 



O' 46" 687 
7. 37. 223 
9. 19. 047 
9. 36.986 

5. 20. 776 
14.30.192 
23. 48. 441 
17. 2.712 
10.28.633 

4.18.867 
7. 54. 029 
4. 9.682 
6.32.647 
0. 44. 411 
3. 54. 076 
3. 20. 517 
8.21.984 

6. 34. 305 
14.37.795 

6. 0.959 
26. 59. 671 
10. 47. 644 
24. 9.063 

15.24.721 
6. 12. 499 
1.48.932 
5.33.773 
0. 6.494 
0. 26. 189 



GE(3DESISCH NIA^ELLEMENT 



VAN l)K 



RESIDENTIE CHERIBON 



a. A. 1» K li A W o K. 



Het niveau van de geodesiscli bepaalde standplaatsen in 
de residentie Cheribon , hetwelk in de hierachter volgende 
staten A, B en C wordt medegedeeld, is opgemaakt uit 
zenitli- afstanden op de signalen en tevens zijn verscheidene 
hoogte-bepalingen uit barometer-waarnemingen afgeleid. 
De ware uitkomsten zijn die, welke op eerstgenoemde 
wijze verkregen zijn, wordende de uitkomsten uit barometer- 
waarnemingen afgeleid alleen opgegeven , om te doen zien, 
welke graad van naauwkeurigheid hiermede kan bereikt wor- 
den. De barometrische waarnemingen zijn, om kosten te 
sparen, achterwege gelaten en in het archief van het topo- 
grafisch bureau bij het departement der genie gedeponeerd. 

De heer B. Feisï , officier van gezondheid der 2c klasse 
te Cheribon , had welwillend op zich genomen , eenen aldaar 
achtergelaten hevel-barometer op dezelfde tijdstippen waar 
te nemen , op welke de door ons medegevoerde barometers 
op reis zouden Avordcn afgelezen. De veelvuldige wegens 

X. 22 



— 331 — 

dienstbezighcden soms verscheidene dagen durende afwe- 
zigheid uit Cheribon van den heer Feist deed mij hiter 
besluiten , van elke maand voor de bepaalde uren een' ge- 
middelden stand op te maken uit de aanwezige aflezingen 
van barometer en thermometer te Cheribon. De op reis 
medege voerde barometers bestonden uit een hevel- en een l;ak- 
barometer. De eerstgenoemde kan met eenige zorg in 
een rijtuig goed blijven , maar niet aan een koelie toever- 
trouwd woorden ; de bak -barometer, aflcomstig uit de fabriek 
van PiSTOK en Mahtins, werd na de beklimming van den 
heuvel Pauendjoan nabij Sitoegedeh gebroken bevonden. Door 
tusschenkomst van den toenmaligen kapitein, thans majoor 
der genie , den heer J. Van Staveren, kwamen wij spoe- 
dig in het bezit van een nieuw instrument, uit dezelfde 
fabriek afkomstig. Deze deed dienst tot 'J'jarennang ; aldaar 
werd het glazen bakje gescheurd bevonden; gelukkigerwij- 
ze konden wij uit de beide gebrokene barometers een her- 
stellen, van welke tot aan het einde der reis gebruik werd 
gemaakt. Al de Zorg, besteed bij het vervoer der barome- 
ters is ontoereikend , om die werktuigen voor breken te be- 
waren , en hetzelfde werd gedurende de geometrische op- 
name in Frankrijk zoo zeer ondervonden , dat het voorge- 
nomen plan , om naar alle standplaatsen barometers mede 
te voeren , werd opgegeven. 

De barometer- Avaarnemingen zijn onmisbaar, wanneer de 
straalbuiging bekend moet zijn; bij wederkeerige en ge- 
lijktijdig Avaargenomen zenith- afstanden op aardsche voor- 
werpen kan echter de straalbuiging uit deze metingen zel- 
ve Avorden opgemaakt. Het plan bestond, die waarnemin- 
gen zooveel mogelijk te bewerkstelligen , hetgeen ons bekend 
zoude gemaakt hebben , in hoeverre de theorie van Denzler 
betrekkelijk het bepalen der aardsche straalbuiging met 
de werkelijkheid sluit. Volgens Denzler wordt de straal- 

Ei— R2 
buiging gevonden door de formule: — -r, waarin 



— 335 — 

E.1 de astronomische straalbuiging is bij een zenith-afstancl Z 
op de waarnemingsplaats en R2 die bij een zenith- afstand 
Z-c oj) de waargenomene plaats. Van deze formule is in de 
berekening gebruik gemaakt en , ofschoon niet bekend kon 
zijn de aanwijzing des barometers en thermometers bij de 
signalen , waarop de zenith-afstanden genomen zijn , zoo 
-was dit toch bij gissing aan te nemen uit de aflezingen , 
die verkregen waren op verschillende uren van den dag, 
toen wij bij die signalen ons verblijf hielden. Het gebrek 
aan de volkomene overeenstemming der uitkomsten kan 
gedeeltelijk aan de onjuistheid dezer gissingen worden toe- 
geschreven. De eenigste gelijktijdige waarneming, welke be- 
vredigende uitkomsten heeft opgeleverd ; vond j^laats op den 
Kromon en te Cheribon. De koëfficient voor de straalbuiging 
was toen volgens Denzlee, 0,0835 en volgens de meting 0,0849, 
hetgeen slechts 2 palmen in de uitkomsten verschilt. Op 
andere plaatsen hebben wel gelijktijdige waarnemingen plaats 
gehad, maar de zenith-afstanden met het instrument van 
Eepsold genomen , bleken bij de berekening geen vertrou- 
wen te verdienen. Hierdoor bleven alleen de zenith-afstan- 
den met het instrument van Pistor en Martixs geno- 
men ter bewerking over. Wel waren er nog verscheidene 
wederkeerige waarnemingen, maar aan deze ontbrak de 
gelijktijdigheid; deze zijn door mij toch bewerkt, als of de 
gelijktijdigheid had plaats gehad, omdat het bleek, dat de 
uitkomsten dan beter overeenstemden , dan wanneer de waar- 
nemingen naar de formule van Dexzler werden berekend. 
Om zich hiervan te kunnen overtuigen , wordt daartoe het 
volgende voorbeeld gegeven : 

Volgens tabel A is het niveau-verschil tusschen Lossa- 
rang en Passicrkoelon 280.m,4, volgens tabel B Is dat 
verschil 280ml en 28omG, en uit tabel C verkrijgt men 
door aftrekking 280^0 , hetgeen dus slechts 4 palmen met 
tabel A verschilt, terwijl het met een der oj)gaven uit ta- 
bel B wel 36 palmen verschilt. Op deze wijze kan men 
de overeenstemming der uitkomsten nagaan en vinden , dat 



— .336 — 

de overeenstemming meestal binnen de el plaats heeft. 
Tusschen Gegessick loren P. Ekkek , Djattibarang en Tam- 
poemas, Lossarang en Tampoemas, en Tjendaha en Tam- 
poemas Avordt de overeenstemming verbroken voor liet be- 
drao" van bijna 5 meters, en lietv/elk zoowel aan de groo- 
te verwijdering en daardoor aan de onzekerheid der instel- 
ling moet geweten worden , als aan de onbekendheid met 
de ware straalbuiging. 

De tabel C was gemakkelijk uit de beide vorige op te 
maken , als eenmaal bekend was de hoogte van de as van 
het instrument op een der standplaatsen boven den water- 
spiegel der zee. Dit is te Cheribon gevonden door het me- 
ten der kimduiking en het nemen van een' zenith-afstand 
op een punt van den peilstok, welke aan het havenhoofd 
zich bevond, en die vroeger op last van den ingenieur der 
waterstaat, den heer H. A. Van Kossem was Avaargeno- 
men. Beide uitkomsten sloten binnen een paar palmen , 
waarvan het gemiddelde genomen is. 

Het lijdt geen twijfel, dat de hier verkregene uitkom- 
sten zulk eenen graad van naauwkeurigheid bezitten , dat ze 
met vertrouwen aangewend kunnen worden bij elk plan van 
algemeen nut , Avaarbij de kennis van de ongelijkheden des 
terreins in aanmerking l^omt. 

In de formule voor het niveau verschil: 

cos (z + r — .V C) cos (z' + r' — ^ ^') 

H^rjK ^ ofH-— K 

shi (z+r — C) sin (z'+r') 

moet K ten strengste genomen niet zijn de geodesische af- 
stand der beide punten , maar de koorde van den boog , 
Avelke tusschen de beide standpunten gaat; zelden wordt 
liierop, als geen merkbaren invloed op het niveau- verschil 
uitoefenende , gelet ; maar Avel dat de afstand K AVordt 
overgebragt op het niveau van een der beide plaatsen , zul- 
lende deze iets grooter. zijn dan de lengte uit de driehoeks- 
metins; gevonden, Avaavan alle afstanden behooren tot het 
niA'cau der zee, Hierop zal iii den regel gelet moeten Avor- 



— 337 — 

den , vooral bij metingen op een terrein , hetwelk zulke 
A'erlievene pvuiten aanbiedt, als in de residentie Clieribon 
worden aangetroffen. 

Ten slotte moet nog vermeld worden , dat op elke waar- 
nemingsplaats een steenen pilaar gebouwd is, aan wel- 
ke dezelfde hoogte gegeven is , als het voetstuk , waarop 
de waarnemingen geschied zijn, en dat de as van het in- 
strument zich daarboven 3,3 palmen verhief. 

Batavia, 1 Oldoler 1855. 



— 338 — 
L^ A. 

BEPALING VAN HET NIVEAU- VERSCHIL DOOR WEDER- 
KEERIG WAARGENOMENE ZENITH-AFSïANDEN. 



Namen 


Herleide 


Küëffieient 


Verschil 




der 




der 


van niveau 


Aanmerkingen. 


"Waarnemingsplaatsen. 


zenith-afstanden. 


straalbuiging. 


in ned. ellen. 




]Ma(ljalengTca. 
Kromon. 


88° 47' 12" 9 
91. 21. 4G. 5 


0,0746. 


440"',7. 




Koeningan. 
Salain. 


86. 33. 8. 
93. 28. 42. 9 


0,0429. 


226,8. 




Salam. 
Tjawi. 


93. 32. 33. 
87. 33. 2. 6 


0,0769. 


534,6. 




Salam. ) 
Sitoegedeh. j 


89. 39. 1. 4 

90. 26. 27. 2 


0,1131. 


90,4. 




Salam. 

Eklcek. ] 


91. 3. 36. 1 
89. 3. 57. 5 


0,0906. 


298,1. 


, 


Ekkek. 
Kromon. 


89. 41. 22. 9 

90. 27. 19. 1 


0,0703. 


135,4. 




Ekkek. 
Pangeraugan. 


91. 30. 8. 2 
SS. 37. 51. 


0,0935. 


455,7. 




Cheribon. 
Kromon. 


88. 27. 54. 5 
91. 41. 31. 


0,0849. 


583,3. 




Kromon. 

Tjilantjang. j 


91. 45. 23. 3 

88. 23. 43. 8 


0,0742. 


581,5. 




Tjendana. j 
Tjarennang j 


90. 7. 18. 
89. 59. 59. 3 


0,0583. 


16,2. 




Tjendana. ) 
Sawal. j 


87. 44. 20. 7 
92. 23. 33. 3 


0,0567. 


584,6. 




Tjiamies. 
Kiarabandong. ) 


89. 34. 18. 8 

90. 34. 55. 6 


0,0736. 


176,8. 




Tjarennang. J 
Tampoemns. | 


89. 20. 18. 9 

90. 56. 38. 5 


0,0742. 


517,6. 




Lossarang. ■, 
Passierkoelou. | 


89. 38. 5. 5 

90. 36. 31. 7 


0,0888. 


280,4. 





— 339 — 

L'. B. Bepaling van het niveau-verscldl der hezoclde j^n-'iit^^i in de residentie 
Cheiibon, afijeleld tdt de zenit k-afstanden op de Signalen. 











■- 








^ggll 


.2 3 


Nnam 






" & 5 ^ 


3 s 






Zcnith afstand 


IMs 




der waarnemingsplaats. 


Naam 






^ i: 






en 


•H-s p-S 


„ a 


Barometer 


van liet waart^cnomcn vourn-erj). 






^ "■ 






koëfficient der 


'S B S "S 


^ Ö 


in lar. duimen en lijnen 


Barometer en Theriiioiiietrr. 




'£t "- ■^-a■•— 










ï -S § F 


ü 


Thciinoinctcr in Eeaimiur. 






S 5 5"^ 


^S 








StBi 


S o 










m. 


m 


v' 


B. 27." 9'" 9. Th. 20° 4. 


Sign. Tampocmas h. p. (>) 
B.23."3"' Th. U'^0. 


87.° 13.' 31." 7 
0,0780. 


1551.5 
rt.+ 15.G 


+ 1535.9 


bil 

p. 


iJem. 


Sign. Kromon , m. ra. 
B. 26. G. Th. 17. 8. 


88. 40. 20. 3 
0,0829. 


445. 3 
+ 5.0 


+ 440.3 




n. 37. 9. 9. Th. 19. 0. 


Sign. Tjerinai III. in. in. 
B.l9. 8. Th. 9. 0. 


81. 57. 19. 2 
0,0768. 


2910. 8 
4- 11.0 


+ 2899.8 




B.27.9. 9. Th. 21.5. 


Sign. Segara. h. p. 
B. 25.3. Th. 17.0. 


86. 40. 39. 5 
0,0838. 


810. 9 
+ 9.5 


+ 801.4 


1 


B.25. 3. Th. IC.0. 


Sign. Tjerinai III ni. m. 
B. 19. 8. Th. S.0. 


79. 0. 40. 2 
0,0715. 


2108. 2 
+ 11.0 


+ 2097.2 


p' 


B.2G. 8. Th. 18. 5. 


Sign. P. salara, voetstuk. 
B.^2o.l0. Th. 17.0. 


8G. 33. 24. 5 

0,0874 


226. 4 
— 0,3 


+ 226.7 


c 
l^ 


B. 20.8. Th.lS.0. 


Sign. Tjermai I. m. m. 
B. 19.S. Th. 9.0. 


78. 7. 39. 1 
0,0757 


2516.0 
+ 11.0 


+ 2505.0 




B.25. 10. Th.lG.0. 


Koeningan. bamb. op het voetstuk 
B. 26. S. Th. 17. 5. 


93. 27. 4S. 
0,0898. 


225. 9 
+ 1.0 


+ 226.9 


S 


idem. 


Heliotr. Kocnincran. 

B. 20. 8. ^ Th. 17. 5. 


93. 29. 37. 8 
0,0898. 


227. 9 
— 0,9 


— 227.0 


o 


B.25 10. Th. IG. 5. 


Si«n. Tja^vi , o. b. 
B.^27.7. Th. 20. 5. 


•92. 32. 16. 2 
0,0769. 


533. 7 
+ 1.0 


— 534.7 


1 


B. 25. 10. Th. 15. 5. 


Sign. Sitocgedeh. m. ni . 
B. 25.G. Th. 10. 5. 


83. 35. 30. 5 
0,0993 


104.1 
+ 13.4 


+ 90.7 




idem. 


Sign. P. ekkck. in. nu 
6^20.9.5. Th. 20. 8. 


ÜJ. 1. 14. 0- 
0,0G07. 


285. 
+ 11.8 


- 296 8 




Siug. Tjeruiai I. m. u _ 


81. 14. 33. 2 
0,0760. 


2289.8 
+ 11.0 


+ 2278.8 


"i 


B. 27. 7. Th. 20. 5. 


B 19. 8. Th. 9. 0. 

Sign. P. eldek. m. m. 


S7. 29. 30. 9 
0,0769. 


547. 3 
-+- 12. 6 


+ 534.7 


P- 


idem. 


B. 20. 9. 5. Th. 20. 8, 
Sign. Tjermai I. ra. m. 


C2. 29. 3. 1 

0,OT44. 


2824. 9 
+ 11.0 


+ 2813.9 




B. 25. fi. Th. 18. 


B. 19. 8. Th. 9.0. 


50. 51. 53. 


377.6 


— 389.4 






Sign. P. salam. Ii. p. 


[),0847 


+ 11.8 


^ 


B. 25. 6. Th. IG 5 


B.25. 10. Th. 16. 5. 


SO. 23. 26. 3 


78.5 




of' 




Sign. Tjermai I. ra. ra. 


0,0993. 


+ 11.5 




1 
CO 


B. 25. (. Th. 18. 0. 


B.19.8. Th. 9.0. 
Sing. Kiarabandong. ra. m. 


85. 35. 44 . 5 
0,0719. 


2199. 1 
+ 11.0 


+ 2188.1 




idem. 


B. 26. 11. Th, 22, 7. 


91. 27. 22. 4 
0,0736 


434.1 
+ 11.2 


- 44'5.3 


* h- p. bcteekend 


hoogste punt ) 


"^- ■»• . " midden mandje ') van het wnareenomen Signaal 




0. p, 


onderkant bekleeding 









-^ 340 — 



Naam 

der waarnemingsplaats. 

Barometer 

in par. duimen en lijnen. 

Thermometer in Reaiim-ir. 



van het waargenomen voorwerp 
Barometer en Thermomctsr. 



" 


P ■ c 




= §ll. 




. S.ë^ 


Zenith afstenJ 


mi 












koëfficient der 


%'aï'^ 










straalbuigiüg. 


'H.%1 
















■5 g 2-^ 



B. 25.G 



Th. 18. O 



B. 20. 10 Th. 21. O 

idem. 



idem. 



B. 28. 2. 5 Th. 

idem. 

idem. 

idem. 
B. iJS.2. 5 Til. 



21.5 



B. 28. 1.5. 



Th. 





B.2G. 6 


Th. 20. 




s 
p 


B. 26. G 


Th. 17. 5 
idem. 


w 


B. 26. G 


Th. 22. 5 




B. 26. G 


Th. 22. 



Siscn. Soekatinggal. o. h. 
B.^26.8 Th. 19. 0. 



90.° 57.' 20. 
0,0952. 



Sign. Tjermai II. m. m. 
B. 19. S Th. 9.0. 

Si!j;n. Tjermai I. m. m. 
B.I9. 8 Th. 9.0. 

Sign. P. salam. m. m. 

B. 25. 10 Th. 15. 5 

Sign. Kromon. m. m. 

B. 20.6 Th. 22.0. 

Heliotr. Pangerangan. 
B. 28. 2. 5 Th. 23. 3. 



Sign. Tjermai II. m. m. 



B. 19. 

Sicn. Tjermai I. 

B. 19.8 

Sign. P. salam. 

B. 25.10 

Si-n. P. ekkek. 

B.26. 10 

Sign. Walled. 

B. 27. 11 



Th. 9.0. 

m. m. 

Th. 9, 0. 

m. m. 

Th. 16. 5 

m. m. 

Th. 21.0. 

o. b. 

Th. 22. 5. 



Sign. Tjermai II. m. m. 

B. 19. 8 Th. 9 0. 

Sign. Tjermai I. m. m. 

B. 19.8 Th. 9.0. 

Heliotr. Kromon. 

F- 26. 6 Th. 20. 0. 



Heliotr. Cheribon. 

B. 28. 1. 5 Th. 22. 0. 

Sign. Tjermai II. m. m. 
B. 19.8 Th. 9.0. 

Sign. Tjermai III. m. m. 

B. 19. 8 Th. 9.0. 

igSn. Madjalengka. m. m. 

B. 27. 9. 9 Th. 22. 5. 

Sign. P. ekkek. m. ni. 

B.26. 10 Th. 21.0. 



76. 39. 1. 4. 

0,0716. 
76. 32. 11.9. 

0,0716. 
89. 1. 37. 9. 

0,0607. 
89. 40. 28. 0. 

0,1030. 
91. 30. 8. 2. 

0,0851. 



84. 8. 49. 0. 

0,0749. 
84. 6. 39. 2. 

0,0749. 
SS. 40 43. 0. 

0,0823. 

88. 35. 37. 2. 
0,0851. 

89. 46. 25. o. 
0,0758. 



83. 35. 0. 3. 

0,0715. 
83. 35. 41. 0. 

0.0715. 
88. 27. 59. 5. 

0,0835. 



91. 41. 31.0. 

0,0835. 
82. 9. 42. 8, 

0,0768. 
82. 12. 57. O 

0,0768. 
91. 19. 48. 8 

0,1 
90. 25. 9. 5 

0,1030. 



308.8 
h 1.4 



2572.0 

+ 11.0 

2588. O 

+ 11.0 

3.11.1 

+ 11.6 

128.7 

+ 5.0 

455.3 

O 



3028. 5 
+ 11.0 
3043. 5 
+ 11.0 

763. 7 
+ 11.6 

467.9 

+ 11.8 

78.1 

+ 5.8 



3030. 3 
+ 11.0 
3045.6 
+ 11.0 
581.9 
+ 0.5 

583.2 
— 1.0 
2446. 7 
+ 11.0 
2469. 1 
+ 11.0 

431.1 
+ 11.1 

115.5 
-]-ll.S 



J70.2 



+ 


2561.0 


+ 


2577.0 


+ 


299.5 


+ 


123.7 


- 


455.3 


+- 3017.5 


+ 


3032.5 


+ 


752.1 


+ 


45G.1 


+ 


72.3 


+ 3019.3 


+ 3034. G 


+ 


582.4 



— 5S2.2 
+ 2435.7 
+ 2458.1 

— 442.2 

— 127.3 



— 341 











^ isit 


S% 


Naam 








o|;^^ 


•1 1 








Zeuith afstand 


^P^ s 


o ^ 


der waanieming 


plaats. 


Kaam 




^^=32 


~ -s 








en 






Earomcter 


van het waargenomen voorvierp. 






-=: 




_ 




koëflicient der 


-5 |J"§ 


Hl 


in par. duimen en lijnen 


Barometer en Thermometer. 








• 






straalhuiging. 


■* tJi •; g 


s 


Thermometer in 


l'eaumur. 


' 












1 


■^ S '^ 




1 








m 


m 


i 

2 


B.2G. G 


Tb. 22. 0. 


Hcliotr. Tjilantjans;. 

B. 28. 1.5 Th. 23.0 


91.° 45.' 22." 3 
0,0SS04. 


582.5 
.a 0. 


— 582.5 


fcij 


B. 28. 1. 5 


Th. 23. 


Sii^n. Krumon. \\\. m. 
B."26. G Th. 22.0 


88. 22. 51. 8. 
0,08804. 


585. 8 
+ 5.0 


4- 580.8 


F- 


B. 28. 1.5 


Th. 22. 5 


Sign. Tjermai 11. m. m. 
B. 19. 8 Th. 11.0 


84. 25. 34. 9. 
0,0748. 


3029. 6 
+ 11.0 


4- 3018.6 


s 


B. 25.2 


Th. IS. 5 


Sigu. Salam. m. m. 
B. 25. 9. 5 Th. IG. 


91. 47. 17. 0. 
0,1234. 


224.8 
+ 11.6 


— 236.4 


p 


B.25.3 


Th. 21.0 


Sign. Sit'oegedeh. m. m. 
B. 25. 6 Th. 20. 


90. 33. 42. 6. 
0,09278. 


133.9 
+ 13.4 


— 147.3 




B. 25.2 


Th. 17. 5 


Sign. Tjermai I. h. p. 
B. 19. 8.3 ' Th. 10. 8 


82. 54. 48. 5. 
0,0619. 


2053. 8 
-;-12.- 


4- 2041.8 




B. 24. 8 


Th. 18. 8 


Sign. Segara. m. m. 
B. 25. 3. 4 Th. 19. 


90. 53. 50. 6. 
0,0906. 


220.8 
4- 8.5 


— 229.3 




B. 24. 8 


Th. IG. 5 


Sign. Sawal. m. ra. 
B. 23. 1 Th. 13. 6 


87. 41. 58.0. 
0,0717. 


594.2 
+ 10.0 


4- 584.3 


ei 

p 


B. 24. 8 


Th. 15. 2 


Sigu. Tjermai III. ni. ra. 
B. 19. 8. 3 Th. 10. 


85. 0. 3. 6. 
0,0710. 


1S78.9 
-1- 11.0 


4-1867.9 


•i 


B. 24. S 


Th. 14. 6 


Sign. Tjarennang. m. m. 
B. 24. 8 Th. 15. 


90. 5. 26. 1. 
0,08213. 


8.9 
4-8.3 


- 17.2 




B. 24. 8 


Th. 17. 


Heliotr. Soekatinggal. 

B. 26. 8. 5 Th. 19. 


92. 9. 4. 6. 
0,0858. 


698.4 
— 1.3 


- 697.1 




B. 24. 8 


Th. 15.2 


Sign. Soekatinggal. m. ra. 
B. 26. 8. 5 Th.19. 


92. 7. 7. 0. 
0,0796. 


687.3 
-f- 9.4 


- 696.7 


T! 23 1 


Th IG 


Sign. Tjendana. ra. m. 


92. 21. 0. 5. 


578.7 


— 5S5.2 








B. 24. 8 Th. 18. 4 


0,0755. 


4-6.5 




i 
^ 


B. 23. 1 


Th. 11.0 


Sign. Tjermai III. m. ra. 
B. 19.8 Th. 7.0 


88. 3. 13. 4. 
0,0775. 


1291.9 
+ 11.0 


4- 12S0.9 




i,]pm 




Sign. Tjermai I. ra. ra. 


88. 4. 57. 1. 


12SG. 3 


4-1275.3 






B. 19.8 Th. 7.0 


0,0775. 


4- 11.0 






B. 27. 7. 5 


Th. 21 2 


Sisjn. Soekatinggal. m. m. 


88. 38. 49. 0. 


258.9 


4- 249.5 


OT 






B. 2G.8. 5 Th. 19. 5 


0,0897. 


4-9.4 






B. 27. 7.5 


Th 24 S 


Sign. Kiarahandong. m. m. 


89. 32. 23. 6. 


1S7.0 


4- 175.8 


L^ 






B. 26.11 Th. 24.0 


0.0883. 


4- 11.2 




H 


B. 27. 7. ^ 


Th. 19. 2 


Sign. Sawal. m. ra. 


84. 52. 8. 3. 


1542.7 


4- 1532.7 


' 


B. 23. 1 Th. 13. 


0,0786. 


4- 10.0 




s 


B. 26. 11.1 


Th. 22. 4 


Sigu. Tjamics. ra. ui. 


90. 32. 51.1. 


163. 4 


— 1^5.5 


^ 

^ 

t 




B.27.7. 5 Th. 24. S 


0,0525. 


4- 12.1 





312 







- 








' 


Jgjii 


2 g 


Kantn 






C- ^J ^ ^ 


■T. S 






Zenith afstand 


-i Ei 1 


t; 5 


der ivaarneramgsplaats. 


Naam 




2^=- E 


■— i 


Barometer 


van het waargenomen voorwerp. 


en 




^ •" 








IS "^ ° "o 


" -^ 


in parduimeu en lijnen. 


Barometer en Thermometer. 




m a -i^ 


5- 






straalbuiginc;. 


9 et. :: cz 


" ^ , 


Ihcrmonicter in Eeaumiir. 








1 i 










iii 


ia 




B. 24. 8. Th. IS. 4. 


Sign. Tampoeiuas. h. p. 
B. 23.2. 5. Th. 15.0. 


89.° 18.' 51." 8 
0,0769. 


532. 7 
a+15.6 


+ 517.1 




13. 24. 9. Th. 20. S. 


Si'j;n. Tampoemas. h. p. 
B.^23. 3. Th. 15. 0. 


89. 19. 5. 0. 

0,0689. 


531.9 
4- 15.6 


+ 516.3 


ta 


B. 24. 9. Th. 14. 4. 


Sign. Sawal. h. p. 
B. 23.1. Th. 11.0. 


88. 26. 5. 8. 
0,0764. 


609.6 

-f- 10. 6 


+ 599.0 


1 


B.24.9. Th. 17- 5. 


Sian. Tjcrmai III. h. p. 
B.-19. 8. Th. 10.0. 


86. 29. 26. 2. 
0,0736. 


1896.6 
4-12.0 


+ 1884.6 


S- 


B. 24. 9. Th. IS. 0. 


Sisn. Salam. h. p. 
B.'25. 10. Th. 15. 2. 


90. 46. 27. 5. 
0,0691. 


387.2 
4^12.6 


— 399.8 




B. 24. 9. Th. 19. 2. 


Sisn. Gegerbehas. m. m. 
I5.''25. 3. Th. 20. 0. 


90. 25. 30. 7. 
0,0835. 


157.9 
-;- 10. 


— 167.9 




B.24.9. 2. Th.21.G. 


Sisn. Tjendana. krop. Sign. 
B. 25.0. 5. Th. 21.0. 


89. 58. 41. 2. 
0,0557. 


22.9 
.--. 5.8 


+ 17.1 




B.24.9. Th. 21.6. 


SiïB. Segara. h. p. 
15.25.3. Th. 23.0. 


90. 41. 7. 7. 
0,0750. 


207.4 
-;. 9.5 


— 216.9 


^ 


B. 28.3. 0. . Th. 19. 2. 


Sisn. Kromon. m. m. 
B. 26. 6. Th. 17. 0. 


87. 56. 5. 6. 
0,0848. 


585.0 
+ 5.0 


+ 5S0.0 




idem. 


Sign. Tjermai II. m. m. 
B.19. 8. Th. 10. 0. 


84. 47. 9. 9. 
0,0792. 


3027. 8 
+ 11.0 


+ 3016.8 


U 


B. 28. 3. 0. Th. 24. 0. 


Sijrn. P. ekkek. m. m. 
B.''26. 9. 5. Th. 20. 5. 


89. 12. 41. 5. 
0,1071. 


461.7 
+ 11.6 


+ 449.9 




B.2S.2.7. Th. 22.0. 


Sign. Tampoemas. h. p. 
B.23.2. Th. 12.0. 


88. 15. 8. 5. 
0,0786. 


1687.5 
+ 15.6 


+ 1G71.9 


c_h 


B.28. 2. 7. Th. 21.G. 


Sign. Segara. m. m. 
B. 25.3. Th. 19. 0. 


89. 5. ]3. 0. 
0,0935. 


952.8 
+ 9.5 


+ 943.3 




iJem 


Sign. Tjermai III. m. m. 
B. 19.8. Th. 8.0. 


86. 31. 25. 1. 
0,0752. 


3048. 6 
+ 11.0 


+ 3037.6 




iJem. 


Sign. Tjermai II. m. m. 
B.19. 8. Th. 8.0. 


86. 31. 52. 3. 
0,0752. 


3026. 5 
+ 11.0 


+ 3015.5 




. 


Sign. Kromon. m. m. 


88. 59. 35. 8. 


583. 3 


+ 578.3 




'■'""'• iB.26.6. Th. 17.0. 


0,0826. 


— 5.0 


s 


B. 28. 2. Th. 23. 2. 


Sisn. Tampoemas. h. p. 
B.^23. 2. Th. 14. 0. 


SS. 41. 46. 0. 
0,08008. 


1683.9 
+ 15.6 


+ 16G8.3 


tb 


B 28 2 Th "0 


Si^n. Tampoemas. h. p. 


88. 2. 51. S. 


1688.7 


-LTC73.1 


£ 




B. 23 3. Th. 15.0. 


0,0839. 


+ 15.6 






B. 28. 2. Th. 20. S. 


Heliotr. P. koelon. 

B. 27.4.5. Th.19. 0. 


89. 38. 5. 5. 
0,09016. 


280. 1 



+ 280.1 

! 



— :3-i3 









INÜ 


-2 '^ 


Naam 




Zeiiith alstand 






(Ier waamcmingsplaats. 


Naam 


en 


tm 


^-.a 


Barometer 


van het waargenomen voorwerp. 




_• ■> •- 


'^ 






ko efficiënt der 


^ - J^ 


^M 


in par. duimen en lijnen 


Barometer en Thermometer. 










straalbui-'iiiig. 


" r'o S ^ 


_ 1) 


Tliermometer in Ileamnur. 








> 








lU 


m 






Sign. Kromon. m. m. 


S9.°44.' 5 "0 


305 4 






15.27.4.5. Tli.20. 0. 


B. 26. 5. 5. Th. 19.0. 


0,097S. 


af 5.0 


4- 300.4 


o 

'S 


idem. 


Sia:n. Tjermai III. m. m. 
B.19. S. Th. CO. 


87. 4. 18. 7. 
0,07254 


2773. 1 
^11.0 


-J-2762.1 


.1 


idem. 


Si'j;n. Tjermai II. m. in. 
iCVJ. 8. Th. 6. 0. 


87. 7. 8. 5. 
0,07254. 


2749.9 
-i-11.0 


-.U2738.9 


fS 


B. 27.4. 5. Th. 22. 0. 


Sicrn. Tjnrennaiig. h. p. 
i;.'^24. 9. Th. 19. 0. 


89. 0. 52. G. 

0,0881. 


8SG. 
^ 8.3 


-;- 877.7 




B. 27.4. 5. Th. 22. 5. 


Hcliütr. Lüssarang. 

B.28. •-'. Th. 20. 8. 


90. 3G. 31.7. 
0,1078. 


283. G 



.;, 283.6 


i 


B. 23.3. Th. 13. 2. 


Helittr. Taugkoebanjirahoe. 
B. 22.3. Th. 12.0. 


89. 38. 2. 3. 
0,08599. 


340. 3 
— 1.3 


-!- 341.6 


S" 


B. 23. 3. Th.12. S. 


Si?ii. Tjai'cnnan?. m. m. 
B.'^24. 8. 5. ^ Th. 14. 5. 


90. 55. 55. 0. 
0,0893. 


512.6 


— 520.4 


H 


idem. 


Sisii. Tjcudana. m. ni. 
B.\'4.S. Th. 21. 5. 


90. 45. 28. 7. 
0,0G72. 


491.2 
+ 6.5 


— 497.7 


1 


B. 28.2. 9. Th. 17. G. 


Si^n. "Walled. m. m. 
B.'27.11.8. Th.17. 0. 


89. 45. 34. 7. 
0,1017. 

84. 49. 27. 5. 
0,0744. 


81. 
-;. 9.5 


-;- 71.5 


;| B. 27. 11.8. Til. 21.0. 


Sic;n. Tjermai II. m. m. 
nhd.S. Th. 8.0. 


5955.6 
4-11.0 


-1-2944.6 


^ 


1 idem. 


Siiin. Tjermai I. m. m. 
D.^19. 8. Th. 8. 0. 


84. 45. 14. 2. 
0,0744. 


2971.2 
-1-11.0 


+2960.2 



La. C. 



— U4> — 

BEPALING DER HOOGTE VAN DE ONDERSTAANDE 

PLAATSEN IN DE RESIDENTIE CHERIBON, 

BOVEN HET OPPERVLAK DER ZEE. 



Namen 


Il 


g t e 




der 


afgeleid uit 


volgens 


A a n m e r lei n g e n. 


punten. 


Zcnith- 


Barometer- 




* 


afstauden. 


waarnemingen. 




Cheribon. 


2™, 7 






Tjilartjang. 


3.4 


„ 




Lossarang. 


4.0 


„ 




Pangerangan. 


4.7 


„ 




G egessieklor. 


5.1 


„ 




Losari. 


5.7 


„ 




])jatibarang. 


6.5 


„ 




Indramajoe. 


9.8 


, 




Walled. 


(1.2 


74,,,, 3 




"Madjalenglca. 


144.2 


137.1 




Tjawl. 


223.6 


224.8 


Tc Tjawi. Tjiamies en Koeningan is de 


Tjiamies. 


228. 6 


194.3 


barometer niet bij het signaal afgelezen, maar 


Passierkoelon. 


284.4 


289.0 


op eerstgenoemde plaats iu de passangrahan , 


KiarabandoDg. 


405.4 


376.6 


op de beide laatstgenoemde in de llegentswo- 


Passierekkek. 


460.4 


462.6 


ning aldaar. De passangrahan te Tjawi ligt 


Soekatinggal. 


47S.1 


460.6 


nagenoeg 11 ellen, de regentswoning te Koe- 


Kocningan. 


531.7 


521.6 


ningan 13 ellen en die te Tjiamies 15 ellen 


ICromon. 


584.9 


541.0 


lager dan de as van het instrument onder of 


Pass'ersalam. 


758.5 


756.S 


nabij het signaal. 


Sitoegedeh. 


849.0 


" 




Segara 


946.2 


951.2 




Gegerbclias. 


994.6 


95S.4 




Tjarennang. 


1160.5 


1132.0 




Tjendana. 


1176.7 


1138.1 




Tampocmas. 


1678.1 


1698.3 




Sawal. 


1761.3 


1715.3 




Tangkoebanpralioe. 


2019.7 


2053.0 




Tjermai 11. 


3022.0 






Tjermai I. 


3037.3 


„ 




Tjermai III. 


3044.0 


3059.9 





TWEEDE BIJDIiAGE 



TOT DE KEXNIS DER 



ICIITIIYOLOGISCHE FAUNA 



VAN HET EILA.ND 



B I N T A N G, 



P. IS Ei E K H. E R. 



Thans vier jaren geleden was ik in de gelegenheid, cenc 
eerste bijdrage te geven tot de kennis der vischfauna van 
het eiland Bintang (1). Ik heb toen een 73-tal soorten (2) 
van dat eiland doen kennen. Mijn vriend , de heer G. F. 
De Bruijn Kops, luitenant ter zee der 1*^ klasse, in do 
wetenschap bekend door zijne Bijdragen tot de kennis van 
Nieuw Guinea en Bintang en over de Inlandsche Scheepvaart 



(1) Bijdrage tot de kennis der iclithyoIogiscLc fauna van Kiouvr, opgenomen 
in het 2' deel van het Ts'^atuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Tndië (1S51), 

(2) In de in bedoelde bijdrage gegevene lijst zijn 74 soorten (No. 44 is daar 
overgesprongen) vermeld, doch later is mij gebleken, dat Tetraödon Kunhardtii 
Blkr en Tetraödon aspilos Blkr tot eene zelfde soort behooren en dat deze soort 
vrij zeker behoort te worden gebragt tot Tetraödon scaber Eyd. Soul. , afgebeeld 
in de Zoölogie der reis van de Bonite, waarom ik haar thans noem Arothrcn 
'■•caber. 



— 34.0 — 

dezer gewesten , aan wien ik de bovenbedoelde vissclien 
te danken had, lieeft mij zijne vriendelijke tussclienkomst 
verleend bij den heer Walbeehm, adsistent resident van 
lliouw , om op nieuw eene verzameling visschen van daar 
te erlangen.' De heer Walbeehm heeft met de meeste wel- 
willendheid daaraan voldaan , zoodat ik mij in de laatste maan- 
den in het bezit zag gesteld van eenige verzamelingen van 
Riouwsche visschen , bevattende de hieronder genoemde 102 
soorten. De heer Walbeehm heeft mij tevens in de gele- 
genheid gesteld van de meeste soorten de maleische namen , 
waaronder zij te Riouw bekend zijn , daarbij te voegen. 

1 * Ambassis Dussumierii CV Siridinrj Mal. 

2 f Serranus boenaek CV Krapoe seminja Mal. 

3 )' crapao CV Krapoe Mal. 

4 * Serraniclitliys altivelis Blkr Krapoe Icetang Mal. 

5* INIesoprion annularis CV. 

6 » chiysotaenia Blkr. 

7 * )) fulviflamma Blkr Tanda Mal. 

8 ') Jolinü CV Sisee et Tanda sinrjoerot Mal. 

9 * Tlicrapon Cuvieri Blkr Kerong kerong Mal. 

10* Holocentnim oriëntale CV Era era en Kadera INIal. 

11 Sillago malabarica Cuv Boelosboelos Mal. 

12 Spliyraena jello CV Aloealoe Mal. 

13* Polyneraus indicus Sliaw Koerau Jiitam Mal. 

14 !) tetradactylus CV Koerau poetlh Mal. 

15* Upcneoïdes siilpluireus Blkr Bidjinangka Mal. 

16 » variegatus Blkr Bidjinangka Mal. 

17* Platyceplialus bobossok Blkr Badjibadji Mal. 

18* " insidiator BI. Sclm. .Badjibadji Mal. 

19 )) isacanthus CV Badjibadji hocaja J\Ial. 

20 * ApistLis tracliinoïdes CV Ketoe Mal. 

21 * Synanceia horrida CV Lepoe Mal. 

22* Otolithus macroplitlialmus Blkr Goelama Mal. 

23 * Umbrina Kuhlii CV. Goelama Mal. 

24* Pristiporaa nageb Rüpp Grotgrot ]\ïal. 

25 Diacramma punctatnm Ehr Besilco , Domorl en Bist 

Mal. 
26* Tlctero^nathodon bifusciatus Blkr, .. Andjong andjong Mal. 



— 3i7 — 

■n * Poutapus sctosus CV Euipasee JNlal. 

26 Chrysoplnys calamara CV Bekoekoe Mal. 

29 Caesio erytlirogaster K. v. H Delah Mal. 

30 * Gerres abbreviatus Blkr Kapas kapas Mal, 

31 ') kapas Blkr Tetema Mal. 

32 * Cliaetodon oligacantlius Blkr Selayar Mal. 

33 Chelmou rostratus CV Kecloembali INIal. 

34* Drepaue puiictata CV Lapit basoiij Mal. 

35 Scatopliagiis argus CV Ketaivj Mal. 

36* Platax batavianus CV Toedjowj ijrio Mal. 

37* n vespertllio CV. 

38 * Psettus rliombeus CV Bdwcd sisee IMal. 

o6* Toxotes jaculator CV Semjoempit Mal. 

40* Anabas scandens CV Poeijo poeijo Mal. 

41 * Scomber loo CV Kemhowj IMal. 

42* Cliorinemus Commersonianus CV. .. Talcmj Mal. 

43 * Elacate mottah CV Boedjo Mal. 

44* Megalaspis Rottleri Blkr Selehoor Mal. 

45 Carangoïdes gallichthys Blkr Tjevmln Mal. 

46 * Selar Kuhlü Blkr Selar Mal. 

47 Guathanodon speclosus Blkr Bcdnj blanj Mal. 

48* Stromateoïdes cinereus Blkr Bawal pioetih Mal. 

49 Equula filigera CV Kiki Mal. 

50 * Ampliacaiitlius giittatus CV Lebam Mal. 

51 )) javus CV Dinkis Mal. 

52 * ') virgatus CV Lambaij INIal. 

53 ]\lagll coeruleomaculatus Lac Blana jjoctlh Mal. 

54 * )) liielauochir K. v. H Rapanrj Mal. 

55 * " suodanensis Blkr Blana bakom Mal. 

56 Atliörlna duodecimalis CV Rinjaiia Mal. 

57* Gobius puutangoïdes Blkr Bloekaiig Mal. 

58 * Trijpauchca vagina CV Antja Mal. 

59 * Eleotris melanopterus Blkr Blonsanj jMal. 

60 * Philypiius ocellicauda Kiclids. ^ Plii- 

lypnus opliicephalus Blkr. . . Belonto Mal. 

61 * Ecbeneis neuerates L Gemi Mal. 

62* Batraclius grunniens CV Teko en Koko Mal. 

63 Anteunarius uroplitlialmus Blkr. . . . Lepoe kardiuj Mal. 

6)1* Giijphisodon bengalensis CV. 

65* Co3sy])])US macro don Blkr Toka Mal, 



— SIS — 

66* Tautoga melapterus CV Koplh Mal. 

67 Crenilabrus oligacantlius Blkr Semetjo Mal. 

68 * Plotosus albilabris CV SemUlamj karang Mal. 

69 * » anguillaris Cuv Oesat Mal. [Mal 

70 Arius nasutus CV •, . . . .DoeripadiQn Doeri oetee 

71 » manjong Blkr Doeri majong INIal. 

72 * Belone leiurus Blkr Toda pcdjxt Mal. 

73 Hemiramplius Quoyi CV Poepoot Mal. 

74 Chirocentrus dorab CV Parang parang Mal. 

75* Megalops indicus CV Bandang ajertmoar'^l.&X. 

76 * Dussumieria elopsoïdes Blkr. . 

77* Sardinella clupeoïdes Blkr Ikan Tiram Mal. 

78 * Pellona Russelli Blkr Belia mata Mal. 

79 Spratella kowala Blkr Tamban Mal. 

80* Alaiisa macrurus Blkr , . . Troeho Mal. 

81 * Engraulis Brownii CV Bilies Mal. 

82 " Grayi Blkr Tempinies Mal. 

83 Saui-ida tombil CV Belanko Mal. 

84 * Rhombus lentiginosus Riclids Sebla IMal. 

85* Solea maculata CV. 

86 Plagusia Kopsii Blkr Lida lida Mal. 

87* Conger bagio Caut Malong Mal. 

88* Monopterus javaneasLs Lac Belat Mal. 

89 * Arotliron kappa Blkr Boental rncis Mal. 

90 » scaber Blkr Boental perpot Mal. 

91* » testudineus J. Müll Boental doeri Mal. 

02 Mouacantluis geograpliicus Cuv. . . . Bebarat INIal. 

93 Triacantlius oxyceplialus Blkr. . . . Toenjang langiet Mal. 

94 * Osti-acion cornutus L Koeda laiout Mal. 

95 * Solenognatlius Blocliii Blkr Oendo Mal. 

96 * Hippocampus kuda Blkr Oendo oendo Mal. 

97 * Cliiloscyliiiim tuberculatum MH. . . Joe hodok Mal. 
98* Carcharias (Scoliodon) Walbeehmi 

Blkr. . . . Joe djoedjoor Mal. 
99 * Trygon dadong Blkr Pari dadong Mal. 

100 * » zugei ■ MH Pari ontjit Mal. 

101 * » Kuhlii IMH Pari dadong Mal. 

102 * Myliobatis Nieuliof ii MH Pari lang Mal. 

69 dezer soorten, de met een * gemerkte, zyn nieuw voor 



— 349 — 

de kennis der fauna van Bintang. Slechts 2 daarvan, beide 
Plagiostomen , waren in de wetenschap nog onbekend t. w. 
Carcharias [Scoliodon) IFalheehmi , en Trijgon dadong , welker 
beschrijnngen hieronder volgen Ik ken alzoo thans 142 
vischsoorten van de wateren van Bintang t. w, 

* 1 Psammoperca waigleusis Blkr ]=i Labrax waigieusis CV. Na- 

tuurk. Tijdschr. voor Ned. Ind. II p. 479. 

2 Ambassis Dussumierü CV., Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 

3 Apogou Cantoris Blkr, Nat. T. Ned. Ind. II p. 479. 

4 Serranus boenack CV., Vcrli. Batav. Gen. XXII Perc. 

* 5 )) crapao CV., ibid. 

* G Serraniclithys altivelis BIki' t=: Serranus altivelis K. v. H. il>. 

* 7 Mesopriou annularis CV., ibid. 

* 8 .) chrysotaenia Blkr, Nat. T. N. Ind. Il p. 170. 

9 n iulviflamma Blkr, Nat. T. Ned. Ind. III p. 553. 

10 !) Jolinii CV. !=: Mesoprion unimaculatus Blkr, Verli. 

Bat. Gen. XXII Perc. 

11 )i monostigma CV., ibid. 

* 12 Myriodon scorpaeuoïdes Bris. de Barn. , Nat. T. N. Ind. Il 

p. 480. 
13 Therapon Cuvieri Blkr, ibid. VI p. 211. 

* 14 » puta CV. t: Therapon ghebul Ehr. , Verh. B. Gen. 

XXII Perc. 

15 )) quadrilineatus CV., ibid. VI p. 211. 

*16 Helotes sexlineatus CV., Nat. T. N. Ind. II p. 171. 
*17 Holocentrum oriëntale CV., Verh. Bat. Gen. XXII Perc. 
*18 Sphyraena jello CV., ib. XXVI Sphyr. 

19 vSillago maculata CV., ib. XXII Perc. 

* 20 ') malabarica Cuv. 1=^ Sillago acuta CV. , ib. 

* 21 Polynemus indicus Shaw, N. T. N. Ind. VII p. 427 
*22 .. tetradactyhis CV., V. B. G. XXII Perc. 

* 23 Upeneoïdes sulphureus Blkr. 

* 24 " variegatus Blkr , ibid. 

25 Platycephalus bobossok Blkr, Nat. T. N. Ind. IV p. 461. 

26 1) insidiator BI. Schn. Verh. B. Gen. XXII Scler. 
X. 23 



— 350 — 

* 27 Pliitycophalus isacantlms CV., Nat. T. N. Ind. II p. 481, III p 63. 

* 28 Apistus tracliinokles CV., Verli. Bat. Gen. XXII Sclerop. 

29 Synanceia liorrida CV. , ibid. 

30 Otolitlius macro plitlialiiius Bikr, ibid. XX III Sciaen. 

31 Umbrina Kuhlü CV., ibid. 

32 Pristopoma liasta CV., ibid. 
*.33 " nageb CV., ibid. 

*34 Diagi-amma punetatum Ebr. , ibid. 

* 35 Lübotes erate CV., ibid. 

* 3G Scolopsides monogramma K. v. H. , ibid. 

* 37 Heterognatbodon bifasciatus Blkr, ibid. 

*38 Pentapus setosus CV., Nat. T. N. Ind. II p. 175. 

39 Cbrysophry.s calamara CV., Verh. Bat. Gen. XXIII Spar. 

40 Lethrinus opercularis CV., ibid. 

*41 Caesio erytbrogaster K. v. H., ibid. XXIII Maen. 

42 Gerres abbreviatus Blkr, ib. , Nat. T. N. Ind. I p. 103. 

43 » kapas Blkr, Nat. T. N. Ind. II p. 482. 

44 » poetie CV., Verh. Bat. Gen. XXIII Maen. 

45 Cbaetodon oligacantlius Blkr, ibid. XXIII Cliaot. 

* 46 Chelmon rostratus CV., ibid. 

* 47 Drepane puuctata CV., ibid. 

* 48 Scatopbagus argus CV., ibid. 
49 Platax batavianus CV., ibid. 

* 50 » teira CV, , ibid, 

* 51 " ve.spertilio Cuv,t::i Platax Blochii CV., ibid. 

* 52 Psettus rliombeus CV. , ibid. 

* 53 Toxotes jaculator CV., ibid. 

54 Anabas .scandens CV, ibid. XXIII Doolh. Kiemv. 

55 Scornber loo CV. ib. XXIV Makr. 

* 56 Cboriaemus Commersonianu.s CV. , ibid. 

* 57 » Sancti Petri CV. , ibid. 

* 58 Elacate mottah C V. , i=: Elacate bivittala CV., ibid. 

* 59 Trichiurus baumela CV. , ibid. 

* 60 )' savala CV. , ibid. 

* 01 Megalaspis Rottleri Blkr, ibid. 

M;2 öelar Kublü Blkr, ib. N. T. Ntd. I. I p. 360. 



— 351 — 

G3 SeLir malam Blkv, V. B. G. XXTV ?.Iakr, 

* G4 Carangoïdes galliclithys Blkr, ibid. 
G5 )) praeüstus Blkr, ibid. 

* 06 Gnatbanodon speciosus Blkr, ibid. 

* C7 Stromateoïdes cinereus Blkr, ihu]. 
*68 Equula filigera CV., ibid. 

* 69 Gazza tapeinosoma Bllcr !=:Gazza minuta Blkr ex parte. Xat. 

T. N. Ind. IV p. 260. 
*70 Amphacantlius guttatus CV., Verh. B. Gen. XXIII Teutb. 

* 71 " javus CV. , ibid. 

72 » Kopsii Blkr, Nat. T. N. Ind. II p. 48:3. 
*73 » virgatas CV, Verb. B. G. XXIII Teutb. 

74 Mugil borneënsis Blkr, N. T. N. Ind. II p. 201. 

75 ') coeruleomaculatus Lac. , ibid. II p. 485. 

76 )) melanocbir K. v. H. , ibid. III p. 423. 

77 n sundanensis Blkr, ibid. IV p. 265. 

78 Atberina duodecimalis CV., ibid. II p. 485. 

79 Gobius caninus CV., Verh. Bat. Gen. XXII Gob. 

80 " puntang Blkr, Nat. T. N. Ind. II p. 486. 

81 " pnntangoïdes Blkr, ibid. V p. 242. 

82 Trypauclien vagina CV. Verb. B. Gen. XXII Gob. 

83 Eleotrl? melanopteru.s Blkr, Nat. T. N. Ind. III p. 706. 

84 Pbilypnus ocellic'auda Ricbd.s. :=i Pbilypnus opbicepbalu?! Blkr. 

Verb. Bat. Gen. XXII Gob. 

* 85 Ecbeneis neucrates L. Verh. Bat. Gen. XXH'' Chirop. etc. 
*86 Batraclm.s grunniens CV, Nat. T. N. Ind. II p. 487. 

87 Antennarius nropbthalmus Blkr =: Chironectes candlraacula- 
tus Richds. (nee Rüpp.), ib. II p. 488. 

* 88 Glijphisodon bengalensis CV. Verh. B. G. XXI Kamscb. Lain-, 
*89 Cos,syphu3 macrodon Blkr, V. B. G. XXII GIa<l.scli. Lipv. 

* 90 Tautoga melapterus CV., ibid. 

*91 Crenilabrus oligacanthus Blkr, ibid. II p. 489. * 

* 92 Arlus manjong Blkr :::; Arius macruropterygius Blkr, Verb. 

Bat. Gen. XXI Sllur. 

93 » nasutus CV. :::: Bagrus rbodonotu? Blkr , ibid. 

94 )» tonigol Blkr, ibid. 



■'95 Plotosus albilabris CV., Nat. T. N. Intl. III p. 70. 

•JG " castaneoïdes Blkr, ibid. II p. 490. 
*97 )) angviillaris Cuv. t=: Plotosus liaeatus CV. Vcrli. P.al. 
Gen. XXI Silur. 

* 98 Belone caudimacula Cuv. , ibid. XXIV Snoek. 
99 )) ' cylindrica Blkr, ibid. 

100 » leiurus Blkr, ibid., N. T. N. Ind. I p. 94. 

101 Henlirainplius Gaimardi CV., V. B. G. XXIV Snoek. 

102 )) melanurus CV., ibid. 

*103 ') Quoyi CV.? Nat. T. Ned. Ind. II p. 491. 

* 104 Chirocentrus dorab CV. , Verh. Bat. Gen. XXIV Cliir. 

105 Megalops indicus CV., ibid. 

106 Dussumieria elopsoïdes Blkr , ibid., Nat. T. N. Ind, lp. 421. 

107 Sardinella clupeoïdes Blkr, Verli. Bat. Gen. XXIV Har. 

* 108 Pellona Russelli Blkr, ibid. 

109 Spratella kowala Blkr, ibid. Nat T. N. Ind. II p. 491. 

110 Alausa macrurus Blkr, Vorb. Bat. Gen. XXIV Har. 
*111 Engraulis Brownii CV, ibid. XXIV Har. 

112 » Grayi Blkr, ibid., N. T. N. Ind. II p.. 492. 

113 » Russelli Blkr, Verh. B. G. XXIV Har. 

114 Cliatoessus cbacunda CV., ibid. 

*115 Saiirida tombil CV., ibid. XXIV Chiroc. 

* 116 Hippoglossus erumei Cuv., ibid. XXIV Pleuron. 

117 Rhombus lentiginosus Riclids. , ibid. 

118 Synaptura pan Blkr, Nat. T. N. Ind. I p. 410. 

119 Solea maculata Cuv., Verh. Bat. Gen. XXIV Pleur. 

120 Plagusia Kopsii Blkr, Nat. T. N. Ind. II p. 494. 

*121 » quadrilineata K. v. H., Verh. B. Gen. XXIV Pleur. 

* 122 Conger bagio Cant., ibid. XXV Muraen. 

123 Monopterus javanensis Lac, ibid. 

124 Arothron kappa Blkr !=: Tetraödon kappa Blkr, ib. XXIV 

Blootk. 

* 125 )) scaber Blkr t=: Tetraödon scaber Eyd. Soul. !=: Tetraö- 

don Kunhardtii Blkr t=: Tetraödon aspilos Blkr , ib. 
Nat. T. N. Ind. II p. 495, V. B. G. XXIV Balist. 

* 12G j' testudineus J. Müll. 1=: Tetraödon testudincus BI., 

ibid. XX TV Blootkak. 



127 Ga.stropliysus oblongvis BI., ibid. 

* 128 Monacantlius geograplücus Cuv. , ib'nl. XXIV Baltst. 

129 Triacanthus Nieubofü Blkr, ib., Nat. T. N. Ind. III 450. 

130 )) oxycepbalus Blkr, ibid. ibid. Il p. 40G. 

* 131 Pogonognatbus barbatus Blkr, Verb. B. Gen. XXIV Bloolk. 

* 132 Ostraclon cornutiis L. , ibid. XXIV 0.strac. 

* 133 Solenogiiatbus Blocbii Blkr , ibid. XXV Trosk. visscb. 
*131 Hippocampus kiida Blkr, ibid. 

135 Chiloscyllium punctatum MH. , ibid. XXIV Plagiost. 
13G )) tuberculatum HM., ibid. 

* 137 Carcbarlas (Scoliodon) acutus IMII. , ibid. 

138 )) ( .) ) Walbeelimi Blkr, Nat. T.N. Ind. Xp. 353. 

139 Trygon dadong Blkr, Nat. T. N. Ind. X p. 355. 

140 n Kulilii MH., Verli. Bat. Gen. XXIV Plagïo.st. 

141 » Zugei MH., ibid. 

142 JNIyliobatis Niouliofii MH. , ibid. 

Van het nabij Bintang gelegene Singapore zijn 195 viscli- 
soorten bekend, welke ik in eene Bijdrage tot de kennis 
der ichthyologisclie fauna van Singapore (Xat. Tijdsclir. Ned. 
Ind. Dl. III p. 51 — 8(3) heb opgesomd. De in boven- 
staande lijst met een * voor de nummers gemerkte soor- 
te, ten getale van 72, zijn ook reeds van Singapore be- 
kend, do overige niet, zoodat het geheel onzer tegenwoor- 
dige kennis van de vischfauna dor wateren van Bintang en 
Singapore 2G4 soorten omvat. 

CARCHAlilAE. 



Carcharias (Scoliodon) Walbeelimi Blkr. 

Carch. (Scoliod.) corpore elongato compresso, altitudine 9!? eir- 
citer in cjus longitudiue; capite acuto G^ circiter in longltudine 
corporis, multo latiore quani alto; oculis dianietro 3 circiter in 



— 354 — 

longitudine rostri; pupilla, ovali verticali; rostro' aciito parte pi-ae- 
orali rictus latltudine multo longiore; naribus rostri apici plus 
qnani angulo oris approximatis , valvula trigona yalde conspicua; 
riotu valde curvato, paulo breviore quam lato; dentibus maxillis 
edeutulis obliquis curvatLs basi processu lato glabro munitis; 
maxilla superiore dente medio impari parvo recto; angulo oris 
sulcis lablo superiore et inferiore aequalibus oculo minus duplo 
brevloribus; poris supra angulum oris pluribus valde conspicuis 
in seriem longitudinalera obliquam dispositis; poris postocularlbus 
ansam latam , poris interocularibus annulum ovalem efficientibus ; 
spiraculo postico supra pinnas pectorales sito; linea laterall valde 
conspicua, ramosa, cauda flexuosa; pinna dorsali 1* medio circi- 
tor plunas pectorales inter et ventrales sita, basi paulo breviore 
quam alfa, emarginata, apice acuta parum rotundata, postice acu- 
tlssima; dorsali 2" basi dorsali 1* quadruplo circiter et anali du- 
plo cirtiter breviore, fere tota post pinnam analem sita, parum 
emarginata, postice acutissima; pinnis pectoralibiis multo longio- 
ribus quam latis, emarginatis, apice acute rotundatis; ventrali- 
bus oblique quadratis pectoralibus plus duplo brevioribus, vix 
vel non emarginatis, angulis vix rotundatis; anali antics minus 
duplo liurailiore quam basi longa, emarginata, antice acute rotun- 
data, postice acutissima; caudali 3|- fere in longitudine corporis, 
lobo posteriore oblique emarginato lobo anteriore plus duplo bi'e- 
viore, lobo anteriore valde emarginato antice longitudine totius 
pinnae quadruplo fere liumiliore acute rotundato; corpore superne 
cupreo-coerulescente , inferne albo; pinnis verticalibus coerulescen- 
te-grlsels, dorsalibus antice, caudali medio superne et inferne 
fusco raarginatis; pinnis pectoralibus superne coerulescente-grisels 
inferne dilutioribus ; ventrallbus analique griseo-margaritaceis. 

Svnon. Ju djiijoor jNIal. Bint. 

Habit. RIo, Bintang insulae, in marl. 

Longitudo speciminis unicl femlnini 453.'" 

Aanm. Deze Cnrcliarias is het naaste verwant aan Car- 
chavias (^Scollodon) macrorhijncJiOs Blkr, welke er echter 
van verschilt door hooger ligchaam , grooteren kop, door 
den stand der neiiso-aten in het midelen tuf-schen snuiteinde 



— 355 — 

en beklioek , zeer korte bovenlii^groevcn , weinig zigtbare 
oiigetakte zijlijn, plaatsing der rugvin veel nader bij de 
buikvinnen dan bij de borstvinnen , langere aarsvin , kortere 
staar tvin , enz. Ik noem de bovenbcsclirevene soort ter 
eerc van den heer Waf.beeilm , aan wien hare ontdekking 
te danken is. 

TKIJGONEt;. 

Irijgon dadomj 131kr. 

Tryg. corpore disciformi, disco paulo tantum longiore quam 
lato , antice valde acute , linea rostro-pcctorali concava ; capita 
longitudine 2| ad 2\ in latitudinc disci maxima; rostro acuto 3^ 
circiter in latitudine disci, superue medio sulco longitudinali lato 
postice quam antice multo latiore; oculis diametro 4 circiter in 
longitudine rostri, diametro 1^ ad 1^ distantibus; foraminibus 
temporalibus oculis miiioriI)us; valvulis uarlum antcrioribus ric- 
tum non attlugentibus , marginlbus integris; rictu uudulato latitu- 
dine longitudine rostri praeorall triplo circiter brevlorc; dcntlbus 
maxillis obtusis; velo postmaxillari superiore fimbriato; fundo 
cavltatis oris papillato; dorso modio squamulls graniformibus plu- 
rlserlatis In vittam gracilem dispositls scabro, regione scabra an- 
tice usque ad rostrum postice usque ad spinam caudalem posti- 
cam sese extendente, nuclia autem granulis parcissimis; cauda 
parte libera disco corporis vlx breviore, vestlglo pinnae nuUo, 
postice ante apicem tumidula carinata, apice gracili, supcrne»ad 
basin spiuis 5 vel 6 glabrls et post eas spinis 2 longissimis pla- 
nls latcribus serratis; coloro corpore superne cupreo-olivaceo , in- 
ferne albido. 

8ynou. Pari dadong Mal. Bint. 

Ilablt. RIo, Bintaug insulae, In marl. 

Longltudo specimluis uuici feminiai 1C3.'" 

Aanm. Deze soort is na verwant aan Trijijoii kelerurus 
Blkr, doch onderscheidt er zich voldoende van, doordien bij 



— 350 — 

Trygon heteritrus, bij voorwerpen van gelijke grootte, de 
rug met een 3 tot 4 maal breeder korrelig scluld is be- 
dekt , de kop en snuit met betrekking tot de schijf des lig- 
cliaams langer zijn, de oogen kleiner, de snuitborstlijn 
lioUcr is , de staart achter de lange doornen minder opge- 
zwollen , enz. 

Scripsi Batavia Calendis Novemhris et Decernhris MDCCCLv, 



ZEVENDE BIJDEAGE 



TOT DE KENNIS DEK 



ICHTHYOLOGISCHE FAUNA 



T E E N A T E (i). 

DOOR 
P. B li K K H. E R. 



Tijdens eene reis, onlangs gedaan naar de Moluksche 
eilanden in het gevolg van den gouverneur generaal van 
Nederlandsch Indië Mr. A. J. Duijmaer van Twist, heb 
ik het geluk gehad rijke verzamelingen van verschillende 
eilanden van den Molukschen Archipel te kunnen opdoen. 
Deze bijdrage het eerste resultaat zijnde mijner wetenschap- 
pelijke nasporingen tijdens die reis, is het mij eene aange- 



(1) Mijne vorige bijdragen betrekkelijk dit onderwerp zijn te vinden als volgt. 
Bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Ternate. Natuurk. Tijdschr. 

van Ned. Indië. IV 1853 p. 131—140. 
Nieuwe bijdrage tot de kennis der ichtbyologiscbe fauna van Ternate en Hal- 

maheira (Gilolo), ibid. IV p. 593—610. 
Diagramma haematocbir , eene nieuwe soort van Ternate, ibid. VI. 1854 p. 175- 

176. 
Iets over visscben levende in zeesterren en over eene nieuwe soort van Oxybelcs. 

ibid. VII 1854 p. 162, 1C3. 
Vijfde bijdrage tot de kennis der ichthyologische fauna van Ternate, ibid. VIII, 

1855 p. 395—328. 
Over eenige nieuwe visschen van Ternate, ibid. IX 1833 p. 155. 

X. 24 



— 358 — 

name taak hier openlijk mijne hulde en de betuiging mij- 
ner erkentelijkheid te brengen aan den heere Mr. A. J. 
DuiJMAER VAN Twist voor de belangstelling, -waarmede 
hij mijne studiën heeft gadegeslagen en de voortreffelijke 
gelegenheid, waarin hij mij wel heeft willen stellen , om de 
reis vruchtbaar te doen zijn voor de wetenschap. Van vele 
eilanden, van noordelijk Celebes, Ternate, Batjan , Boeroe, 
Amboina , Saparoea en Banda heb ik meerdere honderden 
vischsoorten medegebragt, waarvan vele nog niet van die 
eilanden en vele ook nog niet in de wetenschap bekend 
-waren. Ik hoop die verzamelingen achtereenvolgens te bewer- 
ken en de resultaten mijner nasporingen ten deze aan het 
wetenschappelijke publiek mede te deelen. 

Deze bijdrage handelt uitsluitend over de vischfauna van 
Ternate. Reeds kende ik van daar een 151-tal vischsoor- 
soorten, totdat ik het eiland zelf bezocht. Het was te 
vermoeden , dat er nog een' rijken oogst zou zijn te maken. 
En inderdaad, niettegenstaande ik slechts een drietal dagen 
te Ternate heb doorgebragt, dagen welke slechts voor een 
zeer gering gedeelte aan ichthyologische nasporingen kon- 
den worden gewijd, gelukte het mij er 133 vischsoorten bij- 
een te brengen. Deze visschen zag ik slechts voor een ge- 
ring aantal op de markt te Ternate, waar slechts weinige 
soorten en in geringe hoeveelheid werden te koop gebragt. 
Een rijken buit maakte ik echter tijdens de ebbe, op de ko- 
raalriffien , welke zich A-oor de hoofdplaats in zee uitstrek- 
ken , en vrij talrijke soorten ook werd ik meester tijdens een 
vischpartijtje met een treknet, waartoe de heer Van Dui- 
VENBODE, een zeer kundig en A'erdienstelijk ingezetene van 
Ternate , mij wel had willen uitnoodigen. Van de vissctien , 
op de markt gekocht, heb ik de namen kunnen aanteekenen , 
waaronder zij te Ternate bekend zijn. Ten opzigte der overige 
visschen ontbrak mij daartoe de tijd en de aanwezigheid van 
deskundige personen. 

Het resultaat van mijne weinige dagen verblijf mogt ik 



— 359 — 

zeer bevredigend noemen. Van de 133 soorten daar opge- 
daan , zijn niet minder dan 82 nieuw voor de kennis der 
visclifauna van Ternate , 26 nieuw voor de kennis der Mo- 
luksche wateren en 8 nieuw voor de wetenschap. 
De bedoelde soorten zijn de volgende: 

Species piscium ternatenses quas in itinere per ArclnpelacjJim 
Moluccense ohservavit P. Bleeker. 

1* Apogon bandanensis Blkr. 

2* i) fraenatus Val. 

3* » Hartzfeldii Blkr. 

4* )i Hoevenii Blkr. 

5* I) hypselonotus Blkr. 

G* I) uovemfasciatus CV. 

7 * Apogonichthys gracilis Blkr 7=^ Djalufu Teru. 

8* Serranus alboguttatus CV. 

9 * I) guttatus CV. ;=; Gorojya nussit merang Teru. 

10 )) hexagonatus CV. n^ Goropa hahintang Tern. 

11 )> liprridus K. v. H. ;=! Goropa rota Tern. 

12 i> niarginalis CV. 

13 ') leucogrammiciis Rwdt izj Kokofa Tern. 

14 j) spllurus CV. 

15 » punctulatus CV. ns Goropa mejrah Tern. 
IG * )) urodelus CV. irj Niku madodera Tern. 
17 IMesoprion amboinensis Blkr. 

18* » bottonensis Blkr. 

19 » lulviflamma Blkr. ■^ Gorara faro Tern. 

20 * » marginatus Blkr. ;n Gadja kuning Tern. 

21 )) ■ monostigma Blkr. 

22 * » octolineatus Blkr. ;=; Gorara tikus Tern. 
23* » Russellii Blkr. 

24* '> vitta Blkr. 

25* Holoceutinim punctatissimum CV. 

26 1) sammara CV. 

27* Percis cylindrica CV. 

28* Sphyraena langsar Blkr. •:^ Sagalu Tern. 

29 >i obtusata CV. ^ Sagalu Tern. 



— 3G0 — 

30 * Upeneus barberinns CV. iz- BidjinangJca. Tem. 
ol » triftisciatus CV. pi Bidji?iangJca Tera. 

32 * Upeneoïdes variegatus Blkr nn Bidjinangka Tern. 

33 MuUoïdes flavolineatus Blkr. in Bidjinangha Tei-n. 
34* Scorpaena polylepis Blki\ 

35* Scolopsides liueatus QG. ;=! Sisidemo Tern. 

36 )' monogramma K. v. H. 

37* Diagramma lineatiim CV. 

38* Letlirinus ornatus CV. ;=j Gotila Tern. 

39 * 1) rliodopterus Blkr. p:^ Gotila Tern. 

40 * Caesio chrysozonus K. v. H. ;=; Lolossi Tern. 

41 » coerulaureus Lac. 

42* 1) pisang Blkr ;:^ Lolossi mejrah Tern. 

43 * ') gymnopterus Blkr. ;r) Lolossi biru Tern. 

44 Cliactodon citrinellus Brouss. 

45 )j dorsalis Rwdt. ;=: Kalibobo Tern. 
46* » nesogallicus CV. 

47 1» princeps CV. 

48 » virescens CV. ;=i Kalibobo Teru. 

49 » vagabundus BI. 

50 » vittatus BI. ;=! Kalibobo Tern. 

51 Zanclus eornutus CV. 

52 Holacantlius Vrolikii Blkr. 
53* Chorinemus toloo CV. 

54 Selar boöps Blkr ^ Otji Tern. 

55 " torvus Blkr ^ Noru Tern. 

56 * Caranx ekala CV. ^ Bobara Tern. 

57 )) Forsteri CV. ;rj Bobara Tern. 
58* Ampliacantlius margarltiferus CV. 

59 * » marmoratus CV. ^ C^/jt Tern. 

60* Acanthurus celebicus Blkr. 

61 » matoïdes CV. ^^ Goiannali Tern. 

62 » strigosus Benn. 

63 " triostegus Cuv. 
64* Naseus amboinensis Blkr. 
65* )) annulatus Blkr. 

66 Atherina duodecimalis CV. ;=i KajKda batu Tern. 

67 Petroskirtes Temmluckii Blkr ;=! Tabahko Tern. 
68* Salarias cyanostigma Blkr. 



— 3G1 — 

69 * Salarias phaiosoma Blkr. 

70* i> perioplitlialmus CV. 

71 * I) quadripinnis CV. 

72* >. Sebae CV,? 

73* Callionymus ocellatus Pall. 

74* Gobius plialaena CV. 

75* » puntangoïdes Blkr, 

76* )) erytlirophaios Blkr. 

77 Fistularia immacalata Comm. pri Trompetta Tern. 

78* Plesiops coeruleolineatus Rüpp. 

79* Pseudocliromis fuscus MüU. Trosch. 

80* » polyacautlius Blkr. 

81 * Pomacentrus baukanensis Blkr. 

82 » moluccensis Blkr. 

83 » pavo Lac. 

84 * » tapeinoso'iia Blkr ;=: Motote Tern. 
85* Dascyllus melanurus Blkr. 

86 Glypliisodon lacrymatus CV. ;=! Xgomi hitam Tern. 

87 )» ternatensis Blkr, — Kutjia Tern. 

88 » trifasciatus Blkr. :=i Kutjia kuning Tern. 
89* )) uuimaculatus CV. 

90 Heliases fraenatus CV. ;=i Nrjonii Iddju Tern. 
91* » ternatensis Blkr r: Ngoini Iddju Tern. 



92 Cheilio hemiclirysos CV. 


93* Julh 


i (Julis) dorsalis QG. ■^ Sok hamng Tern. 


94 )) 


( " ) lunaris CV. ;z3 Biru-Uru Tern. 


95 .) 


(Haliclioeres) bandanensis Blkr ^ Sok Tern. 


96* » 


( » ) balteatus QG. 


97* .. 


( 1) ) Hoevenii Blkr. 


98* » 


( )) ) dieschismenacantboides Blkr. 


99 


( 'J ) kallosoma Blkr. 


100* .. 


( H ) miuiatus K. v. H. 


101* » 


( » ) Renardi Blkr. 


102* ). 


( )> ) strigiventer Benn. :=; Bolehole Tern. 


103* Xyricbtliys pavo CV. 


104* Novacula Twistii Blkr r:^ Bohki Tern. 


105* 


') punctulata CV. 


106* Cheilinus radiatus Blkr :=; Gaganim Tern. 


107 


n tetrazona Blkr. 


X08* Scarus aeruginosus CV. 



— 362 — 

109* Scarus coeruleopunctatns Rüpp. 

110* Callyodon liypselosoma Blkr. 

111 Belone cylindrica Blkr;=i Sakku Tem. 

112* »» scliismatorliynchos Blkr ;=; SakJcu Tern. 

113 Hamiramplius Russelli CV. :=: Ongivaru Tern. 

114 Clupeoïdes macassariensis Blkr ;=! Kesau Tern. 
115* Harengula melaiiiirus Blkr ;ri Bikihohko Tern. 
116* Engraulis Russelli Blkr :=:! Übeh Tern. 

117* Saurus synodus CV. nn Totati Tern. 

118 Saurida nebulosa CV. 

119* Rhombus Mogkii Blkr ;=: Memali Tern. 

120* Muraena bullata Riclids. 

121 * )» colubrina Riclids. 

122* .) florisiana Blkr. 

123* .. lita Ricbds. 

124* » monoelirous Blkr :=; Ladu Tern. 

125* .) Duivenbodeï Blkr. 

126* .. TrosclieUi Blkr. 

127* Moringua microchir Blkr. 

128* Erytbrodon niger RüpjD. ;=: Tato batii Tern. 

129 Balistes lineatus BI. ;=| Tato tombarja Tern. 

130 » praslinus Lac. ;=j Tato karang Tern. 

131 Ostraciou cubicus BI. :z! Kabila Tern. 
132* Tropidichthys Bennetti Blkr. 

133 Syngnatlius haematoptents Blkr. 

De met een * gemerkte soorten waren nog niet A^an 
Ternate bekend. Nieuw voor de kennis der fauna van de 
Molukken zijn: Apogon hypselonotus Blkr, ApogonlclLthys 
gracilis Blkr, Holocentrum j^^f'^^ctatissimum CV., Lethri- 
nus rliodopterus Blkr , Caesio gymnopteonis Blkr , Acayi- 
tJiurus celehicus Blkr, Salarias phaiosoma Blkr, Salarias 
p)eriophthalmus CV., Salarias Sehae CV?, Gohius erytltro- 
phaios Blkr , Pseudochromis jyolyacanthus Blkr , JPomacen- 
irus tapeinosoma Blkr, Glyphisodon unimaculatus CV., Se- 
liases ternatensis Blkr., Xyrichthys pavo CV., Novacula 
Twistii Blkr, Novacida punctulata CV. , Belone schismato- 
rhynchos Blkr, Rhombus Mogkii Blkr, Muraena hidlata 



— 363 — 

Jvichds., Muraena Jlorislana^WsX, Muraena monochrmia Blkr, 
Muraena Ihdvenbodeï Blkr, Muraena To-oscheUi Blkr cii 
Erythrodon nüjer Rüpp. 

Van die soorten beschouw ik als nieuw voor de weten - 
scliap: Apocjoniclitldjs gxacilis , Caesio gijmnopterus , Psen- 
dochromis polijacantlms , Pomacentrus tapeinosoma , Iletia- 
ses tematensis , Novacida Twistii, Muraena monochrovs en 
]\hiraena Didvenhodeï 

SPECIES PISCIUM TERNATENSES IIUCUSQUE COGNITAE. 

1 Cheilodlpterus quinqueliueatus CV. Nat. Tijdschr. Nod. Ind. 

II, p. 253. 

2 Apogon bandanensis Blkr. ib. VI, p. 95. 

3 I» fraenatus Val. ;=- Apogon vittiger Benn. sub. nom. 

Apogon melanorliynchos Blkr. ib. III, p. 255. 

4 .) Hartzfeldii Blkr, ibid. VI, p. 482. 

5 » Iloevenii Blkr, ib. VI, p. 483. 

G » liypselouotus Blkr, ib. VIII, p. 309. 

7 » kolloinatodou Blkr, ibid. IV, p. 134. 

8 » ma©ropterus K. v. H., ibid. II, p. 168. 

9 » novemfasciatus CV., ibid. III, p. 163. 

10 Apogoniclithys gracilis Blkr, ibid. X, p. 371. 

11 Serranus alboguttatus CV., ib. VI, p. 191. 

12 » guttatus CV. i:^ Serranus cyanostigmatoïdcs Blki- 

Verh. Bat. Gen. XXII, Perc. 

13 .. liexagonatus CV, Nat. T. N. Ind. VI, p. 191. 

14 )) Hoevenii Blkr, Verb. B. Gen. XXII, Perc. 

15 ') borridus K. v. H., ibid. 

16 » leucogrammicus Rwdt, ibid. 

17 I) marginalls CV., ibid. 

18 1» microprion Blkr, Nat. T. Ned. lud. III, p. 552. 

19 .. myriaster CV, ibid. VI, p. 192. 

20 » pardalis Blkr, Verh. Bat. Gen. XXII, Perc. 

21 » punctulatus CV, Nat. T. N. Ind. III, p. 570. 

22 » 8ebae Blkr, ibid. VI, p. 488. 

23 .) spilurus CV, ibid. VI, p. 322. 

24 „ urodelus CV., ibid. VII, p. 38. 

25 Plectropoma maculatura CV., ibid. VII, p. 418. 



^ 364 — 

26 Mesoprion amboinensis Blkr, ibid. III, p. 259. 

27 » bottonensis Blkr. ;=! Mesoprion janthinurus Blkr, 

ib. n p. 170, VI, p. 52. 

28 » cbrysotaenia Blkr, ibid. III, p. 259. 

29 » decussatus CV., Verb. B. Gen. XXII, Perc. 

30 » fnlviflamma Blkr. ;=j Mesoprion unimaculatus QG. 

CV. ^ Diacope fulviflamma CV. Rüpp. Nat. T. 
Ned. Ind. III, p. 553. 

31 » Hneolatus Blkr, Verb. B. Gen. XXII, Perc. 

32 » marginatus Blkr, Nat. T. N. Ind. III, p. 554. 

33 » microcliir Blkr, ibid. V, p. 332. 

34 » monostigma CV? Verb. Bat. Gen. XXH, Perc. 

35 » octolineatus Blkr, ibid. 

36 » Russellü Blkr, ibid. 

37 » vitta Blkr, ibid. 

38 Therapon servus CV., ibid. 

39 Holocentrum diadema CV., Nat. T. N. Ind. III, p. 259. 

40 » leonoïdes Blkr, Verb. B. Gen. XXII, Perc. 

41 » punctatissimum CV., Nat. T. N. Ind. IV, p. 248. 

42 t) sammara CV., ibid. III, p. 555. 

43 » tiereoïdes Blkr, ibid. V, p. 334. 

44 Myripristis adustus Blkr, ibid. IV, p. 108. 

45 » parvidens CV?, ibid. III, p. 260. 

46 ?) praHnius CV., ibid. II, p. 234. 

47 Percis cylindrica CV., ibid. II, p. 235. 

48 Spbyraena Commersonü CV., ibid. VII, p. 425. Verh. Bat. 

Gen. XXVI, Spbyraen. 

49 » jello CV., ibid. VII, p. 369, ibid. 

50 .) langsar Blkr, ibid. VII, p. 367, ibid. 

51 )) obtusata CV., ibid. VTI, p. 364, ibid. 

52 Polynemus kuru Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 600. 

53 Upeneus barberinus CV., ibid. II, p. 172. 

54 )) barberinoïdes Blkr, ibid. III, p. 262. 

55 » Eusseim CV., Verb. Bat. Gen. XXn, Perc. 

56 » trifasciatus CV., Nat. T. N. Ind. II, p. 237. 

57 Upeneoïdes variegatus Blkr, Verh. B. Gen. XXII, Perc. 

58 Mulloïdes flavolineatus Blkr, Nat. T. N. Ind. III, p. 697. 

59 » vanicolensis Blkr, ibid. IV, p. 601. 



— 365 — 

60 Dactylopterus orientalis CV., ibid. III, p. 264, 

61 Pterois volitans CV., Verh. Bat. Gen, XXII, Sclerop. 

62 Scorpaena polylepis Blkr, Nat. T. N. Ind, II, p. 173. 

63 Platyceplialus isacanthus CV, ib, II. p. 481, III, p; 63, 

64 Synauceia bracliio CV., Verli, Bat, Gen. XXII, Sclerop. 

65 Diagramma crassispinuni llüpp. ib. XXIII, Sciaen. 

66 » Goldmanni Blkr, Nat. T, Ned. Ind. IV, p. 602: 

67 » liaematocliir Blkr, ibid. VI, p. 175. 

68 » Lessonii CV., ibid. IV, p. 463. 

69 » lineatum CV., ibid. IV, p. 112. 

70 " plectorbynchos CV., Verh. B. Gen. XXIII, Sciaen. 

71 Scolopsides bilineatus CV., ibid. 

72 )) lineatus QG, Nat. ï. N. Ind. V, p. 73. 

73 ') monogramma K. v. H. , Verh, B, G, XXIII, Sciaen. 

74 Heterognathodou bifasciatus Blkr, ibid. 

75 » xanthopleura Blkr, ibid.. Nat. T. N. Ind. I, p. 101. 

76 Lethrinus oi-natns CV. :=| Lethrinus xanthotaenia Blkr, ibid. 

II. p. 176. 

77 » rhodopterus Blkr, ibid. III, p. 65. 

78 Caesio chrysozona K. v. H., Verh. Bat. Gen. XXIII, INIaen. 

79 » coerulaureus Lac, ibid, 

80 » gymnopterus Blkr, Nat, T. N, Ind. X, p. 372. 

81 » pisang Blkr, ibid. IV, p. 113. 

82 Gerres filamentosus CV., Verh. B. Gen. XXIII, INIaen. 

83 Chaetodon baronessa CV., Nat. T, N. Ind. III, p. 239. 

84 " citriuellus Brouss., ibid. V, p. 50. 

85 » dorsalis Rwdt, ibid. II, p. 240. 

86 )) ephippium CV., ibid. V, p. 337. 

87 I) felcula BI., ibid. Vni, p. 311. 

88 » Ivleinii CV., 

89 » lunnla CV., Nat. T. N. Ind. V, p. 57. 

90 » nesogallicus CV., ibid. II, p, 40», 

91 )) oligacanthus Blkr, ib, I, p. 105. Verh. Bat. Gen. 

XXIII, Chaet. 

92 1. oxycephalus Blkr, Nat. T. Ned. Ind, IV, p, 603. 

93 » princeps CV,, Verh. B, Gen. XXIII, Chaet. 

94 )> vagabundus BI., ibid. 

95 !) virescens CV., ibid. 



— 3G6 — 

96 Chaetodon vittatus BI., ibid. 

97 Heniochus melanistion Blkr, Nat. T. N. Ind. VI, p. 98. 

98 Zanclus corjuitas CV., Verli. B. Gen. XXIII, Chaet. 

99 Holacantluis bicolor CV., Nat. ï. N. Ind. V, p. 77. 

100 Holacanthus leucopleura Blkr, ibid. V, p. 79. 

101 » Vrolikii Blkr, ibid. V, p. 339. 

102 Pempheris mol^ca CV., Verh. Bat. G-en. XXIII, Chaet. 

103 )) oualensis CV., Nat. T. N. Ind. II, p. 2i2. 

104 Pimelepterus ternatensis Blkr, ibid. IV, p. 604. 

105 Toxotes jaculator CV., Verh. Bat. Gen. XXIII, Chaet. 

106 Scomber loo CV., ibid. XXIV, Makr. 

107 Auxis thynnoïdes Blkr, Nat. ï. N. Ind. VIII, p. 301. 

108 Chorinemus sancti Petri CV., Verh. Bat. Gen. XXIV, Makr. 

109 » toloo CV., ibid. 

110 Decapterus lajang Blkr, Nat. T. N. Ind. VIII, p. 302. 

111 Selar boöps Blkr., Verh. B. Gen. XXIV, Makr. 

112 » torviis Blkr, ibid. 

113 Caranx ekala CV., ibid. 

114 » Forsteri CV., ibid. Nat. T. N. Ind. III, p. 164. 

115 Carangoïdes blepharis Blkr, Verh. Bat. Gen. XXIV, Makr. 

116 )) hemigymnostethus Blkr, ibid. Nat. T. N. Ind. 

I, p. 364. 

117 Gnathanodon speciosus Blkr, Verh. Bat. Gen. XXIV, Makr. 

118 Equula ensifera CV., ibid. 

119 Amphacanthus cyanotaenia Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 606. 

120 ') doliatus CV., ibid. IV, p. 605. 

121 .) dorsalis CV., Verh. Bat. Gen. XXIII, Teuth. 

122 » margaritiferus CV. 

123 I) marmoratus CV. :=i Amphacanthus scaroïdes 

Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 262. 

124 tl vulpinus Schl. Müll., ibid. IV, p. 135. 

125 Acanthurus celebicus Blkr, ibid. III, p. 162. 

126 )) matoïdes CV., Verh. Bat. Gen. XXIII, Teuth. 

127 >) scopas CV., Nat. ï. N. Ind. H, p. 348. 

128 » strigosus Benn., ibid. IV, p. 264. 

129 .. triostegus CV., Verh. Bat. Gen. XXIII, Teuth. 

130 Naseus amboinensis Blkr :=i Keris amboineusi.s Blkr, Nat. T, 

Ned. lud. III, p. 272. 



— 367 — 

131 Naseus annulatus Blkr ^ Priodon annularis CV., ibkl. IX, 

p. 304. 

132 Atherina' duodecimalis CV., ibid. II, p. 485. 

133 Petroskirtes Temminckii Blkr, ibid. Il, p. 243. 

134 Petroskirtes Thepassii Blkr, ibid. IV, p. 13G. 

135 Salarias cyauostigma Blkr, Verh. B. Gen. XXII. Blenn. Gob. 

136 » periophtlialmus CV., Nat. T. N. Ind. IV, p. 2G7. 

137 » phaiosoma Blkr, ibid. VIII, p. 317. 

138 1) quadripinnis CV., Verli. Bat. Gen. XXII, Bleun. 

139 .. Sebae CV?, Nat. T. N. Ind. X, p. 373. 

140 Callionymus ocellatus Pall., ibid. Vm, p. 422. 

141 Gobius erythrophaios Blkr, Verh. B. Gen. XXII, Gob. 

142 )) phalaena CV., Nat. T. N. Ind. II, p. 244. 

143 I) puntangoïde.s ibid. V, p. 242. 

144 Polypterichtbys Valeutini Blkr, ibid. IV, p. GOS. 

145 Fistularia immaculata Comm., ibid. III, p. 281. 
14G AmpbisUe scutata Cuv., ibid. Il, p. 245. 

147 Eclieneis neucrates L., Verh. Bat. Gen. XXIV, Chir. etc. 

148 Plesiops coeruleolineatus Rüpp., Nat. T. N. Ind. IV, p. IIG 

149 Pseudochromis fiiscus Müll, Trosch., ibid. IX, p. G9. 

150 )) polyacantbus Blkr, ibid. X, p. 375. 

151 Amphipriou chrysargurus Richds. (sub nom. Ampliiprion xan- 

tlnirus Blkr) ib. Hl, p. 560. 

152 Pomacentrus bankauensis Blkr (sub nom. Pomac. lacniop» 

CV.) ib. V, p. 512. 

153 >. katunko Blkr, ibid. lU, p. 169. 

154 )) moluccensis Blkr, ibid. IV, p. 118. 

155 )) nematopterus Blkr, ibid. EU, p. 285. 

156 » notophthalmus Bllcr, ibid. IV, p. 137. 

157 I) pavo Lac, ibid. II, p. 247. 

158 )) tapeinosoma Blkr, ibid. X, p. 376. 

159 Dascyllus aruanus CV., ibid. VI, p. 108. 

160 n melaniirus Blkr, ibid. VI, p. 109. 

161 Glyphisodon lacrymatus CV., ibid. VIII, p. 303. 

162 >, rahti CV, ibid. III, p. 287. 

163 » Sclilegelii Blkr, ibid. IV, p. 138. 

164 .. ternatensis Blkr, ibid. IV, p. 137. 



— 368 — 

165 Glyphisodon trifasciatus Blkr , Verli. B. Gen. XXI, Labr. eten. 

166 ■ " uuimaculatus CV., Nat. T. N. Ind. IV, p. 284. 

167 Heliases fraenatus CV., ibid. II, p. 710. 

168 » ternatensis Blkr, ibid. X, p. 377. 

169 )» xantbochir Blkr, ibid. II, p. 248. 

170 Cossypbus macrodon Blkr, Verb. B. G. XXII, Gladscb. Labr. 

171 Cheilio bemicbrysos CV., Nat. T. N. Ind. II, p. 255. 

172 Julis (Julis) dorsalis QG., ibid. 
lunaris CV;, Verb. B. Gen. XXII, Gladscb. Labr. 

(Halicboeres) bandanensis Blkr, Nat. T. N. Ind. ibid. 
II, p. 254. 
I) ) balteatus QG., ibid. II, p. 253. 

I) ) binotopsis Blkr, ibid. III, p. 170. 

i> ) diescbismenacantbus Blkr, ibid. III, p. 645. 

I) ) diescbismenacantboïdes Blkr, ib.IV, p. 121. 

» ) Harloffi Blkr, Verb. B. Gen. XXII, 

Gladscb. Labr. 
). ) Iloevenii Blkr , Nat. T. N. Ind. II, p. 250. 

., ) kalosoma Blkr, ibid. III, p. 289. 

I) ) miniatus K. v. H., ibid. III, p. 171. 

.) ) Renardi Blkr, ibid. II, p. 253. 

1) ) Scbwarzii Blkr, Verb. Bat. Gen. XXII, 

Icbtb. Bali. 

185 » ( » ) strigiventerBenn., N.T.N. Ind. II, p. 251 

186 Xyricbtbys pavo CV., Nat. T. N. lud. X, p. 378. 

187 Novacula Twistii Blkr, ibid. X, p. 381. 

188 )' piinctulata CV., ibid. V, p. 170. 

189 Cbeilinus decacantbus Blkr, ibid. II, p. 256. 

190 )' radiatus Blkr :=! Cbeilinus diagrammus CV., Verb. 

B. Gen. XXII, Gladscb. Labr. 

191 » tetrazona Blkr, Nat. T. N. Ind. IV, p. 293. 

192 Scarus aeruginosus CV., Verb. B. G. XXII, Gladscb. Labr. 

193 » coeruleopunctatus Rüpp., Nat. T. N. Ind. VI, p. 110. 

194 .) janthocbir Blkr, ibid. IV, p. 139. 

195 » Quoyi CV., ibid. IV, p. 607. 

196 Callyodon hypselosoma Blkr, ibid. VIII, p. 425. 

197 ,) vaigiensis CV., ibid. II, p. 256. 



173 


» 




174 


)> 


(] 


175 


»> 




176 


» 




177 


„ 




178 


)> 




179 


» 




180 


„ 




181 


„ 




182 


)) 




183 


>, 




184 


» 





— 3G9 — 

198 Belone cyliudrica Blkr, Verh. Bat. Gen. XXIV, Snoek. 

199 )) schismatorliynclius Blkr, ibicL, Nat. T. N. Ind. I, p. 95. 

200 Hemiramphus Commersonii CV., Verh. B. Gen, XXIA^ Snoek. 

201 » Russellü CV., ibid. 

202 Exocoetus mento CV., ibid. 

203 Clupeoïdes macassariensis Blkr, ib., Nat. T. N. Ind. III, p. 772. 

204 Harengula melanurus Blkr, Nat. T. N. Ind. V, p. 105. 

205 1) moluccensis Blkr, ibid. IV, p. 609. 

206 Spratelloïdes argj^rotaenia , ibid. III, p. 775. Verh. Bat. Gen. 

XXIV, Har. 

207 Engraulis Russelli Blkr, Verh. Bat. Gen. XXIV, Har. 

208 Saurus synodus CV., ibid. XXIV, Chir., Nat. T. N. Ind. II. 

p. 257. 

209 Saurida nebulosa CV., Nat. T. N. Ind. III, p. 292. 

210 Rhombus IMogkii Blkr, ibid. VII, p. 256. 

211 Oxybeles Brandesii Blkr, ibid. I. p. 276, VTI, p. 162. 

212 Moringua microcliir Blkr, ibid. IV, p. 121. Verh. B. Gen. 

XXV Mur. 

213 Muraena bullata Richds., ib. IX, p. 276. 

214 » colubrina Richds. ib. VI, p. 335. 

215 » florisiana Blkr, ib. VI, p. 334. 

216 1) isiugleena Richds. ;=! Muraena isingleenoïdes Blkr, 

ib. IX. p. 277. Verh. B. Gen. XXV, Mur. 

217 » lita Richds., ib. III, p. 294. ibid. N. T. Ind. X, p. 383. 

218 » monochrous Blkr, Nat. T. N. Ind. X, p. 384. 

219 !) Duivenbodeï Blkr, ibid. X, p. 385. 

220 1» Troschelii Blkr, ib. VII, p. 101. Verh. Bat. Gen. 

XXV, Muraen. 

221 Arothron virgatus Blkr. =; Tetriiodon vlrgatus Richds., ib. 

III, p. 299, Verh. B. Gen. XXIV, Blootk. 

222 Tropidichthys Bennetti Blkr, Nat. T. N. Ind. VI, p. 504. 

223 n striolatus Blkr, ibid. VT, p. 503. 

224 Diodou punctatus Cuv., Verh. B. Gen. XXIV, Blootk. 

225 Erythrodon niger Rüpp. ;=; Xenodou niger Rüpp. ibid. 

XXIV, Balist. 

226 Balistes lineatus BI., ibid. 

227 » praslinus Lac ibid. 



— 370 — 

228 Monacanthus Cantorls Blkr, ibid., Nat. T. N. Ind. III, p. 80. 

229 )) Houttuyni Blkr, Nat. T. N. Ind. V, p. 533. 

230 1) tomentosus Cuv., Verh. Bat. Gen. XXIV, Balist. 

231 Oslracion cubicus BI., ibid. Ostrac. 

232 Synguallius haematopterus Blkr, ib. XXV, Trosk. 

233 Solenojinatlius Blocliii Blkr, ibid. 



DESCRIPTIONES SPECIERUM DIAGNOSTiCAE. 

PERCOÏDEI. 

Apogonicldhys (jracilis Blkr. 

Apogon. corpore subelongato compresso, altitudlue 4.! ad 5 ia 
ojus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 3^- 
circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 1*- circiter in 
ejus longitudine; oculis diametro 3 fere ad 3 in longitudine ca- 
pitis , multo minus diametro 1 distantibus; linea rostro-frontali fronte 
declivi rectiuscula; rostro convexo angulato; orbita ubique glabra; 
osse suborbitali, crista praeoperculi intramarginali osseque supra- 
scapulai-i edentulis; maxilla supei'iore maxilla inferiore paulo bre- 
viore sub oculi dimidio anteriore desinente; dentibus maxillis plu- 
riseriatis minimis aequalibus , vomerinis in thurmam /^ formem , 
palatiuis utroque latere in vittam graciUimam vix conspicuam dis- 
positis; praeoperculo rotundato; operculo spina nulla; linea dorsali 
linea ventrali non convexiore; squamis lateribus 25 p. ra. in serie 
longitudinali ; pinna dorsali spinosa pinna dorsali radiosa humi- 
liore spinis gracilibus la ceteris longiore corpore duplo circiter 
humiliore; dorsali radiosa antice acuta, nee convexa nee emar- 
ginata, corpore multo humiliore; pectoralibus acute rotundatis •! 
ad 4|, ventralibus acutis 7 ad 8, caudali eraarginata lobis acutis 
4i circiter in longitudine corporis; anali antice acuta dorsali ra- 
diosa non vel vix humiliore, paulo emarginata; colore corpore 
aureo, inferne dilutiore; vitta rostro-oculo-operculari gracili fusca; 
pinnis roseis, caudali basi macula vel vitta transversa fusca et 
utroque lobo fascia intramarginali longitudinali fusca. 

B. 7. D. 6—1/9 vel 6—1/10. P. 2/10 vel 2/11. V. 1/5. A. 
2/12 vel 2/13. C. 17 et lat. brev. 

Habit. Ternate, in mari. 

Longitudo 39 speciminum oö'" ad 58'", 



— 37^ — 

Aanm. Deze soort maakt eene uitzondering op de vroe- 
ger door mij gegevene diagnose van het geslacht (Nat. 
Tijdschr. van 'Ned. Ind. VI p. 321) door hare uitgerande 
staartvin , welk kenmerk echter niet gewigtig genoeg is om 
haar tot een eigen geslacht te brengen. De diagnose van 
het geslacht kan dezeflde blijven als men er de woorden 
„caudalis integra" uit weglaat. De soort is gemakkelijk 
herkenbaar aan hare uitgesnedene staartvin , slank ligchaam , 
talrijke aarsvinstralen , enz. 

Ik kan thans ook mededeelen , dat mijne Apogonichthys 
polystigma (Nat. Tijdschr. Ned. VI p. 484) eene geheel 
andere soort is als Aj^ogon variegatus Val., wat ik ^Toeger 
niet kon beoordeelen uit gemis van de Nouvelles Annales 
du Muséum d'Histoire naturelle , welk werk sedert ter mijner 



MAENOIDEI. 

Caesio gymnopterus Blkr. 

Caes. corpora elougato compresso, altitudine 7 circiter in 
ejus longitudine, latitudiue li circiter in ejus altitudine; capite 
acuto 4i ad 5 in longitudine corporis; altitudine capitis 1| 
ad 1| in ejus longitudine; oculis diametro 3 ad 3^ in longitudine 
capitis ; linea rostro-frontali declivi rectiuscula ; osse suborbitali 
pupillae diametro humiliore; rostro maxillis protractis tubulum 
oculo longiorem efficiënte ; maxilla superiore alepidota , ore clauso 
sub oculi margine anteriore desinente; dentibus maxillis vomeri- 
nisque minimis tactu magis quam visu conspicuis; praeoperculo 
margine posteriore obliquo angulo rotundato ; operculo spina parva 
plana; squamis ctenoideis, lateribus 65 ad 70 in serie lon- 
gitudinali ; linea laterali rectiuscula , singulis squamis tubulo brevi 
vulgo simplice notata ; pinna dorsali tota alepidota , parte spinosa 
parte radiosa multo altiore corpore multo minus duplo humiliore 
spinis gracilibus 2a et 3a ceteris longioribus, parte radiosa hu- 
mili corpore plus duplo humiliore; pcctoralibus acute rotundatis 



__ 873 — 

6| ad C|^, ventralibus acutis 8^ circiter, caudali profunde iucisa 
lobis acutis 6 circiter in longitudine corporis; anali alepidota spi- 
nis gracilibus 1» brevissima, 2» et 3a aequalibus radiis anteriori- 
non brevioribus dorsali spinosa humilioribus ; colore corpore su- 
perne coerulescente inferne margaritaceo ; vittis dimidio corporis 
superiore 4 vel 5 longitudinalibus aureis; rostro fuscescente; pin- 
nis liyalino-roseis. 

B. 7. D. 9/15 vel 9/16. P. 2/19. V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13. C. 
1/15/1 et lat. brev. 

Habit. Ternate, in mari. 

Longitudo 32 speciminum 50'" ad 107'". 

Aanm. Deze Caeslo is nog het naaste verwant aan Cac- 
sio striatus Rüpp. en Caesio pisang Blkr. Zij is ecliter veel 
slanker van ligchaam en heeft den bek meer uitstrekbaar , 
de rugvin geheel schubloos, enz. Zij heeft in habitus des 
ligchaams en zeer uitstrekbaren bek veel van het geslacht 
Emmelichthys , en door de ploegbeenstandjes en ongeschub- 
te rugvin ver-uantschap met j\Iaena, doch hare bouw van 
ligchaam en vinnen is overigens geheel die van het geslacht 
Caesio. Aan de ploegbeenstandjes is in dit geslacht geene 
generische waarde te hechten, aangezien zij bij dezelfde soort 
in jeugdigeren leeftijd soms ontbreken en in den gevorder- 
den leeftijd aanwezig zijn, zooals ik reeds eenige jaren ge- 
leden van Caesio pinjalo Blkr vermeld heb, 

BLENNIOÏDEI. 

Salarias Sebae CV. Poiss. XI p. 23ü ? 

Salar. corpore oblongo compresso, altitudine 4i circiter in ejus 
longitudine, latitudine 1| circiter in ejus altitudine; capite obtuso 
truncato-convexo 4| ad 4| in longitudine corporis, paulo longiore 
quam alto; fronte convexa; rostro obtuso truncato vix ante fron- 
tem prominente; oculis diametro 2f ad 2| in longitudine capitis; 
nuclia utroque latere cirris p. m. 15 simplicibus in seriera trans- 

X. 25 



— 374 — 

versam dispositis ; orbita naribusque cirro lato plurifimbriato oculo 
breviore; maxilla inferiore utroque latere dcnte canino valde con- 
spiciio ; labio superlore non crenato ; cute laevi ; linea laterali valde 
conspicua, post apicem pinnae pectoralis valde deflexa, cauda 
desinente; pinna dorsali partem spinosam inter et radiosam plus 
minusve emarginata, parte spinosa antice quam postice multo 
altiore spina la. spinis ceteris longiore interdum valde producta, 
spinis posterioribus dorsali radiosa obtusa convexa postice cum 
basi pinnae caudalis unita biirailioribus ; pectoralibus obtusis 4A 
ad 4A, ventralibus 6i ad 7 fere, caudali obtusa convexa 4|- ad 
5 in longitudine corporis; anali dorsali radiosa multo burailiore, 
inter singulos radios profunde incisa, postice cum caudali non 
unita, radiis anterioribus radiis sequentibus brevioribus; colore 
corpore violaceo; capite regioneque thoracica maculis rotundiuscu- 
lis sat confertis viridi-aureis ; corpore violaceo-nigro reticulato; 
pinna dorsali violascente-fusca parte spinosa superne tota, parte 
radiosa superne antice tantum late laete rubra; pectoralibus basi 
profunde violaceis maculis viridi-aureis ceterum membrana byali- 
nis radiis inferioribus fuscis radiis ceteris aurantiacis; ventralibus 
fiiscescente-aurantiacis ; anali dimidio basali fuscescente-aurantiaca 
vitta longitudinali fusca, dimidio libero violaceo-fusca ; caudali 
fuscescente-violacea superne late rubra. 

B. 6. D. 11/15. P. 15. V. 2. A. 17 vel 18. C. 2/9/2. 

Synon. Blennius fronte 2^<^^'P^^diculariter declivi, ossiculo primo 
pinnae dorsalis alto Seb. Thesaur. III tab. 30 fig. 5? 

Habit. Teruate, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 67'" et 74'". 

Variet. a. Corpore loco retis violacei-nigri maculis parv'is et 
vittulis brevibus irregularibus laete rubris violaceo- 
nigro-limbatis. 

Habit. Ternate, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 65'" et 68'". 

Variet. h. Capite guttulis laete rubris violaceo-nigro annulatis 
corpore ubique guttulis sat confertis violaceo-nigris. 

Habit. Ternate, in mari. 

Longitudo 6 speciminum 57'" ad 76'". 

Aanm. Ik ving deze soort te Ternate op het voor de 
stad zich uitstrekkend koraabif, tijdens de ebbe. Zij is na 



verwant aan Salarias variolosus GY . varv Guam, door hare 
talrijke op eene dwarsche rei geplaatste nekdraden als an- 
derzins, doch laatstgenoemde heeft andere getallen der vin- 
stralen (D. 12/12; A. 14.), zeer kleine neusdraden, enz. 
Ook Salarias variolatus CV. van het eiland San Juan Fer- 
nandez heeft eene dergelijke rei dwarsche nekfimbriën doch 
insgelijks andere getallen der vinStral-^n (D. 11/18. P. 13. 
A. 19.), ligchaam en vertikale vinnen digt met kleine roede 
vlekjes versierd, enz. Mijne voorwerpen beantAvoorden vrij 
wel aan de aangehaalde beschrijving en afbeelding van Sa- 
larias Sebae, indien men aanneemt, dat het door den heer 
Valenciexxes waargenomen exemplaar, nog af komstig uit 
het Kabinet des stadhouders, de kopdraden en de kleuren 
had verloren. 

PSEUDOCHEOMIDES. 

Pseudochromis polyacantlius Blkr. 

Pseudocbr. corpore oblongo compresso, altitudine 4^ ad 4i in 
ejus longitudine, latitudine l*- circiter in ejus altitudine; capite 
acuto 3| circiter in longitudine corporis; altitudine capitis 1| cir- 
citer in ejus longitudine; oculis appi-oximatis diametro 3 circiter 
in longitudine capitis; linea rostro-dorsali convexa; maxilla su- 
periore maxilla inferjore paulo breviore post oculum desinente 
capite minus duplo breviore; dentibus maxillis palatoque plurise- 
riatis parvis , maxilla superiore antice 2 conicis prominulis , maxil- 
la inferiore antice 2 vel 4 conicis dentibus ceteris majoribus; 
dentibus vomerinis in vittam ^ formem , palatinis utroque latere in 
vittam gracilem dispositis ; osse suborbitali oculi diamttro plus du- 
plo bumiliore ; praeoperculo operculoque squamis parvis totis tec- 
tis ; praeoperculo rotundato ; squamis ctenoideis , lateribus 50 p. m. 
in serie longitudinali ; linea laterali simplice antice doT-sum versus 
adscendente porro rectiuscula sub media dorsali radiosa interrup- 
ta; pinna dorsali spiuosa dorsali radiosa bumiliore spinis posteri- 
bus spinis anticis paulo tantum longioribus; dorsali i-adiosa posti- 
ce rotundata corpore duplo cii-citer bumiliore; pectoralibus rotun- 



— 37G — 

datis 4| circiter, ventralibus obtusiuscuHs angulatis 8 circiter, 
caudali obtusa rotundata 6 circiter in longitiidine corporis; anali 
dorsali radiosa non altiore postice rotundata , parte spinosa spina 
media spinis la et 3a longiore ; corpoi-e rufescente-viridi toto fusco de- 
cussato-reticulato ; iride margine interno flava, margine externo fu3ca ; 
operculo medio antice macula magna profiinde fusca ; pinnis impari- 
bus fuscis aurantiaco marginatis, pectoralibus ventralibusque fus- 
cescente-aurantiacis. 

B. 6. D. 7/19 vel 7/20. P. 2/13. V. 1/5. A. 3/16 vel 3/17. C. 
1/15/1 et lat. brev. 

Habit. Ternate, in mari. 

Longitudo speciminis uniei 54'". 

Aanm. Alle tot nu toe bekende soorten van Pseudochromis 
hebben slechts 3 of 2 rugdoornen en eene kleine bekspleet. 
De onderwerpelijke onderscheidt zich van die alle door hare 
7 rugdoornen en hare tot achter het oog verlengde boven- 
kaak. In habitus heeft zij veel van de soorten A-an Plesiops , 
doch hare kenmerken vallen geheel binnen die, welke de 
heeren J. Muller en Troschel voor het geslacht Pseudo- 
chromis hebben opgesteld. Zij is overigens nog gemakkelijk 
kenbaar aan de schaakbordachtig-netsgewijze vlekteekening 
des ligchaams en groote donkerbruine operke-lvlek. 

LAJ3E0IDEI CTEKOIDEI 

Poinacentrus tapelnosoina Blkr. 

Pomac. corpore oblongo compresso , altitudine 4 et paulo ad 3 \ 
in ejus longitudine, latitudine 2 circiter in ejus altitudine; capite 
obtuso convexo 4| ad 4* in longitudine corporis, aeque alto fere 
ac longo; oculis diametro 3 ad 3^ in longitudine capitis; linea 
rostro-frontali convexa; osse suborbitali sub oculo oculi diametro 
plus duplo bumiliore, aelate juvenili et provecta toto edentulo ; 
denlibus raaxillis obtusis anticis lateralibus majoribus, maxilla 



— 377 — 

siïperiore p. m. 50, maxilla inferiore p. in. 40; praeoperculo snb- 
rectangulo angiilo rotunJato margine posteriore levlter denticulato ; 
operculo postice spinula plana paruni conspicua; squamis lateribus 36 
p. m. in serie longitudiaali ; linea laterali sub media pinna dorsali 
radiosa interrupta; pinna dorsali spinosa spinis gracilibus mediis 
et posticis subaequalibus corpora triplo circiter liumilioribus , 
membrana interspinosa parum emarginata; dorsali radiosa obtuse 
rotundata corpora duplo circiter liumiliore; pectoralibus obtusis 
rotundatis 5 fere, vcntralibus acutis radio 1° producto 5? ad G 
fere, caudali profunde incisa lobis valde acutis superiore inferiore 
longlore 4 ad 3 1 in longitudine corporis; anali obtusa rotundata 
dorsali radiosa huiniliore; colore coi-pore superne olivaceo mai'gi- 
nibus squamarum profundiore, inferne antice aurantiaco postice 
roseo-margaritaceo ; regione rostro-maxiUo- thoracica maculis mar- 
gai-itaceo-coeruleis vulgo in series 3 longltudiuales dispositis; 
squamis corpora pinnaque caudali singulis macula parva coeru- 
lescente ; axilla speciminibus pluribus superne macula fusca ; pinna 
dorsali fusco-violacea postice aurantiaca; pectoralibus ventralibus- 
qua aurantiaco-roseis ; anali membrana violascente-rosea radiis 
aurantiaca; caudali fuscescente-aurantiaca. 

B. 5. D. 12/14 vel 12/15. P. 2/20. V. 1/5. A. 2/15 vel 2/1 G 
val 2/17. C. 15 et lat. brev. 

Habit. Ternata, in mari. 

Longitudo 26 speciminum 47'" ad 89'". 

Aanm. Deze soort is zeer gemakkelijk lierkenbaar aan 
haar slankttigchaam , lage geheel ongetande onderoogkuils- 
beenderen , talrijke schubben en vinstralen , spitse staart^-in- 
kwabben , regelmatig bol profiel , kleuren , enz. Ik ontdekte 
haar in September 1855 op de vischmarkt te Ternate , waar 
zij bij honderden exemplaren dagelijks te koop werd aan- 
geboden. 

Ueliases ternatensis Blkr. 

Helias. corpore oblongo compresso, altitudlne 2\ ad 2| in ejus 
longitudine, latitudine 3 circiter in ejus altitudina; capite 4* ad 
5 in longitudine corporis, altiore quam longo; oculis diametro 2\ 



— 378 — 

ad 2| in lougitudine capitis; linea rostro-frontali valde declivi 
convexiuscula ; osse suborbitali oeulo duplo circiter humiliore; 
dentibus maxillis pluriseriatis serie externa antice praesertim ma- 
joribus conicis; praeoperculo subrectangulo angulo rotundato su- 
pra angulum leviter emarginato; squamis lateribus 28 p. m. in 
serie lougitudiDali; linea laterali sub spinis dorsi posticis inter- 
rupta; pinna dorsali spinosa spinis mediis spinis ceteris paulo 
longioribus corpore plus triplo humilioribus ; dorsali radiosa ro- 
tundata corpore duplo circiter humiliore; pinnis pectoralibus aeu- 
tiuscule rotiindatis 4 ad 4|-, ventralibus acutis radio l» producto 
5 circiter, caudali profunde excisa lobis acutissimis superiore in- 
feriore longiore 3J ad 3|- in longitudine corporis; anali rotundata 
dorsali radiosa vix vel non humiliore spina 2» radio lo breviore ; 
colore corpore superne violascente-viridi, marginibus squamarum 
violascente-fusco , inferne argenteo ; squamis capite maculis rotun- 
diusculis margaritaceis ; squamis dorso lateribusque singulis ma- 
cula oblonga transversa dilute coerulea; pinna dorsali violacea; 
pectoralibus violascente-roseis basi pulchre flavis; ventralibus 
analique flavescentibus ; caudali roseo-flavescente margine supe- 
riore et inferiore fascia lata profunde violacea. 

B. 6. D. 12/11. P. 2/15. V. 1/5. A. 2/11. C. 15 et lat. brev. 

Habit. Teruate, in mari. 

Longitudo 3 speciminum 81'" ad 94'". 

Aanm. Deze soort is na verwant aan Heliases xanthocJiir 
Blki', doch onderscheidt er zich voldoende van door aan- 
merkelijk hooger ligchaam , veel hoogeren kop , stomper en 
minder gebogen profiel, door een doorn minder in de rug- 
vin , enz. 

LABEOÏDEI CYCLOibEI. 

Novacula pavo Blkr, 

Novae, corpore oblongo compresso, altitudine 3*- ad 3A in 
ejus longitudine, latitadine 2| ad 2| in ejus altitudine; capite 
antice carinato obtusissimo 4| ad 4| ia longitudine corporis, al- 



— 379 — 

tiore quam longo; linea rostro-frontali ante ociilos valde convexa, 
rostro subverticali convexiuscula ; oculis diametro 4i ad 6 in 
longitudine capitis, plus diametro j- ia linea rostro-frontali re- 
motis; osse suborbitali sub oculo oculi diametro duplo vel plus 
duplo altiore; naribus minimis punctiformibus ; maxillis subae- 
qualibus, superiore 3 ad 3 et paulo in longitudine capitis; den- 
tibus maxillis plnriseriatis seriebus internis obtusis, serie ex- 
terna acutis internis longioribus; utraque maxilla antice caninis 
2 magnis curvatis divergentibus , intermaxillaribus ore clauso in- 
framaxillares amplectentibus; regione infraoculari posterrore re- 
gioneque operculi supero-anteriore squarais parcis; praeoperculo 
obtuse rotundato; squamis lateribus 30 p. m. in serie longitudinali; 
linea laterali sub radiis dorsalibus penultimis interrupta, regione 
suprascapulari valde convexa, tune rectiuscula, singulis squamis 
tubulo vulgo simplice notata; pinna dorsali duplice, anteriore 
biradiata acutissima falciformi tota ejus longitudine a dorsali 2» 
remota ex parte supra oculum inserta radiis flexilibus lo 2o multo 
longiore corpore minus duplo liumiliore; dorsali 2a parte spinosa 
parte radiosa paulo humiliore spinis osseis pungentibus posteriore 
ceteris longiore membrana inter singulas spinas non emarginata, 
parte radiosa corpore quadruplo vel plus quadruplo humiliore 
postice acutangulo; pectoralibus acutis postice leviter eraarginatis 
5| ad 5*- fere, ventralibus acutis radio lo plus minusve produc- 
to 51- fere ad 4|, caudali obtusa convexa 7 circiter in longitudine 
corporis ; anali antice rotundata dorsali 2* paulo altiore , postice 
angulata; colore corpore suparne viridescente-roseo, inferne dilu- 
tiore, marginibus squamarum aurantiaco; dorso sub spina 4a ma- 
cula semilunari transversa squama minore pi'ofundé violacea coe- 
ruleo ciucta; regione postscapulari macula pinna pectorali vix 
majore dlffusa pulchre flava, squamis in bac macula singulis vittula 
eoerulea margini squamae posteriori parallela ; regione praeopejculari 
et operculari vittulis ii-regularibus dilute coeruleis sabrecticulata ; 
rostro vittulis parcis coeruleis ; mento vittulis transversis coeruleis ; 
vitta rostro-dorsali eoerulea linea mediana unica aureo limbata; 
pinna doi'sall la rosea antice et superne cotruleo marginata; dor- 
sali 2a pulcbre aurantiaca vittulis numerosis obliquis transversis 
undulatis coeruleis superne in vittam intramarginalem coeruleam 
transeuntibus ; pectoralibus roseis radiis fissis anterioribus fascia 
longitudinali diffusa violascente; ventralibus roseis; anali auran- 



— 380 — 

tlaco-rosea vitta intramarginali contiuua coerulea et maculis ro- 
tundis et oblongis vittulisque brevibus coeruleis in series obliquas 
transversas undulatas dispositis ; caudali rosea-aurantiaca basi 
coeruleo punctata, dimidio posteriore vittis 3 vel 4 transversis ex 
parte interruptis coeruleis. 

B. 6. D. 2—7/1/11 vel 12 vel 2— 7/2/10 vel 11. P. 2/10. V. 1/5. 

A. 3/12 vel 3/13. C. 4/12/4 lat. brev. incl. 
Synon. Xyrichthys pavo CV. Poiss. XIV p. 45 tab. 394. 
Rason 2Jcion CV. ibid. 
Xyrichthys pavoiimns CV. ibid. p. 47. 
Rason 'pavonin CV. ibid. 
Habit. Ternate, in mari. 

Ins. Cocos, in mari. 
Longltudo 3 specimiuum 243'" ad 316'". 

Aanm. Deze soort is reeds beschreven en vrij goed af- 
gebeeld in de groote Histoire naturelle des Poissons. Op 
die beschrijving teeken ik het volgende aan. De achteroogs- 
en bovenoperkel-schubben zijn bij mijne beide voorwerpen 
zeer duidelijk waarneembaar en echte schubben, weshalve de 
soort tot Novacula en niet tot Xyrichthys behoort. De staart- 
vin voorts is niet afgeknot maar zeer bol , zoo als ook de af- 
beelding aantoont. De beide stralen der 1^ rugvin zijn geheel 
buigzaam. De eerste 7 der 2^ rugvin daarentegen zijn 
doornachtig en niet buigzaam ; dan volgt een buigzame enkele 
straal en dan de verdeelde. Er zijn 30 schubben op eene 
Gverlangsche rei , langs de zijlijn gemeten , doch 26 onge- 
veer tot aan de kieuwopening even boven de borstvinba- 
sis. Van de blaauwe stipjes achter het oog en op de zij- 
den laten mijne voorwerpen niets waarnemen , doch daaren- 
tegen zijn de kleuren der vinnen fraaijer en meer gescha- 
keerd en ook die des ligchaams eenigzins anders dan in de 
genoemde beschrij\ang en afbeelding is uitgedrukt. 

Deze soort was tot nog toe slechts bekend van Mauri- 
tius, Bourbon en de Sandwichseilanden. Het lijdt toch in 
mijn oog geen twijfel dat XyricJithys pavoyiinus CV. van 
de Sandwichseilanden , in de groote Histoire naturelle des 



— 381 — 

Poissons naar eene teekening van Webber , den teekenaar 
van Cook'S derde reis, beschreven, dezelfde soort voorstelt. 
Bij mijn grootste voorwerp ontwaar ik zelfs sporen van drie 
breede dwarsche oranjeaclitige banden op de achterhelft 
des ligchaams, welke in de beschrijving van Xt/rlchtJujs 
pavoninus CV. insgelijks vermeld worden. 

Novacula Ticistii Blkr. 

Novae, corpore oblonge compresso , altltudine 3] ad 3 et paulo 
in ejus longitudine, latitudine 3 circlter in ejus altitudine, capita 
antice carinato obtusissimo 4| ad 4| in longitudine corporis, al- 
tiore quain longo; linea rostro-fi-ontali ante oculos valde convexa, 
rostro subverticali convexiuscula ; oculis diametro 4J ad 5 in 
longitudine capitis plus diametro ^ï a linea rostro-frontali remotis ; 
osse suborbitali sub oculo oculi diametro duplo vel plus duplo al- 
tiore; naribus minimis punctiformibus ; maxillis subaequalibus 
superiore 2 f circiter in longitudine capitis; dentibus maxillis plu- 
riseriatis seriebus internis obtusis, serie externa acutis internis 
longioribus; utraque maxiUa antice caninis 2 magnis curvatis di- 
vergentibus intermaxillaribus ore clauso inframaxillares amplec- 
tentibus ; regione infraoculari posteriore squamis pluriseriatis ; re- 
gione operculi supero-anteriore squamis parcis; praeopei'culo ob- 
tuse rotundato; squamis lateribus 27 vel 28 in serie longitudinali; 
linea laterali sub radiis dorsalibus penultimis interrupta, regione 
suprascapulari valde curvata tune rectiuscula, singulis squamis 
tubulo siraplice notata; pinna dorsali duplice, anteriore biradiata 
acuta sat al te cum pinna posteriore unita, post oculum sita, ra- 
diis flexilibus subaequalibus dorsali spinosa non multo altioi-ibus; 
dorsali 2» parte spinosa parte radiosa paulo humiliore spinis os- 
seis pungentibus subaequalibus , membraiïa inter singulas spinas non 
emarginata, parte radiosa postice acutiuscula vel acuta radiis lon- 
gissimis corpore triplo vel plus triplo bumilioi-ibus ; pectoraübus 
acutis non emarginatls 5 J ad 53- , ventralibus acutis radio lo pro- 
ducto 7 ad 6^, caudali obtusa convexa 6^ ad 5| in longitudine 
corporis; anali antice rotuudata, dorsali vix vel non altiore pos- 
tice angulata; colore corpore superne et lateribus pulcbre roseo- 
viridi, inferne roseo-margaritaceo , marginibus squamarura auran- 



— 382 — 

tiaco; iride pulchre rubra; caplte antice linea media vitta rostro- 
nuchali coerulea; lateribus regiojae postscapulari sub linea laterali 
macula rotuuda sanguinea pinna pectorali majore, inferne macula 
diffusa lutta- limbata; pinna dorsali anteriore coerulescente radiis 
aurantiacis antice coeruleo marginata; dorsali posteriore parte 
spinosa et parte radiosa aurantiaca vitta intramarginali carmosina 
et vittis numerosis obliquis transversis postrorsum descendentibus 
dilute coeruleis; pectoralibus , ventralibus, anali caudalique rnera.- 
brana hyalinis radiis flavo-aurantiacis , caudali inferne pulchre 
rubra. 

B. 6. D. 2 simpl. + 7 spin. -f- 12 vel 13 rad. quor. 5 anter. 
simplic. P. 2/10. V. 1/5. A. 3/12 vel 3/13. C. 4/12/4 lat. 
brev. inclus. 

Synon. Ikaii Boicki Ternat. 

Habit. Ternate, in mari. 

Longitudo 2 speciminum 155'" et 170'". 

Aanm. In de groote Histoire naturelle des Poissons is 
naar eene teekening van Parkinson eene otaitische soort 
beschreven , door Parkinson Con/j^haena virens en door 
den lieer Valenciennes Xyrichthys virens genoemd. Vol- 
gens de beschrijving bezit deze soort ook eene groote ovale 
roode vlek achter de borstvin. Er zouden echter geen? 
preoperkelschubben op de gemelde teekening zijn afgebeeld, 
terwijl daarentegen het ligchaara met roode stippen en de 
aarsvin met roode strepen versierd zou zijn , wat bij mijne 
voorwerpen het geval niet is. Ik kan haar derhalve naar 
de korte aanwijzing in het groote vischwerk niet tot Xy- 
richthp virens CV. terugbrengen en geef haar daarom 
een' eigen naam. In ^llen gevalle behoort zij tot No- 
vacula , wegens haar beschubt preoperkel , indien , wat nog 
te betwijfelen is, NoA^acula met regt als een geslacht van 
Xyrichthys kan afgescheiden blijven. De Ternatanen stel- 
len hoogen prijs op dezen visch. Zij noemen hem Ikan 
Bohhi , dat is Prinsessenvisch , waarschijnlijk wegens zijne 
fraaije kleur en voortrefFelijken smaak. Hij wordt in diep 



_ 383 — 

water boven koraalachtigen bodem met den hengel gevangen. 
Tijdens mijn verblijf te Ternate maakte hij dagelijks een 
der tafelgeregten uit. Zeer zeker behoort hij tot de meest 
smakelijke en fijne visschen. 

Ik het gemeend deze soort te moeten opdragen aan den 
heer Mr. A. J. Duijiniaer van Tavist , als eene hulde 
aan den steun , die beschaving en wetenschap gedurende 
zijn vijfjarig bestuur van Nederlandsch Indië voortdurend 
van hem hebben mogen ondervinden. 

MUEAENOÏDEI. 

Muraena lita Richds. Voy. Ereb. Terr. Fish. p. 84. Blkr 
Nat. Tijdschr. N. Ind. III p. GÖ. Verh. Bat. Gen. 
XXV Muraen. p. 47 (descriptio emendata). 

Muraen. corpore elongato compresso, altitudine 17 ad 15 in 
ejus longitudine; capite acuto 7A ad 7| in longitudine corporis, 
plus duplo longiore quam alto; oculis diametro 9 ad 10 in lon- 
gitudine capitis; naribus anterioribus tubulatis, posterioribus non 
tubulatis; linea rostro-dorsali fronte concava, rostro et vertice 
convexa; rostro convexo acuto oculo minus duplo longiore, non 
ante maxillam inferiorem prominente; rictu post oculum producto 
3 circiter in longitudine capitis; dentibus palatinis nasalibusque 
acutis uniseriatis; dentibus palatinis utroque latere 10 ad 12 sub- 
aequalibus, nasalibus periphericis p. m. 12 conicis palatinis lon- 
gioribus, nasali medio unico tantum mobili; dentibus vomerinis 
obtusis p. m. 20 antice biseriatis postice uniseriatis; dentibus inframa- 
xillaribus acutis antice biseriatis, lateralibus uniseriatis, utroque la- 
tere serie longiore p. m. 18 inaequalibus , serie breviore symphysi 
approximata et extrorsum sita 3 ad 5 conicis brevioribus; aper- 
tura branchiali oculo vix majore paulo infra mediam corporis al- 
titudinem sita; linea laterali inconspicua; pinna dorsali vix ante 
aperturam branchialem incipiente corpore paulo plus duplo hu- 
miliore; anali postice in corporis dimidio anteriore incipiente dor- 
sali minus duplo bumiliore; corpore pinnisque flavo-umbrinis , 
maculis violaceo-fuscis parvis irregularibus polymorphis variegato- 



— 381. — 

reticulatis; maculis dimidio corporis superioi-e pinnaque dorsall 
confertissimis , lateribus caudaque annulos plures imperfectos vel 
maculas majores hexagonas longitudinaliter tri- vel quadiü-seria- 
tas efficientibus ; maculis ventre pianaqiie anali parcioribus. 

D. 320—370 p. m. A. 210—220 p. m. C. 10 p. m. 

Synon. Maraena variegata Mus. Britt. sec. Riclids. 

Habit. ïernate, in mari. 

Waliai, Cerani septentrionalis , in mari. 

Longitiido 4 speciminum 355'" ad 495'". 

Aanm., Mijne voorwerpen van Ternate verscli hebbende 
kunnen observeren , ben ik in de gelegenheid geweest eene 
nieuwe en betere beschrijving dezer soort te geven , dan mijne 
vroeger gepubliceerde. 

Muraena monochrous Blkr. 

Muraen. corpora elongato compresso, altitudine 21 circiter in 
ejus longitudine; capita acuto 8| circiter in longltudine corporis, 
plus duplo longiore quam alto ; oculis diametro 9 ad 10 in longitudine 
capltls; narlbus anteriorlbus tubulatls , posterloribus non tubulatis ; 
linea rostro-dorsali fronte concava, rostro et vertice convexa; rostro 
convexo acuto oculo minus duplo longiore, non ante maxillam inferio- 
rem prominente ; rictu post oculum producto 2{ad2* in longitudine 
capitis ; dentibus acutis palatinis inframaxiUaribusque biseriatis , ce- 
teris uniseriatis ; dentibus palatinis utroque latere serie externa 
16 p. m. inaequalibus , serie interna 3 longis mobilibus antror- 
sum sitis; nasalibus peripbericis 12 p. m. dentibus palatinis lon- 
gioribus , mediis 3 subulatis mobilibus ; voraerinis conicis brevibus 
p. m. 7; inframaxillaribus utroque latere serie externa p. m. 24 
inaequalibus, serie interna syraj)bysi approximata p. m. 3 longis 
mobiUbus; apertura brancbiali oculo non majore paulo infra me- 
diam corporis altitudinem sita; linea laterali poris minimis con- 
spicua; pinna dorsali ante aperturam brancbialem incipiente cor- 
pore minus duplo bumiliore; anali in media corporis totius lon- 
gitudine incipiente dorsali duplo circiter humiliore; corpore pinnis 
umbrino-fuscis nee fasciatis nee maculatis. 

D. 353 p. m. A. 240 p. m. C. 12 p. m. 

llabit. Ternate, in mari. 

Longitudo speciminis unici 452'". 



— 385 — 

Aanm. Deze Muraena behoort tot de groep van Maraena 
griseo-bacUa Riclids , JSluraena pavonina Richds. en j\[nrae- 
na macrurus Blkr, wat liaar tandenstelsel betreft. Even a)s 
laatstgenoemde soort lioeft zij ligcliaara en vinnen brons- 
aclitig brnin gekleurd , zonder vlek- of bandteekening , 
maar zij verschilt er overigens aanmerkelijk van , doordien 
bij Muraena macrurus de hoogte des ligchaams meer dan 
40 maal gaat in zijne lengte, de kop meer dan 11 maal 
in de lengte des ligchaams , de oogen ongeveer 26 maal in 
de lengte van den kop, de binnenreij en der tanden van gehe- 
melte en onderkaak veel talrijker zijn , de rugvin veel la- 
ger is , de aarsvin voor in het middelste derde gedeelte des 
ligchaams begint, de rugvin bijkans 500 en de aarsvin meer 
dan 300 stralen heeft, enz. 

Muraena Duivenbodeï Blkr. 

Muraen. corpora elongato compresso, altitudine 15 circiter in 
ejus longitudine; capite acute 7 circiter ia longitudine corporis, 
pkis duplo longiore quam alto; oculis diametro 9 circiter in lon- 
gitudine capitis; naribus anterioribus tubulatis, posterioribus non 
tubulatis; linea rostro-dorsali fronte concaviuscula , rostro et ver- 
•tice convexa; rostro convexo acuto oculo multo minus duplo lon- 
giore, non ante maxillam inferiorem prominente; rictu post ocu- 
luni producto 2| ch-citer in longitudine capitis; dentibiis acutis, 
palatinis biseriatis utroque latere serie externa p. m. 13 aequa- 
libus, serie interna 8 vel 9 iis seriei externae majoribus subae- 
qualibus; nasalibus peripliericis uniseriatis p. m. 12 palatinis ex- 
ternis majoribus; nasalibus mediis 3 subulatls mobilibus; vome- 
rinis uniseriatis p. m. 12 obtusiusculis ; inframaxillaribus uniseria- 
tis antice tantum biseriatis, serie longiore utroque latere p. m. 
20, serie breviore utroque latere 4 conicis symphysi approximatis 
iis seriei longioris brevioribus; apertura branchiali oculo nou vel 
vix majore, paulo infra mediam corporis altitudinem sita; linea 
laterali inconspicua; pinna dorsali ante aperturam brauchialem 
ïncipiente, corpore duplo circiter humiliore; anali in media cor- 



— 386 — 

poris longitudine incipiente, dorsali multo humiliore; colore cor- 
pore pinnisque olivaceo-fusco, capite inferne ventreque aurantiaco- 
fusco; corpore pinnaque dorsali maculis profunde violaceo-fuscis 
rotundis et oblongis vel elongatis transversis irregulariter disposi- 
tis sat sparsis. 

D. 285 p. m. A. 175 p. m. C. 10 p. m. 

Habit. Ternate, in mari. 

Longitudo speciminis unici 258'". 

Aanm. Ik noem deze soort ter eere van den heer M. D. Van 
DuivENBODE te Ternate, door wiens welwillende bemoeijingen 
mij reeds vroeger en ook tijdens mijn verblijf te Ternate , 
meerdere in de wetenschap onbekende vischsoorten zijn 
geworden. De soort behoort volgens haar tandenstelsel 
tot dezelfde groep als de hier voren beschrevene Muraena 
monochrous. Zij is in die groep gemakkelijk herkenbaar 
aan haar bruin met ronde en langwerpige dwars geplaatste 
zwarte vlekken bedekt ligchaam, aan hare talrijke binnenste 
gehemeltetanden , betrekkelijk kort Ugchaam , gering aan- 
tal rugvin- en aarsvinstralen , enz, 

Scripsi Batavia Calendis Novemhris MDCCCLV. 



SCHEIKUNDIG ONDERZOEK 

EEXER 

JODIUMHOUDENDE WATERSOOET 

VAN DE 

ÏAGALWAROELANDEN. 

DOOR 
jr. 3. AEiTHKER. 



In de residentie Krawang, op de Tagahvaroe-landen , op 
p. m. 2 paal afstands van de kampong Tjiampel , hoofdplaats 
van liet distrikt van dien naam , bevindt zich eene thermale 
altijd loopende mineraalwaterbron. 

Van liet water is den 17n Julij 1855, bij eene voor het 
reeds verloopen jaargetijde buitengewone en langdurige droog- 
te, eene hoeveelheid van zes flesschen verzameld en der Na- 
tuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië aangeboden 
door het lid den heer J. A. Kkajenbrixk (zie Notulen 
der Bestuursvergadering van de Natuurkundige Vereeniging 
in Nederlandsch Indië gehouden den 4u Augustus 1855), 
onder geleide eener missive, gedagteekend : Toelokjambe 18 
Julij 1855 , waaraan genoemde en volgende bijzonderheden 
door mij zijn ontleend. 

Het terrein , alwaar dit water aan den dag komt , behoort 
tot de tertiaire formatie en bestaat uit de afgespoelde ont- 
ledingsprodukten van eene , het land Tagalwaroe bijna regt- 
lijnig van oost naar west doorsnijdende bergkam, van 500 
tot 800 voet hoogte, genaamd Passir benteng. Aan den 



— 388 — 

noordelijken voet der helling , op 6 a 8 paal van de kam 
is de bron gelegen, in een der door liet regenwater uitge- 
spoelde ravijnen , die aan het omliggende land een zeer 
geaccidenteerd karakter geven , en meestal de beddingen 
vormen van kleine ri\dertjes, die het thans vallende re- 
genwater naar de Tjitarum afvoeren. 

De temperatuur van het water is nog niet bepaald; zij 
schijnt veranderlijk te zijn , doch is veel hooger dan de 
bloedwarmte, daar men niet lang de hand in de bron kan 
houden; ook de hoeveelheid is veranderlijk, doch bedraagt 
naar gissing 1/2 tot 1 ned. kan per sekonde. 

Nabij de bron wordt men eenen sterken reuk naar zwa- 
vel waterstofgas gewaar , terwijl de Bloentas (Pluchea indica) 
en andere aan het zeestrand groeijende planten de omge- 
ving bedekken, maar ook nergens anders in den omtrek 
gevonden worden. 

/. Eigenschappen van het loater en hwalitatief onderzoeh. 

Het water van Tjiampel heeft een soortelijk gewigt van 
1,0198 bij ecne luchttemperatuur van 29° C. 

Het is helder en kleurloos; riekt vrij sterk naar zwa- 
velwaterstofgas ; reaktie alkalisch; smaak zeer zout. Door 
verwarming worden nagenoeg geene lucht- en gasbellen uit- 
gedreven; het blijft langen tijd helder, zelfs nog wanneer 
het volumen door verdamping met meer dan de helft is ver- 
minderd. Aan de oppervlakte vormt zich intusschen een 
zeer dun vlies, dat van organischen aard is. 

Kadat het water met salpeterzuur is aangezuurd, wordt 
amylum door de vloeistof hoog blaauw gekleurd, en wel 
dermate, dat men tot eene ruime hoeveelheid jodium be- 
sluiten mag. 

Door de gewoonlijk daartoe gebezigde reaktieven is nog 
gebleken de aanwezigheid van zeezoiotzuur , zwavelzuur , spo- 
ren van ijzeroxyde en aluinaarde , kalh , magnesia en soda, 
terwijl uit het kwantitatief onderzoek blijkt, dat ook kiesel- 
zuur en polasch voorhanden zijn. 



— 389 — 

II. Kicanütatief oyiderzoek. 
1 . Z loarclzuurhepallng. 

Uit 200 grm. water: 
S03 BaO - 0,035 grm. 

2 en 3. Bepaliiuj van chloor en jood. 
Uit 100 grm: 

a. Cl Ag -L Jo Ag :=^ 6,535 grm. 

b. Cl Ag f Jo Ag - 6,531 „ 

dus gemiddeld uit 100 grm : Cl Ag -^ Jo Ag :=i 6,533 grm. 
Uit 200 grm: 

JoPdt^ü,02 grm. 
Pd ^0,006 „ 
Bij deze Lepuling moet worden opgemerkt, dat ter pre- 
cipitatie der zilverzouteii , ue vloeistof is zuur gemaakt na- 
dat die zich reeds hadden afgescheiden , en dat tot het 
precij)iteren van het joodpalladium de vloeistof eerst lan- 
gen tijd tot kokens toe is verhit geworden , vervolgens af- 
gefiltreerd enz., en daarna eene zure oplossing van nitras 
palladii is toegevoegd, zoodat de vloeistof zwak zuur rea- 
geerde. Na 24 uren rust is het joodpalladium afgefiltreerd 
enz. en bij 60° — 70°C. gedroogd; nadat zijn gewigt bepaald 
was, heb ik ter kontróle het zout gegloeid. 

4. KieselzuurbepaUng. 

Uit 200 grm. 

SiO^t^ 0,025 grm. 

5. Bepaling van ijzeroxyde en aluinaarde. 
Fe 20.3 + Ar-0^ ti 0,005 grm. 

6 . Ka Ikb ep alh ig 

Uit het filtraat van 5 : 
CO 'Ca Ot::;0,12 grm. 

7. Magnesiahepaling . 

Uit liet filtraat van 6. 
Ph05 2 MgO- 0,101 grm. 
X. '^ 26 



— 390 ~ 

8. Bepaling van i->otaf,cli en soda. 

200 grm water zijn op de gebruikelijke wijze beliandeld 
ter bepaling van de alkaliën. 

Uit genoemde hoeveelheid water is verkregen aan 
ClKa+ Cl Na ^ 5,141 grm. 
Pt Cl 3 Ka -0,01 o „ 

9. Bepalin<j van het zwavelwaterstof (jas. 
Hiertoe is gebezigd nitras palladii , om eene tocA-allige 

reden. 

Uit 200 grm. is verkregen : 
Pd (na gloeijing van S Pd -f Jo Pd) ;=; 0,017 grm. waar- 
uit in verband met bepaling sub No. o berekend wordt het 
•ïian zwavel gebonden 

Pd -0,011 grm., dus 
S t= 0,003318 » 

10. Bepaling der vaste bestanddeelcn. 
Uit 200 grm. water: 

Vaste stoffen, gegloeid c:; 5,362 grm. 



De uitkomsten , berekend voor 1000 grm. zijn di 
volgende : 

S 03 Ba O ^ 0,175 grm. 
J o Pd ^ 0,1 

Jo Ag+ Cl Ag :=: 65,33 

Si 03 - 0,125 

A12 03 -f Fe- 03 :=: 0,025 

CO^ Ca O ;=: 0,60 

Ph 05 2 Mg O ;=: 0,505 

Cl Na + Cl Ka ^ 25,705 

Pt C13 Ka ^ 0,075 

S :=: 0,003318 „ 



— 391 



Daaruit is berekend : 




S 03 ^ 


0,0G 


Cl ^ 


10,12 


J o ^ 


0,0709 


Si 03 ;=: 


0,125 


Ah 03 f Fe^ U3 ^ 


0,025 


Ca ;=: 


0,240 9 


. Mg^ 


0,1114 


Na :=: 


10,1511 


Ka ^ 


0,012 


II S =:5 


0,0176 



gri 



In 1 ned. kan (1000 grm.) van het Tjiampelwater zijn dus 
voorhanden : 

Chloorsodium (keukenzout) :=:! 25,5284 grm. 



Joodmagnesium 




:r=; 


0,0778 


5> 


ZAvavelzure kalk (g 


ips) 


:=; 


0,1022 


„ 


Chloorcalcium 




:=. 


0,582 


„ 


Chloormagnesium 




- 


0,4043 


'> 


Chloorpotassium 




— 


0,0229 


)) 


Koolzure soda 




=: 


0,1394 


»» 


Kieselzuur 




zz 


0,125 


,, 


IJzeroxyde en aluinaarde 


:=: 


0,025 


„ 


Organische stof 




^ 


sporen. 




Zwavelwaterstofgas 




^ 


0,0176 


n 






^ 


11,3 kub. 


centini 



bij Oo C. en 760 mm. B. 



De som der gevonden vaste bestanddeelen is dus mi 27 



Vergelijkt men dit met de onmiddellijke bepaling sub No. 
1 , waarbij voor 1 ned. kan water wordt gevonden : 

Vaste bestanddeelen ;=! 26,81 grm. 
zoo schijnt het resultaat eenigzins te hoog. Maar bij het 
gloeijen der zoutmassa gaat chloormagnesium over in mag- 



— 392 — 

nesia ; wordt nu het gewigtsverlies , dat daarbij plaats Aindt , 
in rekening gebragt, zoo A-erkrijgt men voor dit laatste 
cijfer 27,0378, dat met de door mij verkregen uitkomst zeer 
wel overeenkomt. 

Het is opmerkelijk dat voor dezelfde hoeveelheid water 
het jodiumgehaltc geheel overeenstemt met d-e wateren van 
Gebangan en Assinan ; maar daar het water van Tjiampel 
veel rijker is aan zouten , vooral aan keukenzout , en daar- 
in het zeewater meer nabijkomt, is het jodiumgehalte ten 
opzigte der zoutmassen natuurlijk geringer. 

De geneeskrachtige werking van dit mineraalwater zal 
dus, wat het jodium aangaat, met die der beide genoemde 
gelijkstaan , en wat in vroegere jaren door den hoogleeraar 
Mulder is berigt omtrent het gebruik , kan volkomen op het 
water van Tjiampel worden toegepast. 

Voor de industrie is het water van Tjiampel zonder 
twijfel van groot gewigt. Uit de hierboven medege- 
deelde opgaven van den heer Kkajenbrink in verband met 
mijn onderzoek blijkt, dat het water in één etmaal aan 
jodium oplevert 4,5 ned. ponden ; dat is dus jaarlijks 
meer dan IGOO ned. ponden, tot een geldswaardig bedrag 
van 45,000 gulden , terwijl het als nevenprodukt verkre- 
gen keukenzout bedraagt meer dan 600,000 ned. ponden. 

Welteoreden, 5 November 1855. 



NOVAi; spi;cii;s hiipaticahum 

EX INSULA JAVA. 

DETKXIT 

Dr. r. Junguuhn; 

DESCRIPSIT 



Postquam edita fuit Synopsis Hepaticai'uin , in quo opero jam 
magna copia descripta est earum, quae in Java insula crescunt 
Viri Cl. LiNDENBERG (2) et GOTTSCHE (3) numevum denuoauxe- 
runt speciebus novis iudigenis, quae in collectione ZoUingerla- 
na pvostant. 

Vir doet. JuxGHUHX Hepaticas Javanicas jam desciiptas, pau- 
cis exceptis, omnes legit et praeterea multas species turn novas, 
turn aliunde modo cognitas. Species novae ex hac ditissinia col- 
lectione praemittuutur , brevi addlta descriptione. In postorum 
plenius exponi poterunt in plantis Junghuhulanis. 

Plagiochila Nees et Mont. 

1. PI. Junghuhniana. 

PI. caula repente, ramis erectis iterato-dicliotoniis laxis ilexu- 
osis; foliis basi imbricatis semiverticalibus patentibus dimidiato- 

(1) Overgenomen uit het 3^ Deel van het Nederlandsch Kniidkundlg Archief. 

(2) Botanische Zeitnng , 184S, p. 462 seq. 

(3) Natnurkundig Tijdschrift voor Nederlandscli Indië. Nieinvc Serie. Deel 
I. 1853, p. 573 seq 



— 394 — 

ovatis, apice truucato emarginatis bi-tVideutatis , margine dorsali 
decurrentibus reflexis integerrimis , veutrali toto parce spinuloso- 
serratis; fructu terminali; periantliio perichaetio longiori rotunda- 
to-obovato, margine antico alato (ala apice seiTata), ore com- 
presso repando truncato ciliato-dentato. 

2. Plagiochila variabilis. 

PI. caule repente adscendente subsimplici ; foliis verticalibus 
anguste oblongis, marginibus planis patenti-divergentibus , apice 
obtusis oblique truncatis vel emarginato-bidentatis ; fructu ob 
innovationem laterali, foliis involucralibus oblongo-ovatis denta- 
tis ; perianthio . . . 

3. Plagiochila Korthalsiana Molkeub. Bis. 

PI. caule repente, ramis erectis apice curvatis; foliis semiver- 
ticalibus erecto-patulis subsecundis ovato-oblongis obtusis, mar- 
gine dorsali reflexis integerrimis, ventrali apiceque serratis ; fruc- 
tu laterali et terminali; periantliio ovato cemuo vel basi incurvo, 
ore truncato denticulato. 

(o. rohustior. Olivacea, raagis prolifero-divisa, flexuosa, pe- 
rianthiis crebrioribus. 

4. PlacjiocMla fusca. 

PI. caule repente ramis erectis apice curvatis; foliis subverti- 
calibus patenti-divergentibus retroflexis semiovatis, marginibus 
reflexis, dorsali strictis integerrimis, ventrali apiceque obtuso 
dentato-cUiatis ; fructu terminali vel accedente innovatione late- 
rali; periantliio oblongo compresso, ore truncato denticulato. 

LOPHOCOLEA N. ab E. 

1. Lopkocolea horridula. 

L. caule repente, radlculoso ramoso; foliis adproximatis sub- 
horizontalibus ovato subquadratis spinuloso-cUiatis dorso muri- 
catis, apice bifidis sinu lacinüsque aeutis; amphigastriis indi- 
stinctis; fructu terminali ; perianthio clavato-cylindrico tota super- 
ficie muricato apice subplicato, ore 5-fido. 

Chiloscyphus Cda, Dum., N. ab E. 

1. Chiloscijplius trapezioides 

Ch. caule rigldulo repente vage ramoso adscendente flexuoso, 
foliis semiverticalibus conniventibus imbricatis ovato-trapezioideis. 



— 395 -~ 

apice ubtuso iutegerrimo , niargine dorsali rectiusculo baai uudu- 
lato, ventrali arcuato basi 2-3 dentato, ampliigastrns subimbri- 
catis ovali-rotundis octangulari-spinosis , apice subemarginatia 
altero latere folio subconnatis ; iVuctu . . . 
2. Chïlosijphus tjiwideieiisis. 

Cli. caule repente, vage ramoso; tbliis subhoi'izoutalibus cou- 
niventibus ovatis, apice obtuso plano integerrimo, margine dor- 
sali longe decurrentibus , ventrali basi integris vel subdeutatis, 
amphigastriis approximatis ovatis utrinque subtrideutatis , apice 
sinu augulari bifidis, laciniis subincurvis acutis, altero latere 
cum folio subjaceiite coaiiatis ; fructu . . . 

Mastigobryum Nees, Lindbg. et Gottsche. 

1. Mastigohrij am javanicum. 

M. caule gracili prociunbeute ramoso, flagellis lougis capillari- 
bus; foliis disticho-patentibus approximatis ovatis planiusculis , 
margine ventrali rectis, apice angustatis oblique tnincato-3-den- 
tatis, dentibusque acutis integerrimis , amphigastriis distantibus 
patulis rotundo- vel subquadrato-ovatis integerrimis retusove 
crenulatis; fructu ..." 

2. Mastigobrijum densum. 

M. caule procumbente dlchotomo ; folüs dense imbricatis ovato- 
oblongis planiusculis apice 3-dentatis, dentibusque brevibus inte- 
gerrimis, amphigastriis approximatis parvis semicircularibus con- 
vexis patulis apice reflexis subintegris ; fructu . . . 

3. Mastigobrijum paradoxum. 

M. caule dlchotomo-ramoso iuuovaute, flagellis brevioribus 
crebrls; foliis imbricatis deflexis oblique ovatis ti"uncato-3-denta- 
tis, dentibusque acutis integerinmis , amphigastriis imbricatis ad- 
pressis caule multo latioribus, e basi cordata subquadratis, basi 
incisis vel multifidis, laciniis sursum curvatis, margine apiceque 
truncato dentatis; fructu..-. 

Kadula. N. ab E. 

1. liadula anceps. 

Rad. caule repente, bipinnatim rumoso; foliis imbricatis oblique 
ovatis acutis , margine dorsali apiceque spinuloso-dentatis , basi 
decurrente complicatis, lobulu quadrato basi saccato margine iu- 



— 396 — 

terno cauli adnato, apice obtuso inflexo; fructu in dichotomia, 
foliis involucralibus majoribus : perianthio . . . 

Thysaxaxthus Lindbg. 

1. Thij sananthus lilanus. 

Th. catile repente, ramis dichotomia erectiusculis fastigiatis 
pinnatisve, foliis subhorizontalibus disticho planis ovatis acutis 
vel obtusis integerrimis apiceve serratis, lobulo planiusculo , am- 
phigastriis subimbricatis rotundo-quadratis vel obovatis retusis 
adpressis patulisve integerrimis; fructu in dichotomia, foliis in- 
volucralibus . acutis apice serratis , amphigastrio involucrali mag- 
no ovato profunde bifido, laciniis acutis utrinque serratis; pe- 
rlanthio triquetro, angulis spinuloso-dentatis. 

Phragmicoma Dumort. 

1. Phragmicoma jyolyniorplm. 

Phr. caule repente, ramis dichotomis adscendentibus fastigiatis 
puiuatisve; foliis semiverticalibus imbricatis oblique ovatis obtu- 
sis acutisve, raargine ventrali intiexis undulatis apiceque plano 
dentatis vel planis integerrimis, lobulo oblongo tumido, amphi- 
gastriis imbricatis rotundo-obovatis undulatis dentatis patenti- 
divergentibus vel integerrimis retusis adpressis patulisve; fructu 
in dichotomia et laterali , amphigastrio involucrali oblongo dentato 
apice subemarginato ; perianthio oblongo valde conipresso laevl 
dorso convexiusculo bi-trisulcato, ventre tripllcato. 

Lkjeuxia Gottsche et Lindbg. 



1. Lejewiia venusta. 

L. caule repente ramoso; foliis contiguis semiverticalibus ova- 
tis obtusis supra muricatis margine dentato ciliatis, lobulo ovato 
tumido truncato-dentato , amphigastriis nullis; fructu laterali ses- 
sili: perianthio obovato tota superficie muricato. 

2. Lejeiuda Molkenboericma. 

Lej. caule repente, vage ramoso; foliis imbricatis semiverticali- 
bus ovatis acutis apice inflexis integerrimis sinuato-complicatis , 
lobulo inflato ovato, amphigastriis subimbricatis folia aequanti- 
bus cordato-ovatis ad medium usqne bifidis laciniis acutis; fruc- 



— 397 — 

tn in mmiilo brevi laterali; perlaiithlo obovato dorso uni- ventre 
biearlnatü. 

3. Lejeunia falsiaervis. 

L. caule repente ramoso, ramis elongatis; foliis semiverticali- 
bus contiguis oblougo-cultratis repandis obtusis, medio linea 
pellucida cellularuni majorum notatis, apice subinfiexis, lobulo 
plano oblongo apIce emarginato-unidentato , amphigastriis distan- 
tibus e basi subdecurrente ovalibus bifidis laciuiis acutis; fructu 
in ramulo laterali, ampliigastrio involucrali oblongo bifido; pe- 
rianthio obovato-pyriformi dorso uni- ventre bicariuato. 

4. Lejeunia ajnculata. 

L. caule repente, bipinnato ramoso; tbliis contiguis subhori- 
zontalibus ovatis apice planis acutis et cuspidulatls integerrimis , 
basi subsinuato-complicatis , lobulo tumido ovato emarginato- 
unidentato, amphigastriis minutis distantibus ad medium usque 
bifidis laciuiis rectis acutis; fructu in ramulo laterali; perianthio 
obovato dorso uni- ventre bicarinato. 

Frullaxia. Jiaddi. 

1. Fndlatda rejlexistipula. 

Vv. caule repente subpinnatim ramoso; ramulls inaequalibus 
flexuosis; foliis imbricatis semiverticalibus squarrosulis ovatis 
obtusis margine recurvis integerrimls , auriculis galeatis compres- 
sls , amphigastriis imbricatis transversis indivisis margine reflexis ; 
fructu laterali sessili, amplügastrils involucralibus bifidis , follis- 
que involucralibus bilobis inciso-serratls ciliatis; perianthio 
ovato villoso, dorso convexo ventre unicarlnato, marginibus ca- 
rinaque compressis subalatis ciliatlsque. 

2. Frullania campanulata. 

Fr. caule repente, inoi'dinate ramoso composito; foliis semiver- 
ticalibus laxe imbricatis subrotundis obtusis integerrimls, auricu- 
lis cauli contiguis denudatis ovato-galeatls compressis margine 
externo basi dilatatis, amphigastriis distantibus obovatis bifidis, 
laciniis acutiusculls extus anguloso-dentatis ; fructu sessili, foliis 
involucralibus liberis integerrimls; perianthio laevi compresso 
utrinque bicarinato. 
ö. Frullania repaudistlpula 

Frull. caule repente ramoso , ramis breviter pinnatis ; foliis semi- 
verticalibus ovatis, caulinis contiguis obtusis, ramulorum imbri- 
catis acutioribus, auriculis obovato-oblongis denudatis toto am- 
bitu fortltcr erenulatis, lacinia parva Interjecta , caulinis horizon- 



— 398 — 

talibus , ramulorum "confertis subobliquis , amphigastriis obovatia 
repandis bifidis laciniis obtusiusculis, ramulorum imbricatis ; fruc- 
tu in ramulo brevi laterali, involucro subdentato; perianthio 
üblongo dorso sulcato, ventre unicarinato, carina acuta. 

4. Frullania tenella 

Fr, caule repeute, ramis subpiunatis elougatis; foliis subverti- 
calibus laxe imbricatis ovatis obtusis et acutiusculis , auriculis 
übovatis obliquis deuudatis, lacinia notabili triangulari interjecta, 
amphigastriis distantibiis ovatis integerrimis bifidis, laciniis acu- 
tiusculis; fructu in ramulo laterali, foliis involucralibus acutis 
integerrimis; perianthio oblongo ventre unicarinato. 

5. Fimllauia 2ji'inulata. 

Fr. caule repeute, ramis elougatls erectis subbipinuatis , pinnis 
brevissimis inicropbyllis ; foliis semiverticalibus imbricatis ovatis 
obtusis integerrimis , ramulorum acutis , auriculis cylindraceis toto 
ambitu creuulatis denudatis, lacinia parva interjecta, caulinis 
subhorizontalibus , ramulorum obliquis confertis, amphigastriis 
obovatis integerrimis bifidis , ramulorum confertis oblougis laciniis 
acutis, lobls ventralibus involucri amphigastrioque serratis, dor- 
salibus subintegris acutis; perianthio oblongo, ventre unicarinato 
carina obtusa subinflata. 

6. Frullania sinuata. 

Fr. caule repente, ramis regulariter subbipinuatis; foliis semi- 
verticalibus, caulinis approximatis obovato-rotundis, pinnarum 
imbricatis ovato-oblóngis apice obtuso, acuto vel apiculato in- 
fiexis, ibique in dorso sinulo excavatis, auriculis denudatis sub- 
obliquis obloniiis, ramulorum confertis, amphigastriis distantibus 
ovatis subdentato-repandis bifidis, laciniis acutis, ramuloi'um im- 
bricatis laciniis caualiculatis apice incurvis ; fructu . . . 

7. Frullania minor. 

Fr. caule repente, pimiutim composito, foliis semiverticalibus 
rotundatis, pinnarum imbricatis late ovatis acutis, auriculis de- 
nudatis obliquis obovatis vel evolutis, amphigastriis distantibus 
planis acute bifidis, ramulorum confertis ; fructibus sparsis subsessili- 
bus, involucro dentato, foliis involucralibus bilobis margine reflexis, 
lobo dorsali late ovato , veutrali lanceolato-ovato ; perianthio obo- 
vato dorso convexo ventre unicarinato, carina lata obtusa. 

Cal. Decembris 1854. 



VOORLOOPIG BERIGT 



ÜVEK EENE NIEUWE 



WOLF F 1 A, 



p. A. ^v. mavKi^ (i> 



Nadat in onzen tijd de aandacht der plantenkundigen 
op nieuw op de in zoo vele opzigten merkwaardige groep 
der Lemnaceën gevestigd Averd , is vooral het geslacht Wolf- 
fia , als het kleinste en tevens geheel wortellooze model 
eener phanerogamische plant, het voorwerp geworden van 
meer bijzondere oplettendheid. De eerste soort van dit ge- 
slacht , en die onder deze pygmeën de grootste is , de oude 
Lemna hyalina uit de wateren van Egypte , werd het eerst door 
HoEKEL , den vermaarden oom van den hoogleeraar Schlei- 
DEN , als de type van een nieuw geslacht erkend , en naar exem- 
plaren in WiLLDENOW's herbarium en naar voorwer- 
pen door Ehrexberg medegebragt, goed onderzocht en 
door SCHLEIDEN in zijne Prodromus Monographiae Lem- 
iiacearum als Wolffia Delilii in het stelsel «pgenomen. — 
De tweede soort , de oude Lem^ia arrJdza Micheli , in de 
europesche wateren gemeener dan men vroeger gedacht 
had, werd aanvankelijk door Schleiden, wat de rang- 
schikking betreft, miskend en tot het geslacht Tebiiatoj^hace 
gerekend , en eerst na de scherpzinnige onderzoekingen 
van wijlen den hoogl. IIóffman, heeft de jenasche ge- 



(1) Overgenomen uit liet Dei-Lle deel vau het Nederlaudscli KniidkuuJig 
Aj-ichef. 



— 400 — 

leerde haar «als \Voifjxa MicheL'd (in den herdruk van den 
Prodromus in zijne Beijtraege) opgenomen — Deze ook in 
ons land geheel niet zeldzame soort, die de eerste ontdek- 
ker de LenticuLaria omnium minima noemde (MiCHELl Ge- 
nera p. 16. 7a6. XI. jhj 4) moest onlangs haren titel, de 
kleinste der phanerogamen te zijn, verliezen, toen Dr. A. 
Weddel, in de provincie Matto-Grosso , langs den Rio-Pa- 
raguay , door een' toeval eene nog kleinere Wolffia ont- 
dekte. Eene geschoten kamichi uit het water halende, 
zag hij aan de vederen van den zeldzamen vogel eene groe- 
ne, korrelige stof kleven, die hij bij eene nadere beschou- 
wing voor eene Lemna herkende , en daarbij tevens het 
zeldzame geluk ondervond haar in bloei en vruchtvorming 
te ontmoeten. Deze Wolfjia hrasil'iensls is ^ of | kleiner 
dan Wolfjia Michelli. 7A] werd in 1849 in de Annales des 
sciences naturelles door haren ontdekker met zeldzame vol- 
ledigheid en naauwkeurigheid beschreven : gerustelijk kan 
men beweren , dat de kleinste phanerogamische plant — die 
in dezelfde wateren met de reusachtige Victoria leeft — in 
een deel der aarde , ^^ aar de natuur vooral gigantische 
vormen heeft willen planten — beter beschreven is , dan 
hare aanverwanten. 

Thans schijnt het echter, dat ook de brasiliaansche soort 
de kleinste onder de WolfpxCs niet blijven zal! — De scherp- 
ziende jonge duitsche natuurkundige, Dr. Agathon Bekn- 
8TEIN , die voorleden jaar naar Java vertrok — een geleer- 
de van wien ik nog vele ontdekkingen op het gebied der 
plantenkunde en geologie verwacht , — bragt mij onlangs 
een fleschje met eenige Lemna- soorten , door hem in de 
nabijheid van Soerabaja in eencn kalkhoudenden waterplas 
verzameld. Ongetwijfeld behooren de twee daarin voorko- 
mende soorten tot het geslacht Wolffia. 

De kleinste is blijkbaar zeer naauAv verwant aan Wolffia 
Michelii en Wolffia hrasiiiensis. \a.n de eerste verschilt zij 
dadelijk door de eivormige gedaante der bovendien veel 



— 401 — 

•kleinere frondiculae ; met de tweede stemt zij overeen wat 
de algemeene gedaante betreft, maar, door elkander gere- 
kend, zijn de frondiculae nog iets kleiner; de grootste zijn 
kleiner dan een nederlandsche streep. Daarbij missen zij 
liet eigenaardige kenmerk der brasiliaansehe soort , de 
bruine , hoekige vlakjes der opperhuid. Ook had de eeni- 
ge meeldraad, dien ik aan mijne exemplaren magtig kon 
worden , een veel langer filamentum dan eenige der OA^eri- 
ge soorten van dit geslacht. Ik twijfel er dus geenszins 
aan , of de zoete watoren van den Soenda- Archipel bevatten 
naast de reuzen vormen die de landvegetatie daar voortbrengt , 
eene phanerogamische plant , die met hare braziliaansche 
aanverwante , tot nog toe de kleinste phanerogamische plant 
kan heeten. 

Ik stel mij voor in mijne Flora van Nederlandsch Indië 
daarvan eene afbeelding te geven. 

Haren soortnaam ontleen ik aan den geleerde , die door 
zijnen Prodromus eener Monographie der Lemnaceên tot 
de kennis dezer groep Ijelangrijke bijdragen heeft geleverd 
en wiens naam men , met de gedachte aan zijne nasporin- 
gen op de uiterste grenzen der zigtbaee organisatie , met 
de kleinste phanerogamische plant niet ongaarne zal ver- 
bonden zien. 

Wolfjia ScJileideni MiQ. , frondiculis ovatis, supra planis 
stomatiferis , subtus convexis non stomatiferis , undique epi- 
dermide non punctata (e cellulis rectangulatis vulgo hexa- 
gonis) obductis, simplicibus vel per breve tempus gemina- 
tis, rima basilari truncata exappendiculata; filamento gracili. 

Lerana globosa Roxb. Flor. Ind. II. p, 565 ? 

In apuis stagnantibus Javae anno 1854 detexit Dr. Aga- 
THOX Beknstein, medicus navalis- 

Cellulae interiores, lacunis aëriferis pluribus diremtae , eUip- 
siodeo-merenchvmaticae , majusculae , chlorophyllo praesertim 
versus inferiora frondis donatae , in stirpe juvenili simil amy- 



— 402 — 

lo elliptico repletae, post froncliculae pullulationem auteur 
fere vacuae unde vetustiores liyalino-translucidae. Epider- 
mis crassiuscula , in pagina superiore stomatibus ovalibus. 
Ejus cellulae quibus rima obvallatur, a consueta forma re- 
cedunt et lineares apicibus acutis ofFenduntur , triplici serie 
rimam ambientes. Stamen filamenti majori longitudine , 
frondiculae longitudinem circiter aequante , ab eo W. brasi- 
liensis diifert. 

De tweede, veel grootere soort (2 — 2\ streep lang) is 
welligt dezelfde als Wolfjia Delüii, of althans aan haar 
zeer verwant. Zij is veel meer platgedrukt, weinig lens- 
vormig, en heeft geslingerde opj^erhuidscellen. Zoodra ik 
gelegenheid zal gehad hebben , originele exemplaren van 
Woiffia Delilll te vergelijken , zal ik over hare verwantschap 
met meer zekerheid kunnen oordeolen. 

Amsferdam, 6 Jannarij 1J^55. 



EERSTE BIJDRAGE 

TOT DE KENNIS DER 

IH P T K II O I, O (i I S C H K FAUNA 

VAN 

NEDER]. AND SCH INDIE! 

DOOK 
C. li. DOIjKSCHAIili. 

(Met Platen). 



Het getal , der uit deze bezittingen bekend gewordene 
Dipteren is zoo gering, hunne betrekking tot de andere 
voorwerpen der natuur zoo belangrijk en het verschil der 
vormen zoo menigvuldig, dat het zeker wenschelijk is, iets 
naders omtrent deze insekten mede te deelen. Met genoe- 
gen maak ik van de gelegenheid gebruik , om aan den wensch, 
door de Natuurkundige Vereeniging geuit , in zoo verre dit 
mijne betrekking en mijne middelen toelaten , te voldoen. 

Aangezien de Dipteren door hunne teedere organisatie, 
vooral A^an vele soorten , niet geschikt zijn om naar 
Europa verzonden te worden , is het onze taak , om ze 
op hunne geboorteplaats te bestuderen. Daar ieder begin 
moeijelijk , en hier een nieuw veld is te bearbeiden , is 
ook mijne eerste bijdrage geheel onvolledig en bepaalt zich 
tot de mededeeling van eenige nieuwe soorten. Is men 
eens in het bezit van eene opsomming der nederlandsch- 
indische soorten van Dipteren , dan is het tijd om zich 



— 404 — 

met de leefwijze, die alleen eenig belang aanbiedt, te be- 
moeijen , waardoor de zamenhang dezer dierklasse met de 
andere voorwerpen der natuur duidelijker wordt. Hoe lan- 
gen tijd werd niet gewerkt, alvorens men tot kennis geko- 
men is van hetgeen men omtrent de europesche Dipteren 
weet; hoevele onderzoekers hebben niet hunnen tijd besteed 
om deze schijnbaar nutteloze diertjes na te sporen? Het is 
dus natuurlijk, indien ik vooreerst slechts eene korte be- 
schrijving , zonder eenige verdere aanteekeningen , van die 
Dipteren aan het publiek bekend maak, welke gedurende 
mijne dagelijksche uitstapjes in mijn bezit kwamen , elke 
breedvoerige , tot in geringe bijzonderheden gaande, beschrij- 
ving aan de toekomst overlatende. In stede hiervan maakte 
ik afbeeldingen naar de natuur, Avelke de zaak beter ver- 
zinnelijken dan zelfs de beste beschrijvingen. Hierdoor is 
de tekst van mijne bijdragen het verreweg kleinste gedeelte. 
Indien er bij mijne verdere nasporingen over de vele ver- 
melde soorten iets op te merken valt, zal zulks later kun- 
nen vermeld worden. 

Het bewaren van Dipteren hier te lande is vergezeld 
van groote moeijelijkheden , grootendeels aan hunne klein- 
heid toe te schrijven , en aan de bezwaren , die aan hunne 
vangst verbonden zijn. Bij de afdeeling der Tipularidae bleef 
mij niets over, dan het op lijmpapier gevangen diertje on- 
middellijk onder het mikroskoop te brengen , waardoor stelling 
en kleur naar de natuur konden geschetst worden. Reeds 
eenige uren later is het teedere voorwerp verdroogd en ge- 
heel onkenbaar. 

De leefwijze der dipteren is moeijelijk na te gaan , daar ze 
zich , voornamelijk in de eerste perioden van hun bestaan 
aan het gezigt onttrekken. Ze, even als andere insekten , 
kunstmatig te huis te kweeken , is wegens hun somtijds onbe- 
kend voedsel onuitvoerbaar. 

Met uitzondering van eenige weinige , leiden zij meest 
een sociaal leven. De enkele soorten treden op bepaalde tij- 



— 405 — 

den in menigte op , zoo dat bijna elke maand eigene vor- 
men van Dipteren vertoont; anderen vliegen het gelieele 
jaar door. 

Bij de gebrekkige letterkundige hulpmiddelen, welke mij 
bij de bepaling der species ten dienste stonden , ben ik zeer 
bevreesd, dat mijne bepalingen vele wijzigingen zullen onder- 
gaan ; ik maak trouwens ook geen aanspraak dat ik zooge- 
naamde nieuwe species bekend gemaakt heb, maar slechts dat 
ik de Dipteren van mijne tijdelijke woonplaats heb opgesomd. 

TIPULAEIA. 

1. Culex cingulatus. n. sp. 

Cul. thorace pallide rufo, abdomine cinereo, articulationi- 
bus hujus nigro-annulatis , pedibus ciliatis unicoloribus ru- 
fis, oculis viridi-aureis , alis margine in venisque ciliatis, 
immaculatis , antennis apice nudis ciliatis. Longit. 2 lin. 

Habit. Javam , totum per annum in domiciliis copiosis- 
simus: (Ambtirawa). 

2. Chironomus cuhiculorum. n. sp. 

Chiron. laete viridis : thorace antice gibbosissirao , dorso 
maculis 3 rufis metathoraceque rufis , femoribus tibiisque vi- 
ridibus, tarsis pallide fla^-is, articulationibus nigris, oculis 
nigris, antennis pilosissimis. Longit. 1^ lin. 

Habit. Javam in cubiculis, sat copiosus tempore plu\-i- 
arum (Ambarawa). 

3. Tanypus j^ci^'dalis nov. sp. 

T. thorace gibbo , rufo , fusco maculato , abdomine palli- 
de , in segmentis nigro annulato , alis hijalinis , pedibus fus- 
cis , tibiis femoribusque nigro maculatis, antennis apicem ver- 
sus fusco-pilosis. Longit. Ij- lin. 

In domiciliis (Ambarawa) tempore pluviarum. 

4. Tanypus melanurus nov. sp. 

T. thorace cinereo- coerulescente , antice in gibbum caput 
X. 27 



— 4-06 — 

fere tegentem producto , abdominis segmentis 5 anterioribus 
viridibus , posticis tribus nigris , omnibus dense setosis , alis 
hijaliiiis unicüloribus , pilosis , pedibus pallidis , nigro ma- 
culatis. Longit. 1 liu. 

Tempore pluviarum in domiciliis (Ambarawa). 

5. Tanypus cyanomaculatus nov. sp. 

T. griseus, tliorace elevato antice bigibboso caput te- 
gente, dorso irapresso, nigro punctate-setoso , abdomine ru- 
fo-fusco , longe setoso , pedibus pallidis , articulationibus ni- 
gris sparse setosis , alis abdomine brevioribus , pilosis cija- 
neo maculatis , puncto in medio alae sito nigro. Longit. 1 lin. 

Habit. Copiosissime in cubiculis (Ambarawa) tempore 
pluviarum. 
G. Tanypus nigrocinctus n. sp. 

Pallide rufus , sparse pilosus , thorace elevato , antice uni- 
gibboso, rotundato, abdomine antice attenuato, segmento 
6-8 iucrassato, longe piloso, nigro annulato, alis diaphanis , 
pedibus nigris. Longit. 1 lin. • 

Hab, Tempore plu-\-iarum ad fiumina. 

7. Ctenopliora javanica nov. sp. 

Aurantiaca , oculis , dorsi macula orbiculari , maculis ab- 
dominis lateralibus, antennis, pedibusque nigris, his in ar- 
ticulationibus albido-luteis , alis medio lurido-fla\^s , margine 
infuscato nigris, antennis tlioracem longitudine aequaijtibus , 
longe ramosis, ramis in omni articulo duobus. Longit. 6 lin. 

Hab. In locis nemorosis prope Djokjokarta. 

8, Tipula javensis n. sp. 

T. corpore citrino-flavo , thorace maculis lateralibus 4 
rotundis, una niediana ovali, nigris, segmentis abdominis 
late nigromaculatis , sexto octavoque nigris, oviducto rufes- 
cente, antennis fuscis, pedibus flavidis in articulationibus 
fuscis, alis pellucidis , celiula stigmatica nigra. Longit. 7 lin. 

Habitat Javam , locis nemorosis ''Djokjakarta) 



— 407 — 

9. Plecia fulvicoUis Wied. 

Copiosa totum per annum, locis gramiiiosis (Ambarawa , 
Djokjokarta). 

10. Scatopse piisilla nor. sp. 

Thorace fusco , abdoraine elongato viridi, oviducto nigro, 
alis magnis vindescentibus , pedibus pallide bruneis. Longit. 
: liii. 

In domiciiiis , locis obscuris. 

TABANIDA. 

11. Tabanus huhali n. sp. 

T. rufo-brunens , oculis nigerrimis , antennis nigris, fronte 
hijpostomateque albo-griseis , linea abdominis dorsali albida , 
alis diaphanis. Longit. 12 lin. 

Hab. Javam , bubalis inimicus. 

12. Haematopota pumjcns n. sp. 

II. rufo-fusca, segmentis abdominis pallidius limitatis, ocu- 
lis aeneo-fuscis, alis infuscatis, albo punctatis maculatisque , 
pedibus indistincte albo annulatis. Longit. 4 lin. 

Copiose in silvis primaevis montis Oenarang equis insi- 
diosissima (tempore pluviarum). 

NOTHACANTHA. 

13. Ephippium sjnnigerum n. sp. 

E. nigro-coeruleum , striis dorsalibus duabus cinereis , 
maculis abdominis triangularibus cinereis, facie alba sericeo- 
pilosa, alis basi pellucidis, dein iufuscato-nigrescentibus , 
pedibus nigro- cinereis, spina thoracis utrinque ad basin alae 
nigra. Longit. 5 lin. 

Habit Javam (Djokjoknrta). 

14. Ptüocera quadridentafa "VVied. 

Copiose tempore aestivo in pagis prope Djokjokartam 



— 408 — 

15. Chrijsocldora vitripennis nov. sp. 

Capite nigro, thorace viridi nitente, abdomine piceo, de- 
presso , lato truncato , alis pellucidis , pedibus nigris , tarsis 
flavicantibus. Loiigit. 1 1 lin. 

Hab. Javam , locis siccis. 

ASILIDA. 

16. Ominatius fidvidus Wied. Ausl. Zweifl. 

Ad diagiiosin adde: Oculis in vivo aureo-viridibus. 
Ilabit. Locis graminosis rarior (Djokjokarta). 

17. Dasijpocjon imberhis ii. sp. 

Facie albopilosa, antennis rostroque nigro-fuscis , fronte 
fuscescente , thorace superne cinereo , striis tribus longitudi- 
nalibus fuscis, pectore lateribusque albolanuginosis, abdomine 
nigro nitente fasciis transversalibus tot quot sunt ejus seg- 
menta , margine dilatatis albis , pedibus inermibus , tenui- 
bus , fusco-cinerascentibus , cellula discoidali alarum pelluci- 
darum parva elongata, pentagona. Longit. 3 lin. 

Hab. Prope Djokjokarta lecta. 

18. Asihis melanurus n. sp. 

A. oculis antennisque nigris, mijstace longo flavido, tho- 
race abdomineque griseo-nigris, illo lineis duabus longitu- 
dinalibus fere contiguis nigris notato, articulis duobus ulti- 
mis abdoniinis nigris , nitentibus, alis hijalinis extrorsum affus- 
catis, tibiis subtus rufis. Longit. 10 lin. 

Habit. JaA^am , copiosus. Venatur libcllulas , aliaquc in- 
secta se ipso multo majora. 

BOMBIJLIDA. 

19. Anthrax tantalns Fab, 

Tempore aestivo in hortis prope Djokjokarta. 



— 409 — 

20. Toxoiyhora jwayia Wied. 

Rara (Djokjokarta). 

CONOPIDA. 

21. Conops javaiiica n. sp. 

Itufo-brunnea , tliorace subquadi'ilatero , liijpostoinate la- 
to , fiavo-sericeo , vertice rufa ; abdomine antice attenuato , 
segiuento primo minimo griseo , secundo rufo postice liavo 
marginato, tertio iiigro, quarto et quinto rufis sericeo-pilosis, 
pedibus rufis tarsis nigricautibus; alis flavidis, apicem versus 
obfuscatis. Longit. 5 liii. 

Cepi in vallibus montis Telemojo prope Arabarawa , 
tempore pluviaruni. 

DOLICHOPODA. 

22. Diapliora aenea n. sp. 

Thorace aeneo-viridi , nigro-setoso , articulis abdominis 3 
anticis rufis, 3 posticis aureo-viridibus , oculis nigris , pedi- 
bus pilosis , alis diaphanis latis , articulo quinto tarsoruni 
anterioruni dilatato. Longit. 1| lin. 

Habit Javam, cum sequentibus sat copiose , tempore me- 
ridiano volitans. 

23. F silopus viitatus. Wied. Ausl. Dipt. 

24. Psilopus puslLlus n. sp. 

Aureo-viridis , nigro setosus , oculis azureis , facie episto- 
mateque argenteo-albopilosis , antennarum articulo tertio 
elongato conico apice setigero , pedibus anterioribus 4 ru- 
fo- fuscis , posticis nigerrimis , omnibus longe-setosis , alis dia- 
phanis. Longit. 1 lin. 

Habit. In bambusetis tempore pluviarum. 



— 410 — 

25. Psüopus leiopus n. sp. 

Aureo-viridis , abdomine postice azureo nitente ; corpore 
setoso , capite tliorace latiore , oculls nigris, fronte azurea, 
alis latis margine anteriore nigrescentihus , pedibus glabris 
i'ufis, tarsis nigris. Loiigit. 1 lin. 

26. Arcjijra spinipes n. sp. 

Azurea ; scutello metallico-viridi , oculis , antennis pedi- 
busque rufis, facie fronteque viridi-argenteo nitente, tibiis 
pedum spinosissimis. Longit. 2 lin. 

Habit. Prope Djokjokarta, in herbidis. 

SIJEPHIDA. 

27. Eristalis Macqnartii nov. sp. 

Tomentosa , fronte unita flavida , oculis aeneo-fuscis , 
thorace fusco, fasciis duabus transversis, viridi-flavis , abdo- 
mine flavo-rufo, fasciis tribus triangularibus rufo-fuscis, ner- 
vaturis alarum rufis , pedibus nigris albo annulatis. Longit. 
6 lin. 

Habit. Javam , ubique sat copiosa. 

28. Sijrphus splendens n, sp. 

S. bijpostomate flavo, antennis rufis, thorace aeneo-viri- 
di, flavo marginato, metathorace flavo, abdomine antice ni- 
gro in posteriore parte rufo fasciis transversalibus flavis 4 , 
prima medio interrupta; alis hijalinis, pedibus rufis, fe- 
moribus tibiisque posterioribus nigro annulatis. Longit. 
3 lin. 

Hab. Javam , copiosus. 

29. Senog aster lutescens nov. sp. 

Nigro-aeneus , thorace flavo marginato , articulo abdominis 
secundo tertioque luteo , antennis pallide ruf.s, facie albo-se- 
riceo nitente, femoribus pedum posteriorum globoso-incras- 



— 411 — 

satis, uigris, tibiis annulo rufo signatis, pedibus anteriori- 
bus 4 exlguis , pallide rufis, hauste tubo perpendiculari elonga- 
to Longit. 3 lin. 

Hab. Javam (Djokjokaria). Tvarior. 

30. Baccha pedicellata n. sp. 

Nigro-fusca, scapulis flavidis, abdomine longe pedicellato, 
postice spathuiatim applauato, fasciis duabus semiluiiaribua 
transversis luteis , metathorace luteo cincto, margine alarum 
antico nigro-fusco , pedibus brevissimis , luteis , posticis ni- 
gro annulatis. Longit. 4 lin. 

Hab. Javam, x\phidibus quae in Paritio tiliaceo vivunt, 
insidiosa. Earior. 

MUSCIDAE. 

31. Kr.hinomijia jarcDiica Macq. 
Copiosa in pratis siccis , tempore aestivo, 

32. Mïjoliia nigripen nov. sp. 

Thorace cinereo , fasciis duabus transversis albicantibus , 
abdomine elongato conico flavido , segmentls margine aftus- 
catis dorso undique longe setosis , fronte nigra utroque 
latere albo marginata ; alis pellucidis , magnis : pedibus ni- 
gris. 

Hall. J;ivam (Djokjokavta). 

ACALIJPTLRAE. 

33. Sepedon javanicus Rob. 

Copiosus totum per annum locis graminosis. 
84. Nerius striatus n. sp. 

Oculis , pedibus tboraceque rufo-fuscis , hoc stria longi - 



— 412 — 

tudinali mediana lutca notato , abdomine flavido , setuloso , 
lineis tribus longitudinalibus fuscis, alis diaphanis. Longit. 
3 lin. 

Hab Javam ; locis umbrosis (Djokjokarta). 

35. Bactrocera fasciatipennis n. sp. 

Fusco-cinerea pallida, seriebus duabus punctorum nigro- 
rum notato; thorace striis tribus indistinctis longitudinalibus 
nigris, scapulis, margine posteriore mesothoracis , margini- 
busque externis citrino-flavis , abdomine subrotundo , super- 
ne rufo stria dorsali mediana nigra, pedibus concoloribus 
pallidis ; alis fusco fasciatis , fascia basilari V formi. Longit. 
-1 lin. 

Hab. Javam. Sat copiosa tempore aestivo, cum sequenti, 
in locis cultis. 

36. Bactrocera macidipennis n. sp. 

Thorace superne cinereo-nigrescente ; maculis in scapu- 
lis, lateribus et metathorace citrino-flavis; macula demum 
striaeformi dorsali mediana flava; abdomine elongato fusco- 
flavo transverse nigro fasciato , tibiis pedura posteriorum ni- 
gris, pedibus reliquis concoloribus, pallide rufis; alis diapha- 
nis, margine externo, nervatura axillari maculaque apicali 
nigro-fuscis. Longit. 4 lin. 

Cum praecedenti. 

37. Ensina reticulata n. sp. 

Pallide flavescens, undique longe-pilosa ; antennis rufis 
seta articuli tertii pilosa, thorace dorso maculis 6 latera- 
libus nigris , abdomine rotundato , serie duplice mediana e 
maculis nigris constante notato , alis elègantissime fusco re- 
ticulatis, palpis elongatis. Longit. 1* lin. 

In Bambusetis prope Djokjokarta solitaria, tempore aestivo. 

38. Tephritis paritii nov. sp. 

Thorace dorso nigro, flavo rufoque maculato; macula dor- 



— 413 — 

sali flava , magna ; abdomine ferrugineo , transverse nigro 
fasciato , fasciis angulatis ; ovicluctu lato nigro ; alis basi pel- 
lucidis, ceterum nigro-fuscis , albo maculato-punctatis; pe- 
dibus minimis, pallide rufis. Longit. 2 lin. 
Copiosa prope Djokjokarta , in Paritio tiliaceo. 

SEPSIDA. 

39. Dlojysis attenuata nov. sp. 

Rufii , undique setulosa , alis bijalinis infuscato-fasciatis , 
abdomine antice attenuato, quasi stijloso; stijlis oculigeris 
abdomen longitudine superantibus; aculeis scutelli longissimis. 
Longit. 21- lin. 

Hab. Javam. Ad superficiem stagnorum copiose volitans 
(Djolcjokarta). 

40. Diopsis apicalis n. sp. 

iS'igro-fusca, capite rufo, abdomine antice parum angusta- 
to, stijlis oculigeris abdomine brevioribus, alis infuscato- 
fasciatis, macula apicali nigra. Longit. 21 lin. 

Locis siccis rarior, praecipue inter Saccliarum Koenigii 
reptans. 

41. Taenioptera alhimana n. sp. 

Glabra, nigro-fusca, thorace antrorsura angustato , capite 
cordiformi , oculis obscure purpureis , antennis pedibusque 
rufis , bis nigro maculatis , tarsis anterioribus albissimis; alis 
diaphanis, apice fasciaque transversali mediana fusca. Longit. 
3 lin. 

Mense Junio copiose in herbosis , celeriter currens (Djok- 
jokarta). 

42. Michogaster bambusarium n. sp. 

Nigro-cinereus , parce pilosus , aeneo nitens , epistomio si- 
nuato , seta antennarum pilosa ,• abdomine antice incrassato 



— 1.14 — 

quasi gibboso, alis pellucidis nervatura mavginall exter 
no-mediana nigro notatis. Longit. 5 lin. 

Sat copiose in bambusetis prope Djokjokarta. 

PUPIPARA. 

43. Olfersia longifalpis Macq. 
Parasitica in avibus divers is. 



\^ E E G A D E R I N G E N 



NATUURKUNDIGE YEREENIGING IN NEDERLANDSCH INDIE. 



R E S T U U 11 S V E R G A 1) E R ING, 

GKHOUDEN DEN lO'^en SEPTEMBER 1855 , TEN HUIZE 

A^4.N DEN HEEPw BARON MELVILL VAN CARNBEE. 



Tegenwoordig zijn de besturende leden, de HH. 

P. Baron MeLYILL van CaRNBEE. Waam. president. 

G. F. De Bruin Kops, BibiiothekarU 

P. J. MaIER, Direkteur van hel Museum. 

R. F. De Seijff. 

W. M. Smit. 

A. J. D. Steenstra Totjssaint. 

P. A. A¥eitzel. 

J. J. AlTHEER, Waarn. Sekretaris. 

De heer Melvill van Carnbee opent de vergadering 
met mede te deelen , dat hij wegens het vertrek van den Pre- 
sident Dr. P. Bleeker naar de Molukken , gedurende diens 
afwezigheid het presidium heeft op zich heeft genomen. 

Wegens het op handen zijnde vertrek van den sekretaris 
den heer De Lange wordt tot waarnememden sekretaris be- 
noemd de heer At.theek. 



— 416 — 

Worden voorgelezen : 

Ie. Brief van het lid den heer Teijsmann van Bui- 
tenzorg, gerigt aan het besturend lid den heer De 
Bkuijn Kops , meldende dat de takjes met bladen en de 
bast van den pohon lawan (zie bestuursvergadering gehou- 
den den 14n Junij jl.) afkomstig zijn van eene soort, van 
Cinnamomum en wel van Cinnamomum culitlawan, reeds be- 
schreven door RuMPHius in zijn Amb. kruidboek DL II 
pag. 65 en afgebeeld op plaat 14 ; ook in de Rumphia pag. 
2G tab. 10 en 11. 

2e. Brief van den heer Altheer, mededeelende de uit- 
komsten van het kwalitatief onderzoek van het water van 
Seminang (zie bestuursvergadering 9 Mei 1855, onder terug- 
zending der missive van den kolonel De Brauw van den 
4n April 1855. 

Wordt besloten tot plaatsing in het Tijdschrift. 

De heer De Seijpf berigt, dat hij van den heer Ullmann 
officier der infanterie, twee kisten magneetijzer heeft ont- 
vangen , afkomstig van het eiland Banka , distrikt Koba. 

Dit ijzer moet in vroegeren tijd eene zekere vermaardheid 
hebben gehad om zijne deugdzaamheid tot het vervaardigen 
van krissen en staal. 

De heer Steenstra Toussaint maakt der Direktie be- 
kend , dat hij eene Verhandeling over de Kochenille voor 
liet Tijdschrift bijna heeft voltooid. Vooral het historisch 
gedeelte zal daarin eenigzins breedvoerig worden behandeld. 

Ter tafel wordt gebragt eene rekening van den apotheker 
Lange, voor geleverde chemikaliën ten behoeve der Ver- 
eeniging. 

Wordt besloten den Thesaurier te magtigen tot voldoening 
dezer rekenig. 

De Waarnemende Sekretaris, 
J. J. Altheer. 



B E S T U U 11 S V E R G A 1) E II 1 N G, 

GEHOUDEN DEN 8sten NOVEMBER 1855, TEN HUIZE VAN 

DEN HEER De SeEIJFF. 



Tegenwoordig zijn de IIH. 

P. BlEEKER, President. 

G. F. De Brui-tn Kors. 

E. F. De Seijfe. 

W. M. Smit. 

A. J. D. Steenstra Toussaint. 

A. W. P. Weitzel. 

terwijl do heeren E. Netsciier en Jeanette Walen de 
vergadering als gasten bijwonen. 

De sekretaris de lieer G. A. De Lange noch de Avaar- 
nemend sekretaris de heer J. J. Altheer de vergaderino; 
bijwonende, wordt de waarneming van het sekrctariaat op- 
gedragen aan den heer De Bruijn Kops. 

Worden voorgelezen : 

lo. Brief van den bibliothekaris der Königlich Baj-erische 
Akademie der Wissenschaften, van München den 8n Augustus 
1855 , houdende kennisgave der ontvangst van deel VIL 
(Nieuwe serie, deel IV) van het Tijdschrift der Vereeni- 
ging in duplo, en deel IV — VI (Nieuwe serie, deel I — III) 
als duplikaat. 

Dezelfde brief bevat een schrijven van den heer Martius, 
de aandacht vestigende op de vezelstof der pisang (Musa) 
voor de papierfabrikatie , en verzoek doende om den 
heer Teijsmann uit te noodigen , hem vruchten , bla- 
den en hout van in Indië voorkomende palmsoorten te 



— 418 — 

doen geworden , ter aanvulling van zijn werk over de 
palmsoorten. 

Wordt besloten dit verzoek ter kennis te brengen van 
den heer Teijsmaxx. 

2o. Drie brieven van den majoor der infanterie Schwenk 
van 9 Aug., 3 Sept. en 18 Sept. 1855 houdende berigt, dat 
hij met genoegen zijne benoeming tot gewoon lid der Ver- 
eeniging heeft ontvangen , en kennis gevende van eene ver- 
zending van visschen van Sibogha en A-an kamferpitten en 
planten voor 'slands plantentuin te Buitenzorg. 

Van de aankomst van een en ander nog geene tij- 
ding ontvangen zijnde , zal hiernaar onderzoek worden ge- 
daan. 

4o. Brief van het lid der Vereeniging den heer C. F 
ScHXEiDER, van Klatten den 24n Augustus 1855 , aanbieden 
de eenige mineralen afkomstig A^an den berg Tawan. 

AYordt besloten de mineralen te stellen in handen van 
den heer Altheer , om daarover voor zooveel noodig te 
dienen van berigt. 

5o. ]irief van den sekretaris der Asiatic Society of Ben- 
gal, van Calcutta den lln Sept. 1855, de ontvangst berigtende 
van deel IV. afl. 3. 4 van het Tijdschrift der Vereeniging. 
Aangenomen voor berigt. 

Go. Brief van het lid der Vereeniging den heer Van 
Deventer, van Pasoeroean den 18"! September jl., meldende 
dat met het schip Ridderkerk zijn verzonden een pot en een 
vaatje, inhoudende visschen op arak , verzameld aan het zui- 
derstrand der residentie door den heer O. Van Polanen 
Petel, adsistent resident van Malang. 

Deze visschen bereids aangekomen zijnde , neemt de heer 
Bleeker op zich daarover nader te berigten. 

7o. Brief van het lid der Vereeniging den heer Schaap, van 
Magelang den IGn Sept. jl., houdende mededeeling omtrent 
eenige stukken ijzer, gevonden in de dessa Gessing in de gloe- 
dong Katoewaii, distrikt Soemowono, regentschap Temangoong, 



— 419 — 

residentie Kacloe, Avelk ijzer voorondersteld wordt van nieteo- 
rischen oorsprong te zijn en waarvan eenige stukken zijn 
verzonden aan liet adres der Yereeniging. 

Wordt besloten na ontvangst van het ijzer en nader on- 
derzoek, den heer Schaap in kennis te stellen met de be- 
vinding der direktie. 

80. Brief van het lid korrespondentte Soerabaja den heer IIa- 
GEMAN, van den ITn Sept. jL, aanbiedende eenige gelden, voor- 
tspruitende uit vrijwillige bijdragen van leden in Oost-Java. 

Wordt besloten de gelden af te geven aan den thesaurier. 

9o. Brief van het lid der Yereeniging den heer Kollman, 
vanSerang den 20n Sept. 1855, houdende mededeelingvan eené 
verzending ampo, ter gedeeltelijke voldoening aan vraag II, 
uitgeschreven bij Programma vastgesteld in de Algemeene. 
vergadering van den 28n Februarij 1855 , alsmede van 
eenige reptiliën op spiritus en van de verschillende padi- 
soorten, welke in de afdeeling Pandeglang A'oorkomen; 
het laatste met het doel om te bewerken eene vergelijking van 
het overgroote aantal opgegevene soorten van padi , die op 
Java voorkomen , Avaardoor deze denkelijk tot eenige wei- 
nige hoofdsoorten zullen kunnen worden teruggebragt. Daar- 
bij wordt tevens het verzoek gedaan of de direktie der Yer- 
eeniging die verschillende soorten wenscht te bezitten; ter- 
wijl de brief voorts nog bevat eenige opgaven van wellen , 
waaronder een , welk water gezegd wordt vergiftig te zijn. 

Wordt besloten , dat , aangezien de direktie het nut der 
onderzoeking van de padi-soorten volkomen beaamt , over 
dit punt nader zal worden geraadpleegd , terwijl zij zich 
voor' alle toezendingen van natuurprodukten aanbeveelt, 
inzonderheid ook voor het giftige water uit de bron Tji-oepas. 

10°. Brief van den resident van Banjoemas, van den 23n 
Oktober j]., no. 4415/2, houdende mededeeling van het 
overlijden, op den 19n Oktober , Aan het lid der Yereeniging 
F. D. J. Van der Pant. 
Aangenomen voor berigt. 



— 420 — . 

13o Brief van den sekretaris der Vereeniging, den heer 
G. A. De Laxge, van Batavia den 13n November jl. 
houdende mededeeling, dat hij over eenige weinige dagen 
in gezelschap van den heer Van Limburg Brouwer deze 
plaats denkt te verlaten ter voortzetting der opname van de 
Preanger-regentschappen en Cheribon. Wegens de naderende 
west-moesson zal hij zich thans voornamelijk bepalen tot 
het maken van een plan voor verdere werkzaamheden , vooral 
om te zien of de begonnen triangulatie zal moeten worden 
voortgezet over de lage landen of wel over de bergtoppen 
in de Preanger. 
■ Aangenomen voor berigt. 

De president stelt den sekretaris ter hand ter verdere 
overgave aan den thesaurier de som van ƒ 48 , zijnde de 
door hem geïnde gelden van vrijwillige kontributie van vier 
leden in de Molukken. 

De heeren Netscher en Jeaxette Walen, leden der 
kommissie ter oprigting van een monument voor wijlen het 
dirigerend lid der Vereeniging H. D. A. Smits, doen me- 
deeling, dat genoemd monument thans geheel gereed is , en 
dat zij de meening van de direktie der Vereeniging wen- 
schen te vernemen omtrent de doelmatigste wijze van over- 
gave. 

Wordt in overeenstemming met genoemde heeren besloten, 
dat door de kommissie van oprigting een geschiedkundig 
overzigt zal worden gegeven van de omstandigheden, die tot de 
oprigting van dat monument hebben aanleiding gegeven , en 
dat daarna door den heer Bleeker, als president der Vereeni- 
ging, herinnerd zullen worden de verdiensten van den over- 
ledene. Verder wordt bepaald dat de uitnoodigingen tot 
bijwoning der onthulling van het gedenkteeken alleen zul- 
len gerigt worden aan de leden der verschillende direktiën, 
van de genootschappen van welke de overledene lid was, 
t. w. van de Vereeniging, van het Bataviaasch genoot- 
schap van kunsten en wetenschappen , van de Indische 



— 4.21 — 

maatschappij tot nut van 't algemeen , voorts aan lien , die 
geldelijk tot de oprigting van het monument hebben bijgedragen, 
en eindelijk aan de leden der familie van Smits, te Batavia 
aanwezig. 

Wordt ter tafel gebragt een manuskript, getiteld: Uit- 
treksel uit het dagverhaal eener reis door Oost- Java , Ka- 
rimon-Java en IBali Boleling door J. E. TEIJSMA^"X, aange- 
boden door het gouvernement. 

Wordt besloten dit stuk bij de direktcuren in rondlezing 
te zenden. 

Met het oog op de behoefte aan een terrein tor oprigting 
van een gebouw voor de Vereeniging, wordt besloten het 
gouvernement te verzoeken, het gedeelte vaii het erf, dat 
achter de woning van den algemeenen sekretaris te Batavia 
op het Koningsplein uitkomt, tot genoemd einde der Ver- 
eeniging in eigendom af te staan. 

De heer De Seijff biedt der Vereeniging aan een' sche- 
del van een' doejong (Ilalicore dugong), aan de kusten van 
Banka gevangen. 

De 'heer De Bruijn Kops berigt dat hij op de vendutie 
van wijlen den Graaf Yax dex Bosch , door aankoop 
is eigenaar geAvorden van eenige boekwerken, welke hij 
der Vereeniging wenscht aan te bieden t. w. 

a. VerhanJelingcii van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Weten- 
schappen (waaraan slechts ontbreekt deel XV , Javaansche spraakkunst door 

GlClUCKK). 

è. Bibliuthecae Societatis Avtium Scientiarumque quae Bataviae floret Catalogus 
systetnaticus , cnrante Blkeker. Batavia 1846 8°. 

c. Idem, editio altera, curante J. Munnich. Batavia 1853 8°. 

d. Toelichtende aanteekeningen behoorende bij de kaart van het eiland Java, 
door C. W. M. Van de Veldk Leiden 1847 S°. 

e. Catalogus plautarum in horto botanico Bogorieusi cultaruni alter, auctore 
J. C. Hasskakl, Batavia 1844 8°. 

é /'. Hortus Spaarubergensis. Enumeratio stirpium quas, in villa Spaarnberg 
prope Harlemnm alit Adr. Van der Hoop ; disposuit W. H. Dü Vkiesb. 
Amstelodami 1839 8°. 
g. iJesiderata van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen 
Batavia IS 46 S°. 
X. 28 



422 

h. Bijdrage tut de mor])hülogie der bollen door W. II. Dk Viuese. 
i. Kleine Lijdragen tut de natuurlijke familie der Cacteac door W. H. De Vriesk. 
j. Plantarnm javanicaruni minus cognitaruui vel novarum , nupfer in hortum 
botanicum Amstelodamensem introductarum sylloge, scripsit "W. H. De 
Vbiese. 
k. Proeve eencr gcscLieJlcuudige botanische verhandeling van den Papyrus an- 
tiquorum door W. H. De Vriese. 
l. Mémoires sur les diffe'rentes espèces, races et variétés de choux et de rai- 

furts, cultivérs en Europe par De Candolle. Paris 1822 8°. 
m. Catologueet prix courant des plantes disponibles chez Louis Van Houten 

a Gand. 1842—1843. 
n. Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis en physiologie, uitgegeven door J. 
Van der Hoeven en AV. H. Db Vriese, Elfde deel, 3e en 4e stuk. 
Twaalfde deel 2e 3e en 4e stuk. 
o. De Indische Bij. Tijdschrift ter bevordering van de kennis der Nederlandsche 
volkplantingen en derzelver belangen, uitgegeven door C. L. Blume en D. 
J. Seegeks no. 1, 2, 3 en 4. Leiden 1843 S». 
j). Jaarboek van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter aanmoediging 

van den tuinbouw 1848, 49 50, 52 en 53, 8°. 
q. Extrait de l'Annuaire de la Société royale pour Tencouragement de Fhorticul- 

ture dans les Pays-Bas. gr. 8°. 1844. 
r. Coup d' oeil sur les travaux hydrograpbiques des Hollandais a Java par 

Louis Halpiien 8° Paris 1849. 
5. Nachtrage zu den Grundzügen der neuern cheraischeu Theorie, gelicfertvon 

Alex. Nicol. Scherer. 8® Jena 1796. 
t. Indisch magazijn , Verzameling van werken , opstellen en berigten , aangaande 

Nederlandsch Oost-Indië, door E. De Waal, 2e twaalftal No. 5 — 12. 
u. Yoyage aux Indes Orientales par M. Paulin de St. Barthïlemy etune 
dissertation de M. Anquetil sur la proprieté individuelle et foncière dans 
r Inde et en Egypte. 2 Vol. 8° Paris 1808. 
V. Ixelation de l'ambassade de Lord Macartney li la Chine dans les anneés 

1792—93 et 94. 2 Vol. Paris 1'an IV. 
w. Nouveau voyage dans Tintérieur de l'Afrique fait en 1810 — 1814, ou re- 

lation de Ilobert Adams par Ie chevalier Euasans. 8"* Paris 1817. 
X. Curiosités naturelles, historiques et morales de l'empire de la Chine, par Ant. 

Caillot 2 Vol. 12° Paris 1818. 
ij. Schetsen en tafereelen uit China door T. F. Davis. 2e deel 1 band 8°. 

Groningen 1843. 
z. Revue encyclopédique ou analyse raisonnée des productions les plus remar- 
quables dans la littérature, les sciences et les arts, par une réunion 
de membres de 1' Institut et d* autres hommes de lettres 1829 — 33. 

Verder zijn ingekomen de volgende boekwerken. 

Programma van de Holl. maatschappij van wetenschappen te Haarlem voor het 
janr 1855. (van do Maalschappijl 



— 423 — ' 

Verslagen eu mededeeliugen van de Koninklijke Akademie van Weteuscliappeii , 
afdeeling letterkunde Ie deel Ie stak. 8° Amst. 1855. (van de akademie). 
Het Regt in Nederlandsch Indië. 6e Jaargang No. 3. (van de redaktie). 
Eianglala. 4e Jaargang No. 4. (van de redaktie). 
Bibliotheca indicaj a coUection of oriental works , inhoudende. 
No. 114 The marcandeya puraua, edited by revd. E. M. Bamerjea fase. I 
" 115 The Surya-siddhuBta with its commentary the ■ gudhartha prakasaka. 
edited by F. E. Hall, A. 1M , with the assistance of pandit Bepi; 
Deva Sastri Fase. III. 
' 116 The tale of "Vasavadatta by Surandhu , with its commentary entitled 

darpana, edited by F. E. Hall A. M. Fase. I. 
'/ 117 The sankita of the black yajur veda, with the commentary of Mad- 
hava-achariju , edited by Dr. E. RoëR Fase. II. 
Journal of the Asiatic Society of Bengal. 1855 No 3. (van de Society). 
Systematisches Verzeichniss der im Indischen Archipel in den Jahren 1843 — 184S 
gesammelten sowie der aus Japan empfangenen Pflanzen. Herausgegeben von 
H. Zollinger. 2e und 3c Heft (van den schrijver). 

Nederlandsch kruidkundig Archief, uitgegeven door W. H. Db Vriese eu V. 
Dozij, 111° deel 4e stuk. 
Indian Annals of medical science No. IV. April 1S55. Calcutta S°. 

De Wd. Sekretaris, 

G. F. De Bruijn Kops. 



B E S T U TJ R S V E R G A D E R I N G , 

GEHOUDEN DEN Isten DECEMEER 1855, TEN HUIZE VAN 
DEN HEEK SmIT. 



Tegenwoordig zijn de HII. 

P. BlEEKER President. 
O. ijROLL , Thesaurier. 

E. E. De Seijff. 

W. M. Smit. 

J. C. R. Steinmetz. 

A. J. D. Steenstra ïoussaint. 

A. AV. P. Weitzel. 

J. J. ALTffl-:ER, Waarnd. Sekretaris. 

Worden ter tafel gebragt: 

1. Het ter rondlezing gezonden: Uittreksel uit het diagver- 
liaal eener reis door Oost-Java enz. van den heer Teusmann. 

Wordt besloten tot plaatsing in het Tijdschrift. 

2. Brief van den korresponderenden Sekretaris Dr, Met- 
tenheoier, van de Senckenbergische Naturforschende Gesell- 
schaft te Frankfurt a/M. van den 10" Maart 1855, aanbiedende 
eenige boekwerken door genoemd genootschap uitgegeven. 

Wordt besloten bij gewonen brief voor dit geschenk den 
dank der Vereeniging te betuigen. 

o. Brief van den sekretaris van het Provinciaal Utrechtsch 
Genootschap van kunsten en wetenschappen den heer O. Van 
Rees, van Utrecht, Julij 1855, aanbiedende boekwerken, 
door het genootschap uitgegeven. 

Besloten als boven. 

4. Brief van laatstgemeld genootschap, gedagteekend 
Utrecht 30 Junij 1855, kennis gevende van de goede ont- 



— 425 — 

vangst van eenige door de Vereeniging aangeLoden boek- 
Averken. 

Aangenomen voor Lerigt. 

5. Brief van den heer J. Millaed, gedagteekend Lang- 
see nabij Patti 20 November 1855 , gerigt aan den presi- 
dent, waarin de heer Millaed meklt, dat hij voor zijne fabriek 
liet nuttige ingezien hebbende eener gasverlichting , daar- 
toe tot het bereiden van gas is overgegaan , en wegens den 
hoogen prijs der steenkolen hout heeft gebezigd, volgens de 
methode van Peïtexkorfer (zie Tijdschrift van Nijverheid in 
Nederlandsch Indië Ilde deel, afl. II, bladz. 171), maar in de 
plaats van dennen- (van Pinus pumilis) , het beste djati-hout 
(Tectona grandis) heeft genomen. Het verkregen gas was zeer 
weinig en onrein , en brandde met eene blaauwe flikkerende 
vlam enz., zoodat de heer jNIillard eenige inlichting wenschte 
te hebben, hetzij omtrent eene verbeterde methode, hetzij om- 
trent de meest geschikte houtsoorten voor de gasbereiding. 

Wordt besloten dezen brief bij de leden der direktie rond 
te zenden met uitnoodiging hunne zienswijze omtrent dit 
punt kortelijk aan te stippen , of wat hun daaromtrent be- 
kend is , te willen mededeel en. 

G. Brief van den adjunkt-sekretaris van het gouvernement, 
gedagteekend Batavia den IGden November 1855 , waarbij 
der Vereeniging namens het gouvernement wordt aangeboden 
een van den heer J. J. Altheer ontvangen verslag , nopens 
een door hem gedaan Scheikundig onderzoek eener jodium- 
houdende watersoort van de Tagalwaroelanden (Krawang). 

Wordt besloten tot plaatsing in het Tijdschrift. 

7. Brief van den heer Hasskarl , gerigt aan den heer 
De Bruijn Kops, gedagteekend Tjihoerang 18 November 
1855, meldende dat zijne „Retzia, Pug. I" bijna voltooid is. 

8. Brief van den heer Hasskarl aanbiedende eene verhan- 
deling over de Yarens van Java. 

Wordt besloten tot openbaarmaking van deze verhandeling 
door de Vereeniging. 



— 426 — 

De lieei' Bleeker betoogt het wensclielijke, dat, "benevens 
het Tijdschrift, ook bundels Verhandelingen door de Vereeni- 
ging worden uitgegeven. 

De uitgave van een op zich zelf staand werk, getiteld: 
Acta Societatis Scientiarum Indo-Neërlandicae of Verhan- 
delingen van de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch 
Jndië wordt besloten , onverminderd de geregelde voortgang 
van het Tijdschrift der Vereeniging. 

Ter tafel komen nog : 

1. Brief van den adjunkt sekretaris van het gouvernement , 
van Batavia den 13n November 1855, aanbiedende het drie- 
maandelijksche verslag der verrigtingen van den geographischen 
ingenieur De Lange gedagteekend 1 Oktober 1855, met 
magtiging om daarvan gebruik te maken voor het Tijdschrift. 

Aangenomen ter plaatsing. 

2. Missive van den adjunkt sekretaris van het gouvernement 
van Batavia den lOn November 1855, waarbij worden aan- 
geboden twee Bijdragen van den ingenieur der 1ste klasse 
voor de mijnen in Nederlandsch Indië betrekkelijk het onder- 
zoek naar kolen aan de rivier Assam-Assam in de Tanah- 
Laut, en het winnen van 1500 ned. ponden ijzererts in het- 
zelfde landschap door den aspirant-ingenieur H. F. E. Eant. 

Wordt besloten tot opname van beide bijdragen in het Tijd- 
schrift. 

3. Bijdrage tot de kennis der ichthj'ologische fauna van 
het eiland Bintang, door P. Bleeker. 

4. Berigt over eene nieuwe haaisoort gevangen hij het 
eiland Solombo in de Java-zee, door P. Bleeker. 

5. Berigt over ^"isschen waargenomen te Saparoea, door 
P. Bleeker. 

Wordt besloten tot plaatsing van deze bijdrage en berigten 
in het Tijdschrift. 

6. Hijdrographische en topographische verrigtingen sedert 
de vestiging der Nederlanders in den Indischen Archipel tot 
op den tegenwoordigen tijd door Iv, F. De Seijtf. 



— 427 — 

Wordt besloten deze verhandeling bij de dirigerende le- 
den in rondlezing te zenden. 

7. Eenige nage laten papieren van wijlen den kolonel Van 
DER Hart, waaronder eenige meteorologische waarnemingen en 
opgaven van houtsoorten uit de Padangsclie bovenlanden , 
de IX- en XIII- Kotta's, enz. 

De heer Weitzel geeft het voornemen te kennen om 
daaruit eenige uittreksels te maken voor het Tijdschrift. 

8. De president deelt mede, dat de platen van Dipteren van 
Java, behoorende bij de bijdragen A'an den heer Doleschat.l 
over de dipterologische fauna van Java, in gereedheid zijn 
en dat deze bijdragen nu geschikt in eene enkele zullen 
kunnen zamengevat worden. 

Wordt besloten den heer Doleschall uit te noodigen, beide 
bijdragen tot één stuk om te werken, ten welken einde 
zijne beide bijdragen aan hem zullen worden terug gezonden. 

9. Het tijdschrift Flora No. 18 van Mei 1854, waarin 
voorkomt eene beschrijving van een nieuw geslacht der Arte- 
misieae , genaamd Zollingeria. 

Wordt besloten dit artikel onder de Berigten in het Tijd- 
schrift der Vereeniging op te nemen. 

10. De heer Bi>eeker doet verslag van de door hem 
tijdens zijne reis in de Molukken te Amboina verzamelde 
reptiliën. Deze bestaan uit de volgende 23 soorten : 

Cistudo amboinensis Gr. , Platydactjlus vittatus Cuv. , He- 
midactylus frenatus Schl. , Hemidactylus variegatus Cuv. , Is- 
tiurus amboinensis Cuv. ; Bronchocela cristatella Kaup. , Dra- 
co lineatus Daud. , Eumeces Freycinetii DB. , Eumeces Les- 
sonii DB. , Euprepes Sebae DB. , Lygosoma brachijpus DB. , 
Lygosoma smaragdinum DB., Ophtlialmidion crassum A. 
Dum. , Dendrophis picta Boie , Tropidonotus quincunciatus 
Schl. , Tropidonotus vittatus Schl. , Enygrus carinatus Wagl. , 
Tragops prasinus W^agl. , Triglyphodon irregulare DB. , Bun- 
garus annularis Daud. , Naja tripudians Wagl. , Leiaspis rlio- 
dostoma DB., Hyla cyanea Daud. 



— 428 — 

Verder deelt de lieer Bleekeu mede, dat liij het voornemen 
heeft, zijne reis m de Molukken, gedaan m gevolg van den gou- 
verneur generaal, te beschrijven en afzonderlijk uit te geven. 

De heer "Weitzel betoogt de wenschelijkheid van een 
werkje , Avaarin men op ecne bevattelijke wijze zou kunnen 
vinden de bijzondere eigenschappen der hier op de markt of 
ter tafel komende visschen, hunne meerdere of mindere scha- 
delijkheid enz. De heer Bleeker herinnert dat dit punt reeds 
vroeger zijne aandacht heeft getrokken en door hem is behan- 
deld in zijne Bijdrage tot de kennis der Blootkakige visschen , 
opgenomen in het XXI Ve deel der Verhandelingen van het 
Bataviaasch Genootschap A-aii Kunsten en Wetenschappen. 

De president deelt mede het verlies, dat de Vereeniging 
wederom getroffen heeft in het overlijden van den heer S. 
H. De Laxge. 

De direktie besluit een levensberigt van De Lange in 
het Tijdschrift te plaatsen , en tot de vervaardiging daarvan 
uit te noodigen den sekretaris den heer G. A. De LxVXGE, 
broeder van den overledene , aan wien tevens een brief van 
rouwbeklag zal worden gezonden. 

De president herinnert, dat de tijd weder nadert tot het 
verkiezen van eenen president , vicepresident , sekretaris , 
bibliothekarls , hoofdredakteur , direkteur van 't museum 
en thesaurier , terwijl ook binnen kort eene algemeene verga- 
dering moet worden belegd , waarop , als naar gewoonte , 
verslag zal gegeven worden van de werkzaamheden ge- 
durende het afgeloopen jaar, en een nieuw Programma wor- 
den vastgesteld. 

Nog geeft de president in overweging, na het lOde deel, 
dat gedeeltelijk is afgedrukt , eene nieuwe Serie te beginnen 
van het Tijdschrift. 

De president deelt mede , dat het rekest om in het bezit 
te geraken van eenen geschikten grond tot het oprig- 
ten van een gebouAv voor de Vereening bereids aan den 
gouverneur generaal is ingediend. 

Tot kandidaat voor het gewone lidmaatschap wordt voor- 



— 429 — 

gesteld en aangenomen de heer O. Van Polanex Petel. 
Ingekomen bodvwerken : 

Verhandelingen, van liet Provincinal ütreclitscli gencotscliap van kunsten en 
wêtenscliappen XVI en XVII deel 1 stuk met de deeltitels. 

^Vind\vanl•nemingen in Neilerlaud , gedurende 1S4'J en 1S50, bijeenverzameld 
door F. W. C. Kreckk. 

C. H. 1). BuiJS Ballot. L'itkomsten der meteorologisclie waarnemingen ge- 
oedanu in 1849 en 1S50. 

C. II. il. DuiJS CvLLOT, ^Icteorologisclie waarnemingen in Nederland, gedurende 
IS51. 

C. II. ü. DuiJS Ballot, Meteorologisclie waarnemingen in Nederland , geduren- 
de 1S53. 

Verslag van liet verhandelde in de algemccne vergadering van het Provinciaal 
Utreclitsch Genootschap van 1854. 

Aanteekeningen van het verhandelde in de Selctie- vergaderingen van het Pro- 
vinciaal Utreclitsch Genootschap van 1843 tot 1855 met de registers. 

Naamlijst der leden van het Provinciaal Utrcchtsch Genootschap, (alle van het 
Genootschap). 

Ein und dreissigster Ja!ire<;bericht der Schlcsischen Gesellschaft fiir vaterlündische 
Kultnr, IJreslau 1853. 

Deukschrift zur Feier ihres oOjührigen Bestehens; heransgegeben von der Schle- 
sischen Gesellschaft fur vaterlündische Kultur (beide van genoemde vereeniging). 
De praxi medica salernitana commentatio, auctore A. G. E. Tir. IlENSCiitL Vra- 
tislaviae 1850 (van het koresponderend lid den heer Zollingeu). 
De nitoefeniug der geregtelijkc geneeskunde in Nederland door J. C. en Ph. 
Van dkn Broecke Utrecht, 1845 8°. 

Die land-und süsswasser-IMolluskcn von Java von Alcert IMousson, Zürich 
1849. (Van den heer Zollingeu). 

Catalogus codicum medii aevi medicorum ac physieoruin auct. IIenscfikll Part, 
1 en II (van den heer Zolungek). 

Nova acta Academiae Caes. Lcopold. Carolinne nnturae cnriusorum Vul. XXIV. 
Pars. I en II 4° (van de akadeniie). 

Mittheilungen der Naturforschenden Gesellschaft in Zürich. 
System:;tisches Verzeichniss der von H. Zollingeu in den Jahren 1842 — 1844. 
auf Java gesammelten Pflanzen , Solothurn 1845 — 1846 8°. 

Verhandelingen der Koninklijke Akademie der weteuschappen Ille deel llle stuk 
(van de akademie). 

Het Ecgt inNederlandsch ludië, 6de jaargang N°. 4 en N°. 5. (van de redaktic). 
Algemeene konst- en letterbode, 1855 N°. 1 — N°. 15, N°. 17— 19. van den 
heer Wkitzkl). 

Java-hode N°. 87 en 88— N». 90— N°. 95. (van de redaktie). 

De Sehretaris, 

J. J. Altheer. 



BUITENGEWOKE BESTUURSVERGADERING , 

GEHOUDEN DEN lOden DECEMBER 1855, TEN HUIZE VAN 
DEN HEER BlEEKER. 



Tegenwoordig zijn de HH. 

P. BlEEKER, President. 

G. F. De Bruljn Kops. 

J. GrOLL , Thesaurier. 

K. F. De Seijtf. 

W. M. Smit. 

A. J. D. Steenstra Toussaint. 

J. J. Altheer, Waarnemend Sekretaris. 

Terwijl het lid de heer J. K. Hasskarl , en de korres- 
ponderende leden de heeren F. Juxghuhn en H. Zoulinger 
de vergadering als gasten bijwonen. 

Nadat de heeren Hasskarl, Jünghuhn en Zollinger 
aan de leden der direktie zijn voorgesteld, voor zooverre 
zij AToeger nog niet met hen persoonlijk bekend waren , 
opent de president de vergadering met eene toesjDraak, 
in welke hij doet uitkomen , dat deze vergadering voorna- 
melijk is belegd ter eere der gasten, welke een geluk- 
kig toeval te Batavia heeft vereenigd. 

De heer Jünghuhn betuigt zijne erkentelijkheid voor de 
wijze waarop hij door het bestuur bij monde van den pre- 
sident verwelkomd is, en geeft de verzekering, dat hij ge- 
heel bereid is tot bereiking van het doel der Vereeniging 
mede te werken. Ook de heeren Zollinger en Hasskarl 
zeggen der Yereeniging hunne medewerking toe. 

Ter tafel worden gebragt. 

1. Brief van den resident van Batavia, gedagteekend 



— 431 — • 

Batavia 30 November 1855 , inhoudende verzoek van re- 
geringswege , om in den loop der maand Januarij aanstaande 
hem te willen doen toekomen een verslag betreffende het 
wetenswaardige der verrigtingen en resultaten van de Ver- 
eeniging over het jaar 1855. 

Wordt besloten een afdruk van het algemeen verslag, 
nadat dit in de aanstaande algemeene vergadering zal zijn 
voorgelezen, den resident voornoemd aan te bieden.' 

2. Brief van den sekretaris der Vereeniging, den heer 
G. A. De Lange , gedagteekend : Op den top van den Tam- 
pomas 7 Dec. 1855 , inhoudende eenige bijzonderheden 
omtrent de triangulatie in Cheribon , onder anderen : dat 'er 
signalen gesteld zijn op den Patoeha, Boekit-toenggoel , 
Tjikorai, Tampomas en Pangerango, vormende eenen 
soeden schakel A'an driehoeken. Behalve signalen worden 
intusschen zooveel mogelijk heliotropen gebezigd, ten einde 
zekerheid en vlugheid aan het werk te paren. " 

3. Brief van den heer H. VoN Eosenberg, gedagtee- 
kend Padang 23 November 1855, meldende: dat in handen 
van het lid den heer M. Th. Reiche, te Padang is gesteld 
eene kist, inhoudende eene verzameling visschen, gedurende 
het verbijfvan den heer Van Rosenberg op Nias verzameld. 

Aangenomen voor berigt. 

4. Brief van het lid korrespondent der Vereeniging, den 
heer L. H. Deeleman, gedagteekend Padang 3 December 
1855, begeleidende ƒ 12 ree, zijnde het bedrag der vrij- 
willige bijdrage van het lid den heer Netscher over het 
jaar 1854. 

Deze gelden worden afgegeven aan den thesaurier. 

5. Eene verhandeling van den heer Zollinger getiteld: 
Ueber die Eottlera-Arten des botanischen Gartens zu Bui- 
tenzorg, im Herbarium Zollinger et Moritzi, so wie 
über einige verwandte Geschlechter aus der Familie der 
Euphorbiaceën. 

"Wordt besloten tot plaatsing in het Tijdschrift , nadat het 



. — 432 — 

stuk eerst, voor zooverre de dultsclie tekst aangaat, in liet 
nederduitsch zal zijn overgebragt. 

6. Bijdragen van den heer Hasskakl, zijnde vervolg op 
zijne „ Retzia I," 

7. Het ter lezing rondgezonden verslag der liijdrograpliisclie 
en topographische verrigtingen enz. van den heer De Seijff. 

's Gouvernements magtiging noodig zijnde om dit verslag te 
publiceren, wordt besloten die te verzoeken. 

De Naturforschende Gesellschaft in Zürich, waarvan de 
heer Zollingee, eerelid is , heeft bij monde van haren presi- 
dent , aan hem het verlangen te kennen gegeven , om met 
de. Vereeniging in betrekking te komen. 

Dit voorstel wordt aangenomen , en de heer Zollinger 
gemagtigd, als korresponderend lid der Vereeniging , bij de 
boekhandelaren Lange & Co. een exemplaar van het Tijd- 
schrift te ontbieden , ten einde dat aan genoemd genootschap 
te doen toekomen en het in kennis te stellen dat de Ver- 
eeniging wederkeerig in het bezit wenscht te worden ge- 
steld van de door het genootschap uitgegevene boekwerken. 

De heer IIasskael maakt vervolgens melding van eene 
verzameling mikroskopische voorwerpen , die voor eenen on- 
beduidenden prijs door eene vereeniging in Duitschland, 
onder bescherming van Ehrexbeeg en anderen , worden in 
den handel gebragt. Zij bevatten in systematische volgorde 
alle belangrijke doorsneden ter opheldering van de anatomie, 
physiologie en histologie van het planten- en dierenrijk met 
tekst. Bovendien is er bij te verkrijgen een uitmuntend 
mikroskoopje van Oberhiluser, dat slechts ƒ 8 kosten tot 
de meeste doeleinden geschikt is. De voorwerpen zelve 
komen op 5 rijnl. guldens. 

De heer Zollixger , bij wien de heer IIasskarl een en 
ander gezien heeft, wordt uitgenoodigd hierover een berigt 
op te stellen voor het Tijdschrift, en een stel zoodanige voor- 
werpen benevens een mikroskoopje ten behoeve van de Ver- 
eeniging te ontbieden , ten einde de leden , die Avenschen 



— 433 — 

zicli met mikroskopische onderzoekmgen onledig te houden, 
■waartoe de vereisclite vergrooting in het hereik vali dit werk- 
tuig valt, daartoe in de gelegenheid te stellen. 

De president hrengt ter sprake het Programma, dat voor 
het volgende jaar zal worden uitgeschreven, en noodigt de le- 
den uit, tegen de volgende vergadering de prijs\T.'agen, die hun 
ter beantwoording van belang voorkomen , voor te stellen. 

De heer Juxghuhn deelt mede, dat de meeste fossiele 
konchyliën, door den heer Eheexberg bepaald in het slib 
en zand van diepe wateren , gevonden zijn in hetgeen door 
de ankers wordt opgehaald. Op soortgelijke wijze klei en zand 
te verzamelen komt hem vrij eenvoudig en daarbij hoogst 
wenschelijk voor. 

De heer Hasskarl doet de toezegging, in het Tijdschrift 
eenc eenvoudige wijze mede te deelen, hoedanig het witte 
■water ter onderzoeking moet worden verzameld en bewaard. 

Tot kandidaten voor het korresponderend lidmaatschap 
worden voorgesteld en aangenomen de HH. 

J. W. IIooKEii, R. Browx, C. G. Ehrenberg, H. E. 
GörPERT , Cn. LiJELT. , A. Mousson , A. A. Duméril , 
A. Valenciexxes , J. Muller, C. F. P. Vox Martius, 
J. Steexstrup, Farad ay en Leverrier. 

Ingekomen boelcwerken : 

Java-büde: Xo. OG , Xo. 07 cu No. DS. (viiu de reJaktie). 

l)e Sekreiaris , 
J. J. Altheee, 



BESTUURSVERGADERING, 

GEHOUDEN DEN Oden JANUARIJ 185 G TEN HUIZE VAN 
DEN HEER WeITZEL. 



Tegenwoordig zijn de HH : 

P. BlEEKER, President. 
J. GrOLL, Thesaurier. 

B. P. Melvill van Carnbee. 

W. M. Smit. 

A. W. P. Weitzel. 

J. J. Altheer, Waarnemend Sekretaris. 

Ter tafel wordt gebragt: 

1. Brief van de Keizerlijk-Koninklijke Akademie van Weten- 
schappen te Weenen, gedagteekend 1 Mei 1855, meldende 
de toezending van door de Akademie uitgegeven boekwerken. 

2. Brief van dezelfde Akademie, gedagteekend 2 December 
1854, van gelijken inhoud. 

Wordt besloten de ontvangst te berigten. 

3. Missive van den heer A. Schrötter, algemeenen se- 
kretaris van de Keizerlijke Akademie van Wetenschappen te 
Weenen, gedagteekend 17 Januarij 1855, meldende de ont- 
vangst van deel I, II en III (nieuwe serie) van het Tijd- 
schrift der Vereeniging. 

Aangenomen voor berigt. 

4. Brief van de Keizerlijk Leopoldinisch-Carolinische Aka- 
demie van Natuuronderzoekers , gedagteekend Breslau 2 No- 
vember 1854 , meldende de verzending van boekwerken. 

5. Brief van den direkteur der Kaiserlich-königliche Geo- 
logische Reichsanstalt te Weenen, gedagteekend Weenen 21 



— 435 — 

Augustus 1854, behelzende het berigt van de toezending van 
de door het genootschap uitgegevene boekwerken, alsmede 
voorstel om met de Vereeniging eene ruilmg der uitkomen- 
de geschriften aan te gaan. 

Wordt besloten aan de boekhandelaren Laïv^ge & Co. te 
verzoeken de tot dusverre uitgekomene of nog voorhandene 
deelen van het Tijdschrift aan genoemde inrigting te doen 
toekomen , terwijl de direktie de goede ontvangst der boek- 
werken zal berigten. 

Li. Brief van den president der Keizerlijk-Leopoldinisch- 
Carolmische Akademie van Natuuronderzoekers, gedagteekend 
Breslau 31 Mei 1854, ten geleide van door de Akademie 
uitgegevene boekwerken. 

7. Brief van denzelfden, mededeelende dat de Akademie de 
voorgeslagen ruil van boekwerken met de Vereeniging zeer 
gaarne aanneemt, en verder, dat het aangekondigde 1ste deel 
der 2de Serie niet ontvangen is. 

Wordt besloten : 

a. Aan de boekhandelaren LaïvGE & Co. hieromtrent te 
schrijven, en het verlangde toe te zenden. 

b. De ontvangst der toegezonden boekAverken te berigten. 

8. Brief van dezelfde Akademie, berigtende de ontvangst 
van deel I en II en twee afleveringen van deel III (nieuwe 
serie) van het Tijdschrift der Vereeniging. 

9. Brief, behelzende dankbetuiging der Akademie voor 
eenige door den president der Vereeniging aan de Akademie 
toegezonden boekwerken. 

Aangenomen voor berigt. 

10. Brief van de Koninklijke Akademie van Wetenschap- 
pen te Amsterdam, gedagteekend 5 Junij 1855, meldende 
de toezending van boekwerken , en inlichting verzoekende 
haar te willen melden of de Verslagen en Mededeelingen der 
Akademie, onder kruisband met de overland-mail verzonden, 
geregeld aankomen. 

Wordt besloten de goede ontvangst te berigten. 



— 43G — 

11. Brief van dezelfde Akademie, gcdagteekend 30 Mei 
1855, behelzende dankbetuiging voor de liaar door de Ver- 
eeniging gezondene boeloverken , t. w. Deel IV afi. 5 en 6 ; 
deel V afl. 1 en 2 van liet ïijdsclirift der A''ereeniging. 

Aangenomen voor berigt. 

12. Brief van de Koninklijk Pruisissche Akademie der "\Ye- 
tenscliappen te Berlijn, gedagteekend 11 Oktober 1855, in- 
houdende erkenning van de ontvangst van deel VI, VII 
en VIII , afl. 1—4 , deel IX afl. 1—2 , van het Tijdschrift 
der Vereeniging en van een aantal geschriften over ich- 
thyologie van den heer Bleekee, ; alsmede verzoek om ook 
deel I — V en de ontbrekende afleveringen van het VlIIe deel 
van het Tijdschrift te mogen ontvangen , gevende de Aka- 
demie tevens nog den v\'-ensch te kennen, dat de haar 
toegezondene werken niet meer onder kruisband over de 
post, maar in geheele declcn door middel van den boek- 
handelaar P. Van den Heuyici.l te Leiden mogen ge- 
worden. 

"Wordt besloten aan een en ander zoo veel mogelijk te 
voldoen. 

13. Brief van het Koninklijk Zoölogisch genootschap 
Natura artis magistra te Amsterdam, gedagteekend 23 Julij 
1855 , meldende de ontvangst van de afleveringen 5 en 6 , 
deel IV (nieuwe serie) van het Tijdschrift der Vereeniging. 

"Wordt besloten aan het genootschap voor te slaan we- 
derkeerig in ruil voor het Tijdschrift der Vereeniging te 
mogen ontvangen de door hetzelve uitgegeven wordende 
geschriften. 

14. Brief van den adjunkt-sekretaris van het gouver- 
nement, van den ISn December 1855 , aanbiedende Botanische 
verhandelingen van den ambtenaar , belast met de kina-kul- 
tuur, ,J. K. Hasskarl. 

15. Brief van den adjunkt-sekretaris van het gouverne- 
ment, gedagteekend 28 December 1855, aanbiedende een 
verslaffvan den heer J. H. Croockewit , betreffende zijne 



— 437 — 

bevindingen op zijne togten naar den Goenong Klam en naar 
het Pening-gebergte. 

Wordt besloten het verslag in rondlezing te zenden bij de 
direktie. 

16. Brief van het besturend lid den heer C. De Groot, 
van Buitenzorg den lOn December 1855 , houdende verzoek 
om de kwitantie der kontributie , verschuldigd door den heer 
SCHKEUDER vau Batjan , zullende het montant per omgaande 
post worden overgemaakt. 

De thesaurier wordt verzocht aan het verzoek van den 
heer De Groot te voldoen. 

17. Brief van den hoogleeraar Bleekrode, gedagteekend 
Delft 7 December 1855 , houdende dankbetuiging voor zijne 
benoeming tot het korrespondcrend lidmaatschap der Veree- 
niging, verklarende hij bereid te zijn om mede te werken 
tot het doel , dat de Vereeniging beoogt. 

Aangenomen voor berigt. 

18. Brief van den hoogleeraar, J. Hijrtl , gedagteekend 
AYeenen IG Oktober 1855, gerigt aan den heer Bleeker, mel- 
dende de ontvangst van twee vischsoorten , hem door den heer 
Bleeker toegezonden. 

De heer Hyrtl betuigt daarin zijnen dank voor die toezen- 
ding. „Jaren lang" dus schrijft hij „heb ik bij hollandsche 
„ kooplieden aanzoek gedaan naar Kurtus en Amphipnous, en 
„ eerst nu is mijn verlangen naar deze zeldzaamheden door 
„uwe mildheid bevredigd geworden. De visschen waren 
„zoo voortreffelijk bewaard, dat ik nog eene inspuiting 
„ der bloedvaten heb kunnen bewerkstelligen , die bij Am- 
„ phipnous en Monopterus tot de merkwaardige resultaten 
„ leidde , dat de hoofdstam van de kieuwslagader zich niet 
„ alleen in de ademhalings-organen , maar ook , even als bij 
„ Siren en Amphiuma , zich door den geheelen kop , met in- 
„ sluiting van de hersenen vertakt , en de omloop van het 
„bloed dezer visschen dus geheel en al overeenstemt met 
„ de type der Amphibiën. " 

X. 29 



— 438 — 

19. Brief van het lid der Vereeniging den heer Voigt, 
ten geleide van een petrefakt, hetwelk het lid der Vereeniging 
de heer Kixder , adsistent resident van Soemadang, hem ver- 
zocht heeft Avel aan den president te -willen overhandigen. 

Deze belangrijke versteening komt den heer Bt.eekeu voor 
van veel gewigt te zijn voor de geologische kennis dezer ge- 
westen ; hij verklaart zich bereid, daarover nader te berigten. 

20. Brief van den heer D. Sigal , officier van gezondheid 
2de kb te Sintang, gedagteekend 27 Oktober 1855, meldende 
de toezending van eenige visschen. 

Aangenomen voor berigt. 

21. Brief van het besturend lid der Vereeniging den heer 
Rost van Tonningen van Buitenzorg, 2 Januarij 1856, 
inhoudende eenige bijzonderheden omtrent Avijlen het lid der 
Vereeniging F. D. J. Van der Pant. 

De president neemt op zich, om na het inwinnen van 
eenige nadere bijzonderheden, een kort levensberigt van 
den overledene mede te deelen. 

22. Brief van het lid der Vereeniging den heer Reiche , 
gedagteekend Padang 4 December 1855, meldende de ver- 
zending van visschen van Nias , door den heer Van Rosen- 
BEKG hem ter hand gesteld, en van eene flesch met vis- 
schen van Troessan. Voorts meldt schrijver dat de majoor 
SciiWENK hem mede visschen heeft toegezegd. 

Aangenomen A'oor berigt. 

23. Brief van het lid der Vereeniging den heer Reiche, 
van dezelfde dagteekening, begeleidende eene delfstof, waar- 
omtrent het volgende wordt medegedeeld: 

„Door den generaal majoor, civiel en militair gouA'erneur 
„ter Westkust van Sumatra, is mij bij missive vanden 22" 
„November 1855 No. oG15 een stuk mineraal toegezonden, 
„hetwelk door eenen Maleijer bij den adsistent resident van 
„Padang is aangebragt, en gevonden te Batang-kapas in 
„ de' zuidelijke afdeeling,. in eenen berg, zoo groot als de 
„Apenberg alhier, welke geheel uit die delfstof zoude be- 



— 439 - 

„staan. De plaats waar zij -wordt gevonden is nagenoeg 
„10 palen van het strand verwijderd.''' enz. 

Verder verlangt de gouverneur in kennis te worden 
gesteld of het ook bruikbare' steenkool is. 

Het mineraal wordt in handen gesteld van den heer Alt- 
heer, met verzoek te dienen van berigt. 

24. Brief van den heer Noordziek , gerigt aan den heer 
Bleekek ouder dagteekening van den 2n December 1855 , 
dank zeggende voor de ontvangen inlichting omtrent het be- 
waren en verzenden van visschon , en eene spoedige toe- 
zending van eene verzameling beloovende. 

25. Brief van den luitenant kolonel waarnemend resident 
van de "Westerafdeeling van Borneo den heer Andkesen , 
gedagteekend Pontianak 25 Oktober 1855 , aanbiedende 
een stortingsbewijs op 's lands kas te Batavia, groot/ i^ I-, 
als zijne vrijwillige bijdrage voor de Vereeniging over de 
jaren 1854 en 1855. 

Wordt gesteld in handen van den thesaurier. 

2G. Brief van het lid korrespondent der Vereeniging den 
heer Severing- van Samarang, gedagteekend den 11" De- 
cember 1855, meldende dat het kistje met ijzererts, hem 
door den heer ScnAAr ter verdere verzending toegezonden, 
kort na de ontvangst is verzonden aan het besturend lid der 
Vereeniging den heer P. J. Maier. 

Wordt besloten hieromtrent nadere inlichting te verzoeken 
van den heer Maier. 

27. Brief van het lid den heer DoleSCHALL, gedagtee- 
kend Djokjokarta, 26 December 1855, wederaanbiedende 
zijne Bijdrage tot de kennis der Dipterologische fauna van 
Java, waarin hij de door de direktie gewenschte verande- 
ring heeft gebrao-t. 

2 S., Antwoord op eenen brief van den heer Millard (zie 
bestuursvergadering gehouden den Isten December 1855) door 
den heer Altheer. 

Wordt besloten dit stuk der redaktie van het Tijdschrift 
A-an nijverheid in Ncderlandsch Indië aan te bieden. 



— 440 -^ 

29. Nota van den heer Hu art omtrent het graveren , 
drukken enz. van 12 platen van javasche Dipteren, behoorende 
tot de Bijdrage bovengenoemd v^n den heer Doleschall. 
Daar de rekening, waarschijnlijk door misverstand , niet slaat 
met de daarvoor beschikbaar gestelde som , zal zij ter be- 
oordeeling in handen gesteld worden van den heer De 
Seijff. 

De thesaurier doet op uitnoodiging van den president 

verslag van den toestand der geldelijke aangelegenheden van 

de Vereeniging, waaruit blijkt dat de Vereeniging bezit aan 

Uitstaand kapitaal . . ƒ 2500. 

Gelden in kas . . . „ 950. 

Nog te innen gelden ± „ 507. 

De heer Smit wordt uitgenoodigd de rekening en verant- 
woording van den thesaurier te willen nazien. 

Vervolgens wordt overgegaan tot de verkiezingen van 
eenen president , vicepresident , sekretaris , bibliothekaris , 
hoofdredakteur , direkteur van het museum en thesaurier. 
Intusschen is het wenschelijk geacht alvorens tot eene beslis- 
sing te komen , ook nog de stemmen van de niet aanwezige 
dirigerende leden bij brief te verzoeken, 

Ingekomene boekwerken : 

Sitzungsberichte philos. histor. Cl. 12 Band 1—5 Heft; Band 13, S' Heft, 

14 Band 1 — 2 Heft; Band, 15, V Heft. (van de Keizerl. koninkl. Akad. 

van Wètensch. te Weenen). 
Sitzungsberichte math. uaturw. Cl. Band I , Jahrgang 1848 1—5 Heft; Jahr- 

gang 1849, 1850, 1851, 1853, 1853, 1854 en 1855, helft 1 en 2. (van 

dezelfde). 
Erlauterungen z. geologiscben Karte der Umgebungen von Krems und von 

Manhartsberg von Czjzek. 
Tafeln zu dem Vortrage der polygrapbische Apparat d. K. K. Hof- und Staats- 

Druckerei zu Wien von Auer. 
Kalender der Flora des Horizontes von Prag, eutworfen nach zehnjah- 

rigen Vegetations-Beobaclitungen von Tkitsch. 
Kegister zu den ersten X Banden der Sitzungsberichte der math. natur- 

wissnusch. Cl. der kais. Akad. d. Wissensch. 
Almanach der kais. königl. Akad. der Wissensch. zu Wien, 1851, 1852, 1853, 

1854 en 1855. 
Denkschriften math. naturw. Cl. Bd. VIII. 



— 441 — 

Nova acta Acad. Caes. Leop. Carol. Nat. Cur. Ie und 2^ Abtheilung des 

XXIV Bandes. Festbericht des Vereins Deutsclier Aerzte in Paris, 1854. 

Preisfrage der Akademie 21" Junij 1853— Ie. Maait 1854~le. Maart 1855 

(van de akademic). 
Jahrbuch der K. K. geologischen lleichsanstalt zu AVien. Baud I. (van de Ansalt). 
Verhandelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. 

2= Deel. (van de akademie). 
Catalogus der Bibliotheek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te 

Amsterdam 1'' Aflev. 8°. (van de akademie). 
Over eenige nieuwe soorten van Notopterus van den ludischen Archipel door 

Ur. P. Bi,E»KEii. (van den schrijver). 
Over eenige visschen van Van Diemensland door Dr. P. Blekkïk 1855. 

(van den schrijver). 
The Journal of the Indian Arcbipelago and eastem Asia. Supplement number for 

1854. en N° April, May, June 1855. (van de redaktie). 
Het Regt in Nederlandsch Indië, Batavia 1855. VT jaarg. N°. 6. (van de 

redaktie). 
Verhandeling over de verdiensten van GijsbicRt Karel van Hogendokp 

door Mr. O. Van Rkks, 1854 8°. 
De tentoonstelling van nijverheid en beeldende kunsten van alle volken te 

Parijs door S. Blkekroode. Ie blad. 
Java-bode v. 1855, N°. 99—104, 1856— N°. 1. (van de redaktie). 
Biang-lala, Indisch leeskabinet 1855 afl. V. (van de redaktie). 

De Sehretaris , 

J. J. Altheer. 



BESTUURSVERGADERING, 

GEHOUDEN DEN lOden JANUAKIJ 1856, TEN HUIZE 
VAN DEN HEER ALTIIEER. 



Tegenwoordig zijn de HII. 

P. BlEEKER President. 

P. Baron Mela^ll van Carmïee. 

Dr. A. J. D. Steenstra Toussaint. 

^Y. M. Smit. 

A. W. P. Weitzel, 

E. F. De Seijff. 

J. J. Altheer, Waamd. SekretarJs. 

Worden ter tafel gebragt. 

1. Brief van den heer C. C. Hardenberg, gedagteekend 
Sambas 28 Dec. 1855, begeleidende zes pakken, gemerkt A 
tot F, en een doosje , behoorende bij D. De inhoud bestaat uit 
vezels van verschillende planten , waarvan gemeld wordt 
dat zij welligt in de plaats zouden kunnen treden van de 
tot nu toe gebruikte grondstoffen van het papier ; verder 
uit touw , monsters van diverse soorten van boomschorsen , 
vruchten en zaden , wordende een en ander der Vereeniging, 
aangeboden ten einde daarmede een nader onderzoek kunne 
worden in het werk gesteld. 

AYordt besloten een en ander in handen te stellen van 
den heer FrOMBErg ten einde te dienen van berigt en den 
heer Hardenberg als kandidaat voor het lidmaatschap aan 
te nemen en hem den dank der Vereeniging te betuigen 
voor de betoonde belangstelling. 

2. Brief van den direkteur der produkten en civiele 



— 443 — 

magazijnen, van den 17n Januarij 1856 behelzende verzoek 
aan de direktie der Vereeniging om eene beknopte besclirijving 
van de wijze, .waarop de verwstof uit de in den handel 
voorkomende kochenille wordt verkregen, en zulks ten be- 
hoeve der fiiktorij van den nederlandschen handel in Ja- 
pan , aan welke door de Japansche regering desbetrekkelijk 
inlichting is gevraagd. 

De lieer Altheer wordt uitgenoodigd zoodanige beschrij- 
ving te willen opmaken. 

3. Brief van den direktcur der kultures, gedagteekend 
Batavia, 16 Januarij 185G, aanbiedende een Verslag 
van den agrikultuur-chemist den heer Frombeeg betrek- 
kelijk de uitkomsten der genomene proeven met verschil- 
lende suikerrietsoorten in den tuin te Genting , afdeeling 
Buitenzorg. 

Wordt besloten tot opname van het verslag in het Tijd- 
schrift. 

4. Brief van den luitenant kolonel , wd. resident der Wes- 
ter- afdeeling van Borneo, den heer Andresen, gedag- 
teekend Pontianak 22 December 1855 , aanbiedende een stor- 
ting bewijs op 's lands kas te Batavia, groot ƒ 12 , als eene vrij- 
willige bijdrage voor de Vereeniging over het jaar 1855, 
van het lid R. Eyerwijn , ingenieur van het mijnwezen. 

Zal m handen gesteld worden van den thesaurier. 

5. Brief van den heer Aquasie BoAcm, gedagteekend 
Buitenzorg 15 Januarij 1856, inhoudende kennisgave aan de 
direktie dat hij in de maand Maart naar Europa zal vertrek- 
ken , weshalve hij als lid der Vereeniging hvenscht te wor- 
den ontslagen. 

Wordt besloten den naam van den heer BoAcni van de 
ledenlijst af te voeren. 

6. Brief van den heer De Bruijn Kops, waarbij hij als 
sekretaris van de Nederlandsch Indische IMaatschappij van 
Nijverheid ter plaatsing in het Tijdschrift aanbiedt: Schei- 
kundig onderzoek van het guinée-gras (rompot bengala 



— 444 — 

Paspalum mollicome Kth) in verband tot zijne voedselwaarcle 
voor het vee, door D. W. Rost van Tonningen. 

Wordt besloten tot opname van dit stuk in het Tijdschrift. 
De heer Smit doet vervolgens melding, dat hij de verant- 
woording van den thesaurier heeft bevonden te zijn in orde. 

De president betuigt den thesaurier den heer Groll den 
dank der direktie voor de uitstekende wijze waarop hij de 
geldelijke aangelegenheden der Vereeniging heeft bestuurd. 

De president brengt ter tafel het stuk van den heer 
Croockewit , betreffende zijne bevindingen op zijne togten 
naar den Goenong Klam, enz. 

Wordt besloten tot opname in het Tijdschrift. 

De president doet mededeeling dat, naar het in de voorgaande 
bestuursvergadering genomen besluit, de stemmen bij missiven 
zijn opgenomen van de toen afwezige bestuursleden, ten gevolge 
waarvan zijn ingekomen de stembilletten van de heeren direk- 
teuren De Groot, Steenstra Toussaint, De Lange. 
EosT VAN Tonningen, De Bruijn Kops en De Seijff: 

Na opneming der stemmen blijkt dat zijn benoemd voor 
het volgende jaar : 

Tot President en Hoofdredakteur, de heer Bleeker. 
„ Vicepresident, de heer Baron Melvill van Carnbee. 
„ Sekretaris, de heer Altheer. 
„ Thesaurier, de heer Groll. 
„ Direkteur van het Museum , de heer Maier , en 
„ Bibliothekaris , de heer De Bruijn Kops. 

Ingekomen boekwerken : 

Flora van Nederlandsch Indië door F. N. W. Miqubl, afl. 1 en 2 (aan- 
gekocht). 

Nieuwe nalezingen op de ichtbyologie van .Japan door P. Blekkek. Batavia 
1854 4. (vanden schrijver). 

Java-Bode N°. 1 — 5. (van de redaktie). 

Algemeene grondslagen der stellige wijsbegeerte, door A. Comte, 's Gravenhage 
1846 (van het lid den heer Krajïnbbink). 

Sekretaris. 
J. J. Altheer. 



BESTUUKSVERGADERING 

GEHOUDEN TEN HUIZE VAN DEN HEER StEENSTRA 
TOUSSAINT 

OP ZATURDAG DEN 23n FeBRUARIJ 1856. 



Tegenwoordig zijn de HH. 

P. BlEEKER, President. 

P. Baron MelVILL van CarNBEE, Vioepresident. 

J. GrOLL , Thesaurie'- 

G. F. De BrUIJN KorS, BibliothekarJs. 

R. F. De Seijff. 

W. M. Smit. 

A. J. D. Steenstra Toussaint. 

J, J. Altheer, Sekretaris. 

De heer A. W. P. Weitzel ■ is door ongesteldheid ver- 
hinderd de vergadering bij te wonen. 

Worden ter tafel gebragt : 

1°. Brief van den algemeenen sekretaris, gedagteekend 
Batavia 14 Februarij 1856 , meldende , dat door tusschenkomst 
van het ministerie van koloniën ontvangen zijn , van wege 
de Koninklijke Belgische Akademie van "Wetenschappen, Let- 
teren en Schoone kunsten , eenige boekwerken (hieronder 
vermeld) , bestemd ten geschenke voor de Vereeniging, ter- 
wijl de sekretaris de heer A. Quetelet, te Brussel, wenscht 
te vernemen., welke der door de Akademie uitg-eo-even werken 
reeds in het bezit zijn der Yereeniging, ten einde het ont- 
brekende zooveel mogelijk nog te zenden. 

Wordt besloten den algemeenen sekretaris de goede ont- 
vangst der boekwerken te berigten en voorts de Akademie 



— 440 — 

den dank der Vereeniging te betuigen voor het ontvangen 
geschenk met mededeeling dat nog geene andere dan de pas 
ontvangene door haar uitgegeven boekwerken in het bezit der 
Vereeniging zijn. 

2. Brief van den adjunkt- sekretaris van het gouverne- 
ment, gedagteekend Batavia 5 Februarij 185G, waarbij der 
Vereeniging wordt aangeboden het driemaandelijksche ver- 
slag der verrigtingen van den geographischen ingenieur 
G. A. De Lange, gedagteekend 2G Januarij 1856 E. V. 
no. 4. 

Wordt besloten tot plaatsing in het Tijdschrift. 

o. Brief van denzelfden hoofdambtenaar gedagteekend 22 
Januarij 1856, aanbiedende het resultaat der meteorologische 
waarnemingen , gedaan te Sambas door den heer Ckoockewit 
in het jaar 1855. 

Wordt besloten dit stuk in handen te stellen van den heer 
Melvill van Carnbee ten fine van berigt. 

4. Extrakt uit het register 'der besluiten van den gouver- 
neur generaal van Nederlandsch Indië, gedagteekend Buiten- 
zorg den 27n Januarij 1856, inhoudende kennisgave aan de 
Vereeniging, dat in haar verzoek, gedaan bij rekest van No- 
vember 1855, om in het bezit te mogen geraken van een 
stuk gronds ter oprigting van een gebouw A'oor de Ver- 
eeniging , niet kan worden getreden , daar het gouverne- 
ment aan het gevraagde terrein reeds eene andere bestemming 
gegeven heeft. 

Daar intusschen de behoefte aan een gebouw voor de 
Vereeniging meer en meer wordt gevoeld, wordt beraad- 
slaagd over de beste middelen om daartoe te geraken. Het 
geschiktste middel daartoe wordt geacht te zijn eene geldlotcrij. 
De heer Smit stelt voor om aan een der leden op te dra- 
gen te informeren op welke wijze zoodanige loterij geregeld 
dient te worden, ^vvaarop de heer Smit wordt uitgenoodigd 
de noodige inlichtingen in. te winnen. 

5. Brief van den direkteur der produkten en civiele ma- 



— 447 — 

gazijnen , gedagteekend Batavia 13 Februari] 18 5 il , houden- 
de dankbetuiging voor de hem bij brief van 21 Januarij 1856 
toegezondene beschrijving der bereidingswijze van de kleurstof 
der kochenille enz., onder mededeeling, dat die opgave naar 
Decima zal worden gezonden , om aan de japansche fabri- 
kanten te worden bekend gemaakt. 
Aangenomen voor beriot. 

6. iJrief van denzelfden direkteur, gedagteekend Batavia 
6 Februarij 185G, aanbiedende afschrift der missive van het 
opperhoofd van den nederlandschen handel in Japan van 
Decima den 27n November 1855, waai'bij gevoegd is een kistje 
inhoudende gedroogde vruchten van den wasboom, benevens 
eene hoeveelheid fijngestampte vruchten. Daar deze was- 
soort in Japan een voornaam artikel van industrie is , wordt 
de voorlichting der Yereeniging verzocht omtrent de meest 
geschikte werktuigen om het was uit de vruchten te persen. 

De heer Groll wordt uitgenoodigd aan het in die mis- 
sives uitgedrukte verlangen te voldoen, terwijl de heer Altheek 
op zich neemt te onderzoeken, van welke plant die vruchten 
afkomstig zijn. 

7. Brief van het lid den heer Netscher , gedagteekend Si- 
bogha 10 Januarij 1856 , waarin hij verzoekt afgevoerd te wor- 
den als lid der Yereeniging, uithoofde van zijn op handen ver- 
trek naar Xederland. 

Besloten den naam van den heer Xetscher van de le- 
denlijst af te voeren. 

8. Brief van den luitenant kolonel Avaarnemend resident van 
Bomeo''s westkust, gedagteekend Pon tianak 30 Januarij 1856, 
waarbij wordt aangeboden een stortingsbewijs op "'s lands kas 
te Batavia, groot ƒ 12, wegens gelden, ontvangen van het lid 
den heer Thepass als vrijwillige bijdrage over 1855. 

Wordt in handen gesteld van den thesaurier. 

9. Missive van het lid den heer Jansen gedagteekend Mana- 
do 2 Januarij 1856, onder weder aanbieding van een' brief 
van den heer Teijsmann, mededeelende, dat de langdurige 



— 448 — 

drooo-te en hitte hem verhinderd hebben gevolg te geven 
aan den wensch der Vereeniging en van den heer Teijsmann, 
om in het bezit te worden gesteld van jonge plantjes van 
den lawanboom, doch dat daartoe, nu de regens zijn in- 
gevallen , zijner tijds het noodige zal Avorden ' verrigt. Na- 
sporingen in de bosschen bewerkstelligd , omtrent het voorko- 
men der massooi, hebben tot dus verre een negatief gevolg 
gehad. 

Aangenomen voor berigt. 

10. Brief van den heer C. L. Doleschall gedagtee- 
kend Djokjokarta 24 Januarij 1856, aanbiedende een artikel 
voor het Tijdschrift , handelende over de dieren , welke den 
indigobouw schadelijk zijn. 

Wordt besloten tot plaatsing in het Tijdschrift. 

11. Brief van den heer De Seijff, betrekking hebbende 
op het stuk van den heer Croockewit (zie no 15 van de 
bestuursvergadering, gehouden den 5n Januarij 1856), bege- 
leidende een schetskaartje, waarop de voornaamste op Bor- 
neo gedane reizen zijn aangeteekend. 

De heer Smit neemt op zich de toelichting der nota van 
den heer Croockewit. 

Tot kandidaten worden voorgesteld en aangenomen. 

Voor het korresponderend lidmaatschap: 

De heeren A. Quetelet te Brussel en P. J. Van Beneden 
te Leuven. 

Voor het adviserend lidmaatschap de heer J. K. Has- 
SKARL te Tjandjoer. 

Voor het gewone lidmaatschap de heeren 

D. SiGAL te Sintang, A. Bernstein te Gadok en J. C. 
J. Smits, te Batavia. 

De algemeene vergadering wordt vastgesteld op Donder- 
dag den 28n Februarij. 

Ingekomene boekwerken: 

Bulletins de l'Academie Koyale des. Sciences , Lettres et Beaui-arts de Belgique 
Tomé XX 1. 2. et 3^ Partie. 1853; Tomé XXI 1. part. annexe aux bulletins 
1853—1854. 



— 449 — 

Annuaires de 1' Academie royale des Sciences , Arts et Belles lettres de Bruxelles , 
de 1853 et dé 1854. 

Catalogue des livres de 1' Academie royale des Sciences, Arts et Belles lettres 
de Bruxelles. 1850, 8". 

Instructions pour 1' observation des pliénomènes périodiqiies. 

Observations des pbénoménes périodiques. (alle van de genoemde akaderaie). 

Het Regt in Nederlandsch Indië. Zesde jaargang no. 7 en 8. (van de redaktie). 

Java-bode no. 6 — no. 15. (van de redaktie). 

De Sekretaris , 
J. J. Altheek. 



BERIGTEN VAN VERSCHILLENDEN AARD. 



Aardbevingen en hergnltharstlnijen in den Indischen Archipel. 

IFestkust van Sumatra. De berigtcn over de maanden 
Julij en Augustus jl. Leliclzen het volgende : 

In den morgen van den SOstenJulij werden te Padang 

ecnige schokken van aardbeving gevoekl, die geene scliade 

hebben veroorzaakt ; eenige dagen daarna woedde een he- 

^ige storm die zonder tusschenpoozen vier uren aanhield. 

(Javasche Courant 12 September 1855 No, 73.) 

De berigten van Sumatra's Westkust, loopende tot den 
l"^!! November jl., behelzen het volgende: 

Padang. Volgens berigt uit de Padangsche Bovenlanden 
had de vuurberg Merapi in de eerste dagen van Oktober 
jl. sterk gewerkt. Herhaaldelijk werd men te Fort de Koek 
aardbevingen gewaar , die somtijds van eene sterke schud- 
ding vergezeld waren. Van tijd tot tijd hoorde men uit 
den berg een zwaar geluid , waarna kolommen rook en ascli 
uit den krater opstegen ; terwijl in den avond van den 2*^"^ 
Oktober dit nog sterker werd en gedurende eenige minuten 
vuur, asch en steenen werden uitgeworpen. Tijdens deze 
werking vertoonde de kruin van den vulkaan slechts een 
klomp vuur en was de lucht op het oogenblik der uitbar- 
sting zeer betrokken Voor zoover bekend, hadden bij de- 
ze gelegenheid geene ongelukken of verwoestingen plaats 
gehad. 

De hevige regens bleven voortdurend aanhouden. 

(Javasche Courant 14 November 1855 No. 91). 



— 451 — 

Maijelang. In den namiddag van den S^ten November 
omstreeks 1 )~ uur , bij eene drukkende atmospheer en na 
gevallen regen , werd alhier eene vrij lle^^ge aardscliudding 
gevoeld , van horizontale beweging , zich strekkende in de 
rigting van het noord-oosten naar het zuid-Avesten. 

De steenen huizen werden bewogen en het houtwerk 
kraakte zoodanig , dat voor eene instorting ge\Teesd werd. 

De schudding werd in de afdeeling Probolingo , als meer 
nabij den rookenden berg Merapi gelegen , sterker gevoeld 
dan ter hoofdplaats Magelang. 

Soerakarta. Den Oi^en Xovember jl., des namidags ten 
half twee ure , deed zich ter hoofdplaats eene ligte aard- 
beving gevoelen , die slechts eenige sekonden aanhield ; de 
rigting was nagenoeg van het oosten naar het westen ; scha- 
de is niet veroorzaakt. 

Na eene droogte van zes maanden hadden zich sedert 
het laatste der vorige maand frissche regenbuijen ingesteld ; 
daardoor zou weldra met de bewerking der van regens 
afhankelijke rijstvelden een" aanvang kunnen worden ge- 
maakt. 

Den 11 Jen en 16"^en Augustus jl. werden ligte schokken 
van aardbeving gevoeld , die geene schade hadden aangerigt. 

Den 12^'«" September, des middags ten e'én ure, werd 
te Manado, en den 21stm des voormiddags , omstreeks 
elf ure , te Gorontalo , eene ligte aardschudding waarge- 
nomen. 

(Javasche Courant 21 November 1855 No. 93}. 

Volgens berigt uit de Padangsche bovenlanden bleef de 
vuurberg Merapi steeds sterk werken. Op den 2^'='^ en O^cu 
November hadden uitbarstingen plaats gehad, die weinig 
verschilden van die , medegedeeld in ons nommer van den 
14d.n November jl. Men had alleen opgemerkt, dat eene 
grootere massa steen werd uitgeworpen , waardoor evenwel 
geene schade was veroorzaakt. 

(Javasche Courant 15 December 1855 No. 100). 



— 452 — 

Men meldt ons van Buitenzorg , dd. 20 December dat 
aldaar , ten half 1 2 ure in den voormiddag van dien dag ,' een 
ligte schok van aardbeving is gevoeld geworden. 

(Java-Bode, 22 December 1855 No. 102). 

3ïanado. Gedurende de maand November 1855 heersch- 
te hier voor dit jaargetijde eene ongewone hitte en droogte, 
en bleef de zuidoosten-wind soms met kracht waaijen. 

Den ITiien, ig^len en 21sten November hebben zich ligte 
schokken van aardbeving doen gevoelen. 

Amhoina. De berigten over de maand Oktober 1855 
behelzen , dat het in de eerste dagen dier maand van tijd 
tot tijd had geregend,- doch dat daarop weder eene aanhou- 
dende droogte was gevolgd. 

Den Ö^'sii Oktober jl. was des middags omstreeks 11^^ uur 
een ligte schok van aardbeving waargenomen. 

Banda. De berigten , over de maanden September en 
Oktober 1855, luiden als volgt: 

In de avonden van den T'^en en 18'^en September werden 
ligte aardschuddingen gevoeld, de rigting nemende van het 
westen naar het oosten. 

Ternate. De berigten , loopende tot den Isten December jl. , 
behelzen dat in de maand Oktober nu en dan ligte schokken 
van aardbeving waren gevoeld. 

In den nacht van den 16'leii en in den vroegen morgen 
van den 23steii November werden mede twee ligte aardbe- 
vingen waargenomen. 

(Javasche Courant 5 Januarij 1856 No. 2). 

In de afdeeling Ajer-bangies en Rau heerschten bij 
voortduring aardbevingen , onweders , stormen en stortregens. 
Ongelukken hadden echter niet plaats gehad; slechts eenige 
bruggen waren door overstroomingen weggespoeld. 

Japan. Volgens de laatste berigten uit Japan, was de 
hoofdstad Jedo door eene aardbeving verwoest. De verwar- 
ring Avas aldaar ten toppunt gestegen. De keizer en diens 
familie hadden geen letsel bekomen , doch verscheidene lands- 



— 453 — 

licercn en zeer vele hooge personen het leven verloren, 
liet getal dooden wist men niet, maar er was geen plaats 
om de lijken te begraven , * hetgeen in zakken geschiedde. 
Uit vele waterputten had men vlammen te voorschijn zien 
komen. 

(Javasche Courant 16 Januarij 1856 No. 5). 

Samaranrj. Zaturdag 19 dezer, 's morgens ten 6 ure 15 
minuten , heeft men alhier eenen vrij hevigen schok van aard- 
Leving waargenomen ; de rigting was van het n.o. naar 
het z.w. Men deelt ons mede , dat ten gevolge dezer aard- 
beving een huis in de stad eene groote scheur bekomen 
heeft. 

Heden Zaturdag den lO^len, 's morgens omstreeks Gi uur, 
werd alhier een kleine schok van aardbeving gevoeld , welke, 
alhoewel gering , toch vermelding verdient. 

(Java-Bode 30 Januarij 1856 No. 9). 

Magelang. Zoo wel hier als op andere plaatsen binnen 
de residentie Kadoe , is in den vroegen morgen van den 
19'leii Januarij , omstreeks 6 uur, eene aardschudding gevoeld, 
in de rigtitig van het n. naar het z. , waarvan de werking 
genoegzaam hevig was om ramen en deuren in trillende , 
en hangende lampen en stolpen in slingerende beweging 
te brengen. 

(Javasche Courant 30 Januarij 1856 No, 9), 

Ten 6 ure in den morgen van den 19tlen Januarij jl. is 
alhier eene zware aardbeving waargenomen , in de rigting 
Aan het zuidoosten , en meer dan waarschijnlijk van den 
berg Kloed. Ofschoon de schokken eenige minuten aan- 
hielden is daardoor echter geen nadeel ondervonden. 

(Javasche Courant 6 Februarij 1856 No. 11). 

Volgens partikulier schrijven van Manado van den 21stcü 
Januarij werden aldaar voortdurend schokken van aardbeving, 
vooral des nachts van 11 tot 2 ure ge\'oeld , doch niet van 
zeer hevigen aard, hebbende er ook tot dus verre daardoor 
geene ongelukken plaats gehad. 

X. ^ 30 



— 454 — 

Wij ontvingen een schriJA'en uit Madioen : 
Zaturdag den Id'^^^ Januarij des morgens ten 6 ure is 
alhier en ook te Ponorogo een scliok van aardbeving gevoekl, 
die ± 8 sekonden geduurd lieeft. De rigting was van liet 
z. naar het n. 

(Java-Bode 6 Tebruarij 1856 No. 11). 
Volgens een partikulier schrijven van Ternate dd. 16 
Januarij zijn aldaar hevige koortsen onder de Europeanen 
uitgebroken , waaraan verre de meesten destijds nog lij- 
dende waren en die vergezeld gaan van eene zeer lastige 
zwelling van hoofd en wangen. 

Ook hebben aldaar voortdurend aardbevingen plaats. De 
schrijver van dien brief zegt daaromtrent het volgende: 

„Laatstleden zaturdag namiddag 13 Januarij ten 5| ure, 
hadden wij weder eene sterke aardbeving zonder vooraf- 
gaande schokken ; zij kwam in eens aan , en mijn gabagaba- 
huis slingerde heen en weder. Deze aardbeving was nage- 
noeg zoo zAvaar als de vorige. Des avonds kreeg ik ijlende 
koortsen en heb mij dus verder daaraan niets gelegen kunnen 
laten leggen; alleen verneem ik dat de huizen van den heer 
DüiVENBODE hier en in den tuin weder veel geleden hebben." 
(Java-Bode 9 Februari] 1856 ISTo. 12). 
Banda. Ten half tien ure in den morgen van den 6deu 
November 1855 had men eene vertikale aardschudding ge- 
voeld, gevolgd door eene ligte schommelende beweging, 
die drie sekonden aanhield. 

Den 22sten daaropvolgende , kwartier voor vier ure in den 

namiddag , werd weder eene naauwelijks voelbare aardbeving 

waargenomen , de rigting hebbende van het n. naar het z. 

In den middag van den 4clen December had men te Am- 

boina eenen vrij hevigen schok van aardbeving gevoeld. 

Ternate. In den morgen ten e'e'n en in den avond ten 
vijf en een half ure van den 3den December 1855 , heeft 
men hier ligte aardschuddingen gevoeld. 

Menado. Gedurende de maand December 1855 werden 



— 455 — 

hier eenige ligte aarclbe\-ingeii Vvaargenomen , als : 

In den nacht van den 3den op den 4den, ten één ure; 

In den morgen van den 7clen , ten half zeven en ten • 
acht ure ; 

In den middag van den lOden, ten vier ure; 

In den morgen van den 20sten, omstreeks vier ure, en op 
den avond van den 27sten, ten negen ure. 

De buitengewone hitte en droogte had tot de helft dier 
maand voortgeduurd ; toen had zich de westmoesson inge- 
steld en was er veel regen gevallen. 

(Javasche Courant 13 Februari) 1856 No. 13). 

Padamj. Op den lOden Januarij jl, heeft men hier, ten 
2 ure in den namiddag, eenen nog al he\agen schok van 
aardbeving gevoeld , welke echter geen schade heeft ver- 
oorzaakt, terwijl den 18tlen daaropvolgende weder eene ligte 
aardschudding werd waargenomen. 

(Javasche Courant 16 Februarij 1856 N°. 14\ 



Ee7iige opmerkiïKjen omtrent het Broeboe-ijeherrjte. 

De heer H. Zollinger heeft onlangs het nog zeer weinig 
bekende Broeboe-gebergte gelegen in de residentie Soera- 
baja bezocht. De volgende mededeelingen zijn getrokken uit 
een schrijven van genoemden natuurkundige. 

Het Broeboe-gebergte (Goenoeng-Broeboe) zou volgens de 
volksoverlevering vroeger G. Batoro geheeten hebben en tevens 
de hoogste van Java geweest zijn, In overouden tijd stortte 
dit gebergte ineen , en heet sedert Batoro-broeboe , dat is „ de 
verbrokkelde berg Batoro" , of bij verkorting in het dage- 
lijksch leven , Goenoeng Broeboe. Het volk noemt een 
der toppen ook Lorobroeboe. 

Pijna alle toppen dragen bijzondere namen. Uit den ke- 



— 456 — 

tel van het gebergte stroomt naar liet noorden de Brankal. 
Oostelijk van deze rivier verheffen zich nagenoeg loodregt 
van den Broeboe in meer beperkten zin , de Kokosan, Avaar- 
schijnlijk de steilste en scherj^ste rotspiraraide van Java. 
In het zuiden heet eene hooge top G. Biroe. Ten westen 
der Brankal verheffen zich naast elkander de Gambolo en 
de G. Gedeh. Laatstgenoemden heb ik beklommen. 

Hoogte boven de zee volgens meting met den baro- 
meter: Modjokerto 34 nederl. el ; Modjoagoeng 46 el. 

In de opgaven van den heer Jukes, voorkomende in de Al- 
manak van Nederlandsch Indiö moet eene vergissing bestaan , 
naardien Modjoagoeng en Modjokerto nagenoeg in dezelfde 
vlakte gelegen zijn. 

Djabon, passangrahan tegenover Djatiredjo 201 el. Sa- 
ranten, bergdorp, 539 el; top van den Tambahmerang 1086 . 
el! Gembolo 1406 el, Wonosalem , passangrahan 516 el 
(ook hier geldt het bovengezegde omtrent de misstelling in 
de opgaven van den heer Jukes). 

De volgende kompaspeilingen zijn gedaan : 

a. Van Sarenten: 

G. Waliran o. 15° z. ; G. Broeboe (in beperkten 
zin) o.' 37° z.; G. Kokosan o. 411/2 z-; Gr. Biroe o. 45° 
z.; G. Gemboloe of Gembolo o. 611/3° z-; G. Gedeh 
o. 71° z. 

b. Op den Gembolo: de top van den G. Gedeh z. 2° av. 

c. Op den Tambak merang: het dorp Sarenten n. 26° w. 
cl. Van den passangrahan Wonosalem : 

G. Kokosan (Broeboe) o. 1S° z.; G. Gedeh (Broe- 
boe) o. 23° z.; G. Kloe (over het midden) z. 131/2" 
w. ; G. Wilis (noord en zuid randen van den top) z. 
69° w. en z. 77° w; G. Lawoe (over het midden) w. 
60° n. 
e. Van Djombaum (woonplaats van den kontroleur aan 
den weg naar Kcdiri. 

G. Van Kawi z. 31° o.; G. Broeboe (z. top) z. 



— 457 — 

o9^ o.; G. Kokosan z. 51° o; G. Gedeh z. 471/9 o. 
G. Arcljoeno. z. 59^ o.; G. Waliran z. (52° o; G. 
Penano-oeiigan z. 79° o.: G. Kloetl z. 13° o. 



Verrigtingcn der ingenieurs van het mijmcezen 
in Nederlandsch Indië. 

Preanrjer-liecjentschappen. De ingonieur Aquasie Boa- 
CHiE had gedurende de maand Augustus jl. die plaatsen 
bezocht, waar men meende steenkolen gevonden te hebben. 
Bij onderzoek bleek het echter dat de gevonden delfstof 
serpentijn was , Avelke rotssoort in die streken bergen van 
800 voet en meerdere hoogte vormt. Tot hiertoe mogt het 
niet gelukken steenkolen te vinden. 

Banha. De aspirant-ingenieur J. E. Akkeringa zette 
gedurende de maand Augustus zijne boringen voort , en vond 
aan Ajer Intijs en Ajer Pahit goeden tinerts. 

In S. Lipaai, door eenen put in het midden en eenen 
langs den kant, werd geen erts gevonden. 

In Ajer Poengoer en S. Patjing werd de grond onder- 
zocht door middel van den tsjam , welk onderzoek tinerts 
opleverde; aldaar zullen thans putgravingen worden be- 
werkstelligd. 

Zuid- en Oosterafdeelimj van Borneo. Gedurende de 
maanden Julij en Augustus zette de aspirant-ingenieur Eant 
met den ingenieur De Giioot het onderzoek naar steen- 
kolen nabij den Goenong Djabok voort. 

Datjan. In het begin der maand Julij had de ingenieur 
ScHREUDER zich naar S. Poean begeven om teo-euwjoordio- 
te zijn bij het uitwasschen van stofgoud door de chinesche 
bannelingen. Deze goudwassching leverde niet die gunstige 
resultaten op als men verwachtte , daar de geheele hoeveel- 
heid goud, in tegenwoordio'heid van genoemden ingenieur 



— 45S — 

iiitgewassclien , 0,1956 ned. pond bedroeg, waarvan bij na- 
dere zuivering, nog 0,0009 ned. pond ijzerzand werd afge- 
scheiden. 

De werkzaamheden te Ajer Mambia liadden gedurende 
de eerste helft van Julij , wegens het slechte weder , weinig 
kunnen vorderen; gedurende de laatste helft werden zij 
door droogte zeer begunstigd. 

(Javasche Courant 6 Oktober 1855 No. 80). 

Preanger Regentschappen. De ingenieur Aquasie Boa- 
CïïiE had gedurende de maand September de vlakte van 
Tjiletoek bezocht, zoomede de bergen die deze vlakte om- 
geven , en de eilanden in de baai van Tjiletoek. 

Hij vond echter in deze streken nergens eenig spoor van 
het aanwezen van steenkolen en keerde , na de noodige op- 
metingen te hebben gedaan , den loden September naar Bui- 
tenzorg terug. 

Banka. Door den aspirant-ingenieur Akkeringa werd, 
in de maand September, in het terrein om den berg Be- 
soekan , waar reeds vroeger met den tsjam een onderzoek 
was gedaan , beproefd om putten te graven , zonder behulp 
der ijzeren schaft; van deze putgravingen gelukte er slechts 
een in het bovengedeelte van Ajer Kidjongarlt, alwaar 
erts werd gevonden. De andere gravingen mislukten wegens 
de groote diepte der ertslaag en den geringen zamenhang 
van den grond. 

Op eenen togt van daar naar Jeboe werd in zee, tusschen 
Poeloe Mapat en de kust, ongeveer voor den mond van 
Soengie Tenam, zeer goede tinerts op eene diepte van 1 
a 2 voeten gevonden. 

Evenzoo in het terrein van S. Panganak, tusschen S. 
Tenam en S. Manpang, alsmede in Ajer Datoh of Datauw 
(omtrek van B. Panjang). Ook werd hier eenig fijn goud 
en titanium- erts aangetroffen. 

Een dergelijk laagje - met zeer weinig goud komt voor 
aan den oorsprong van Ajer Betong. In het benedenge- 



_ 459 ~ 

deelte van dit riviertje werd in een put geen erts gevonden. 

De putten , gegraven in S. Poengoer en S. Patjing , 
hadden zeer goeden erts opgeleverd. 

Zuid- en Oostei'afdeeling van Borneo. In de maand Sep- 
tember jl. zette de aspirant- ingenieur Kant, met den inge- 
nieur De Gkoot , hot onderzoek naar steenkolen nahij den 
Goenoeng Djabok voort. 

De ingenieur De Gro'OT vertrok echter den 20stea Sep- 
tember naar de Oostkust van Borneo, van waar hij in het 
begin van Oktober te Bandjermassin is teruggekeerd. 

Op dezen togt heeft die ingenieur onderzoekingen gedaan 
naar de geologische zamenstelling van Poeloe Datoe en de 
daartegenover liggende Boekit Timah in de ïanahlaut, 
naar de kolendehnng op de Tandjong Pamantjiugan en Ka- 
moening, noordelijk gedeelte van Poeloe Laut, zoomede 
naar de kolen, die aan de Mahakkan -rivier , in de nabijheid 
van Samarinda, voorkomen. 

(Javasche Courant 10 Xovember 1855 Xo. 00). 

Banha. De aspirant-ingenieur Akkerixga hield zich, 
gedurende de maand Oktober, hoofdzakelijk bezig met een 
onderzoek A^an het terrein van S. Monang, alwaar een paar 
putten is gegraven en een weg is gekapt tot vervoer van 
de ijzeren schaft naar den grooten weg. 

De tinerts, verkregen uitliet bovengedeelte van S. Poen- 
goer (Ajer Katisemon) , was door dien aspirant- ingenieur 
goud houdende bevonden. 

Batjan. De ingenieur der Sde klasse Sghreuder hield 
zich, gedurende de maand Augustus, bezig met het opme- 
ten der rivieren Ajer Mambia, Ajer Dammer en Amassing. 
Yoor zoover die ingenieur de twee eerstgenoemde rivie- 
ren , die in eene noordoostelijke rigting loopen , had kunnen 
opmeten, vertoonde zich geene verandering in de formatie al- 
daar; hij had de grens der formatie, waarin kolen kunnen 
voorkomen , niet kunnen bereiken ; het verder doordringen 
langs die rivieren werd door het afwisselende weder belet. 



— 460 — 

Volgens berigt , hadden de chincsche bannelingen de goud- 
houdende gronden boven S. Poean op verschillende plaatsen 
rijk aan goud bevonden; terwijl zij steeds voortgingen met 
het aanleggen van proefmijnen. 

Gedurende den ganschen tijd dat zij aldaar zijn werkzaam 
geweest, hebben zij echter slechts 0,415652 ned. pond 
stofgoud uitgewasschen. 

(Javasche Courant 12 December 1855 No. 99). 

Preamjer-Regentscliappen. De ingenieurs IIuGUENiN en 
BoAcni kwamen den 25sten November van Buitenzorg bij 
de Tjiletoekbaai, zuid van de Preanger Regentschappen, 
en besteedden het overige gedeelte dier maand met het doen 
van opmetingen , het bepalen der geognostische gesteldheid 
van het terrein en het verrigten der noodige werkzaam- 
heden , ten einde in de nabijheid van Tjibanting eene plaats 
aan te wijzen, die het gunstigste geacht kan worden om 
door latere boringen steenkoollagen op te sporen. In het 
laatst van December keerden zij van hunne kommissie te 
Buitenzorg terug 

Banha. De aspirant-ingenieur Akkeringa had gedurende 
de maand November het terrein tusschen Rangi en den 
weg van Telah naar Klabat-laut met den tsjam onderzocht. 

In S. Jompong werd eene plaats gevonden, waar ge- 
noegzaam erts voorhanden scheen te zijn. 

Met de schaft werd beneden de mijn 28 een put ge- 
graven , welke ondanks den hoogen waterstand en de dikke 
laag loopend zand, tot op de kong (17 a 18 rijnl. voet) 
was gelukt. 

Wester-af deeling van Borneo. De aspirant-ingenieur Ever- 
wijn begaf zich den 7tlcn Julij 1855 van Pontianak naar 
Kandawangan tot het doen van onderzoekingen , en kwam 
den 30sten November jl. te Pontianak terug. 

Den 18dcn Augustus bij de kampong Sekakat aangekomen, 
begon hij van daar uit eene voetreis naar het gebergte Ma- 
laijoe en verder naar Aboet. Op de meeste plaatsen werd 



— 401 — 

in die landstreek tinerts gevonden , steeds met eene geringe 
hoeveelheid goud vermengd. 

Bij de dajahsche kampong Sarantiong en langs de rivier 
Pesagoean werden onderzoekingen bewerkstelliiïd. 

In de nabijheid van het gebergte Malaijoe , benoorden 
de rivier Pesagoean , bestond waarschijnlijlv gelegenheid tot 
het openen van tinstroomwerken (mijnen). 

Onderweg naar Kandawangan Averd de kust opgenomen; 
in het gebergte Pagar Antimon , zoomede bij Soengi Bakkon, 
werd geen tinerts gevonden ; bij S. Bakkon werd , volgens 
overlevering, vroeger door Chinezen tin uitgesmolten. In 
de kampong Lanjot werd, zonder gevolg, een onderzoek 
naar tinerts gedaan. 

Van uit de kampong Bentawan werd door verschillende 
kampongs tot aan Marouw een onderzoek naar tinerts ge- 
daan ; ofschoon op de meeste plaatsen erts werd gevonden , 
werden evenwel geene voor ontginning geschikte punten 
aangetroffen. 

In de nabijheid der kampong Marouw werd mede een 
onderzoek gedaan , bij de kampong Branjan en op eenige 
andere plaatsen werden sporen van tinerts gevonden. 
Zuid- en O oster-af deeling van Borneo. De aspirant-inge- 
nieur Rant zette gedurende de laatste helft der maand 
Oktober de werkzaamheden aan den Goenoeng Djabok voort 
en begaf zich daarna naar de mijn Oranje-Nassau , om al- 
daar gedurende de westmoesson te verblijven. 

Batjan De voorman Dieudonné had gedurende de 
maand Oktober een pad doen kappen van uit Ajer Mam- 
bia over den Boekit Tepoek, in de rigting van het noor- 
den , waardoor hij , na over een moeijelijk en bergach- 
tig terrein te zijn gegaan , in de vlakte nabij Loid was 
gekomen , alwaar hij den weg , vroeger door den sulthan van 
Batjan gevolgd, had gevonden. 

(Javasche Courant 12 Januarij 1856 No. 4). 

Banka. De ingenieur der 3de klasse Akkering A had ge- 



— 4G2 — 

durende de eerste helft der maand December 1855 eenige 
opmetingen van mijnen verrigt, en zijn werkvolk eenen 
weg aangelegd van den grooten weg en S. Jompong tot 
naar S. Jeboe en S. Tenam , en daar een verloopig on- 
derzoek met den tsjam verrigt. 

(Javasche Courant 6 Februarij 1856 No. 11. 



Warme bron in het distrikt Sacljira residentie Bantam. 

AVij zijn in de gelegenheid gesteld mede te deelen dat 
in het distrikt Sadjirah, afdeeling Lebak (Bantam), op 8 
palen afstands van het distrikt Jassinga, afdeeling Buiten- 
zorg, eene warme bron bekend is geworden, waarvan het 
water met veel baat in verschillende ziekten gebezigd is en 
nog voortdurend door de inlandsche bevolking gebruikt 
wordt. 

Dezer dagen is de bron plaatselijk onderzocht door Dr. 
P. SwART, officier van gezondheid te Buitenzorg. Naar 
gissing ligt zij ongeveer 1200 voeten boven de zee. Zij is 
geheel door bosch omgeven. 

In de nabijheid geeft de reuk naar zwavel reeds haar 
aanwezen te kennen. 

Het water komt met kracht te voorschijn tusschen twee 
door de uitwerking van het zich ontwikkelende zwavelig 
zuur ontlede trachietsteenen , en heeft bij den oorsprong 
der bron eene temperatuur van 54° C. , bij eene luchtwarmte 
van 26° C. , die aan de lucht tot 51*^ C. daalt; het reageer- 
de zwak zuur en smaakte niet onaangenaam. 

Het water wordt nader scheikundig onderzocht. 

Door den heer Motman is aldaar ten gerieve van zieke 
inlanders een bamboezen huisje geplaatst, alwaar genoemde 
officier van gezondheid twaalf menschen vond, die sedert 
een paar dagen het water zoo in- als uitwendig gebruikten. 



— 4G3 — 

Bij één lijder, die aan framboesifi (pattoh) in hevigen 
graad leed en reeds zes dagen de baden aldaar gebruikt 
had , was de o-unstio'e uitwerkin<; van die kuur niet te 
miskennen. 

(Javasche Courant 17 November 1855 No. 92). 



Het icater van Slminoeng. 

In de bestuursvero-aderino- der Natuurkundio-e Vereenio-ino- 
gehouden den 9n Mei 1855, ben ik uitgenoodigd een schei- 
kundig onderzoek in het werk te stellen van het water van 
Siminoeng , door den voormaligen resident van Palembang , 
den kolonel C. A. De Bkauw bij missive van 4 April 1855 
der Vereeniging aangeboden. Ten opzigte van het water 
Avordt daarin het volgende vermeld : 

,, Aan den voet van den berg Seminoeng, ter plaatse 
„ waar die door het water van het meer (Ranau) bespoeld 
,. wordt , werden nog eenige warme bronnen door ons ont- 
„ dekt , waarvan het water , op de plaats waar het uit do rots 
„ontsprong, eene hitte van 125° Fahr. aanwees. Het wa- 
„ ter had een' ijzerachtigen smaak." 

Het water is volkomen helder en kleurloos , en riekt 
naar zwavelwaterstofgas ; de smaak is zeer flaauw als van 
regenwater. Het soort, gewigt, bij 28°5 C. ;=3 1,0004. De 
som der vasle bestanddeelen van 1000 grammen wateril 
0,618 gram. De reaktie is zwak alkalisch. 

Behalve zwavelwaterstofgas en gebonden koolzuur, zijn 
in het water voorhanden. 

1. Kieselzuur (veel). 

2. Chloor („) 

3. Zwavelzuur (sporen) 

4. Potassium („) 

5. Sodium. 

6. Magnesia. 



— 464 — 

7. Kalk. 
Tot de volgende verbindingen vereenigd : 
Acidum silicicum (kieselzuur). 
Cliloorsodium (keukenzout) 
Chloormagnesium. 
Cliloorcalcium. 
Chloorpotassium. 
Sulplias calcis (gips). 
Carbonas sodae. 

Batavia, Maart 185G. J. J. AltHeer. 



ZolUngeria een nieuw geslacht der Artemisieae , door 

C. II. SCHULTZ (1). 

Van den direkteur van het seminarium te Küsnach, den 
heer H. Zollinger , die zich wegens zijne plantenverzame- 
lingen op Java de grootste verdiensten verworven heeft, heb 
ik prachtige Cassiniaceae van Java en Japan bekomen. 

Onder de vele nieuwe en nog niet beschrevene planten heb 
ik er ecne gevonden , die tot mijne Artemisieae behoort en 
een geheel nieuw geslacht vormt, dat ik ter eerc van mij- 
nen vriend Zollinrjeria noem. 

Mijne Artemisieae heb ik beschreven in Webb en Ber- 
thelot's, Hist. naturelle des Isles Canaries Tom. III. Part. 
2Sect. 2pag. 298, vervolgens in mijne Tanaceteae p. 10 en 
„ appendice antherarum apicali lanceolato-subulata" van de Co- 
tuleae, Anthemideae en Tanaceteae onderscheiden. In mijne 
Tanaceteae, p. 11 heb ik de meening uitgesproken , dat het 
geslacht Artemisia geheel op zich zelf staat, wanneer na- 



(1) Overgenomen uit de "Flora van 1854 No. 11. 



— 465 — 

melijk niet liet mij onbekende geslacht CrossostejiJdum Less. 
daartoe moet gerekend worden. 

Mijne Zollingeria heeft eenen zeer eigenaardigen vorm 
en nadert slechts tot eenige efifenbladige Artemisieae uit de 
afdeeling Ahi^otanum , namelijk tot de noord-amerikaansche 
Artemisia Ludoviciana Xutt. Torr, Gray, maar nog meer 
tot de nieuwe Artemisia Zollingeriana Schultz , nov, 
spec. , die mij door den heer Zollixger als van Japan afkom- 
stig onder No. 244 is toegezonden , en tot kenmerken hee^ 

Pubescenti-tomentosa, ramis virgatis gracilibus paniculato- 
raccmosis , foliatis , foliis oblongo-lanccolatis integerrimis , 
penniner^niis , breve petiolatis , acutis, infra cano-tomentosis , ra- 
cemulis in axillis foliorum superiorum oricntibus , inforioribus 
cernuis folio brevioribus, superioribus erectis folio longiori- 
bus , capitulis ovato-turbinatis , floribus hermaphroditis glan- 
duliferis. Mijne Artejnisia Zollingeriana schijnt het meest to 
naderen tot A. Doicglasianaljess. ïorr. Gray Fl. ofNorth. 
Amer. II, 420 n°. 18 hoewel hier „ flores glabri" worden 
aangetroffen. 

Zollingeria C. H. Schultz. 

Capitulum parvum | — li- lin. diametro metiens , hemi- 
sphaerico-rotundatum , multiflorum , heterogamum , subcra- 
diatum. 

Involucrum glabrescens, floribus brevius imbricatum, 
foliolis ovato-oblongis , carinatis , inferioribus acutiusculis , 
superioribus obtusis , ciliatis , non vero scariosis. 

Keceptaculum parvum, convexum , alveolatum , alveolis 
dentatis. 

Flores numerosi, flavi, subaequilongi, glandulis sessilibus 
muniti , p e r i p h e r i c i foeminei pluriseriales tenues , lingulati , 
stylo incluso, disci hermaphroditi, ovato-globosi , 5-dentati,' 
dcntibus oblongo-ovatis, obtusis; antherae glabrae oblongo- 
ovatae , filamentis brevibus suffultae , basi utrinque breve 
bisetae , appendice apicali lineari-subulata coronatae; styli 



— 4^e6 — 

inclusi raiïii cono brevi lanceolato , basi paulo penicillato , 
superati. 

Acliaenia ovata, breve et robuste rostrata et hinc urceo- 
lata; pappus 2 — 3-setus , setis simplicibus, tenuibus, acliaenio 
longioribus caducis. 

Fruticulus japonicus scandens , ramis elongatis , virgatis , 
foliatis. Ra mi describendi 20 pollices longi, inferne 4 lin. 
diametro metientes, parte superiore inter folia flexi, teretes, 
tenuiter striati , dilute brunneo-virentes, brevissime pubentes; 
1 i g n u m albens medulla albissima farctum. Folia linea spirali 
disposita , sat conferta, 3 — 10 lin. distantia ,3 — li poll. longa , 
7 — 3i lin. lata, superne decrescentia et superiora adhuc 
minora , lanceolata , utrinque acuminata et hinc quasi breve 
petiolata , prima fronte integra , sed revera minute serrulata, 
penninervia et quandoque subtriplinervia , supra viridia et 
pilis brevissimis, albentibus, adpressis parce munita, inferne 
pallida et punctis resinosis flavis decorata. Inflorescentia 
racemosa ; in axilla cujusvis folii nempe racemus oritur sim- 
plex cernuus, folio duplo- quadr uplo ve broA'ior, pariter folia- 
tus , foliis 4—1 lin. longis , lanceolato-oblongo - linearibus , 
in quorum axilla capitulum oritur sessile. Racemuli infe- 
riores capitula habent 4 — 6 , superiora 2 — 3 , e quibus in- 
feriora saepius abortientia. 

Spec. 1. Zollmgeria scandens C. H. Schultz. Japonia: 
Zollinger! n. 240 nomine falso Erigerontis scandentis 
Thunb. 

. Obs. 1. Erigeron scandens Thunb. Japon. p. 313 planta 
est plane diversa ad Mutisiaceas spectans im Leucomeris scan- 
dens C. IL Schultz Bip. Ms. 

Obs. II. Genus Zollingeria praccipue differt achaeniis ab 
Artemisia , cujus achaenia sunt calva , obovata, compressius- 
cula vel subturbinata. Cf. insuper charact. Artemisiae in 
Webb et Bertu. Hist. Nat. isl. Canar. 1. c. datum. 



— 4G7 - 

Carcharias Prionodon amblyrhynchos, eene nieuwe haalsoort, 
gevangen nabij het eiland Solomho. 

Tijdens mijne reis naar de Molukken werd aan boord 
van liet stoomschip Ambon in de nabijheid der Solombo- 
eilanden de hieronder beschrevene haaisoort gevangen , welke 
ik tot geene der bekende kan terugbrengen. Het voorwerp 
is een wijfje en woog 24 kilogrammen. 

Carcharias [Prionodon) amldijrhjjnchos Blkr. 

Carch. (Prion.) corpore elongato compresso, altitudine 7,^^ cir- 
citer in ejus lougitudine; capite 5 circiter in longitudine cor- 
porls, duplo circiter latiore quam alto; oculis diametro 3} cir- 
citer in longitudine rostri, pupilla oblonga verticali; rostro acute 
parte praeorali rictus longitudine paulo, rictus latitudine multo 
breviore; linea rostri anteriore subparabolica ; naribus rostri api- 
ci multo magis quam angulo oris approximatis , valvula trigona 
brevi ; rictu valde lato multo latiore quam longo ; dentibus maxilla 
superiore triangularibus parum obliquis totis denticulatis basi 
latis basi externe processu denticulis majoribus serrato ; dentibus 
maxilla inferiore gracilibus rectis denticulatis basi latis; angulo 
oris sulco parvo labio inferiore quam labio superiore paulo lon- 
giore ; poris supra angulum oris pluribus valde conspicuis in seriem 
longitudinalem dispositis ; poris postocularibus ansam latam , in- 
terocularibus annulum efficientibus ; spiraculo postico supra pinnam 
pectoralem sito; squamis minimis quinque- ad septem-carinatis; 
linea laterali conspicua simplice; pinnis dorsalibus analique eandem 
formam referentibus , dorsalibus aeque altis ac basi lougis valde 
emarginatis postice acutissimis ; dorsali l"* pectoralibus multo magis 
quam ventralibus approximata, corpore multo minus duplo humi- 
liore , multo altiore quam basi longa , apice acute rotundata; dorsali 
2* quintuplo circiter ejus longitudinis a dorsali 1* remota, dorsali 
la tóplo circiter bumiliore et breviore, lougiore quam alta, anali 
tota opposita apice rotundata acutiuscula; pectoralibus capite vix 
longioribus 5| circiter in longitudine corporis paulo minus duplo 
longioribus quam latis, emarginatis, acutis; ventralibus oblique 
quadratis emarginatis pectoralibus plus quadruplo brevioribus, 



— 468 — 

anali medio basin caudalls inter et vcntrales sita , dorsali 2a niulto 
all lore sed vix latiore , apice acuta ; caudali 4 fere in longitudine 
corporis, lobo posteriore oblique subtruncato acuto lobo anteriore 
plus triplo breviore, lobo anteriore 5jL circlter in longitudine 
corporis valde emarginato antice acuto longitudine basi minus 
duplo bumiliore; colore corpore superne pinnisque cupreo-coeru- 
lescente, inferne albo ; iride grisea pupillam versus griseo-argentea; 
pectoralibus inferne albis apice nigricantibus ; ventralibus cauda- 
lique nigricante marginatis. 

Synon. Ikan Tjiitjot Mal. 

Habit. Mare javanicum, prope insulas Solombo. 

Longitudo speciminis unici fuminini 1540.'" 

Aanm. De soort is na verwant aan Carcharias (Pjnonodon) 
brachyrhynchos Blkr [Carcharias [Prionodon) Henlei Blkr 
olim nee. Yalenc.) docli verschilt er van door slanker ligcliaam, 
veel platteren , broederen en tevens betrekkelijk langeren 
kop , slankere en minder gezaagde onderkaakstanden , door- 
dien de rugvin er aanmerkelijk hooger is dan lang, de 
2tle rugvin en aarsvin geliecl tegen elkander overstaan , door 
langere borstvinnen (welke l)ij Carcharias [Prionodon) bra- 
chyrhynchos 6| maal gaan in de lengte des ligchaams), 
door de plaatsing der aarsvin in het midden tusschen buik- 
%^nnen en staartvin , door kortere staartvin , enz. Carcharias 
[Prionodon) brachyrhynchos heb ik vroeger onder den naam van 
Carcharias [Prionodon) Henlei Blkr beschreven. Ik had 
toen over het hoofd gezien, dat die naam reeds aan eene 
andere soort van Carcharias , van Caijenne , gegeven was , 
zoodat hij voor mijne soort niet behouden kan blijven. 

Batacia, 12 November 1855. 

P. Bleekeu. 



— 1G9 — 

Visschen van Saparoea. 

ïijdens mijn kort verblijf te Saparoea in Oktober 1855 
nam ik de hieronder 'genoemde vischsoorten waar. Het 
zijn de eerste visschen, welke in de wetenschap als bewo- 
ners der kust van Saparoea worden bekend gemaakt. Ove- 
rigens is geen der soorten nieuw voor de wetenschap en 
slechts een , Julis (Halichoeres) leparensis Blkr , nieuw voor 
de kennis der Molukschen Avateren. Achter de sijstema- 
tische namen heb ik de inlandsche namen gevoegd, onder 
welke de soorten den visschers van Saparoea bekend zijn. 

1 Polijnemus kuru Blkr Mocloet tikoes. 

2 Upeneoides vittatus Blkr. =: Upeneoides bivittatus 

Blkr • Salmonetti. 

3 Gerres macrosoma Blkr , • • • Kcqms kajyas. 

4 !> poetie CV Kapns kcqjccs. 

5 Trachinotus Baillonii CV' Bohara. 

6 Chorinemus Sancti Petri CV Parawjjxirang. 

7 Selar boöps Blkr Palala. 

8 )) torvus Bllir Palala. 

9 Carangoides ophthalmotaeuia Blkr, Bohara. 

10 Atherina duodecimalis CV. . . ; Kaloena. 

11 Perioplithalmüs argentilineatii.'? CV., Tiori. 

12 Julis (Halichoeres) leparensis Blkr Kees. 

13 Albula banauus CV Boeloes boeloes. 

14 Clupeoides macassariensis Blkr., Goesan. 

15 Harengula melanurus Blkr Oormetting. 

16 ') moluccensis Blkr Makhi. 

17 Engraulis encrasicholoides Blkr, Loervjrah. 

18 Rhombus pantherinus Rüpp Tampar. 

Batavia 13 November JiDOCCr.v. . P. Bleeker. 



31 



— 470 ~ 
Personaliën. 

Benoemd tot Yicepresident der Yereeniging liet Besturend lid de 
heer P. Baeox Meltil vax Carxbee. 

Benoemd tot buitenlundscli lid van liet Koninklijk Botanisch 
Genootschap te Regensburg, de President der Vereeniging de 
heer P. Bleeker. 

Benoemd tot Komman deur der Orde van de Eikenkroon het Lid 
der Yereeniging de heer J. K. Hasskarl. 

Verleend de titel van adsistent resident aan het Lid der Yereeni- 
ging den heer J. K. Hasskarl 

Bevorderd tot officier van gezondheid der 1^ klasse het Lid der 
Yereeniging de heer J. G-. X. Broekmeijer. 

Overleden het Lid der Yereeniging de heer S. Bekxet, hoofdin- 
genieur Van het stoomwezen in Nederlandsch Indië. 

Overleden het Lid der Yereeniging de heer F. D. J. Yax der 
Paxt. 

Overleden het Lid der Yereeniging de heer C. M. Yisser, oud 
gouverneur der Moluksche eilanden. 

Gesneuveld het Lid der Yereeniging de heer H. Schwexk, ma- 
joor der infanterie. 

Aangekomen uit Europa het Korresponderend lid der Yereeniging 
de heer H. Zollin'Ger. 

Yan Buitenzorg naar Sumatra's westkust vertrokken tot het doen 
van botanische nasporingen het Lid Korrespondent der Yer- 
eeniging de heer J. E. Teijs:maxx. 

Aangekomen uit Nederland het Kon-espon derend lid der Yeree- 
niging de heer F. Juxghchx. 

Benoemd tot geograijhisch ingenieur voor Nederlandsch Indië, 
het besturend Lid der Yereeniging , de heer G. A. De Laxge. 

Toegevoegd aan den geografischen ingenieur het Lid de heer J. J. 
Yax Limburg Broitvn'er, ambtenaar ter beschikking van den 
direkteur der kultures. 

Afgetreden als Sekretaris der Yereeniging het Besturend lid der 
Yereeniging, de heer G. A. De Laxge. 

Benoemd tot Sekretaris der Yereeniging het Besturend lid der 
Yereenioinof de heer J. J. Altheer. 



1 



— 471 — 

Verlof verleend naar Nederland tot herstel van gezondheid, aan 
het Lid der Vereeniging den heei'* G. Wassi.vk , chef der ge- 
neeskundige dienst in Nederlandseh Indië. 

Benoemd tot chef der geneeskundige dienst iu Nederlandseh Indië 
(Kolonel), het Lid der Vereeniging de heer C. W. E. Voigt, 
dirigerend officier van gezondheid der Ie klasse, te Batavia. 

Overgeplaatst van Padang naar Batavia, het Lid der Vereeniging 
de heer M. Th. Reiche, officier van gezondheid der Ie klasse. 

Aangesteld tot ambtenaar, bestemd tot natuurkundige nasporin- 
gen en tot adviseur omtrent alles Avat tot het gebied der 
natuurkunde kan geacht worden te behooren, en zulks met 
den titel van Inspekteur, het Korrespoiiclerend Lid der 
Vereeniging, de heer F. Jü.vghuhn'. 



INDEX 

SPECIERUM PI8CIUM IN VOLUMINIBUS I AD X DIA- 

Ril SOCIETATIS SCIENTIARUM INDO-BATAVAE 

DESCRÏPTARUM. 



1. Psammopcica wnigiensis Blkr ::5 Labrnx waigiensis CV., II p. 479. 

2. Apogon amboinensis Blkr, V p. 029. 

3. " baiidanensis 131kr, VI p. 95. 

4. " Cautoris Blkr, II p. 479. 

5. " ceramensis Blkr, III p. 3üfi. 

G. " chrijsoponuis Blkr, VII p. 2o9. 

7. " chrijsot^enia Blkr, II p. IGS. 

8. I' cijanosoma Blkr, V p. 71. 

9. " cijanotaenia Blkr, V p. 71. 

10. " endekatacnia Blkr, III p. 449. 

11. " frenatus Valenc. ;=; Apogon vittigcr Benu. (sub iiom. .\p. iiiL'lniiürliijn- 

[chos Blkr, lil p. 255. 

12. " Godiui Blkr, V p. 49G. 

13. " Hartzfeldii Blkr, IlI p. 254, VI p. 4S2. 

14. " hijalosoma Blkr, V p. 339. 

15. " hijpselonotus Blkr, VIII p. 309. 

16. " Hoevenii Blkr, VI P. 482. 

17. « kallosoma Blkr, III p. 448. 

18. " koilomatodou Blkr, IV p. 131. 

19. „ macropterus Blkr, K. v. H., II p. IGS. 

20. " macropteroïdes Blkr, III p. 724. 

21. " margaritophorns Hlkr, VII p. 3G3 

22. " modestus Blkr, Vil p. 315. 

23. /' moluccensis Valenc. :=; Apogon chrijsosoina Blkr, III p. 256. 

24. " novemfasciatus CV., III p. 113. 

25. " orbicularis K. v. H. , III p..254. 
2C. " Novae Guineae Valenc. , VII p. 316. 

27. " rhodopterus Blkr, III p. C2. 

28. " roseipinnis CV. III p. 253. 

29. " timorensis Blkr, VI.p. 207. 

30. .> truucatus Blkr, VII p. 415. 



— 473 — 

31. ApogonichÜiijsamblijuroptcrusBlkr, =; Apogou aniblijnroptcnis Blkr, IIIp.GOS. 

32. " gi-acilis Bllcr, X p. 3^1. 

33. " pcrdix Blkr, VI p. 321. 

34,. „ jjülijstigma Blkr — Apogon puiictubüis Bikr (iic3c lyiipp.), UI 

p. G9G, VI p. 4S4. 

35. C;lieilo{liptcrns quinquclineatus CV., II [ p. 253. 

30. Aiiibassis apogonoïdes Blkr, III p. 200. 

37. " Latjanensis Blkr, IX p. lOG. 

38. . iuterrupta Blkr, III p. G'JG. 
30. " uiacracantlms Blkr, IV p. 455. 

40. " iialua CV., IV p. 453. 

41. " urotaenia Blkr, III p. 257. 

42. " AVüllüi Blkr, I p. 9. 

43. Diploprion bifasciatum K. v. II., VI p. 20S. 

44. Gramraistes orieiitalis BI. Scliu., IV p. 105. 

45. Serranus amboinensis Blkr, III p. 258. 

46. " alboguttatus CV.? IV p. 245. 

47. " aurantius CV., III p. 571. 
4S. " buntoïJes Blkr, VIII p. 405. 

49. " celebicus Blkr, II p. 217. 

50. " Gaimardi CV.? IV p. 455. 

51. - Goldmauni Blkr, IX p. 434. 

52. " hc.\agonatus CV., VI p. 191. 

53. " Hoedtii Blkr, VIII p. 406. 

54. '/ KuuharJtii Blkr, II p. 1C9. 

55. " iiiacrospilos Blkr, IX p. 409. 
5G. " microprion Blkr, III p. 552. 

57. " mijriaster CV., VI p. 192. 

58. V iiigripiuuis CV.? IX p. 500. 

59. II polijphekadion Blkr, VII p. 417. 

60. " polijstisma Blkr, IV p. 244. 
Gl. " puDctulatus CV., III p. 570. 

62. " rhijncliolepis Blkr, III p. 740. 

63. " Sebae Blkr, VI p. 488. 

64. « spilurus CV., VI p. 322. 

65. -/ urodelus CV., VII p. 38. 

66. „ urophthalmus Blkr, VIII p. 310. 

67 Aiitliias cicblops Blkr =2 Serranus ciclilops Blkr, IV p. 245. 

C8. ricctropoma leopardiniini CV., VII p. 420. 

60. -/ maciilatum CV., VII p. 418. ' 

70. . o'igacaülhus Blkr, VII p. 423. 



_ 474 — 

71. Mesoprion ambüineiisis Blkr, III p. 259 — ^ïesoprion melanospilos Blkr, 

IlI p. 750. • 

72. » bottonensis Blkr, II p, 170 — ^lesoprknjantliinunis Blkr, VI p. 52. 

73. '/ clirijsotaenia Blkr, II p. 170. 

74. I' coeruleopunctatiis Cikr , II p. 1G9. 

75. " (lodecacantlins blkr, lY p. 104. 

76. " dodecacanthoïdes Blkr, YI p. 4S9. 

77. " fuscescens CY. IX p. W7. 

78. " gembra CY., IV p. 246=^-:Mesoprion immaculatus Dlkr, ol. (uec CV.) 

79. " jantbinuropterus Blkr, III p. 751. 

80. ■> macolor Blkr, JIl p. 752. 

81. " malabaricus CY.? Y p. 497. 

82. " • marginatus Blkr, III p. 554. 

83. •• microchir Blkr, V, p. 332. 

84. " pomacantbus Blkr, VIII p. 407. au Mes. octolineatus Blkr, jun.? 

85. " pristipomoides Blkr ::^ Pristipomoides tijpus Blkr, III p. 574. 
80. " quadriguttatus Blkr, II p. 233. 

S7. " Eemicinctus CY. , V. p. 331. 

88. Mijriodon scorpaenoïdens Bris. Barnev., II p. 480. 

89. Cirrhites pantberinus CV., II p. 232. 

90. Cirrbiticbtbijs grapbidopterus Blkr— Cirrbites grapbidopterus Blkr, IV p. 106. 

91. " oxijcepbalus Blkr :=; Cirrbites oxijcepbalus Blkr, YIII p. 408. 

92. Dules raaculatus CV. , V p. 333. 

93. " marginatus CV., III p. 573. 

94. " rupestris CV., YI p. 209. 

95. Tbernpon Cuvieri Blkr, YI p. 211. 

96. Helütes polytaenia Blkr, YI p. 53. 

97. " sexlineatus CV., H p. 171. 

98. Datnia argentea CV. jim. :=: üatnia cancellatoïdes Blkr, IV p. 247. 

99. „ cancellata CV., VIII p. 438. 

100. Datnioides microlepis Blkr, V p. 442. 

101. u polota Blkr V p. 441 ;= Lobotes bexazona Blkr I p. 9. 

102. Priacantbus Blocbii Blkr, IV p. 456= Priac. japon. CY? Blki- (nee CV.), II p. 174. 

103. » carolinus CV., II p. 235. 

104. u Scbmittii Blkr, III p. 572. 

105. Mvripristis adustus Blkr, IV p. lOS. 

106. - micropbtbalmus Blkr, III p. 261. 

107. » murdjan Eüpp., IV p. 109. 

108. ^ parvidens CV.? II p. 234. 

109. . /. pralinius CV., H p. 234. 

110. u violaceus Blkr, II p. 234. 

111. Holocentrum cornutum Blkr, V p. 240. 



•475 



112. Holocentrum dimlcraa CV., Til p. 259. 

113. . leo CV., Vir p. 355. 

114. « raelanotopterus Blkr, IX p. 302. 

115. " operculare CV., p. 233. 

116. " poeciloptcrus Blkr, VII p. 356. 

117. " puuctatissimum CV., IV p. 24S. 
lis. '/ tiereoidesBlkr, V p. 334. 

119. I' sammara CV., III p. 555. 

120. " viülaceum Blkr, V p. 335. 

121. Ehyncliichthys bracliyrliynchos Blkr, IV p. 107. 

122. Percis cancellr.ta CV., IX p. 501. 

123. » cauJimaculata Riijip., V p. 163. 

124. " cylindrica CV., II p. 235. 

125. « tetracantlins Blkr, IV p. 45S. 

126. Polyriemns dubiiis Blkr. ^ Polijnemus longifilis Blkr, I p. 26S, III p. 418. 

127. " inJiciis Shavv, Vil p. 427. 

128. " kuru Blkr, IV p. 600. 

129. " macronema Blkr, III p. 419. , 

130. " microstoma Blkr, II p. 217. 

131. '/ multifiüs Schl. :=ï Polynemus polydactylus Blkr, III p. 417. 

132. " Pfeifferi Blkr, IV p. 249. 

133. Sphyraena brachygnathos Blkr, VII p. 36S. 

134. " Commersonii CV., VII p. 425. 

135. " Forsteri CV., VII p. 424. 

136. " jello CV., VII p. 369. 

137. " langsar Blkr, Vil p. 367. 

138. " obtusata CV., VII p. 364. 

139. Upencns barberinus CV., II p. 172. 

140. " barberinoïdcs Blkr, III p. 262. 

141. " Brandcsii Blkr, II p. 236. 

142. " lateriitriga CV., VII p. 212. 

143. " pleiirospilüs Blkr, IV p. 110. 

144. " spilurns Blkr, VI p. 395. 

145. '/ trifasciatus CV., II p. 237. 

146. IMulloïJcs flavolineatns Blkr, p. 697. 

147. " vanicolensis Blkr, IV p. 601. 

148. UpcDeoïJcs nioluccensis Blkr, VIII p. 429. 

149. Trigla BranJesii Blkr, I p. 24. 

150. Prionotus japouicus Blkr, VI p. 398. 

151. Peristedion moluccense Blkr, I p. 24. 

152. Dactylopterus cheiropbthalmus Blkr, VII p. 494. 

153. ; japonicns Blkr, VI p. 396. 



_ 47G — 

151. Daelyloptci'us macracnntluis Blkr, VII p. 449. 

153. „ oricntalis CV., III p. 2G4. 

15C. Platycephalus bataviensis Blkr, IV p. 4C0. 

157. " bobossok" Blkr, IV p. 4G1. 

158. " celcbicus Blkr, VII p. 450. 

159. " isacaiithus CV., II p. 4S1 , III p. 03. 
IGO. : macrolepis Blkr, VI p. 399. 

161. " inalayanus Blkr, V p. 498. 

1G2. " polyoJon Blkr, IV p. 4G2. 

1G3. " punctatus CV., I p. 23. 

1C4. Pterois antennata CV., V p. 72. 

1G5. " brachyptcrus CV., III p. 205. 

ICG. " Icodjpungi Blkr, III p. 450. 

1G7. " zebra CV., III p. 205. 

168. Scorpaena aplodactylos Blkr, III p. 098. • 

109. " bandanensis Blkr, II p. 237. 

170. " diabolus CV., III p. 206. 

171. " polylepis Blku, II p. 173. 

172. Gnatbanacantbus Goetzeei Blkr, VII p. 126. 

173. Araphiprionichthys apistus Blkr, VIII p. 173. 

174. Taenianotus triacanthus Lac, VIII p. 411. 

175. Aploactis dermacaDÜins Blkr ;=; Apistus dcrmacaiithus Blkr III p. 208 

176. " trachyceplialus Blkr, VII p. 451. 

177. Apistus alatus CV.. Il p. 174. 

178. ' amblycepbahis Blkr, I p. 27. 

179. " arablycepbaloïdes Blkr, IV p. 250. 

180. " barbatus CV. ;::; Apistus Jiiclas Blkr, I p. 26. 

181. " cottoïdes CV., IV p. 459. 

182. " depressifrons Kichds. (sub notn. Apist. biuotopterus Blkr), I p. 20 

183. " fusco.virens QG.., III p. 269. 

184. " hypsclopterus Blkr, II p. 238. 

185. " leucogaster Eichds , IV p. 111. 

186. " macracanthus Blkr, III p. 207. 

187. " plagioraetopon Blkr, IIT p- 753. 

188. " taenianotus CV., III p. 753. 

189. jNüuous woora CV., IV p. 251. 

190. Pelor Cuvieri Gray, IV p. 252. 

191. " übscurum CV. V p. 241. 

192. Synanccia asteroblepa lÜchds. , III p. 419 

193. Otülitbus argenteus K. v. IL ^ Otolitliu.s lateoidcs Blkr, I p. 98. 

194. " borneënsis Blkr, I p. 208. 
193. ■' macroplithalinus BHrr, I p. 99. 



— 477 — 

196. Otolithiis microdon Blkr, I p. 99. 

197. " Yogleri Blkr, IV p. 253. 

198. Corvina celebica Blkr, VII p. 244. 

199. " Goldmanni Blkr, VII p. 371. 

200. " hypostoraa Blkr, V p. 499. 

201. " jubata Blkr, VIII p. 160. 

202. " plagiostoma Blkr, I p. 100. 

203. " polykladiskos Blkr, III p. 420. 

204. " sampitensis Blkr, III p. 421. 

205. " trachycepbalus Blkr, I p. 2G9, II p. 200. 

206. " Wolffii Blkr, II p. GG. 

207. Umbrina amblyceplialus Blkr, VIII p. 412. 

208. -/ macropterus Blkr, IV p. 254. 

209. Pristipoma therapon Blkr, I p. 100. 

210. Diagramma chrysotaenia Blkr, IX p. 303. 

211. .' Goldmanni Blkr, IV p. 602. 
212. . " liaematochir Blkr, VI p. 175. 

213. n Lcssonii CV., IV p. 4G3. 

214. " .lineatum CV., IV p. 112. 

215. " polytaenia Blkr, III p. 755. 

216. " polytaenioides Blkr, VI p. 376. 

217. " radja Blkr, V p. 33G. 

218. Scolopsides Icucotaenia Blkr, III p. 451. 

219. . leucotaenioides Blkr, VIII p. 439. 

220. ^ lineatus QG., V p. 73. 

221. >' personatus CV., III p. 575. 

222. Heterognathodon Helmuthii Blkr, V p. 75. 

223. " macrurus Blkr, p. 101. 

224. " microdon Blkr, IV p. 464. 

225. » nemurus Blkr, III p. 754. 

226. " xaathoplcura Blkr, I p. 101. 

227. Pentapus setosus CV., II p. 175. 

228. " aureolineatus CV., VI p. 55. 

229. Malacanthus taeaiatus CV., II p. 218 

230. Girella sarissopliorus Cant. III p. 64. 

231. Chrysophrys Schlegelii Blkr, VI p. 400. 

232. Pagrus heterodon Blkr, VI p. 54. 

233. " longifilis CV., III p. 756. 

234. Uentex Blocliii Blkr, II p. 176. 

235. " celebicus Blkr, VII p. 245. 

236. " griseus T. ScH. VII p. 80 ^ Lobotes microprion Blkr, II p. 175. tz 

[Dentex letbrinoides Blkr, I p. 102. 

237. " hypselosoma Blkr, VI p. 402. 

238. . nip^oprion Blkr, IV p. 255. 

X. S2 



— 478 — 

239. Dentex microdon Blkr, II p. 219. 

240. " mulloides Blkr, lil p. 576. 

241. " nematophorus Blkr, V p. 500. 

242. n iiematopus Blkr, II p. 219. 

243. -• Ovenii Blkr, VII p. 246. 

244. " tambuloïdes Blkr, IV p. 465. 

245. " upeneoïdes Blkr, 111 p. 725. 

246. Lelhrinns amboineBsis Blkr, VI p. 490. 

247. " cocosensis Blkr, Vil p. 40. 
24S. » latifrons Rüpp. Il p. 220. 

249. // Moensü Blkr, IX p. 435. 

250. « nematacaDthiis Blkr, TI p. 403. 

251. " ornatus CV. :=; Lethrimis xanthotaenia Blkr, II p. 176. 

252. " reticulatus CV., VI p. 96. 

253. " rhodopterus Blkr, III p. 95. 

254. Caesio gyranopterus Blkr, X p. 372. 

255. " lunaris Ehr., II p. 177. 

256. " pinjalo Blkr, I p. 103. 

257. " pisang Blkr, IV p. 113. i 

258. « xanthonotus Blkr, IV p. 466. 

259. Emnielichthys leucogrammicns Blkr, I p. 103. 

260. Gerres abbreviatus Blkr, I p. 103. 

261. " acinaces Blkr, VI p. 194. 

262. » japonicus Blkr, VI p. 404. 

263. * kapas Blkr, II p. 482. 

264. " macracantbus Blkr, VI p. 195. 

265. " macrosoma Blkr, VI p. 56. 

266. Pentaprion gerreoides Blkr, I p. 105. 

267. Chaetodon auriga Forsk., V p. 164. 

268. « baronessa CV., II p. 239. 

269. « Bennetti CR., IV p. 467. 

270. « citrinellus Brouss., V p. 50. 

271. " dorsalis Rwdt, Il p. 240. 

272. " epbippium CV., V p. 337, VI p. 325 

273. « falcula BI., VIII p. 311. 

274. » lineolatus QG. , VI p. 323. 

275. " lunula CV., VI p. 57. 

276. " nesogallicus CV., II p. 240. 

277. " ocellatus BI., VI p. 213. 

278. " oligacantbns Blkr, I p. 105. 

279. nxyoepbaliis Blkr, IV p. 603 



— 479 — 

28Ü. CliaetoJüu pictus i*Vsk. , II p. 177. 

281. " pimctato-fasciatus CV., II p. 238. 

282. » selene Blkr , V p. 70. 

283. " seineion Blkr, VIII p. 450. 

284. " speculura K. v. H., II p. 242. 

285. " strigangnlus Soland., II p. 239. 

286. " Tallii iilki-, VI p. 97. 

287. " trifascialis QG., VIII p. 313. 

288. // imimaculatus BI., II p. 241. 
2?9. HeniocKus melanistiun Blkr, VI p. 98. 

290. Scatopliagus oruatus CV., VI p. 492. 

291. Holacantbus bicolor BL, V p. 77. 

292. // chrysocephalus Blkr, Vil p. 428. 
298. » dux Lac, UI p. 758. 

294. " imperator CV. , III p. 468. 

295. /' Lamarckii Lac, VI p. 100. 

296. " lepiJolepis Blkr, IV p. 758. 

297. " leucüpleura Blkr, V p. 79. 

298. -, melanosoma Blkr, V p. 78. 

299. " uavarchus CV., VI p. 99. 

SOO. // nicübarieusis Blkr, VIII p. 413. 

301. -, uox Blkr, V p. 338. 

303. " semicirculatus CV. ;:5 Chaetodou micrülepis Blkr, IV p. 257, VIII 

p. 414. 

303. " striatus Riijjp. VIII p. 414.=! Hulacauthus semicirculatus Blkr, 

(uec CV.), lil p. 453. 

304. " trimaculatus Lac , II p. 242. 

305. " Vrolikü Blkr, V p. 339. 

30G. '/ xanthometojwii Blkr, IV p. 258. 

307. Platax Boersii Blkr, III p. 758. 

308. /- gampret Blkr, I p. 105. 

309. " orbicularis CV., VII p. 81. 

310. „ teira CV. i^ Platax xanthopus Blkr, 1 p. 105. 

311. Pimelepterus altipinnis CV., III p. 727. 

312. -, lembus CV., IV p. 469. 

313. // ternatensis Blkr, IV p. 604. 

314. Pempheris oualensis CV., II p. 242. 

315. „ Scbwenkii Blkr, VIII p. 314. 

316. Anabas macrocepbalus Blkr, VII p. 430. 

317. " oHgolepis Blkr, VlII p. 161. 

318. " variegatus Blkr, II p. 220. 

319. Polyacantbus Einthovenii Blkr, II p. 423. 

320. . Helfrichii Blkr, VIII p. 162. 



— 480 - 

321. Trichopus Leerii Blkr, III p. 577. 
323. " striatus Blkr, I p. IOC. 

323. Betta anabatoides Blkr, I p. 269. 

324. // trifasciata Elkr, I p. 107. 

325. Ophicephalus bankanensis Blkr, III p. 720, V p. 187. 

326. " cyanospilos Blkr, IV p. p. 256. 

327. " marulioides Blkr, II p. 424. 

328. // melanopterus Blkr, IX p. 420. 

329. /' melanosoma Blkr, II p. 424. 

330. " raystax Blkr, V p. 188. 

331. * pleurophthalmus Blkr, IX p. 270. 

332. " polylcpis Blkr, III p. 578. 

333. " rhodotaenia Blkr, II p. 425. 

334. " Stevensü Blkr, V p. 444. 

335. " urophtbalmiis Blkr, 111 p. 578. 

336. Scomber brachysoma Blkr, I p. 356. 

337. " jancsaba Blkr, VI p. 406. 

338. " saba Blkr, VI p. 405. 

339. " tapeinocephalus Blkr, VI p. 407. 

340. Auxis tapeinosoma Blkr, VI p. 409. 

341. '/ ' thynnoides Blkr, VIIl p. 301. 

342. Thynnus tonggol Blkr, 1 p. 356. 

343. Cybium Croockewitii Blkr, 1 p. 161 

344. '/ konam Blkr, I p. 357. 

345. Trichiurus lajor Blkr, VII p. 248. 

346. Decapterus kurra Blkr, I p. 358. 

347. " kurroides Blkr VIII p. 302. 

348. // lajang Blkr, VIII p. 420. 

349. // macrosoma Blkr, I p. 358. 

350. Selar brevis Blkr, I p. 361. 

351. " r.roekmeyeri iMkr, IV p. 398 

352. // Hasseltü Blkr, I p. 359. 

353. n Kuhlii Blkr, I p. 360. 

354. // raacrurus Blkr, I p. 359. 

355. " malam lUkr, I p. 362. 

356. " megalaspis Blkr, V p. 502. 

357. Caranx cynodon Bkr , I p. 302. 

358. " Fürsteri CV., III p. 164. 

359. '/ melampygus CV., VI. p. 58 

360. Carangichthys typus Blkr, III p. 760. 

361. Carangoïdes atropiis Blkr, I p. 366. 



— -iSi — 

'óG'Jf. Caraugüïdes aureoguttatus Blkr , IV p. 470, 

3G3. " chrysophryoides Blkr, I p. 366. 

3G4. " diuema Blkr, I p. 3G3. 

365. " fulvoguttatus Blkr, II p. 178. 

366. '/ gymnostethoides Blkr, I p. 364. 

367. " hemigymnostethiis Blkr, I p. 364. 

368. " ophthalmotaenia Blkr, III p. 270. 

369. " praeustus Blkr, I p. 363. 

370. " talamparoïdes Blkr, III p. 579. 

371. Uraspis carangoïdes Blkr, VllI p. 418. 
373. Leioglossus carangoides Blkr, I p. 367. 

373. Psenes anomalus Jilkr, VI p. 409. 

374. Stromateus niger Blkr, I p. 370. 

375. Stromateüïdes atuukoia Blkr, I p. 369. 

376. " cinereus Blkr, I p. 368. 

377. Seriuia tapeiuometopon Blkr, V p. SU. 

378. Seriülielitliys bipinnulatus Blkr, VI p. l'Jü 

379. Equula biudoides Blkr, I p. 372. 

380. " liligera CV.,*III p. 165. 

381. " gerreoides Blkr, I p. 371. 

382. V gracilis Blkr, VII p. 249. 

383. Gazza equulaefonnis Küpp., IV p. 261. 

384. « minuta Blkr, IV p_. 259. 

385. " tapeinosoma Blkr, IV p. 260. 

386. Mastacembelus erythrotaenia Blkr, I p. lU. 

387. " maculatus CV., III p. 93. 

388. Amphacanthus canaliculatus BI.? IlI p. 580. 

389. * cyanotaenia Blkr, IV p. 606. 

390. " chrysospilos Blkr, III p. 66. 

391. // hexagonatus Blkr, VII p. 41. 
393. " Küpsii Blkr, II p. 483. 

393. '/ labyrinthodes Blkr, IV p. 471. 

394. " marmoratus CV. =q Amph. scaroides Blkr, IV p 36i 

395. // melanospilos Blkr, VII p. 431. 

396. '/ tetrazona Blkr, VIII p. 441. 

397. " vulpinus Schl. Müll., p. 135. 

398. Acaiithurus celebicus Blkr, II p. 162. 

399. " hepatus BI. Schn., VI p. 325. 

400. « hj-pselopterus Blkr, VI p. 327. 

401. " humeralis CV., III p. 762. 
403. " lineatus Lac. , IV p. 263. 
403. " lineolatus CV., VI p. lül. 



— 482 - 

4Ü4. Acauthurus mata CV., Vil p. 432. 

405. // melanurus CV., III p. 271. 

406. " pentazona Blkr, I p. 107. 

407. " Rüppellii Blkr, VIII p. 451. -Ac. velifer Blkr, VII p. 42. 

408. '/ scopas CV., Il p. 348. 

409. '/ strigosus Benn., IV p. 2G4, VI p. 103. 

410. " velifer BI. (nee CV. nee Rüpp. nee Blkr ol.), VIII p. 315. 

411. Naseus amboinensis BIkrpsKeris ambüinensis Blkr, III p. 272. 

412. » angiiiosus Blkr. r= Priodon anginosus CV., VI p. 492. 

413. '/ annuiatus Blkr IX p. 304. =3 Priodon annularis CV., III p. 558. 

414. // brevirostris CV., V p. 165, IX p. 306.= Naseus Hoedtii Blkr, V p. 339 

415. " hexacanthus Blkr. = Priodon hexacanthus Blkr, VIII p. 421. 

416. " lituratus CV., III p. 763. 

417. " tapeiüosoma Blkr p:; Priodon tapeinosonia Blkr, VI p. 494. 

418. ,/ Vlamingii CV. , IV p. 472. 

419. Atlierina Lrachypterus Blkr, II p. 243. 

420. " duüdecinalis CV., II p. 485. 

421. /' lacunosa Porst. , V p. 504. 

422. •> Temminckii Blkr, V p. 506. 

423. '/ Yalenciennei Blkr, V p. 507. 

424. Mugil adustus Blkr, V p. 503 

425. // borneënsis Blkr, II p. 201. 

426. " brachysoma Blkr, IX p. 399. 

427. " ceramensis Blkr, III p. 699. 
423. * coeruleomaculatus Lac., II p. 484. 

429. " cylindricus CV.?, IV p. 266. 

430. '/ cunnesius CV., III p. 454. 

431. /' heterocLcilos Blkr, IX p. 198. 

432. « labiosus CV., VI p. 213. 

433. » macrocheilos Blkr, VII p. 43. 

434. " melanochir K. v. H., III p. 423. 

435. // oligolepis Blkr (sub nom. Mug. macrolepis Blkr), III p. 422. 

436. " parsia Ham. Buch.?, UI p. 166. 

437. " Rossii Blkr, VII p. 45. 

438. « sundancnsis Blkr, IV p. 205. 

439. Cestraeus osyrhijnchos CV., FX p. 307. 

440. Cepola Krusensternü Blkr, VI p. 411. 

441. /' mcsoprion Blkr, VI p. 414. 

442. '/ ScLlegelii Blkr, VI p. 412. 

443. Petroskirtes amboinensis Blkr, IV p. 114. 

444. -/ anema Blkr, III p. 273. 

445. » bankanensis Blkr, III p. 727. 



vin p 


173. 


vir p. 


250. 


, III p 


. 701. 



— 483 — 

446. Petroskirtes hypselopterus Blkr:=; Petroskirtes milratus Blkr (nee Riipp.); 

II p. 244, VIII p. 423. 

447. " paradiseus Blkr, VI p. 495. 

448. '/ polijodon Blkr s Bleunecliis polijodon Blkr, I p. 254. 

449. " rhinorhynclios Blkr, III p. 273. 

450. " solorensis Blkr, V p. 81. 

451. " Temminckii Blkr, Il p. 243. 
453. " Thepassü Vlkr, IV p. 136. 

453. Salarias arenatus Blkr, 

454. " celebicus Blkr^ 

455. // ceramensis Blkr, 

456. « Torsteri CV., I p. 255. 

457. " gibbifrons QG., I p. 25G. 

458. // Hasseltii Blkr, I p. 257, VlII p. 174. 

459. '/ Kuhlii Blkr, I p. 25S. 
4G0. " Oortii Blkr, I p. 257. 

461. " perioplithalmiis CV. , IV p. 2G7. 

462. '/ phaiosoma Blkr, VIII p. 317. 

463. -/ priamensis Blkr. IV p. 2G8. 

464. " Raaltenü Blkr, I p. 257. 

465. " Sebae CV. ? X p. 373. 

466. " suraatranus Blkr, I p. 25G. 

467. Opistognatlius solorensis Blkr, V p. Si. 

468. " Sonneratii CV., II p. 221. 

469. Dinematichtbj s iluocoeteoides Blkr, VIII p. 319. 

470. Calliouymiis dactylopus Ed. Benn. , II[ p. 559. 

471. " filamentosus CV., III p. 278. 

472. " melanopterus Blkr, I p. 31. 

473. - ocellatus PalL, VIII p. 423. 

474. /' opercularoïdes Blkr, I p. 32. 

475. '/ Reevesii Richds., V p. 244. 

476. " Ricbardsonii Blkr, VI p. 414. 

477. " sagitta Pall., I p. 31. 

478. </ Scbaapii Blkr, III p. 455. , 

479. Gobiiis anjerensis Blkr, I p. 251. 

480. „ belosso Blkr, VII p. 316. 

481. „ borneënsis Blkr, I p. 10. 
483. " laninoides Blkr, III p. 274. 

483. /' cauerensis Blkr, IV p. 2G9. 

484. ./ celebius CV. ;=3G. phaiosoma 'Blkr =: G. fusiformisBlkr, VII p. 318. 

485. " ceramensis Blkr, III p. 704. 
486.' " nyanotaenia Blkr, IV p 475. 



— 484 — 

487. Gobius cocosensis Blkr, VII p. 47. 

488. " criniger CV. , III p. 453. 

489. " decussatus Blkr, VIII p. 442. 

490. " Fontanesii Blkr, IIT p. 764. 

491. " gastrospilos Blkr, IV p. 477. 

492. « gymnoccphalus Blkr, IV p. 473. 

493. " gymnopomns Blkr, IV p. 270. 

494. '/ Goldmamii Blkr, III p. 167- 

495. " grammepomus Blkr, JX p. 200. 

496. " Hoevenii Blkr., II p. 426. 

497. " interstinctus Eichds., III p. 275. 

498. ' janthinopterus Blkr, III p. 702. 

499. " Kuhlii Blkr, I p. 251. 

500. " melanosoma Blkr, III p. 703. 

501. " microlepis Blkr, VII p. 436. 

502. " nox Blkr, I p. 248. 

503. " oligolepis Blkr, V p. 509. 

504. " opbthalmoporos Blkr, V. p. 340. 

505. " ophthalmotaenia Blkr, VH p. 46. 

506. " oxypterus Blkr, IX p. 400. 

507. " padangensis Blkr, I p. 243. 

508. " periophthalmoïdes Blkr, I p. 249. 

509. '■ petrophilus Blkr, IV p. 476. 

510. " phalaena CV., II p. 244. 

511. " polyopthalmus Blkr, IV p. 474. 

512. " puntang Blkr, II p. 486. 

513. " puntangoides Blkr, V p. 242. 

514. " quinquestrigatus CV., V p. 82. 

515. " Reichei Blkr, V p. 509. 

516. " Richardsonü Blkr, V p. 508. 

517. " sphynx CV., VI p. 103. 

518. // stethophthalmus Blkr, I p. 248. 

519. » sumatranus Blkr, VII p. 83. 

520. .<' tambujon Blkr, VII p. 319. 

521. " tentacularis CV. - G. macrurus Blkr, Vil 

522. " tjilankalianensis Bklr, I p. 251. 

523. " xanthosoma Blkr, III p. 703. 

524. " xanthotaenia Blkr, IX p. 308. 

525. .' Voigtii Blkr, VII p. 83. 

526. .Apocryptes borneënsis Blkr, IX jf. 421. 

527. '■ bracbyptprns Blkr, IX p. 401. 



~ 485 — 

528. Apccryptes macrolepis Blkr, II p. 66. 

529. Sicydiuin cyDocephalum CV. - Gobius Hasseltii Blkr, I p. 250, IX p. 201. 

530. " inacrostetliolepis Blkr, IV p. 271. 

531. " microcepkalus Blkr, Vil p. 437- 

532. " micrurus Blkr, V p. 341. 

533. ■' Parvei Blkr, IV p. 426. 

534. » ïanthurus Blkr, IV p. 271. 

535. AmLlyopus brachysoma Blkr, V p. 510. 
53G. " urolepis Blkr, lïl p. 581. 

537. Periophthalmus •argentilineatus CV., III p. 276. 

538. " borneënsis Blkr, I p. 11. 

539. n chrysospilos Blkr, UI p. 228. 

540. » dipus Blkr, VII p. 320. 

541. « kallopterus Blkr, V p. 342. ' 

542. . Koelreuteri CV., I p. 252. 

543. Eleotris acanthopomus Blkr, IV p. 275. 

544. u amboinensis Blkr, V p. 343. 

545. • aporos Blkr, VI p. 59. 

546. u belobrancha CV., V p. 167. 

547. " cyanostigma Blkr, VIII p. 452. 

548. « cyprinoïdes CV., IV p. 277. 

549. » gyninopomus Blkr, IV p. 274. 

550. // gyrinoïdes Blkr, IV p. 272. 

551. « Hasseltii Blkr, I p. 253. 

552. " heteropterus Blkr, IX p. 422. 

553. ,/ Hoedtii Blkr, VI p. 496. 

554. „ leuciscus Blkr, IV p. 278. 

555. " marmorata Blkr, III p. 424. 

556. » melanosoma Blkr, III p. 705. 

557. " melanopterus Blkr, III p. 70G. 

558. " muralis QG. , III p. 276. 

559. u periophthalmus Blkr, IV p. 477. 

560. V porocephalus CV., V p. 344. 

561. " porocephaloïdes Blkr, V p. 511. 

562. " pseudacanthopomus Blkr, IV p. 276. 

563. „ sexguttata CV., I p. 253. 

564. . Tolsoni Blkr, Vl p. 542. 

565. " urophthalmus ]31kr, II p. 202. 

566. . urophthalmoides Blkr, lY p. 273. 

567. ■' Wolffii Blkr, I p. 253. 

X. 33 



— 486 — 

568. Trichouotus setiger BI. Scha., VII p. 251 =: Trichouotus polyoplithalinus 

Blkr, V p. 243. 

569. Platyptcra aspro V. Hass., IX p. SlO. 

570. Echeneis Nieuhofii Bllcr, IV p, 279. 

571. " remoroïdes Blkr, IX p. 70, 
573. Batraclius diemensis Riclids., III p. 168. 

573. " grunniens CV., II p. 487. 

574. Halieutea stellata CV., III p. 279. 

575. Aiitenuarius cliironectes Comm., VI p. 104. 

576. " hispidus Gant. , III p, 280. 

577. " horridus Blkr. V p. 83 

578. " leucosoma Blkr, VI p. 328. 

579. . Lliidgreeni Blkr, VIII p. 192. 

580. " inolucceusis Blkr, VIII p. 424. 

581. " uesügallicus Cuv., V p. 84. 

582. « notophthahuus Blkr, V p. 544. 

583. " mimmifer Blkr, VI p. 497. 

584. " polyoplitlialmus Blkr , III p. 644. 

585. " raninus Cant., III p. 707. 

586. " uropbthalmus Blkr. =:; Antennarius caudimaculatus Richds. aec 

Rüpp-, II p. 488. 

587. Brachioniclitliys hirsutus Blkr,'VII p. 121. 

588. Pülypterichtbys Valentiui Blkr, IV p. 608. 

589. Kstularia immaculata Comm., III p. 281. 

590. Amphisile scutata Cuv., II p. 245. 

591. Nandus nebulosus Blkr, 111 p. 92. 

592. Catopra fasciata Blkr, II p. 65. 

593. . Grootü Blkr, III p. 90. 

594. " nandoïdes Blkr, II. p. 172. 

595. Pseudochromis fiiscus Miill. Trosch. , III p. TOS, IX p. 69. 

596. " polyacantlins Blkr, X p. 375. 

597. " tapeinosoraa Blkr, IV p. 329. 

598. « xantbochir Blkr, VIII p. 443. 

599. Ciehlups Hellmutbii Blkr, VI p. 329. 

600. -. melanotaenia Blkr, IV p. 765. 

601. « spilopterus Blkr, V p. 168. 

602. V trispilos Blkr, IX p. 110. 

603. Plesiops cueruleolineatus Eüpp. :=; Plesiops melas Blkr, IV p. IIGj 

604. v corallicola Mus. Lugd. , IV p. 280. 

605. -. oxycepbalus Blkr, VU p. 320. 
G06. Prcmnas biaculeatus Blkr, VI p. 105. 



— 487 — 

607. Amphiprion akallopisos Blkr, IV p. 281. 

608. « bifasisatus Blkr, Schu. , III p. 2S2. 

609. " clirysargurns E.iclids. (sub nom. Amphiprion santlmnis Blkr (nee. 

CV), III p. 560. 

610. " epbippiiim BI. Sclin. , VIII p. 321. 
Cll. " melanopus Blkr, III p. 561. 

612. " percula CV., III p, 287. 

613. " perideraion Blkr, IX p. 437. 

614. " Sebae Blkr, IV p. 478. 

615. .' trifasciatus CV., III p. 767. 

616. " xantburnsCV. iVp. 480 (nee Amph. xantlmrusBlkr, IIT p. 560). 

617. Pomacentnis albifaseiatus Schl. iHnll.=i PoraacentruslencoplenraBlkr, VII p. 85. 

618. " bankanensis Blkr, (sub nom. Pomac. taetiiops CV.?^, UI p. 729- 

619. " bifasciatus Blkr, VI p. 330. 

620. " chrysopoeeilus K. v. II., III p. 284. 

621. » fasciatus CV., IV p. 482. 

622. " katunko Blkr, III p. 169. 

623. " littoralis K. v. ET. IV p. 483. 

624. i' melanopterus Blbr, III p. 562. 
62a. " raoluecensis Blkr, IV p. 118. 

626. '/ nematopterus Blkr, III p. 285. 

627. " notophthalmus Blkr. IV p» 137. 

628. " pavo Lac. , II p. 247. 

629. " pavoninus Blkr, V p. 85. 

630. . polynema Blkr, IV p. 283. 

631. » prosopotaenia Blkr, III p. 67. 

632. " pnnctatus QG. =:! Pom. prosopotaenioides Blkr, III p. 286 z: Pom 

cyanospilos Blkr, III p. 709. 

633. " rhodonotus Blkr, IV p. 282. 

634. " taeniops CV. (nee CV.? Blkr), V p. 513. 

635. " taenioraetopon Blkr, III p. 283. 

636. " tapeinosoma Blkr, X p. 376. 

637. " trimaculatus CV., IV p. 481. 

638. Dascyllus aruanus CV., II p. 247, VI p. 108. 

639. V melanurus Blkr, VI p. 109. 

640. » polyacanthns Blkr, IX p. 503. 

641. '/ .xantbosoma Blkr, II p. 247. 

642. '/ xanthurus Blkr, IV p. 117. 

643. Glj'phisodon antjerius K. v. H. CV. VIII p. 454 ==< Glijpbis. Rossü Blkr, 

VII p. 48 =! Glijphis. biocellatus CV., IV p. 280. 

644. -. batjanensis Blkr, VII p. 373. 



— 488 — 

645. Glyphisodon bonang Bllcr, III p. 583. 

646. " lacrymatus QG. , VIII p. 303. 

647. " modestus ScLl. Miill., IV p. 285. 

648. " plagiometopon Blkr, III p. 67. 

649. " rahti CV., III p. 287. 

650. « Schlegelü Blkr, IV p. 138. 

651. " septemfasciatus CV., III p. 582. 

652. " ternatensis Blkr, IV p. 138. 

653. " uniocellatus QG., IV p. 284. 

654. " unimaculatus CV., IV p. 284. 

655. « waigiensis QG. CV., p. 484. 

656. » xauthozona Blkr, IV p. 283. 

657. '/ xanthurus Blkr, V p. 345. 

658. Heliases coeruleus CV.? VIII p. 455. 

659. • " frenatus CV.? Hip. 710. ^ Glyphisodon bandanensis Blkr. II p. 248. 

660. " macrochir Blkr, V p. 346. 

661. " ternatensis Blkr, X p. 377. 

662. " xanthochir Blkr, II p. 248. 

663. " xanthurus Blkr, VI p. 107. 

664. LabricMhijs cyanotaenia Blkr, VI p. 331. 

665. Labroides paradiseus Blkr, II p. 249. 

666. Duymaeria enneacanthus Blkr — «Crenilabrus enneacanthus Blkr, IV p. 120. 

667. " nematopterus Blkr p:; Crenilabrus nematopterus Blkr, II p. 250. 

668. " spilogaster Blkr =: Crenilabrus spilogaster Blkr, VI p. 416. 

669. Crenilabrus oligacanthus Blkr, II p. 489, III p. 68. 

670. Tautoga fasciata CV, IV p. 484, 

671. Cossijphus diana CV., VU p. 86. 

672.' " Schoenleinii Agass., VII p. 252. 

673. Cheilio auratus CV., Il p. 221. 

674. " hemichrijsos CV., II p. 255. 

675. Gomphosus coeruleus Lac. , IV p. 292. 

676. " melanotus Blkr, VIII p. 457. 

677. Kovacula julioides Blkr, II p. 254. 

678. " pavo Blkr, X p. 378. 

679. " pentadactijla CV, II p. 222. 

680. " punctata CV. V p. 170. 

681. '/ taeniurus Blkr =: Novacula cephalotaenia Blkr, VI p. 333. 

682. » Twistii Blkr, X p. 381. 

683. '/ xijrichthijoides Blkr ::5 Xijrichthijs novaculoides Blki, IV p. 122. 

684. Julis (Julis) annulatus CV., IX p. 311. 

685. ,/ ( . ) celebicus Blkr, IX p. 313. 



489 



Jiilis) dorsalis QG., III p. 564. 

Schwanefeldii Blkr, IV p. 288. 

Souleijetii Valenc. , YIII p. 176. 

urostigma Blkr, IV p. 287. 
Halichoeres) annularis K. v. H., V p. 513. 

balteatiis QG., II p. 253. 

bandanensis Blkr, II p. 254. 

binotopsis Blkr, III p. 731. 

casturi Blkr, III p. 768. 

chrijsotaenia Blkr, IV p. 488. 

cijanopleura Blkr, IV p. 489. 

dieschismenacantlius Blkr, III p. 645. 

diescliismenacanthoides Blkr, lY p. 121. 

elegans K. v. H., III p. 289. 

formosus Swaics., V p. 169. 

Hartzfeldii Blkr, III p. 563. 

Hoevenii Blkr, III p. 250. 

hortulanus CV., lY p. 486. 

interruptus Blkr, II p. 252. 

kallochroma Blkr, IV p. 289. 

kallosoma Blkr, III p. 289. 

kallopisos Blkr, V p. 348. 

kawariu Blkr, III p. 172. 

leparensis Blkr, lil p. 730. 

margaritophorus Blkr, lY p. 487. 

melanurus Blkr, III p. 251, var. Y p. 87. 

niiniatus K. v. H., III p. 171 var. V p. 87. 

Dotopsis K. V. H., IV p. 290. 

phaiotaenia Blkr, VIII p. 322. 

phaiopus Blkr, IV p. 291. 

podostigma Blkr, VI p. 333. 

polijopbtbalmus Blkr, III p. 731. 

pijrrhograminatoides Blkr, lY p. 490. 

prosopeion Blkr, V p. 347. 

llenardi Blkr, II p. 253. 

solorensis Blkr, V p. 86. 

spilurus Blkr, II p. 252. 

strigiventer Benn., II p. 251. 

Temminckii Blkr, IV p. 491. 

timorensis Blkr, III p. 171. 

Vrolikii Blkr, VIII p. 323. 



490 



727. Cirrhilabrus cijanopleura Blkr = Cheilinoides cijanopleiira Blkr, II p. 70. 

728. " solorensis Blkr, V p 88. 

729. Cheilinus celebius Blkr, V p. 171. 

730. " ceramensis Blkr, III p. 290. 

731. " decacanthus Blkr, II p. 256. 

732. " notopMhalmus Blkr, IV p. 493. 

733. /' oxijcephalus Blkr, V p. 349. 

734. " tetrazona Blkr, IV p. 293. 

735. » undulatiis Rüpp. lY p. 493. 

736. Scarus capistratus K. v. H? , IV p. 497. 

737. " celebicus Blkr, VII p. 253. 

738. '/ cijanotaenia Blkr, VI p. 197. 

739. " coeruleopunctatus Küpp., VI p. 110. 

740. « Dussumierü CV, IV p. 494. 

741. " fraenatus Lac, III p. 770. 

742. " gijmnognathos Blkr, IV p. 498. 

743. " hijpselopterus Blkr, IV p. 496. 

744. " janthochir Blkr, IV p. 139. 

745. >' javanicus Blkr, VI p. 198. 

746. " macrocheilos Blkr, VI .p. 60. 

747. " mastax Rüpp., VI p. 199. 

748. « microrhinos Blkr, VI p. 200 VII p. 438. 

749. » naevius CV., III p. 769. 

750. « .psittacus Torsk., IV p. 495. 

751. " pulchellus Eüpp., VII p. 440. 
?62. « Quoiji CV., IV p. 607. 

753. /' singaporensis Blkr, III p. 69. 

754. » strongijloeephalus Blkr, VII p. 439. 

755. " Troschelii Blkr, IV p. 498. 

756. " xanthopleura Blkr, IV p. 499. 

757. Callyodon genistriatus CV., VI p. 111. 

758. '/ hijpselosoma Blkr, VIII p. 425. 

759. // waigiensis CV., II p. 256. 

760. "VVallago dinema Blkr, II p. 202. 

761. « heterorhijncLos Blkr, V p. 514. 

762. - Leerii Blkr, II p. 427. 

763. '/ leiacanthus Blkr, V p. 189. 

764. Silurus bicirrhis CV., I p. 271. 

765. » crijptopterus Blkr, I p. 270. 

766. '/ hexapterus Blkr, II p. 203. 

767. » lais Blkr, II p. 42S. 



— 491 — 

76S. Silurus leptonema Blkr, III p. 584. 

769. " limpok Blkr, III p. 5S3. 

770. ■' macronema Blkr, II p. 203. 

771.. " niicropogon Blkr s Lilurus apogon Blkr, II p. 67. 

772. " palembangensis Blkr, III p. 584. 

773. ■' phaiosoma Blkr, II p. 42S. 

774. « phalacronotus Blkr, II p. 429. 

775. Pangasius heianema Blkr, III p. 5SS. 

776. " juaro Blkr, IH p. 5S9. 

777. " macrouema Blkr, I p. 11. 

778. " polijuranodon Blkr , III p. 425. 

779. ' riüs Blkr, II p. 205. 

780. Bagrichthijs hijpselopterus Blkr ^ Bagrus hijpselonterns Blkr, III p. 5S8, 

781. Bagroiiles macropterus Blkr, V p. 515. 

782. " melanopterus Blkr, II p. 204. 

783. " uiacracanthus Blkr, VII p 88. 

784. Bagrus galio CV., VII p. 163. 

785. " pueciiopterus K. v. H. (juu. sub. uum. Bagr. micropogon Blkr), III 

p. 94, V p. 443. 

786. " Wolffii Blkr, II p. 205. 

787. Arius borneëüsis Blkr, II p. 67. 

788. / melanochir Blkr, III p, 590. 

789. /' inicrocephalus EikT, IX p. 423. 

790. ' truncatus CV., III p. 426. 

791. Ketengus tijpus Blkr, I p. 271. 

792. Pimelodus borneënsis Blkr, II p. 430. 

793. n melanogaster Blkr, VII p. 89. 

794. " platijpogon K. v. H., III p, 591. 

795. ,/ platijpogonides Blkr, IX p. 272. 

796. " pleurostigma Blkr, VII p. 443. 

797. " zonatus Blkr, VII p. 444. 

798. Clarias leiacanthus Blkr, lY p. 430. 

799. " melanosoma Blkr, III p. 427. 

800. " pentapterus Blkr, II p. 206. 

801. Heterobranchus tapeinopterus Blkr, II p. 732. 

802. Chaca bankacensis Blkr, II p. 455, VIII p. 1G6 

803. Plotosus albilabris CV., III p. 70. 

804. " castaneoides Blkr, II p. 491. 

805. Barbus amblijcenhalus Blkr, VIII p. 166. 

806. V binotatus Kuhl, IX p. 408. 

807. " blitoneasis Blkr, II p. 96. 



— 49a — 

808. Barbus douronensis CY. , Til p. 91. 

809. " fasciatus Blkr, Y p. 190. 

810. " gobioides Blkr, III p. 592. 

811. " heteronenia Blkr, Y p. 446. 

812. n Hoevenii Blkr, Il p. 207. 

813. « Hugueninl Blkr, IV p. 294. 

814. " javanicus Blkr, IX p. 403. 

815. > kusanensis Blkr, III p. 429. 

816. " laevis CV., V. p. 417. 

817. " lateristriga CV., III p. 95. 

818. " macracanthus Blkr, V p. 516.' 

819. " macropbthalmiis Blkr, IX p. 404. 

820. " marginatus GY., V p. 518. 

821. " platijsoma Blkr, IX p. 404. 

822. » repassoH Blkr, IV p. 295. 

823. u rubripinris K. v. IL, CV., IX p 406. 

824. " Schwanefeldii Blkr, Y p. 517. 

825. " -soro CY., VII p. 90. 

826. Labeobarbus tambroides Blkr, YII p. 92. 

827. Luciosoma setigerum Blkr, IX p. 264. 
•828. " spilopleura Blkr, IX p. 265. 

829. Systomus albuloides Blkr IX p. 425. 

830. ,/ apogon CV., III p. 428. 

831. " apogonldes Blkr, IX p. 410. 

832. " bulu Blkr, II p. 207. 

833. « janthochir Blkr, Y p. 448. 

834. // lawak Blkr, IX p. 411. 

835. " melanopterus Blkr, (jun. sub nom Barb. melanopter, Blkr), lp. 11 

Y. p. 449. 

836. " microlepis Blkr, I p. 12. 

837. « truncatus Blkr, X p. 13. 

838. Capoeta ampalong Blkr, III p. 594. 

839. " Ueventeri Blkr, IX p. 413. 

840. '/ enoplos Blkr, Il p. 431. 

841. » javanica Blkr, IX p. 412. 

842. '/ microlepis Blkr, II p. 206. 
S43. " oligolepis Blkr, IV p. 296. 

844. -/ padangensis Blkr, III p. 593. 

845. " tetrazona Blkr, IX p. 262. 

846. Daii-ila fasciata Blkr, IV p. 297. 

847. " ocellata Blkr z: Dauglla inicrolepis Blkr, III p. 593. 



— 493 — 

SJiS. Dangila spllunis Blkr, I p. 273. 

S49. " sumatraua Blkr, III p. 590. 

.850. Ruhita Artedii lilkr, II p. 434. 

S5I. " bracliynotopterus Blkr, IX p. 266. 

S53. " cyauomelas Blkr, III p. 597. 

S53. » enneaporos Blkr, III p. 596. 

854. " erythrurus CV., V p. 452. 

855. .' Hasseltii CV., V p. 450. 
S5G. " luelaaopleura Blkr, III p. 430. 
S57. " oligülepis Blkr, V p. 191^ 
S5S. " polyporos Blkr, V p. 520. 

859. V -Sclilcgelii Blkr, Il p. 434, IX p. 426. 

860. . triporos Blkr, 111 p. 59S. 
801. .. vittata CV., V p. 451. 
SG2. ., Waandersü Blkr, III p. 733. 
SC3. Lobocheilos cobitis Blkr, V p. 522. 
804. >. falcifer V. Hass., V p. 521. 
865. - plcurotaenia Blkr, IX p. 267. 
SCO. .. SchwauefelJii Blkr, V p, 523. 

807. Epal